NIEUWSBRIEF VAN DE WERKPLAATS BASISINKOMEN

 

Nummer 3 oktober 1992, ISSN 0924-3038

Inhoudsopgave

 

Redaktioneel

Politieke Jongerenorganisaties wijzen basisinkomen vooralsnog af

Reactie Vereniging Basisinkomen op rapport "tijd voor zelfstandigheid"

Groen Links: basisinkomen verdwijnt uit beeld

Verslag van de discussiemiddag van 20 juni 1992

Boeken, boeken!

Uit de pers...

 

Redaktioneel

Zo, deze zomer is ook weer voorbij. Velen waren met vakantie, het was zo rustig dat je het gevoel kreeg dat er al een basisinkomen was. Toch heeft ook deze zomer het basisinkomen geen rust gehad, in deze nieuwsbrief zult u dat kunnen lezen.

In de pers was de afgelopen periode weer het één en ander te vernemen over het basisinkomen, zodat er in dit nummer iets valt te melden. De boekenrubriek is deze keer 10 pagina's lang, ook een teken dat de discussie nog volop gaande is.

Verder maken een verslag en een reactie, samen met nog enige andere artikelen, deze nieuwsbrief interessant genoeg om er een uurtje aan te spenderen.

Frans Jacobs

 

Politieke Jongerenorganisaties wijzen basisinkomen vooralsnog af

Op het door de Vereniging georganiseerde forum van 30 september j.l. hebben de politieke jongerenorganisaties een basisinkomen vooralsnog van de hand gewezen. Het CDJA, de Jonge Socialisten, de JOVD en de Jonge Democraten zijn van mening dat de maatschappij nog niet rijp is voor een geïndividualiseerd uitkeringsrecht dat bovendien nog losgekoppeld is van de plicht tot het verrichten van betaalde arbeid.

Vooral het CDJA zet vraagtekens bij de individualisering van de sociale zekerheid. Volgens het CDJA leidt individualisering tot anonimisering van de samenleving waardoor burgers niet meer aanspreekbaar zijn op hun verantwoordelijkheden. De andere jongerenorganisaties wijzen individualisering af om financiële redenen. Een geïndividualiseerd uitkeringsrecht zou op dit moment onbetaalbaar zijn.

De jongerenorganisaties vinden dat de huidige arbeidsplicht genuanceerd geïnterpreteerd moet worden. Zolang er niet sprake is van een op het individu gericht arbeidsmarktbeleid kan er moeilijk sprake zijn van een arbeidsplicht.

De jongerenorganisaties zien evenwel piets in een uitkeringsrecht wat losgekoppeld is van de plicht tot het verrichten van betaalde arbeid. \Vel erkennen de jongerenorganisaties dat hierdoor de waarde van onbetaalde arbeid onvoldoende onderkend wordt. Ook het bewust kiezen voor herverrichten van zorgtaken kan door het opleggen van een arbeidsplicht in de knel komen.

Oplossingen voor deze problemen dienen echter volgens de jongerenorganisaties gezocht te worden in de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid en niet in de invoering van een basisinkomen.

Aalze Koster

 

Reactie Vereniging Basisinkomen op rapport "tijd voor zelfstandigheid"

De Vereniging Basisinkomen heeft teleurgesteld gereageerd op het rapport "Tijd voor zelfstandigheid" van Groen Links. In het rapport geeft Groen Links haar visie op hoe in Nederland een basisinkomen tot stand moet worden gebracht.

De commissie, die het rapport geschreven heeft. stelt voor een gedeeltelijk basisinkomen in te voeren in de vorm van een negatieve belasting. Op de lange termijn zou dit aangevuld moeten worden met een basisuitkering.

De Vereniging Basisinkomen heeft middels een brief Groen Links te kennen gegeven het te betreuren dat zij niet tot de conclusie is gekomen dat er in Nederland een volledig basisinkomen ingevoerd kan worden.

De Vereniging betreurt het bovendien dat Groen Links in de discussie over het basisinkomen nog te veel de nadruk blijft leggen op betaalde arbeid. Daarmee wordt volgens de Vereniging Basisinkomen voorbij gegaan aan de maatschappelijke waarde van onbetaalde arbeid. Ook wordt op die manier onvoldoende aandacht besteed aan de discussie rond de herverdeling van betaalde en onbetaalde ar beid.

De volledige tekst van de reactie van de Vereniging Basisinkomen kunt u middels een briefje opvragen bij het secretariaat van de Vereniging, Herman Heijermansweg 20, 1077 WL Amsterdam.

Aalze Koster

 

Groen Links: basisinkomen verdwijnt uit beeld

Binnen Groen Links heeft de discussie over het basisinkomen al enige tijd de kenmerken van een loopgravenoorlog. Voor- en tegenstanders kwamen niet tot elkaar. Tot nu toe zijn door de partij geen echte keuzes gemaakt. Enige tijd geleden stelde het partijbestuur een commissie in om het huidige sociale zekerheidsstelsel tegen het licht te houden. In de commissie zaten zowel voor- als tegenstanders van het basisinkomen. Hun opdracht was om niet naar de verschillen, maar naar de overeenkomsten in hun standpunten te kijken.

