NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

 

Nummer 4 december 1992, ISSN 0924-3038

Inhoudsopgave

Redaktioneel

Basisinkomen doorgelicht

De Franse haan kraait nog geen victorie

Basic Income European Network (B.I.E.N.)

Reactie op "de keerzijde van de basisinkomenmedaille"

Verslag van het debat op de jaarvergadering van 21 november j.l.

Ingezonden brief

Boeken, boeken!

 

 

Redaktioneel

Het is weer zover: het einde van een jaar. Een basisinkomen is er nog niet, maar motieven daarvoor wel.

In dit kerstnummer vindt u artikelen over een Franse haan en een doorgelicht basisinkomen. De boeken bespreking gaat deze keer over, hoe kan het ook anders, een boek met als titel Arguing for Basic Income. En een ingezonden stuk als bijdrage aan de discussie over het basisinkomen.

Over bijdrage gesproken, uw eindredacteur was kortgeleden twee maal in Frankrijk De eerste keer bij BIEN een bijeenkomst over het basisinkomen. Het tweede bezoek vond plaats op uitnodiging van het Franse ministerie van Sociale Zaken. Over het bij BIEN meest interresante onderwerp, het RMI, leest u in deze nieuwsbrief het één en ander. Vooral de positieve benadering van het probleem van sociale isolatie is opvallend. Ook op de bijeenkomst met het Franse ministerie was deze trend duidelijk aanwezig.

Voor sommige Nederlandse politici zou een studie van de Franse gedachte niet slecht zijn. Dat zou een bijdrage zijn beter dan de huidige.

Medewerkenden en redactieleden wensen u een goed 1993. Misschien wel hèt jaar!

 

Basisinkomen doorgelicht

Tussen Cees Schelling, Greetje Lubbi en Paul Andela bestaan veel verschillen. Maar niet als het gaat om de hoofdlijnen van het brede beleid van de Voedingsbond FNV. Alle drie zijn exponenten van het basisinkomen.

Om te kijken hoe het basisinkomen bij de basis leeft. of er voldoende aanknopingspunten zitten in het dagelijkse vakbondswerk, doen medewerkers van de universiteit van Utrecht een onderzoek onder Voedingsbondleden. De uitslag wordt komend voorjaar verwacht.

"Naar een basisinkomen", een heroriëntatie op de samenhang van arbeid en inkomen. Dat is de titel van de scriptie 'waarmee ik in 1981 De Horst in Driebergen afrond. Nu heb ik dezelfde redenen als toen om het basisinkomen te promoten. Want het is noodzakelijk het recht op arbeid los te koppelen van het recht op inkomen. Termen als "arbeid adelt" en "zweet des aanschijns" spreken me niet aan. Mensen moeten een vrije keuze hebben. Niet gechanteerd worden met werk. Met een zelfstandig inkomen bevorder je een basisinkomen. En zonder een basisinkomen druk je uitkeringsgerechtigden in het verdomhoekje.

Mijn scriptie wordt begin jaren tachtig gebruikt om de discussie over het basisinkomen binnen de Voedingsbond FNV gestalte te geven. Als bestuurder zit ik in de werkgroep. En ben ik samen met Greetje en Cees één van die enthousiastelingen die van Maastricht tot Leeuwarden dia's laten zien. Mensen diskussiestellingen voorlegt.

Met hen praat over de arbeidsmoraal. Over recht op werk. En een zelfstandig recht op inkomen. Dat zijn intensieve en vooral kreatieve diskussies. Maar niet alleen de eigen achterban wordt bediend. Ook andere bonden en maatschappelijke groeperingen kunnen Cees "bestellen".

Een jaar na mijn scriptie bepaalt het congres in 1982 dat de ideeën over het basisinkomen verdere uitwerking verdienen. Het principiële recht op inkomen wordt onderschreven en het bondsbestuur krijgt de opdracht het basisinkomen te propageren. Het is met name Greetje Lubbi die de diskussie naar een breder publiek trekt. Hogescholen, politieke partijen, kerkelijke organisaties, ja zelfs de Rotary Club wil er over praten. De diskussie in eigen gelederen staat niet stil. Men legt minder nadruk op de principiële kant. Die diskussie is vooral gericht op haalbaarheid en strategie. De sollicitatieplicht en ekonomische zelfstandigheid bieden aanknopingspunten om de voordelen van het basisinkomen te etaleren.

Toch zie je dat eind jaren tachtig de belangstelling wegebt. Weliswaar is de Voedingsbond FNV herkenbaar als voorstander van het basisinkomen, maar daardoor soms ook voorspelbaar. Die inbreng wordt vaak afgedaan met: "dat jullie voorstander zijn van het basisinkomen weten we nu wel". Bij de achterban lijkt het geloof in een basisinkomen ook af te nemen. Dat zie je zelfs in het bondsbestuur. Daarom is onlangs besloten om te kijken hoe het verder moet met het basisinkomen. Onder leiding van Rik van Berkel gaan medewerkers van de universiteit van Utrecht het draagvlak voor het basisinkomen binnen de Voedingsbond FNV verkennen en zo mogelijk aanzetten formuleren voor een nieuwe aanpak. Proberen van een smeulend vuurtje weer een warme vlam te maken. Leden te betrekken bij de diskussie. Hen handvatten bieden als het gaat om diskussies over ekonomische zelfstandigheid, passende arbeid en sanktiebeleid bij gemeentelijke instellingen, bedrijfsverenigingen en vergaderingen van politieke partijen. De eerste resultaten komen waarschijnlijk in het voorjaar van 1993. De Voedingsbond FNV wil graag in breder verband over de resultaten en het vervolg verder praten. Bijvoorbeeld met de Vereniging Basisinkomen.

