NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
NUMMER 5 MAART 1993 issn 0924-3038
Inhoudsopgave
Staat, Burger en Basisinkomen: een gespannen relatie
Voor elke Man en Vrouw een 'NIB' van 425 gulden
Van fraude naar basisinkomen
Uit de pers
Staat, Burger en Basisinkomen: een gespannen relatie
Is het basisinkomen een tegenprestatie voor de bijdragen die de burgers (onbetaald) leveren aan het in stand houden van hun samenleving? Of is het basisinkomen een grondrecht om iedereen in staat te stellen in gelijke mate gebruik te maken van de rijkdommen van die samenleving? Kan de overheid, als er eenmaal een basisinkomen is ingevoerd, rustig toekijken hoe de samenleving zich verder ontwikkelt? Of veronderstelt invoering van een basisinkomen juist dat er op allerlei terreinen regulerend wordt opgetreden om te voorkomen dat de zaak uit de hand loopt?
Een bevredigend antwoord op deze twee vragen is essentieel om erop te kunnen vertrouwen. dat een wereld met een basisinkomen de moeite waard is om na te streven. Het zijn tegelijkertijd vragen waarop allesbehalve eenvoudig een antwoord valt te geven.
Dat bleek op de studiedag die de werkgroep onderzoek van de Vereniging Basisinkomen op 4 december 1992 organiseerde. Tijdens deze studiedag over staat, burger en basisinkomen stonden de twee bovengenoemde vragen centraal. Twee deskundige inleiders slaagden erin de dertig aanwezigen te dwingen tot aandachtig luisteren en te prikkelen tot een intrigerende discussie, die af en toe echter wel het uiterste van het abstractievermogen van de aanwezigen vergde.
Philippe van Parijs is hoogleraar politieke filosofie aan de katholieke universiteit van Louvain-la-Neuve in België. Hij redigeerde onlangs een bundel over de ethische grondslagen van het basisinkomen ('Arguing for basic income' - zie de vorige Nieuwsbrief). De bezwaren en weerstanden tegen het basisinkomen hebben volgens hem vooral betrekking op twee punten: de haalbaarheid en de morele aanvaardbaarheid. De twijfels over de haalbaarheid van het basisinkomen illustreerde hij met het 'Lubbers-Parker-dilemma'.
Volgens premier Lubbers is de invoering van een basisinkomen in een kleine, open economie als de Nederlandse te riskant. Hij acht alleen een invoering op Europees niveau eventueel mogelijk. Hermione (Mimi) Parker, een bekend Engels pleitbezorgster van het basisinkomen, daarentegen meent dat de sociale-zekerheidsstelsels in Europa te zeer verschillen om vergaande harmonisatie (afstemming), uitmondend in een basisinkomen, mogelijk te maken. Van Parijs meent echter dat beide bezwaren niet overtuigend zijn. Invoering van een basisinkomen op nationaal niveau is eerder een politieke dan een economische onmogelijkheid. Anderzijds vereist invoering van een Europees basisinkomen als voet onder het sociale-zekerheidsstelsel niet, dat de stelsels ook verder op elkaar worden afgestemd.
Uitgebreider ging Van Parijs in op de morele aanvaardbaarheid van het basisinkomen. Hij ziet ruwweg twee mogelijkheden om een basisinkomen te rechtvaardigen. De eerste gaat uit van het reciprociteits-ideaal, d.w.z. de gedachte dat er een zekere wederkerigheid dient te bestaan tussen de bijdragen die mensen leveren en de beloning die zij ontvangen. In de huidige situatie wordt alleen betaalde arbeid financieel beloond.
Onbetaalde arbeid draagt wel bij aan de maatschappelijke welvaart, maar er staat geen beloning tegenover. Het is echter niet wenselijk en niet mogelijk om onbetaalde arbeid te betalen. Daarom zou iedereen een basisinkomen moeten ontvangen, dat overeenkomt met de gemiddelde waarde van het verrichte onbetaalde werk.
Een zekere onrechtvaardigheid is daardoor onvermijdelijk. Wie meer dan gemiddeld onbetaald werk verricht krijgt een te laag basisinkomen, wie minder dan gemiddeld bijdraagt ontvangt te veel. Maar deze onrechtvaardigheid is in ieder geval minder groot dan de huidige situatie waarin niemand een beloning voor het verrichte onbetaalde werk ontvangt. Van Parijs was zelf niet zo enthousiast over deze rechtvaardiging van het basisinkomen.