Dit voorjaar bracht de commissie zijn rapport "Tijd voor zelfstandigheid" uit. Geen rapport waarin de voors en tegens van een basisinkomen nog eens inhoudelijk op een rij worden gezet, maar een visie op welke veranderingen tot het jaar 2010 nodig en betaalbaar zijn in het sociale zekerheidsstelsel.

Het rapport pleit voor een grondige verbouwing van de sociale zekerheid. De bouwmaterialen voor een nieuw stelsel zijn: economische zelfstandigheid, zorgzelfstandigheid en arbeidsduurverkorting. De commissie pleit voor afschaffen van het kostwinnersmodel. Ieder individu moet de mogelijkheid hebben om voor zichzelf en anderen te zorgen naast een betaalde baan. Ieder heeft recht op betaald werk. Dus is een kortere werkweek nodig.

Groen Links moet volgens de commissie uitgaan van een arbeidsbestel waarin iedereen een bijdrage moet leveren aan de maatschappelijk noodzakelijke arbeid. De commissie is verdeeld over de vraag of daar arbeidsplicht bijhoort. Wel moet de huidige "workaholic-moraal" worden teruggedrongen.

Ieder heeft recht op een inkomen, ongeacht het inkomen van een eventuele partner. Lukt het niet om zo'n inkomen via betulde arbeid te verdienen, dan ontvangt men een uitkering. Mensen moeten een grotere vrijheid hebben bij het kiezen van hun werktijden. Er moeten meer mogelijkheden komen om naast een uitkering bij te verdienen. Het arbeidsbestel en de sociale zekerheid moeten bijdragen aan een duurzame ecologische economie. Dat betekent verschuiven van de lasten, die op arbeid drukken, naar grondstoffen en kapitaal. Een heffing op de netto toegevoegde waarde dus. Een beperkte verhoging van de collectieve lasten acht de commissie aanvaardbaar, mits die bijdraagt aan een beter arbeidsbestel en het systeem van sociale zekerheid.

De commissie doet rondom de sociale zekerheid voorstellen voor de komende jaren en voor de periode 1996-2010. Op korte termijn moet er een beleid van "gerichte armoedebestrijding" worden gevoerd. In plaats van de eis uit het verkiezingsprogramma, dat de uitkeringen met 15% moeten worden verhoogd om de opgelopen achterstand in te halen, doet de commissie een nieuw voorstel.

Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen mensen die nooit meer aan het werk zullen komen, en mensen die die kans nog wel hebben. Zo wordt de AOW voor mensen zonder aanvullend pensioen verhoogd. Werklozen boven de 50 jaar houden een uitkering van 70% tot ze 65 jaar zijn. De uitkeringen van vroeggehandicapten en mensen in de bijstand die ouder zijn dan 50 jaar of langer dan 5 jaar werkloos, gaan met 10% omhoog. En verder pleit de commissie voor verhoging van de kinderbijslag, herstel van de automatische koppeling en het invoeren van gemeentelijke heffingen naar gebruik in plaats van per huishouden, wat alleenstaanden benadeelt.

In het rapport wordt gepleit voor het omzetten van de belastingvrije voet in een negatieve inkomstenbelasting van 2400 gulden per jaar. Dat bedrag krijgt iedereen. Optimisten kunnen daar een eerste stap naar het basisinkomen in zien. In de toekomst moet het stelsel van sociale zekerheid bestaan uit een basisuitkering met daarbovenop voor bepaalde groepen een toeslag. Zo zijn er toeslagen uitgewerkt voor alleenstaanden, ouderen, langdurig werklozen en alleenstaande ouders/verzorgers. Verder zal er bovenop de basisuitkering een werknemersverzekering tegen arbeidsongeschiktheid en werkloosheid moeten zijn. Om het systeem betaalbaar te houden wil de commissie het geleidelijk invoeren, te beginnen met mensen onder de 25 jaar in 1996. Elk jaar komen daar dan een aantal geboortejaren bij. In 2010 valt iedereen onder het nieuwe stelsel.

Om iedereen het recht op werk te geven pleit de commissie voor invoering van een 32-urige werkweek in 1998. Niet vast te leggen in een wet, maar in c.a.o’s en liefst in een centraal akkoord tussen werkgevers en werknemers. De overheid moet de invoering van de 32-urige werkweek via allerlei maatregelen stimuleren.

Bijvoorbeeld door via de werkgevers- en werknemerspremies korter werken financieel aantrekkelijk te maken. Ook moet er een wettelijk recht op een 32-urige werkweek komen. En werklozen hoeven maximaal 32 uur beschikbaar te zijn voor betaalde arbeid.