Paul Andela

 

De Franse haan kraait nog geen victorie

Tijdens de internationale conferentie over het basisinkomen in september j.1. in Parijs werd door enkele Fransen hoog opgegeven van het bijstandssysteem dat in 1989 in Frankrijk is ingevoerd. Deze Revenue Minimum d'Insertion (minimum integratie uitkering) zou in de verte wel iets van een basisinkomen hebben. Dat maakte de Werkgroep onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen nieuwsgierig. Het geluk wilde, dat Hugo Swinnen, medewerker van het Nederlands Instituut voor onderzoek naar Maatschappelijke Opbouw (NIMO) onlangs een onderzoek naar het Franse systeem van bijstandsuitkeringen heeft uitgevoerd. Op vrijdag 13 november 1992 kwam hij de werkgroep onderzoek uit de doeken doen wat de Franse bijstand precies inhoudt.

Gelijk aan het begin van zijn verhaal haalde hij de aanwezigen uit de droom: wat in Frankrijk is ingevoerd, is beslist geen basisinkomen. Niettemin wijkt de Franse bijstandsuitkering wel in belangrijke opzichten af van de Nederlandse bijstand. Daardoor zal het in sommige opzichten de voorstanders van een basisinkomen méér aanspreken dan het systeem dat we in Nederland hebben.

Tot 1989 had Frankrijk geen landelijke bijstandswet, maar allerlei uiteenlopende regionale regelingen. De RMl die in dat jaar werd ingevoerd was mede gebaseerd op ervaringen die in een aantal regio's waren opgedaan. Op het eerste gezicht is de Franse bijstand zeker niet aantrekkelijker dan de Nederlandse. Het 'basisbedrag' is aanmerkelijk lager dan in Nederland (in de orde van zes à zevenhonderd gulden), maar afhankelijk van de omstandigheden \vaarin je verkeert, kun je een beduidend hoger bedrag ontvangen.

Het gevolg is, dat gezinnen met kinderen relatief goed af zijn, terwijl alleenstaanden het doorgaans met alleen het basisbedrag moeten doen. Er is evenmin als in Nederland sprake van een zelfstandig uitkeringsrecht, de uitkering is bestemd voor een huishouden. Afhankelijke partners (zeg, 'huisvrouwen') hebben dus geen recht op een eigen uitkering.

In het debat (‘discours’, zoals Hugo Swinnen het noemt) over de invoering van de Franse bijstand overheersten twee elementen. Ten eerste dat iedere burger recht heeft op een minimuminkomen, waarvoor men zich beriep op de universele verklaring van de rechten van de mens. Ten tweede dat iedere burger recht heeft op reïntegratie. Het is dan ook de bedoeling, dat voor iedereen die een bijstandsuitkering ontvangt een reintegratieplan wordt opgesteld. Hoewel het uitgangspunt daarbij is, dat een betaalde baan de belangrijkste vorm is van maatschappelijke participatie, wordt de mogelijkheid opengelaten, dat voor sommige uitkeringsgerechtigden andere activiteiten meer perspectief bieden. Wie geen enkele kans maakt op een baan kan zich daarom ook bv. op vrijwilligerswerk, kinderverzorging of zelfs een hobby richten. Dat wordt vastgesteld in overleg tussen de uitkeringsgerechtigde en de welzijnswerker die hem/haar begeleidt. De bedoeling is, dat zij een 'reïntegratiecontract' afsluiten, waarin wordt vastgelegd, welke activiteiten de uitkeringsgerechtigde onderneemt, en wat voor ondersteuning daarbij wordt gegeven. Belangrijk verschil met Nederland is, dat de medewerking aan reïntegratie-activiteiten niet wordt gezien als tegenprestatie voor de uitkering, maar als tegenprestatie voor de reïntegratie inspanning van de gemeenschap. Medewerking wordt dan ook niet afgewongen door te dreigen met sancties. Dat sluit overigens niet uit, dat, wanneer men langdurig weigert mee te werken, op den duur toch de uitkering wordt stopgezet.

Een ander belangrijk element van de RMI waarin deze van de Nederlandse bijstand verschilt, is, dat er een soepele bijverdienregeling bestaat. Men mag 35% van de uitkering bijverdienen, zonder dat er een centime gekort wordt, en daarboven mag men 40% van de bijverdiensten houden. In Nederland mag men maximaal ongeveer 25% bijverdienen, en bovendien heeft staatssecretaris Ter Veld aangekondigd, dat ze deze mogelijkheden wil beperken.

Hugo Swinnen heeft vooral onderzocht hoe de RMI in de praktijk wordt uitgevoerd. Er blijken zich nogal wat problemen voor te doen. De welzijnswerkers moesten een enorme omslag maken in hun omgang met uitkeringsgerechtigden, omdat zij hun activiteiten nu op reïntegratie dienden te richten. Het is bovendien, onder meer door een gebrek aan personeel, bij lange na niet gelukt om met alle uitkeringsgerechtigden een reïntegratie-contract af te sluiten. Dit betekent enerzijds, dat de reintegratie-activiteiten beduidend achterblijven bij de doelstellingen. Het heeft anderzijds ook tot gevolg dat op uitkeringsgerechtigden weinig druk wordt uitgeoefend en nauwelijks controle op hun medewerking plaats vindt.

Recent heeft er een evaluatie plaats gevonden van de RMI. In het evaluatierapport wordt een aantal aanbevelingen gedaan die, in het licht van de Nederlandse discussie over de sociale zekerheid, nogal opmerkelijk zijn. Men heeft voorgesteld om het uitkeringsniveau te verhogen om daarmee de motivatie van de uitkeringsgerechtigden te vergroten! Bovendien heeft men gesuggereerd om de mogelijkheden om bij te verdienen te verruimen.

De conclusie van Hugo Swinnen was duidelijk. Er is voor de voorstanders van het basisinkomen geen reden om victorie te kraaien: in Frankrijk is beslist nog geen basisinkomen ingevoerd. Maar de ervaring in Frankrijk maakt wel duidelijk, dat de discussie over sociale zekerheid een heel andere toon kan hebben dan de laatste tijd in Nederland het geval is. Een toon die niet wordt gekenmerkt door dreigen met sancties, strafkortingen en striktere controle, maar waarin de nadruk ligt op positieve stimulansen en waarbij betaalde arbeid niet als alleen zaligmakend wordt beschouwd.