In de discussie die op zijn inleiding volgde, bleken er echter onder de aanwezigen meer voorstanders te zijn van deze reciprociteitsbenadering - al was het alleen maar omdat veel tegenstanders van het basisinkomen er moeite mee hebben dat er geen tegenprestatie tegenover het basisinkomen staat.
De voorkeur van Van Parijs ging echter uit naar de tweede soort rechtvaardiging van het basisinkomen: het streven naar een rechtvaardige verdeling van (maatschappelijke) hulpbronnen. Door iedereen van een zo hoog mogelijk basisinkomen te voorzien. zou de 'reële vrijheid' van de minst bevoorrechte burgers maximaal zijn. Tegen deze redenering kunnen twee soorten bezwaren worden ingebracht. door Van Parijs beeldend aangeduid als de tegenstelling tussen Lonely en Lovely en tussen Crazy en Lazy.
Lovely is, in tegenstelling tot Lonely, begiftigd met vele talenten en kan zich daarom een veel hoger inkomen verwerven dan de ander. Door beiden een even hoog basisinkomen te geven wordt die ongelijkheid onvoldoende recht getrokken: je zou Lonely eigenlijk een veel hogere uitkering moeten geven en Lovely alleen laten betalen. Hiertegen kan echter weer worden ingebracht, dat je dan over allerlei gedetailleerde informatie over de burgers zou moeten beschikken. Het grote voordeel van het basisinkomen is, dat dit minder dan enige andere vorm van uitkeringen, vooronderstellingen maakt over de omstandigheden en kenmerken van burgers.
Crazy wil graag hard werken om veel te verdienen, Lazy daarentegen is liever lui dan moe. Betekent invoering van een basisinkomen nu niet. dat Crazy wordt benadeeld in vergelijking met Lazy? Stel echter, dat er al een basisinkomen zou bestaan en er wordt overwogen om dit af te schaffen. In dat geval zou Lazy juist worden benadeeld. Wat is het juiste vergelijkingspunt?
Van Parijs suggereert het volgende gedachtenexperiment Stel, dat een groep burgers aanspoelt op een bewoond eiland. Ieder heeft dan recht op een gelijke hoeveelheid van de daar aanwezige hulpbronnen: de handelswaarde daarvan vormt in feite het maximaal te rechtvaardigen basisinkomen.
Na de pauze was het woord aan Jos de Beus, universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam en sinds kort part-time hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit van Twente. Hij probeerde een antwoord te geven op de vraag wat je van een basisinkomen mag verwachten. Volgens de optimisten heeft een basisinkomen overwegend positieve gevolgen en is het dus ook niet nodig om het recht op een basisinkomen in de grondwet vast te leggen: het zal vanzelf wel in stand blijven. De pessimisten daarentegen voorzien allerlei negatieve effecten en stellen dat het eenvoudigweg niet mogelijk is het recht op een basisinkomen grondwettelijk vast te leggen. Degenen die een tussenweg bewandelen stellen, dat als het basisinkomen vergezeld gaat van aanvullende spelregels, de positieve gevolgen de negatieve zouden kunnen overheersen. Het is dit laatste standpunt dat De Beus in zijn inleiding poogde te verdedigen. Daartoe maakte hij eerst een uitgebreide omtrekkende beweging. Hij gaf een gedetailleerde uiteenzetting over de verschillende interpretaties en aspecten van het begrip solidariteit.
Vervolgens gaf hij aan welke aspecten van solidariteit de voorstanders van het basisinkomen stilzwijgend hopen te realiseren: een 'koude' georganiseerde solidariteit, die echter geen 'warme' spontane solidariteit in de weg staat, een solidariteit die wel overeenstemt met de gevoelens m.b.t. wederkerigheid (reciprociteit) in de samenleving, maar niet direct afhangt van de bijdragen van anderen. een solidariteit die in de grondwet kan worden verankerd en bestuurlijk eenvoudig kan worden vormgegeven. Een basisinkomen dat op dergelijke principes is gebaseerd zou een enorme innovatie (verniemving) van de verzorgingsstaat betekenen.