Tot zo ver heeft het rapport een laag basisinkomen-gehalte. Dat is ook geen wonder gezien de opdracht van de commissie. Over het stelsel, zoals hierboven aangegeven, is de commissie het eens. Dat geldt niet voor de vraag of er in zo'n stelsel sprake moet zijn van een formele arbeidsplicht. Daarover leven in de commissie twee opvattingen.

Allereerst de argumenten van de voorstanders van een arbeidsplicht. Zij menen dat het stelsel van sociale zekerheid alleen betaalbaar is als er alleen mensen een beroep op doen voor wie het niet mogelijk is om zelf een inkomen te verdienen. En ze hanteren een nieuw argument; als mensen een basisinkomen hebben moeten ze worden "verleid" om aan het werk te gaan, en dat leidt bijvoorbeeld tot veel te hoge lonen. Dat kunnen de economie en het millieu niet dragen.

Een ander deel van de commissie is tegen een formele arbeidsplicht. Zij vinden dat mensen een recht op zelfbeschikking hebben. Het sociale zekerheidsstelsel biedt mensen een sociaal minimum. Dan is het financieel aantrekkelijk om te werken. Dat is voldoende prikkel, dan is er geen arbeidsplicht nodig. De voorstanders van een arbeidsplicht vinden wel dat die plicht "gematigd" moet zijn, en beperkt tot 32 uur per week. Boven de 50 . jaar kan de arbeidsplicht worden afgeschaft wat hen betreft.

Tot zover de plannen tot 2010. Wat er daarna gebeuren moet, is niet uitgewerkt in "Tijd voor zelfstandigheid". Er worden een aantal visies genoemd. Men zou het voorgestelde systeem kunnen handhaven, of verder gaan op het pad van de volledige individualisering. De derde visie die genoemd wordt is die van het volledig basisinkomen. De commissie vindt dat Groen Links nu geen keuze uit deze visies moet maken.

Uitgesproken voorstanders van een basisinkomen zullen teleurgesteld reageren op het rapport. Zo schreef Bram van Ojik in de Groen Links-krant van juni j.l. dat hiermee het basisinkomen tot 2010 in de ijskast staat zonder dat er een perspektief is dat het er daarna weer uitgehaald wordt. Hij verwijt de commissie dat ze een voorstel doet dat weinig werfkracht heeft, omdat het Groen Links niet of nauwelijks zal onderscheiden van wat anderen al vinden. Bovendien blijft het stelsel van sociale zekerheid zeer ingewikkeld in de voorgestelde opzet. Het congres van Groen Links zal op 30 en 31 oktober een standpunt over het rapport moeten innemen.

Greetje Lubbi

 

Verslag van de discussiemiddag van 20 juni 1992

In aansluiting op de algemene ledenvergadering is op 20 juni j.l. een discussiemiddag gehouden over de relatie tussen het rapport Wolfson en het basisinkomen.

In het rapport W olfson wordt het basisinkomen van de hand gewezen. Door het invoeren van een basisinkomen zou men volgens het rapport minder geneigd zijn betaalde arbeid te verrichten, het basisinkomen zou daardoor de maatschappelijke integratie van mensen ondergraven. Tegelijkertijd zou het invoeren van een basisinkomen betekenen dat het (financiële) draagvlak van de sociale zekerheid ondermijnd wordt

In de discussie is met name benadrukt dat de veronderstellingen van het rapport Wolfson niet altijd even goed aansluiten op de huidige realiteit. Het rapport Wolfson legt te veel nadruk op de betaalde arbeid. Belangrijk is juist ook om de waarde van de onbetaalde arbeid te onderkennen. Ook deze arbeid levert een bijdrage tot maatschappelijke participatie. Denk maar eens aan het verrichten van vrijwilligerswerk.

Beide vormen van arbeid zouden in de discussie meegenomen kunnen worden door het begrip emancipatie, wat volgens het rapport Wolfson aangemerkt moet worden als één van de uitgangspunten van beleid, breder te hanteren. Emancipatie is dan niet alleen het "zich los van anderen kunnen ontplooien" maar ook het kunnen maken van vrije keuzes. Bij dit laatste kan gedacht worden aan de keuze om al of niet betaald werk te verrichten. De overheid zou deze keuzevrijheid kunnen honoreren door de arbeidsplicht uit de Algemene Bijstandswet te lichten. In wezen betekent het aldus ontstane recht op bijstand een eerste aanzet tot een basisinkomen.

Aalze Koster

 

 

Boeken, boeken!

Philippe van Parijs (red.), Arguing tor Basic lncome. Ethical Foundations tor a Radical Reform, Verso, Londen 1992, 288 pagina's, 12,95 engelse pond (te bestellen bij Verso, 6 Meard Street, London WIV 3HR).

Onlangs verscheen dit belangwekkende boek met een groot aantal bijdragen van gerenommeerde auteurs die zich voor dan wel tegen het basisinkomen uitspreken. Het gaat daarbij vooral om de ethische vragen rond het basisinkomen. Tot de auteurs behoren onder meer Brian Barry. Robert Goodin, André Gorz, Sill Jordan, Claus Offe, Guy Standing en Philippe Van Parijs. In een volgend nummer van de Nieuwsbrief zal uitgebreider aandacht aan dit boek worden besteed.