Van het onderzoek van Hugo Swinnen is alleen een Franstalige versie verschenen: 'Le Revenu Minimum d'Insertion, discours - dispositif - pratique: un regard exterieur'. Dit onderzoeksverslag kan voor f 17,50 worden besteld bij het NIMO. Havensingel 8, 5211 TX te 's-Hertogenbosch, tel. 073 137295.

Paul de Beer

 

Basic Income European Network (B.I.E.N.)

Tijdens het congres van B.I.E.N. in september 1992 bleek het Franse R.M.I. het meest spraakmakende inkomensplan te zijn. Toch waren, er ook andere manieren van inkomensvoorzieningen te beluisteren Ien zeker te lezen. Er zijn zo'n 15 studies ingeleverd, die verschillende manieren van arbeidsvrij inkomen te zien geven. Inkomstenbelastingen, verzekeringssystemen of via een energiebelasting, een basisinkomen is op verschillende manieren te financiëren.

Een geruststellend feit is dat een mogelijk basisinkomen niet alleen in Nederland besproken wordt maar dat in vele andere landen een zelfde conclusie, gedreven door o.a. dezelfde economische omstandigheden, getrokken wordt. Het zal steeds moeilijker worden om in de Westerse wereld volledige werkgelegenheid te creëren". Automatisering, robotisering en zeer zeker ook het enorme arbeidsreservoir van landen die tot voor kort niet op onze markt meededen zullen dat voor tientallen jaren en misschien voor altijd onmogelijk maken.

Het Franse RMl is geen basisinkomen maar de Franse visie over aanwezige werkgelegenheid en de toekomst daarvan zijn verlichter dan de visie die in Nederland daarover wordt geventileerd. Het waren geslaagde dagen daar in Parijs.

Frans Jacobs

 

Reactie op "de keerzijde van de basisinkomenmedaille"

(Zie nieuwsbrief basisinkomen van juni 1992)

Paul de Beer verdiepte zich in de positie van alleenstaande ouders. Hij stelde van de zomer: als iedere volwassene via de basisinkomenregeling eenzelfde bedrag zou ontvangen is dat voor "bijstandsmoeders/vaders", die nu f 1543,- per maand (+ kinderbijslag) ontvangen, een stevige teruggang. Maar door het maken van een compensatieregeling voor deze groep zou de vernederende controle op het leefpatroon blijven bestaan

Hoewel hij daarmee moeite heeft accepteert Paul, dat bij invoering van een basisinkomen er voor deze huishoudens of een inkomens-achteruitgang of een privacyaantastende maatregel onvermijdelijk zou zijn.

In de trein terugkomend van de BIEN-konferentie, (zie elders in dit blad) besloten we (Saar Boerlage en Frans Jacobs) Pauls idee van commentaar te voorzien. Wij vinden het niet aanvaardbaar dat bij invoering van een basisinkomen de éénoudergezinnen de dupe zullen worden. Maar een regeling die scherpe controle inhoudt is oi ook onacceptabel. Hieronder treft u enige suggesties aan om uit het dilemma te komen.

Allereerst hebben wij ons afgevraagd waarom het leven van een alleenstaande ouder met zorg-behoevende kinderen duur is.

  1. De vaste lasten. De huur, de verwarming etcetera kosten een éénouder-huishouden bijna net zo veel als een huishouden met twee volwassenen. Daarom lijkt het ook redelijk dat de bijstand voor éénouder-huishoudens thans 90% bedraagt van het bedrag dat een gezin met twee partners krijgt. (Overigens zijn we. net als anderen van mening dat dit bedrag absoluut te laag is, maar het gaat ons hier om de percentages).
  2. De armoede- en zorgval. Iemand die de verzorging van kleine kinderen alleen verricht, is veelal niet in staat om een betaalde baan (als die er al zou zijn) van pakweg 30 uur per week te accepteren. Immers, er is een groot tekort aan betaalbare kinderopvang, en hulp van buren en familie is incidenteel soms wel aamvezig, maar meestal niet dagelijks. Dit verschijnsel noemen we de "zorgval".

Alleen zij, die toevallig het kroost in een goedkope opvang hebben kunnen onderbrengen, of die een werkgever hebben die voor meer dan duizend gulden per maand "kindplaatsen" verstrekt, ontsnappen, net als zij die een zeer hoog uurloon ontvangen en daardoor dure kinderopvang kunnen organiseren, aan deze "zorgval".

Voor de meeste alleenstaande ouders is de kans om een parttimebaan te kunnen krijgen, met een loon boven de reeds genoemde f. 1543,- per maand, gering. Zij zitten in de zogenaamde "armoedeval" omdat het huidige systeem verlangt dat nagenoeg de gehele beloning gekort wordt op de uitkering. Daarmee zijn zeer velen min of meer genoodzaakt om, jaar in jaar uit, thuis in de "bijstand" te zitten. Kortom: door het ontbreken van kinderopvang kan er slechts in "verloren uurtjes" betaalde arbeid worden verricht, maar deze brengt dan door de korting op de bijstand geen financiele verbetering op.

Naast de categorie met kleine kinderen, zijn er ook veel alleenstaande ouders met kinderen in de tienerleeftijd. Vaak zijn dat gescheiden vrouwen, die een groot aantal jaren er aan meegewerkt hebben, dat de toenmalige partner een goed betaalde baan had. In tegenstelling tot staatssecretaris Elske ter Veld zouden wij het rechtvaardig vinden, als bij de echtscheiding (dus niet achteraf) verplicht zou worden, deze inzet (zonder op de bijstand te korten of zonder de leefvorm van hem of haar in beschouwing te nemen) te kapitaliseren en vervolgens via een lening bij een bank (in maandelijkse termijnen) uit te doen betalen. Samen met een verhoging van de kinderbijslag voor tieners zou dat in een aantal éénouder-huishoudens een redelijk financiële situatie kunnen geven. En deze maatregelen kunnen ook worden ingevoerd zonder dat men naar het realiseren van een basisinkomen streeft.