Tot slot plaatste De Beus de nodige vraagtekens bij de stelling van de voorstanders van het basisinkomen dat dit alles met een zeer sterke vereenvoudiging van regelgeving gepaard zou kunnen gaan. Ter illustratie haalde hij de uitwerking aan die de eerder genoemde Hermione Parker van een basisinkomen heeft gegeven. In haar voorstel gaat de invoering van een basisinkomen gepaard met een groot aan tal aanvullende regels. Daarnaast is een basisinkomen volgens De Beus gebaseerd op een groot aantal verwachtingen hoe de burgers zich zullen gedragen. Het gaat daarbij onder meer om de tegenprestatie die de ontvangers van het basisinkomen zullen leveren. de rechtmatigheid van de toeslagen die zij aanvragen, de mogelijkheid van aanvullende verzekeringen, de bereidheid om een hoge belasting te betalen en deze niet af te wentelen op (bijvoorbeeld) de werkgevers. De conclusie van De Beus luidde dan ook, dat invoering van een basisinkomen niet zonder meer tot een sterke vermindering van regelgeving leidt en bovendien een drastische uitbreiding van niet wettelijke spelregels vereist.
In de discussie die hierop volgde, werden nogal wat vraagtekens gezet bij de specifieke variant van het basisinkomen die De Beus als voorbeeld had genomen. Parker kiest inderdaad voor een basisinkomen dat met veel regelgeving gepaard gaat, maar zijn er niet andere, veel simpeler systemen van een basisinkomen mogelijk? Daarnaast werd de vraag opgeworpen of de niet-wettelijke spelregels die De Beus noodzakelijk acht, door het basisinkomen niet overbodig worden gemaakt. Het basisinkomen zou juist de prikkels kunnen oproepen die het gewenste gedrag stimuleren. bijvoorbeeld doordat de 'armoedeval' voor uitkeringsgerechtigden verdwijnt.
Tot slot schetste Robert van der Veen, medewerker aan de Universiteit van Amsterdam, die de studiedag had georganiseerd, zijn positie ten opzichte van de beide inleiders. Dat leidde aan het eind van de middag nog tot een debat op hoog abstractieniveau over 'endowments' en 'all-purpose means', reciprociteit en Homogenië, dat zich niet in een paar zinnen laat samenvatten. De geïnteresseerde verwijs ik naar het verslag van de studiedag dat binnenkort beschikbaar komt.
Paul de Beer
Voor elke Man en Vrouw een 'NIB' van 425 gulden
(Onderstaande artikel is overgenomen uit Trouw van 16 december 1992. Het is een bewerking van een inleiding die Kris Douma hield voor de werkgroep onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen op 4 september 1992.)
Economische zelfstandigheid voor mannen én vrouwen staat al erg lang op de politieke agenda zonder dat enige vooruitgang werd geboekt. Het kabinet Lubbers-Kok heeft dit doel geen stap dichterbij gebracht. Ook sociale partners laten het onderwerp liggen: in het SER-advies voor het economisch beleid op de middellange termijn wordt er niet of nauwelijks aandacht aan besteed. Twee forse stappen op weg naar economische zelfstandigheid zijn echter relatief eenvoudig te realiseren. Stap één is de omzetting van de huidige belastingvrije voet in een 'negatieve inkomstenbelasting' (NIB). Stap twee is verhoging van die NIB door middel van een omvangrijke 'balansverkorting': het afschaffen van allerlei subsidieregelingen onder gelijktijdige teruggave van het daarmee gemoeide geld.
Stap één komt er kort gezegd op neer dat iedereen tussen de 18 en de 65 jaar recht krijgt op zijn of haar eigen belasting vrije voet. Niet langer overhevelen naar de werkende partner, maar omzetten in een negatieve inkomstenbelasting van netto 200 gulden. De niet werkende partner, meestal de vrouw, krijgt de belastingvrije voet zelf uitgekeerd. Overhevelen is er niet meer bij. Behalve enige nivellering zijn hiermee geen inkomensgevolgen gemoeid.