Bas van Stokkom, De republiek der weerbaren, Wiardi Beckman Stichting / Bohn Stafleu Van Loghum, Houten 1992.

In deze publikatie van het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid probeert de socioloog Bas van Stokkom een andere wending te geven aan het debat over burgerschap. De laatste paar jaar worden de begrippen burgerschap en burgerzin te pas en te onpas gebruikt. Van Stokkom noemt burgerschap zowel een 'hoera' -begrip als een 'kapstok' -begrip. Een hoerabegrip, omdat tegenwoordig alle politieke stromingen burgerschap als iets goeds, iets positiefs beschouwen; een kapstok-begrip, omdat iedereen er onder verstaat wat ie wil. Hij verzet zich tegen de tendens om burgerschap vooral met plichten en verantwoordelijkheden te associëren. Het dient naar zijn mening evenzeer met participatie en rechten te worden verbonden. Hij wil het daarom liever niet over 'burgerzin' hebben: dat betekent slechts, dat burgers zich netjes aan de regels moeten houden.

Burgerschap is in de eerste plaats een politiek concept De oorsprong ligt in de stadstaat (polis) van het oude Griekenland. Het ideaal van burgerschap was toen, dat burgers actief deelnemen aan het democratisch bestuur: zij regeren èn worden geregeerd. Een belangrijk element daarin is het beginsel van gelijkheid. Alle burgers hebben dezelfde toegang tot publieke organisaties en hun stem telt even zwaar.

Burgers beschikken over politieke, burgerlijke (civiele) en sociale rechten. Denk aan stemrecht, vrijheid van meningsuiting en recht op een minimaal inkomen. Daarnaast hebben zij ook plichten, zoals het naleven van de wet en het betalen van belasting. In een democratie overheersen echter de rechten. Het heeft bovendien vaak geen zin om actieve burgerplichten op te leggen. Het is bijvoorbeeld de vraag of een stemplicht de democratie bevordert. Democratie wordt niet gediend door a-politieke burgers in de politieke arena te lokken. Om vergelijkbare redenen moet ook (militaire of maatschappelijke) dienstplicht worden afgewezen, noodsituaties uitgezonderd.

Dat betekent niet, dat burgerschap kan worden gereduceerd tot een reeks passieve plichten. Burgerschap betekent ook dat men verantwoordelijkheden draagt. Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat men ingrijpt wanneer men (in het werk of elders) misstanden signaleert. De discussie over rechten en plichten heeft natuurlijk vooral ook betrekking op arbeid. Van Stokkom leunt, in zijn ideeën op dit terrein, sterk op het gedachtengoed van de duits-engelse socioloog Dahrendorf. Deze constateert, dat (betaalde) arbeid in onze samenleving een zeer hoge status heeft. maar dat tegelijkertijd een groot deel van de bevolking verstoken blijft van een baan. Niettemin wordt door sociaal democraten momenteel sterk de plicht om passende arbeid te zoeken en te aanvaarden, benadrukt. Van Stokkom bekritiseert deze houding. Het recht op arbeid kan in een markteconomie nooit worden gegarandeerd. Bovendien kunnen 'werk-onwillige' werklozen die worden bestraft met een korting op hun uitkering, onder het bestaansminimum zakken dat iedere burger nodig heeft om volwaardig te kunnen participeren. Men sluit ze uit: in feite ontzegt men hen de status van burgerschap.

Terwijl burgerschap een algemeen geldend recht is, is arbeid een particulier contract dat een fundamenteel vrijwillig karakter heeft (Dahrendorf). Het gaat dan ook niet aan, om burgers die een dergelijk contract weigeren te straffen met het ontnemen van hun burgerschapsrecht.

Op deze overwegingen baseert Van Stokkom zijn pleidooi voor een gedeeltelijk basisinkomen. Omdat dit niet genoeg is om van te leven, worden werklozen gestimuleerd om werk te zoeken. Maar zij zouden, indien zij een burgerdienst verrichten of een herintredingsprogramma doorlopen (bv. om- of bijscholing) een aanvulling op het basisinkomen moeten ontvangen. De drie grote voordelen van een dergelijk basisinkomen zijn:

  1. De premie op passiviteit wordt ongedaan gemaakt
  2. De stigmatisering, vernedering en ondermijning van het zelfrespect van uitkeringsgerechtigden worden verminderd
  3. De mogelijkheden van 'zwakke' groepen om zich terug te trekken uit onderbetaald of omvaardig werk, worden vergroot.

Het gedeeltelijk basisinkomen leidt tot een ander type solidariteit, waarin niet betaalde arbeid, maar participatie in de breedste zin van het woord ('nuttige activiteiten') de morele rechtvaardiging vormt voor een aanspraak op een uitkering.