Het Basisinkomen

Bij het invoeren van een basisinkomen (waarbij Paul uitgaat van f. 857,- per maand) zouden er voor de meeste éénouder-huishoudens zeer grote problemen kunnen ontstaan. Daarom moet er een aanvullende regeling komen die zo min mogelijk privacy-problemen geeft.

Ons uitgangspunt is, dat er aangesloten kan worden op een in brede lagen van de bevolking gedragen idee, dat iedereen die dat wil, betaalde arbeid moet kunnen verrichten. Dat geldt ook voor alleenstaande ouders. Maar vanwege de "zorgval" moet voor hen de kinderopvang gratis en bij voorrang beschikbaar zijn. Omdat kinderopvang buurtgebonden en schaars is, zal de sociale kontrole er voor kunnen zorgen, dat' deze kinderopvang ook echt ten goede komt aan de kinderen uit éénouder-huishoudens. De vrees, dat veel samenwonende ouders van deze, voor alleenstaande ouders bedoelde regeling, gebruik gaan maken, lijkt overbodig.

En daarmee zal de sociale inspekteur, die loerend nagaat of er een t:veede volwassene tot het huishouden behoort, ook maar zelden te zien zijn. Maar, zult u zeggen, is er passende betaalde arbeid beschikbaar? Het gaat nu te ver om daar op in te gaan, maar 'wij denken, dat maatregelen, die vergaande arbeidstijdverkorting bewerkstelligen daarvoor kunnen zorgen. En zodoende kunnen dan zowel de armoedeval als de zorgval verdwijnen.

Saar Boerlage

 

Verslag van het debat op de jaarvergadering van 21 november j.l.

Paul de Beer had voor deze gelegenheid zijn gedachten over "Basisinkomen en Arbeidsmarkt" op schrift gezet. Daarin gaf hij aan hoe economen redeneren en waarom de meeste economen het invoeren van een basisinkomen afwijzen.Aan het eind van zijn verhaal noemde hij vijf uitgangspunten om met economen over het basisinkomen te diskussiëren:

  1. Het relativerende standpunt: De economen hebben gelijk, maar er zijn andere, zwaarder wegende argumenten om toch een basisinkomen in te voeren. We kunnen bijvoorbeeld stellen dat een basisinkomen een grondrecht is, dat evenmin als het kiesrecht mag worden afgewogen tegen andere doeleinden, zoals een goed functionerende economie.
  2. Het liberale standpunt: De negatieve effecten van een basisinkomen op vraag en aanbod van arbeid worden méér dan gecompenseerd door de positieve effecten van een soepeler functionerende arbeidsmarkt als allerlei belemmerende wet- en regelgeving (minimumloon, ontslagbescherming, enz.) worden afgeschaft.
  3. Het radicale standpunt: Wat economen negatieve effecten noemen, zijn juist positieve effecten. Het is juist wenselijk, dat de overheersende positie van betaalde arbeid en de nadruk op economische groei worden verminderd en dat onbetaalde (eigen) arbeid en de economie van het genoeg o! van soberheid meer ruimte krijgen.
  4. Het kritische standpunt: Op basis van dezelfde economische argumenten kan worden betoogd, dat een basisinkomem juist positief uitwerkt: het bevordert herverdeling van arbeid en stimuleert uitkeringsgerechtigden om werk. te zoeken, waardoor werkloosheid en collectieve lasten kunnen dalen en de economische groei wordt versterkt.
  5. Het bagatelliserende standpunt: Niet-economische factoren zijn (veel) belangrijker dan economische factoren, zodat niet op grond van alleen economisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat een basisinkomen slecht is voor de arbeidsmarkt.

Op de jaarvergadering hield Robert J. van der Veen een korte inleiding over deze vijf reaktie-mogelijkheden.

Het relativerende-standpunt, zei Robert is niet overtuigend voor hen, die onze ideeën niet delen. Met name bij economen. die gewend zijn geen waarde te hechten aan uitsluitend op etische motieven gebaseerde voorstellen is deze argumentatie, hoe waardevol deze motieven ook zijn, niet wervend. Hetzelfde geldt voor de argumenten gebaseerd op het vijfde standpunt.

Robert ging vervolgens in op "het kritische standpunt". Hij memoreerde de conclusie die professor Doube nu twee jaar geleden formuleerde na het door ons georganiseerde "economen debat". Professor Doube konstateerde toen, dat vooralsnog de economische wetenschap niet de juiste instt:umenten heeft en de economen niet over de nodige kennis beschikken, om een uitspraak te doen over de haalbaarheid en betaaibaarheid van het basisinkomen-systeem.

Robert bepleitte aansluitend een voorzichtige strategie. Wij zouden ons moeten inzetten om bij spraakmakende economen het inzicht van professor Doube gemeen goed te laten worden. Pas daarna kunnen voorstanders van een basisinkomen-systeem met sukses de positieve effecten op de arbeidsmarkt aan de orde stellen.

De standpunten genoemd bij de punten 2 en 3 zijn gebaseerd op politieke overtuigingen. Het basisinkomen is dan een onderdeel van een politiek stelsel. Robert konstateerde, dat de leden van de Vereniging Basisinkomen (nog) niet voldoende over deze stelsels onderling gediskussieërd hebben om een van de politieke stelsels uit te sluiten of om te konstateren dat aanhangers van beide stelsels ten aanzien van het basisinkomen verenigbare uitgangspunten hebben. Het strategie-debat op de jaarvergadering van 1991 gaf een aanzet voor deze, nog lang niet afgeronde diskussie.

Robert raadde ons tenslotte aan de volgende volgorde aan te houden bij de door ons te voeren diskussie:

Na de inleiding van Robert was er een levendige diskussie. Gosling Putto had zijn gedachten naar aanleiding van Pauls stuk op schrift gezet. Deze reaktie, die op de vergadering uitgedeeld werd, maakte deel uit van de diskussie. Wij geven hierbij een verkorte versie van Goslings bijdrage. Hij miste in het artikel een bespreking van maatregelen, die met de invoering van een basisinkomen gepaard zouden moeten gaan. Aan de hand van de ideeën van Wijvekate wees hij er op dat, zolang de gedachte overheerst dat een basisinkomen een belemmering zou kunnen vormen voor de arbeidsmarkt en daardoor een belemmering voor de toeneming van commerciële, wetenschappelijke, milieutechnische en verdere bedrijvigheid, geen enkele econoom, parlementariër of wetgever het zou willen invoeren.