Tot zover de hoofdlijn van Van Stokkoms betoog. Het bovenstaande is gebaseerd op een stuk dat hij schreef voor een studiemiddag van de werkgroep onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen op 8 mei 1992. Op deze bijeenkomst bleek, dat de interpretatie die Van Stokkom geeft aan het begrip burgerschap, op veel instemming kon rekenen van de aanwezigen. Maar minder steun kreeg hij voor zijn idee, dat een dergelijke opvatting van burgerschap slechts tot een gedeeltelijk basisinkomen dient te leiden. Want zolang men van het basisinkomen niet kan rondkomen, is er toch slechts sprake van een voorwaardelijk recht op burgerschap. Tegenover het recht op een bestaansminimum staat dan immers nog een plicht tot het verrichten van bepaalde activiteiten. Wie bepaalt bovendien wat 'nuttige activiteiten' zijn die recht geven op een aanvulling op het basisinkomen? Op de praktische aanbevelingen van Van Stokkom valt dus wel wat af te dingen. Dat neemt niet weg, dat zijn bijdrage aan het burgerschapsdebat verfrissend mag worden genoemd. Het kan zowel voor de voorstanders van het basisinkomen als voor de 'traditionele' sociaal-democratische tegenstanders een 'eye opener' zijn om eens vanuit deze hoek tegen het basisinkomen aan te kijken. Wellicht biedt deze benadering zelfs perspectieven voor een toenadering tussen beide groepen.

Centraal Planbureau. Nederland in Drievoud, Sdu Uitgeverij Plantijnstraat, Den Haag 1992 (391 pagina's, f 89, ).

Het Centraal Planbureau (CPB), de 'Rekenmeester' van de regering, is met de publikatie van twee nieuwe toekomststudies een nieuwe weg ingeslagen. Trachtte het CPB in het verleden vooral de meest waarschijnlijke toekomst te voorspellen, in deze nieuwe studies pretendeert het slechts een aantal mogelijke scenario's of toekomstbeelden te schilderen. In het eerst gepubliceerde rapport, Scanning the Future, worden vier scenario's van de ontwikkeling van de wereldeconomie tot het jaar 2015 beschreven. In het wat later gepubliceerde Nederland in Drievoud worden van drie van deze vier scenario's de consequenties voor Nederland geschetst.

In het scenario 'Global Shift' verschuift het zwaartepunt van de wereldeconomie naar Amerika en het Verre Oosten. Europa raakt in het slop, hetgeen uiteraard niet ongemerkt aan Nederland voorbijgaat. Omdat - zo veronderstelt het CPB - bovendien de ontwikkelingen zo'n beetje op hun beloop worden gelaten, zijn de gevolgen voor Nederland weinig minder dan rampzalig. Werkgelegenheid en economische groei stagneren, werkloosheid en collectieve uitga ven lopen sterk op, tot rond het jaar 2015 de wal het schip keert. Maar dan is het al te laat om de schade nog beperkt te houden.

Het 'European Renaissance' scenario vormt hiervan het spiegelbeeld. Terwijl Amerika achterop raakt, gaat het Europa voor de wind. De verworvenheden van de Westeuropese verzorgingsstaten kunnen grotendeels intact worden gelaten, mits allerlei regelingen selectiever en strikter worden toegepast. Overheid, werkgevers en vakbonden werken nauw samen. Er wordt een veel actiever arbeidsmarktbeleid gevoerd en uitkeringsgerechtigden die werk weigeren worden streng aangepakt. Het in dit scenario gevoerde beleid heeft wel iets weg van wat de Commissie Wolfson in Niemand aan de kant aan de PvdA heeft voorgesteld.

Het meest verrassend is het derde scenario, 'Balanced Growth’ waarin alle regio's in de wereld zich economisch voorspoedig ontwikkelen. Er wordt ondermeer op mondiaal niveau tot een energieheffing besloten, waardoor het energieverbruik fors wordt beperkt. In Nederland voert de overheid een beleid dat alle ruimte laat voor de vrije markt. Het CPB stelt, dat dit kan worden bereikt door een groot aantal inkomensoverdrachten (uitkeringen, subsidies, aftrekposten) te vervangen door een basisinkomen in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting. Dit basisinkomen zou geleidelijk moeten worden ingevoerd en uiteindelijk (uiterlijk in 2015) gelijk moeten zijn aan de helft van het sociaal minimum voor een (echt)paar, zeg 50 procent van het netto minimumloon (al wordt dat in dit scenario afgeschaft). Om te zorgen dat in beginsel iedereen van alleen het basisinkomen kan leven, mag de koopkracht van het basisinkomen in 2015 niet lager zijn dan een alleenstaanden uitkering in 1990. Hoewel het CPB dus van een relatief laag basisinkomen uitgaat (het gemiddelde reële inkomen zal in 2015 ten opzichte van 1990 namelijk zijn verdubbeld), is het in zekere zin toch een volledig basisinkomen.

De positieve effecten die het CPB hiervan verwacht, zullen de voorstanders van het basisinkomen bekend in de oren klinken:

Hoewel het 'Balanced Growth' scenario in een aantal opzichten nogal 'rechts' aandoet (nadruk op de vrije markt, de verzorgingsstaat wordt grotendeels uitgekleed), bevat het voor 'linkse' voorstanders van het basisinkomen toch interessante aspecten. Vooral natuurlijk het feit dat een gerenommeerd instituut als het Centraal Planbureau voor het eerst een positief beeld van een 'volledig' basisinkomen schetst. Daarmee krijgen de pleitbezorgers van het basisinkomen onverwacht rekenresultaten in de schoot geworpen die door tegenstanders niet simpelweg als 'onrealistisch' kunnen worden afgedaan. Ook als men een wat hoger basisinkomen voorstaat dan het CPB, kunnen de positieve uitkomsten van het CPB toch niet ineens in hun tegendeel omslaan. Het rapport lijkt dan ook een uitstekend aangrijpingspunt om de discussie over het basisinkomen opnieuw aan te zwengelen.

Centraal Planbureau, Belastingen en sociale zekerheid in discussie: individualisering en ministelsel, Werkdocument no.4.4., Den Haag, mei 1992.

In dit werkdocument wordt nagegaan wat de gevolgen zijn van individualisering van de belasting heffing en de sociale zekerheid en van de invoering van een zogeheten ministelsel Individualisering van de belastingen betekent dat de zogenaamde voetoverheveling (ook wel bekend als de kostwinnerstoeslag) wordt afgeschaft. Volgens het CPB zullen dan bijna 400.000 meer vrouwen een (klein) baantje gaan zoeken, aangezien dit lonender wordt. Dit heeft een klein positief effect op de economische groei en werkgelegenheid. Van individualisering van de sociale zekerheid zijn verschillende varianten doorgerekend. Verondersteld wordt, dat het recht op een bijstandsuitkering niet meer afhankelijk is van het inkomen van de partner. De hoogte van deze geïndividualiseerde bijstand bedraagt in de eerste variant 70% van het nettominimumloon, in de tweede variant 50% en in de derde variant 70% voor alleenstaanden en 50% voor samenwonenden. Bij het berekenen van de gevolgen hiervan maakt het groot verschil of alleen degenen die daadwerkelijk op zoek zijn naar een baan een bijstandsuitkering krijgen, of dat alle 'afhankelijke partners' (zeg huisvrouwen) een uitkering kunnen ontvangen. In het tweede geval – het CPB spreekt dan van 'oneigenlijk gebruik' - zullen de kosten uiteraard veel hoger zijn. In feite lijkt de bijstand dan veel op een basisinkomen (al raakt men het wel kwijt als men betaald gaat werken).

Van de eerste variant (zonder oneigenlijk gebruik) verwacht het CPB overwegend kleine. maar gunstige effecten. Er bieden zich ook in dit geval extra vrouwen op de arbeidsmarkt aan, maar nu alleen partners van mannen met een bijstandsuitkering, die immers niet meer wordt 'gekort' als de vrouw gaat werken. Uiteindelijk heeft dit ook een klein positief effect op de werkgelegenheid.

Wordt er maximaal 'oneigenlijk' gebruik gemaakt van de geïndividualiseerde bijstandsuitkering, dan zijn de gevolgen volgens het CPB "dramatisch". Het leidt tot massale terugtrekking van partners, die nu immers ook zonder baan een inkomen kunnen krijgen: driekwart van hen houdt op met (betaald) werken. Dit resulteert in tekorten op de arbeidsmarkt, sterk stijgende lonen en een inzakkende economische groei en werkgelegenheid.

Tot slot berekent het CPB ook wat de gevolgen zijn van de invoering van een ministelsel van sociale zekerheid, een stelsel waarin alleen nog uitkeringen op minimumniveau bij wet geregeld worden. Daarbij veronderstelt het CPB. dat er geen aanvullende particuliere verzekeringen worden afgesloten. Iedere werkloze of arbeidsongeschikte valt dus onmiddellijk terug op een minimumuitkering. Het gevolg hiervan zou een sterke daling van de loonvoet zijn, hetgeen resulteert in een forse economische groei en een nog sterkere stijging van de werkgelegenheid.

Raf Janssen, Arbeid, tijd en geld ontschaarsen: een nieuwe kijk op armoede en burgerschap, Commissie Oriënteringsdagen, Utrecht 1992.

In een tijd dat alle grote ideologieën hebben afgedaan en alom het liberalisme en de vrije markt (wat natuurlijk ook ideologieën zijn) worden omhelsd, is het verfrissend om nog eens een fundamentele kritiek op het bestaande maatschappelijke bestel te lezen. Raf Janssen is dat wel toevertrouwd. Wars van alle heersende trends houdt hij een tegendraads betoog met als belangrijkste boodschap dat we volledig op de verkeerde weg zitten. Allerlei opvattingen die gemeengoed zijn geworden, worden door hem kritisch onder de loep genomen en als onhoudbaar van de hand gewezen. In zijn nieuwste boek, Arbeid, tijd en geld ontschaarsen, wordt een aantal van de thema's uit zijn proefschrift, Armoede of soberheid (zie de Nieuwsbrief van maart 1991), verder uitgewerkt en aangevuld met enkele nieuwe thema's.