Eerst zou de arbeidsmarkt hersteld moeten worden, en wel door de kosten van de factor arbeid drastisch te verlagen. Deze kosten bestaan thans voor de werkgever uit drie componenten: het nettoloon, de loonbelasting en de sociale premies. Deze laatste twee zouden geleidelijk moeten worden afgeschaft. Het sociale verzekeringsstelsel zou moeten worden vervangen door een basisinkomen en een particuliere bovenminimale verzekering, en de inkomsten van de overheid uit directe belasting zouden moeten worden vervangen door inkomsten uit een verhoogde BTW op goederen.

Hierdoor kan de werkgelegenheid op alle gebieden sterk toenemen en hoogbetaalde arbeid daalt nog het meest in prijs. Door de BTW-rem op de aanschaf en vervanging van goederen en de goedkope-arbeid-stimulering van research, reparatie en onderhoud kan de bescherming van het milieu worden verbeterd.

Tevens werd vervanging van alle directe belastingen door een consumptiebelasting bepleit. Dit maakt particuliere vermogensopbouw gemakkelijker doordat rente, dividend, verhuur, erven, schenking en winst niet worden belast. Sparen met als doel bedrijfsinvestering wordt extra aantrekkelijk gemaakt doordat bedrijfsrendementen niet door de fiscus uitgehold worden.

De reactie eindigde met de suggestie op de stelling, dat een basisinkomen funest is voor de arbeidsmarkt, aan de vijf in het artikel van Paul de Beer genoemde mogelijke reacties (namelijk het relativerende, het liberale, het radicale, het kritische of het bagatelliserende standpunt) nog een zesde mogelijke reactie moest worden toegevoegd, en wel het rationele standpunt: Niet het basisinkomen is funest voor de arbeidsmarkt, maar het tegenwoordige systeem van belastingen, sociale premies, uitkeringen en subsidies. dat veel arbeid onbetaalbaar maakt. Om dit svsteem te kunnen verbeteren dient men geleidelijk a) alle directe belastingen en de sociale premies af te schaffen, b) alle uitkeringen te vervangen door een basisinkomen en c) alle publieke uitgaven te gaan bekostigen uit BTW op goederen.

De aanwezigen gingen voornamelijk op de vijf door Paul geformuleerde keuzen in. Er was veel begrip voor de "kritische benadering". Daarbij werd gekonstateerd dat de gedachten van Gosling aansloten bij deze benadering. Er werd geopperd om, uitgaande van de "kritische benadering", gefundeerd onderzoek te initiëren.

Ten aanzien van de politieke stelsels werd er o.m. gekonstateerd dat het pleidooi (van o.a. professor Pen) voor selektieve krimp wel heel ver gaat. Het werd duidelijk dat over de ideeën, zoals die verwoord staan bij de standpunten 2 en 3 in onze vereniging, uiteenlopende gedachten bestaan. Een andere konklusie was, dat er behoefte is aan een algemene, goed leesbare publikatie over het basisinkomen. Een helder geschreven boek(je), dus, waarin de voorstanders van het basisinkomen kunnen lezen hoe men de tegenstanders met goed doortimmerde argumenten kan overtuigen. De drie door Robert aan het eind van zijn betoog genoemde aspekten zouden de hoofdmoot van deze publikatie moeten zijn. Andere suggesties zal het bestuur van de Vereniging Basisinkomen nader uitwerken. Daarbij zal ook de vraag aan de orde komen of de term "basisinkomen" niet beter kan worden vervangen door een meer eigentijdse benaming.......

Het was, kortom, een boeiende ochtend. Marion van Leeuwen dankte om even over twaalf, op de ons vertrouwde hartelijke wijze, iedereen voor de geleverde diskussie-bijdrage. En daarna stond er een door de V oedings- en Industriebond van het FNV verzorgde lunch gereed.

Ondergetekenden gingen in kleine kring door met de diskussie. Wij kwamen daarbij tot de konklusie, dat de standpunten 2 en 3 niet zo ver uiteen liggen, als weleens gedacht wordt. Immers, liberalen die voor het basisinkomen voelen, zijn, nemen wij aan, de geestelijke afstammelingen van de liberalen uit het begin van deze eeuw.

Toen waren de jonge liberalen (van Houten o.a.) voor sociale wetgeving vanwege humanitaire aspekten, maar ook omdat het bedrijfsleven een gezond proletariaat nodig had. De mensen, die nu achter standpunt 2 staan hebben, denken we, vergelijkbare motieven en inzichten. De liberaal Winsemius bijvoorbeeld, zou wel eens zowel voorstander van standpunt 2 als van standpunt 3 kunnen zijn.....

Konklusie: we moeten een andere keer de "liberalen" maar eens de ruimte geven om te vertellen of onze veronderstelling juist is.

Gerda Spruit en Saar Boerlage

 

Ingezonden brief

Indien de kinderbijslag in principe kostendekkend gemaakt wordt, speelt het al of niet hebben van kinderen geen rol meer. Het nivo van de kinderbijslag zou dan tussen minimaal en modaal in kunnen liggen en blijft leeftijdsafhankelijk.

Het basisinkomen zelf zou. mijns inziens. niet volledig kostendekkend moeten zijn. Momenteel heeft de werkgever meer macht dan de werknemer, de zaak omkeren is ook niet gezond, er moet evenwicht zijn (anders krijgen we bovendien de werkgevers en andere machthebbers nooit mee). Het is dus realistisch om het basisinkomen aan de krappe kant te houden, mijn voorstel is ongeveer f 850,- per maand (zie berekening verderop).

De ondergrens van de huursubsidie zou dusdanig uitgebreid moeten worden dat alleenstaanden (met of zonder kinderen) die, tijdelijk of definitief (WAO) geen bijverdiensten hebben, gratis wonen (nu moet men zelf altijd nog zo'n f 350,- per maand betalen).

Alimentatie is, net als bijverdiensten, extra inkomen en moet minimaal f 100,- per kind zijn. Kan er geen alimentatieplicht worden opgelegd, dan krijgt de verzorgende ouder f 100,- per kind extra aan kinderbijslag.

Berekeningen:

Aangezien de huursubsidie altijd achteraf aan de hand van het jaarinkomen wordt berekend en er dus terugvorderingen kunnen komen is het wel zaak hier frequenter een inkomensopgave voor te doen. Het streven wordt nu niet om uit de bijstand te komen, maar uit de huursubsidie.

De controle is dan echter puur een inkomenskwestie zonder verdere bemoeienis.

Kitty Verwey

 

Boeken, boeken!

De vele argumenten voor een basisinkomen

Philippe Van Parijs (red.). Arguing for Basis Income. Ethical Foundations for a Radical Reform, Verso, London/New York 1992.

Wie zich wat langer met het basisinkomen bezig houdt. zal zich op een gegeven moment met enige verbazing realiseren hoeveel verschillende kanten er aan zo'n simpel idee zitten. Dat geldt voor de vormen waarin een basisinkomen kan worden gerealiseerd: volledig of gedeeltelijk, als negatieve inkomstenbelasting, enz. Het geldt voor de doelen die men ermee hoopt te realiseren: economische zelfstandigheid, arbeidstijdverkorting, een flexibele arbeidsmarkt, een 'groene' economie, bevrijding van de arbeid. Het geldt ook voor de ethische grondslagen van het basisinkomen. Aan de verscheidenheid aan principiële overwegingen waarop het idee van een basisinkomen kan zijn gebaseerd, is dit boek onder redactie van Philippe Van Parijs gewijd. Arguing for Basic Income biedt een breed scala aan politiek-filosofische opvattingen die in een basisinkomen kunnen uitmonden. Het boek is echter bepaald geen opsomming van louter argumenten vóór het basisinkomen. De meeste hoofdstukken van voorstanders worden namelijk gevolgd door enkele reacties, waarin door verschillende auteurs ook duidelijk afstand wordt genomen van het idee van een basisinkomen. Dat maakt dat het boek zeker niet alleen, of in de eerste plaats, de moeite waard is voor fervente aanhangers van het basisinkomen.

In het inleidende hoofdstuk geeft Van Parijs een overzicht van de uiteenlopende ethische funderingen van het basisinkomen. Deze blijken zo'n beetje het gehele politiek-filosofische spectrum te beslaan, van libertarisme tot marxisme. Van Parijs loopt gedeeltelijk vooruit op een aantal bijdragen in het boek, maar verwijst ook naar andere opvattingen, zodat de lezer die zich verder in dit ondenverp wil verdiepen, aardig op weg geholpen wordt.

Het eerste deel van het boek is gewijd aan de sociaal economische achtergronden van het basisinkomen. Na een wat tegenvallend hoofdstuk van Guy Standing over de economische achtergrond, plaatst Claus Offe het basisinkomen in het kader van de hervorming van de verzorgingsstaat. De huidige verzorgingsstaat is in belangrijke mate gebaseerd op een aantal 'produktivistische' veronderstellingen, zoals het kerngezin, de mannelijke kostwinner en 'collectieve actoren', zoals de vakbonden. Deze veronderstellingen verliezen echter steeds meer aan geldingskracht. Offe beschrijft vier mogelijke strategische reacties op deze ontwikkeling: de economisch-liberale strategie van meer ruimte voor de markt, de conservatieve strategie van selectief straffen en belonen om het gewenste gedrag te stimuleren, de sociaal-democratische strategie van verdere uitbouw van de verzorgingsstaat en de links-libertaire strategie van gelijktijdige vergroting van zekerheid en individuele autonomie. In deze laatste strategie speelt het idee van burgerschap een belangrijke rol. Een basisinkomen zou daarvan een belangrijk element kunnen zijn. Het is deze strategie die volgens Offe het meeste perspectief biedt voor revitalisering van de verzorgingsstaat.

In het tweede deel van het boek wordt het basisinkomen bezien vanuit het streven naar vrijheid. Libertaristen zijn van mening, dat de overheid zich zo weinig mogelijk met het leven van mensen moet bemoeien. Ieder heeft een aantal fundamentele vrijheidsrechten, waarvoor de overheid garant moet staan, maar verder dient zij zich van ingrijpen in het maatschappelijk leven te onthouden. Het lijkt op het eerste gezicht misschien onwaarschijnlijk dat men op basis van een dergelijk uitgangspunt een basisinkomen zou kunnen verdedigen. Dat blijkt echter wel degelijk mogelijk. Volgens Hillel Steiner kunnen er in een 'libertaire' visie drie rechtvaardige belastingen zijn. In de eerste plaats mag niemand zich zomaar de natuur toeëigenen. Wie van de natuur (grond, planten, dieren, grondstoffen) gebruik wil maken, is dan ook een vergoeding schuldig aan de gemeenschap. In de tweede plaats heeft niemand recht op een bepaald vermogen als de eigenaar ervan overlijdt. Ook als de persoon in kwestie een testament heeft opgemaakt, dan verliest dit alle betekenis zodra hij overlijdt. Immers, aan wie zou men verplicht zijn het testament uit te voeren? Niet aan de overledene, want die bestaat niet meer. Evenmin aan de erfgenamen, want die kunnen hun aanspraken alleen ontlenen aan de niet meer bestaande overledene. De erfenis valt daarom toe aan de gemeenschap, stelt Steiner. In de derde plaats, maar dat is het meest speculatief, zouden ook de genetische eigenschappen van kinderen aan de gemeenschap toebehoren. Immers, genetische informatie is in zekere zin een "natuurlijke hulpbron", waarop men geen individuele aanspraak kan doen gelden. Ouders van genetisch begaafde kinderen zouden daarom een belasting moeten betalen.