Janssen begint met een kritische analyse van de hernieuwde aandacht voor armoede en burgerschap. Wat hij over armoede zegt, voegt weinig toe aan zijn proefschrift; de boodschap is opnieuw, dat armoede niet wordt opgelost door economische groei, maar er juist door wordt geschapen. Janssens opvattingen over burgerschap liggen aardig in lijn met die van Bas van Stokkom (zie elders in deze boekenrubriek); ook hij haalt uitgebreid Dahrendorf aan. Vervolgens stelt hij, dat de steeds toenemende behoeften en daaruit volgende schaarste een kernprobleem van onze moderne samenleving vormen. Het enige goede antwoord hierop is 'ontschaarsen', d.w.z. in evenwicht met de natuur leren genoeg te hebben aan en tevreden te zijn met wat er voorhanden is.

Dit principe van ontschaarsing wordt vervolgens toegepast op arbeid, tijd en geld. Loonarbeid moet worden vervangen door 'bewaren de arbeid', die niet langer is gebaseerd op uitbuiting van de natuur. De nadruk op snelheid en haast moet worden vervangen door het principe van langzaamheid. En het bezit en eigendomsrecht, dat kenmerkend is voor de geldeconomie, zou moeten plaatsmaken voor het principe van vruchtgebruik. Het hoofdstuk over tijd vind ik de meest oorspronkelijke bijdrage van Janssens nieuwe boek. Met een aantal sprekende anekdotes slaagt hij er aardig in de jachtige en immer gehaaste moderne mens als een wat zielig type af te schilderen, die bovendien op onaanvaardbare wijze de natuur aantast.

Hoewel hij tegen een sterke stroom inroeit, lijkt Janssen duidelijk te willen maken, dat hij geen pretentie heeft geheel oorspronkelijke ideeën te ventileren. Hij doorspekt zijn boek namelijk met citaten uit en verwijzingen naar het werk van anderen. Ook al slaagt hij erin uiteenlopende ideeën op een 'natuurlijke' wijze met elkaar te verbinden, het wordt op den duur wel wat vermoeiend. Waarom vertel je niet gewoon wat je zelf vindt? vroeg ik me af en toe af. Dat zou meer lijn in het betoog hebben gebracht.

En argumenten worden op zichzelf niet sterker door te laten zien dat anderen hetzelfde hebben gezegd.

Een probleem met het werk van Janssen blijft, mijns inziens, dat het de lezer met een nogal onrustig en ontevreden gevoel achterlaat. Zoals het nu gaat, deugt het duidelijk niet, maar hoe het dan wel moet? Goed, hij geeft soms wel wat praktische aanbevelingen: bijvoorbeeld hoe gemeentes hun bijdrage zouden kunnen leveren aan het bevorderen van 'bewarende arbeid' of een (niet verrassend) pleidooi voor een basisinkomen. En in het laatste hoofdstuk doet hij een poging aan te geven welke veranderingsstrategie men het beste zou kunnen volgen. Niet een strategie van je buiten de samenleving plaatsen, maar een strategie van "het berijden van de kapitalistische tijger", zoals de duitse politicoloog Hirsch het noemt. Men kan het beste inspelen op de toenemende tegenstrijdigheden van het bestaande bestel, en de groeiende onvrede daarmee. Het systeem, van binnenuit veranderen, dus, en niet van buitenaf bestrijden. Of dat daadwerkelijk tot de fundamentele wijzigingen zal kunnen leiden die Janssen noodzakelijk acht, staat natuurlijk nog te bezien. Maar proberen is in ieder geval beter dan niets doen, zal Raf Janssen daar waarschijnlijk - en terecht - op antwoorden.

Paul de Beer

 

Uit de pers...

Een beetje bewust in de luwte. Auteur: George t\.Jarlet Bron: Trouw, 11 mei 1992

Ter gelegenheid van het afscheid van Greetje Lubbi als voorzitter van de Voedingsbond FNV had Trouw een interview met haar. Daarin gaat het over de eigenzinnige rol van de Voedingsbond en zijn voorzitter binnen de FNV. Uiteraard komt ook het basisinkomen aan de orde, waarvan Greetje Lubbi in Nederland een van de meest fervente en vasthoudende voorstanders is. Wat het basisinkomen betreft, stond de Voedingsbond binnen de FNV echter alleen.

"Als ik heel eerlijk ben, heb ik daar wel enigszins een frustratie aan overgehouden. De discussie over het basisinkomen is in FNV verband maar marginaal gevoerd. In discussienota's is er nooit meer dan een halve pagina aan besteed. Aan de andere kant vraagt niemand zich af of het streven naar volledige en volwaardige werkgelegenheid wel haalbaar is.", aldus verzucht Greetje Lubbi.