Deze laatste gedachte, een belasting op "genen", wordt door Alan Carling sterk bekritiseerd. De genetische eigenschappen die iemand bezit (bv. een bepaald talent) gaan immers niet ten koste van iemand anders en er is, vanuit een libertaire visie, dan ook geen reden waarom men daarover belasting verschuldigd zou zijn.

Dat een basisinkomen kan worden verdedigd vanuit het streven naar gelijkheid, is minder verrassend. Wie volmaakte inkomensgelijkheid nastreeft, zou eigenlijk per definitie voor een basisinkomen moeten zijn. Vrijwel niemand wil echter zover gaan, dat het volledig nationaal inkomen in de vorm van basisinkomens zou moeten worden verdeeld. John Baker interpreteert "egalitarisme" in de eerste plaats als het streven naar gelijke uitkomsten, en niet slechts als gelijke kansen. Een essentieel begrip om te kunnen vaststellen of er sprake is van gelijke uitkomsten is "behoefte". Baker gaat ervan uit, dat er overeenstemming kan bestaan over een aantal basisbehoeften waarin moet worden voorzien om normaal te kunnen functioneren. Dat de samenleving voor de verwezenlijking daarvan garant dient te staan, betekent overigens niet dat individuen daarvoor niet ook zelf verantwoordelijkheid dragen. De inkomens zouden dan zo verdeeld moeten zijn, dat zij compensatie bieden voor de lasten waarmee werken gepaard gaat. Dat betekent dat men meer mag verdienen naarmate men langer werkt en het werk onaangenamer is.

In aanvulling hierop zouden mensen vrij moeten zijn in hun beroepskeuze. Mensen kunnen dan in beginsel het werk kiezen, waarvan de baten en lasten naar hun gevoel redelijk in evenwicht zijn. Dit betekent echter ook, dat iemand die van mening is dat er geen baan beschikbaar is waarvan de baten (het inkomen) voldoende opwegen tegen de lasten, niet gedwongen mag worden om een baan te accepteren. Iemand die weigert te werken, dient dus toch een inkomen te hebben, en dat vormt de rechtvaardiging voor de invoering van een basisinkomen.

Het betoog van Baker is mijns inziens niet erg overtuigend. Dat zit hem vooral in zijn uitgangspunt: gelijkheid van uitkomsten. Die 'uitkomsten' lijken echter beurtelings op inkomen, welzijn, basisbehoeften en levensvervulling betrekking te hebben. Daardoor wordi het niet duidelijk, waarom de persoonlijke beoordeling van de baten en lasten van werk zo'n zwaar gewicht zou moeten hebben. Mensen die hoge eisen stellen aan werk, lijken op grond daarvan ook een hoog inkomen te kunnen claimen!

Brian Barry onderschrijft in zijn reactie Bakers conclusie dan ook niet. Hij geeft aan dat er heel verschillende redenen kunnen zijn om gelijkheid te bepleiten, die lang niet alle in overeenstemming zijn met het principe van compenserende inkomensverschillen. Ook het behoeftenbegrip van Baker is voor meerdere uitleg vatbaar. Uiteindelijk wijst hij een basisinkomen af, omdat dit volgens hem niet overeenstemt met een plausibele opvatting van gelijkheid en bovendien het gevaar in zich bergt van een tweedeling van de samenleving. Richard Norman is meer gecharmeerd van de ideeën van Baker en probeert deze wat verder uit te werken. Hij stelt onder meer dat te overwegen valt om een deel van het basisinkomen in natura uit te keren, bv. in de vorm van gratis gezondheidszorg, onderwijs e.d. Dat biedt immers een betere garantie dat iedereen er in dezelfde mate gebruik van maakte, dan wanneer mensen een geldbedrag in handen krijgen. Volgens Norman is een basisinkomen overigens niet voldoende om het gelijkheidsideaal te realiseren. Zolang er boven dat basisinkomen grote verschillen blijven bestaan, is er alle reden om naar een verdere vermindering van ongelijkheid te streven.

In het vierde deel van Arguing for Basic Income wordt op de vraag ingegaan, of een basisinkomen ook kan worden verdedigd vanuit het idee van de gemeenschap. Op het eerste gezicht ligt dat niet zo voor de hand. Aanhangers van het 'communitaristische' denken relativeren immers het belang van het individu ten opzichte van de gemeenschap of cultuur waarvan zij deel uitmaken. Het is dan niet duidelijk waarom aan het individuele recht op een inkomen een bijzonder gewicht zou moeten worden toegekend. Bill Jordan tracht echter aan het gemeenschaps-ideaa1 een interpretatie te geven waardoor deze niet langer strijdig is met het liberale ideaal waarin het individu centraal staat. Hij stelt, dat mensen die deel uitmaken van een bepaalde gemeenschap ook bepaalde belangen met elkaar gemeenschappelijk hebben. Men kan zelfs stellen, dat het bestaansrecht van een gemeenschap (bv. een staat) is gelegen in het feit, dat deze het gemeenschappelijk belang van de leden bevordert. Zonder de gemeenschap zou iedereen slechter af zijn en er is dus geen reden om het belang van het individu en van de gemeenschap als strijdig met elkaar te zien. Dit vereist echter wel. dat iedereen volwaardig lid is van die gemeenschap. Een democratisch besluitvormingsproces is daarvoor in ieder geval een noodzakelijke voorwaarde. Een basisinkomen zou kunnen voorkomen, dat een deel van de bevolking volwaardig lidmaatschap van de gemeenschap wordt onthouden doordat men geen werk heeft.

Het betoog van Jordan is zonder twijfel een van de interessantste in het boek. Of zijn poging om communitarisme en liberalisme met elkaar te verzoenen geheel geslaagd is, kan men echter betwisten. Mijn indruk is, dat het in wezen een liberaal betoog is, waarbij hij evenwel duidelijk maakt, dat dit niet strijdig hoeft te zijn met het belang van de gemeenschap. Uiteindelijk blijft hij het vraagstuk echter benaderen vanuit het belang van het individu; de gemeenschap heeft geen belang dat daar geheel los van staat.

André Gorz uit felle, maar mijns inziens niet erg onderbouwde, kritiek op Jordans opvatting, dat een basisinkomen zou bijdragen aan volwaardig lidmaatschap van de gemeenschap. Naar zijn mening is het daarvoor essentieel dat men deel heeft aan de belangrijkste publieke activiteit van burgers, namelijk betaald werk.

Michael Freeden houdt een pleidooi voor een 'liberaal communitarisme' waarin het gemeenschapselement wat zwaarder weegt dan bij Jordan. Maar hij plaatst dan ook vraagtekens bij de opvatting dat een basisinkomen daar in zou passen. Zo is een basisinkomen in Jordans visie vooral gericht op de onderklasse, terwijl het juist nodig is om de gehele samenleving te 'binden'. Bovendien is het niet vanzelfsprekend dat het individu degene zou moeten zijn die een inkomen kan claimen. Misschien is de gemeenschap er meer mee gediend indien het beschikbare geld aan gemeenschappelijke doelen wordt besteed. Hoewel ik de visie van Freeden niet direct onderschrijf, maakt hij denk ik wel duidelijk, dat een basisinkomen en een communitaristische opvatting vooralsnog op gespannen voet met elkaar staan.

In het laatste deel van het boek gaat het niet zozeer om principiële argumenten voor of tegen een basisinkomen, maar om de vraag of een basisinkomen ook op grond van doelmatigheidsoverwegingen valt te verdedigen. In zijn slothoofdstuk stelt Philippe Van Parijs dat de invoering van een basisinkomen pas een serieuze politieke optie wordt als de voorstanders aannemelijk kunnen maken. dat een basisinkomen niet alleen rechtvaardig is. maar ook economisch doelmatig. In zijn bijdrage gaat Robert E. Goodin in op een interessant aspect van de doelmatigheid van een stelsel van sociale zekerheid, namelijk de mate waarin dit op bepaalde vooronderstellingen is gebaseerd. Naarmate aan sociale politiek meer veronderstellingen ten grondslag liggen, is de kans groter dat deze niet overeenkomen met de werkelijkheid, zeker als die werkelijkheid ook nog eens verandert. De kans wordt dan kleiner, dat het doel van de betreffende politiek wordt gerealiseerd. Aan het bestaande stelsel van sociale zekerheid liggen bv. veronderstellingen ten grondslag m.b.t. (bijna) volledige werkgelegenheid en het bestaan van stabiele gezinnen. Door maatschappelijke ontwikkelingen komen deze veronderstellingen, zoals ook Offe al constateerde, steeds minder overeen met de werkelijkheid. Het voordeel van een basisinkomen is nu, dat dit op een zo gering mogelijk aantal veronderstellingen is gebaseerd en in die zin dus het minst gevoelig is voor maatschappelijke veranderingen. Het nadeel, dat een basisinkomen naar mensen gaat voor wie het eigenlijk niet bedoeld is. is volgens Goodin kleiner dan het nadeel van het bestaande stelsel. dat mensen voor wie het wel bedoeld is van een uitkering verstoken blijven. Dit lijkt mij echter wat te gemakkelijk geconcludeerd. Wie ervan uitgaat, dat alleen werkelijk 'behoeftigen' recht hebben op een uitkering, zal toch moeilijk kunnen instemmen met een regeling die aan iedereen een onvoorwaardelijke uitkering toekent. Goodins argument lijkt mij dan ook beslist onvoldoende als rechtvaardiging voor een basisinkomen, maar het is wel een interessant bijkomend argument dat voor een basisinkomen pleit.

Tot slot probeert Philippe Van Parijs in meer algemene zin aannemelijk te maken dat rechtvaardigheid en doelmatigheid dankzij een basisinkomen in elkaars verlengde kunnen liggen, in plaats van dat de een moet worden 'afgeruild' tegen de ander. Op het eerste gezicht lijkt er wel degelijk van een afruil sprake te zijn. Een basisinkomen vergt hogere belastingen dan een even hoge voorwaardelijke minimumuitkering. Als hogere belastingen de prikkel om te werken verminderen, zou dat negatief uitwerken op de hoogte van het nationaal inkomen. Er kunnen echter ook argumenten worden aangevoerd waarom een basisinkomen het functioneren van de economie verbetert. Zo kan een basisinkomen een grotere flexibiliteit, vooral van de arbeidsmarkt, mogelijk maken. Bovendien vergroot een basisinkomen het belang dat individuen hebben bij een hoge maatschappelijke produktiviteit in vergelijking met hun eigen bijdrage daaraan. Dit zou samenwerking kunnen bevorderen en chaos kunnen voorkomen.

Van Parijs doet een verdienstelijke poging om tegengas te geven tegen de - onder tegenstanders overheersende - opvatting, dat een basisinkomen 'slecht' is voor de economie. Niettemin vrees ik, dat zijn betoog voor veel economen onvoldoende overtuigend zal zijn. Daarvoor zijn de positieve economische effecten die hij van een basisinkomen verwacht immers nogal speculatief. Bovendien kan men zich afvragen of een minder 'duur' alternatief dan het basisinkomen niet vergelijkbare effecten zou kunnen sorteren.

Al met al biedt Arguing for Basic Incorne een aantal zeer interessante (en enkele wat minder interessante) bijdragen, die het denken over de argumenten voor een basisinkomen weer een stap verder brengen. Niettemin maakt het boek ook maar al te duidelijk, dat een alomvattende en samenhangende fundamentele rechtvaardiging van het basisinkomen nog ver verwijderd is. Een veeg teken is wellicht, dat veel bijdragen op het moment dat daarin het basisinkomen ter sprake wordt gebracht, aan overtuigingskracht beginnen te verliezen. Wie hoopt eens en voor altijd te kunnen vaststellen waarom een basisinkomen 'goed' is, kan dit boek daarom maar beter links laten liggen. Wie daarentegen haar eigen opvattingen wil scherpen door deze te confronteren met een aantal uiteenlopende benaderingen. zal in Arguing for Basic Income veel van haar gading vinden.

Paul de Beer