"Het irriteert me als mensen het basisinkomen een utopie noemen. Uiteindelijk komt het eropneer dat een meerderheid in de vakbewegingen de sociaal-democratie de plicht tot arbeid vasthoudt uit angst dat de rechten ter discussie worden gesteld. Maar wat zie je gebeuren? De plichten worden aangescherpt en de rechten worden uitgehold, bijvoorbeeld van arbeidsongeschikten."

CPB ziet grote risico's in individueel basisinkomen, Bron: de Volks krant, 29 mei 1992

"Er kleven grote risico's aan de invoering van een basisinkomen als daarbij buiten beschouwing blijft of niet werkende uitkeringsgerechtigden alleen wonen of samen. Omdat de controle erg moeilijk is, zal het aantal personen dat van een uitkering gebruik zal maken. zeer sterk kunnen groeien. Dit tast de economische groei en werkgelegenheid aan en drijft het financieringstekort op."

Zo meende de Volkskrant de publikatie van een onderzoek van het Centraal Planbureau naar de gevolgen van individualisering van de belastingen en de sociale zekerheid, te moeten weergeven. Dat het betreffende rapport helemaal niet over een basisinkomen ging, had de verslaggever blijkbaar niet goed begrepen. In de rubriek "Boeken, boeken!" valt te lezen, waar het CPB rapport dan wel over ging en wat de conclusies ervan zijn.

CPB: herziening sociale zekerheid is onvermijdelijk. Planbureau geeft onthullend beeld verzorgingsstaat. Auteur: Kees Caljé Bron: NRC Handelsblad, 5 en 6 juni 1992

In de media werd de nodige aandacht besteed aan de publikatie van een ander onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB), Nederland in Drievoud, een toekomst-studie van de Nederlandse economie. In één van de drie scenario's (toekomstbeelden) die in dit rapport worden geschetst, wordt een (laag) basisinkomen ingevoerd (in de rubriek 'Boeken, boeken!' wordt uitgebreider op deze studie ingegaan).

NRC Handelsblad schrijft over dit scenario: "Door forse bezuinigingen bij de overheid (...), afschaffing van tal van belastingvoordelen (...) en een drastische beperking van de WAO en ziektewet-uitkeringen (…) komt geld vrij voor de geleidelijke invoering van een basisinkomen voor iedereen. Het basisinkomen vervangt de uitkeringen en stimuleert mensen met een uitkering te gaan werken: ze hoeven niet eerst hun uitkering in te leveren. Het niveau van het basisinkomen bedraagt na 2000 echter slechts de helft van het minimumloon, dat overigens formeel wordt afgeschaft."

"Een revolutionaire gedachte die, tien jaar nadat zij in diverse kringen opgeld deed, nu door het CPB nieuw leven wordt ingeblazen."

Land van pompbedienden. Auteur: Flip de Kam Bron: NRC Handelsblad, 25 augustus 1992

Flip de Kam berijdt in zijn column een van zijn stokpaardjes, de zogenaamde 'balansverkorting' (al noemt hij dit zelf een lelijk woord). Dit betekent, dat aan de éne kant tal van subsidies en aftrekposten in de belasting worden afgeschaft, maar aan de andere kant de belastingtarieven fors omlaag kunnen. Er wordt dan dus in onze economie veel minder geld door de overheid 'rondgepompt' en er is ook veel minder geld gemoeid met de uitvoering van allerlei regelingen.

"Lagere kosten komen eveneens binnen bereik door invoering van een negatieve inkomstenbelasting (NIB). De fiscus keert dan een bedrag uit wanneer het gezinsinkomen beneden een bepaald minimum ligt. (…) Is het inkomen nul, dan keert de fiscus het basisbedrag uit. Naarmate de eigen inkomsten toenemen, worden deze geheel of gedeeltelijk op de basisuitkering gekort."

Een dergelijke negatieve inkomstenbelasting is volgens De Kam "uit vereenvoudigingsoogpunt de moeite van nadere studie waard. Het verzet tegen zulke ingrijpende veranderingen is echter groot. (…) Daarom blijft Nederland de rest van deze eeuw een land vol 'pompbedienden', die met elkaar een nodeloos hoge prijs voor hun collectieve voorzieningen en sociale zekerheid betalen."

Dat is toch een wat opmerkelijke opvatting van Flip de Kam. Want drie jaar geleden noemde hij de voorstanders van een basisinkomen nog aanhangers van het 'manna denken', mensen die denken dat "de nationale koek in hogere sferen wordt gebakken" (zie de Nieuwsbrief van december 1989). Is Flip de Kam van gedachten veranderd, of hoort hij tot die voorstanders van een negatieve inkomstenbelasting die menen dat dit iets totaal anders dan een basisinkomen is?

Paul de Beer