Voor studenten vervangt het een deel van de basisbeurs, Ook voor de huidige groep uitkeringsgerechtigden wordt aan het bruto-netto-traject iets veranderd en de 'afhankelijke' partner van een uitkeringsgerechtigde krijgt, evenals de niet-werkende partner van een alleenverdiener, een klein eigen inkomen. Voor de overheid is deze maatregel volstrekt budget neutraal.
Stap twee, uitbreiding van de NIB, is mogelijk door afschaffing van een groot aantal overdrachtsuitgaven onder gelijktijdige teruggave van belastinggeld, ook wel balansverkorting genoemd. In 1990 gaf het rijk ongeveer 80 miljard gulden uit aan subsidies en belastingvrijstellingen. De verzorgingsstaat verwordt tot een liefdevolle wurging. Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft al jaren geleden aangetoond dat het profijt van de overheid onvoldoende terecht komt bij de doelgroepen. De in een la verdwenen subsidiebijbel van het Ministerie van Financiën laat eveneens zien hoe 25 grote subsidieregelingen lijden aan verschillende vormen van ondoelmatigheid. Tilburgse onderzoekers hebben aangetoond dat er in de sfeer van de sociale zekerheid en aanverwante regelingen sprake is van een onderbenutting van ongeveer 15 procent.
Tenslotte is het het element van de betutteling die onvermijdelijk met subsidieregelingen gepaard gaat. Vooral in de sfeer van het wonen is het stelsel volstrekt onoverzichtelijk geworden. Forse vermindering of afschaffing van objectsubsidies, de individuele huursubsidie (onder invoering van een woonlastensubsidie voor alleenstaanden zonder werk). hypotheekrente-aftrek en rijksbijdrage eigen woning is mogelijk. Delen van de subsidies voor cultuur kunnen verdwijnen. Ook de aanvullende bijstand gemeentelijke kwijtscheldingsregelingen en de rentevrijstelling voor consumptief krediet kunnen worden geschrapt.
Een kritische evaluatie van de subsidie- en belastingaftrekregelingen. waarbij onderwijs, gezondheidszorg en milieu uitgezonderd worden, zal zeker nog enkele miljarden opleveren, zodat ongeveer 25 miljard gulden beschikbaar komt.
Door de opbrengst van deze operatie te besteden aan een verhoging van de NIB met 225 gulden komt dit geld ook daadwerkelijk in omvangrijke mate terecht bij de laagste inkomensgroepen. Op individueel niveau kunnen er natuurlijk verschillen optreden; niet iedereen maakt evenveel gebruik van de genoemde voorzieningen. Maar gemiddeld zullen de laagste inkomensgroepen er iets op vooruit gaan.
Het afschaffen van subsidies gaat gepaard met een verschuiving van de bestedingen. Gemiddeld besteedt de Nederlander vergeleken met andere Europese landen vrij weinig aan wonen. Mensen zullen aan het wonen dus meer moeten gaan uitgeven. maar een deel van het vrijkomende inkomen zal ook anders besteed gaan worden, nu mensen daarin zelf meer keuzevrijheid hebben. Op macroniveau zal dat globaal tot gelijkblijvende bestedingen leiden, onder gelijktijdige verschuiving van economische activiteit van de ene sector naar de andere. Eenzelfde effect treedt op bij de overige balansverkortende maatregelen.
Balansverkorting ten behoeve van invoering van een NIB heeft ook gevolgen voor de inkomensverdeling. Niet iedereen profiteert bijvoorbeeld evenveel van de rentevrijstelling voor consumptief krediet.
Daarom roepen afzonderlijke maatregelen in de sfeer van afschaffing van subsidies ook altijd veel weerstand op. Het voordeel van een wat omvangrijkere balansverkorting is, dat er een grotere spreiding van nadelen optreedt die, door de gelijktijdige teruggave in de vorm van een hoger NIB, leidt tot veel kleinere inkomensverschuivingen. De nadelen worden gespreid en vallen gemiddeld weg tegen de nieuwe NIB. Vanzelfsprekend zullen er wel inkomensverschuivingen resteren. Dat is bij een overgang naar een stelsel van economische zelfstandigheid echter onvermijdelijk en zelfs wenselijk.
Een geleidelijke invoering van economische zelfstandigheid tot een NIB van 425 gulden in vier jaar is mogelijk. Door omzetting van de belastingvrije voet in een NlB van 200 gulden per maand in het eerste jaar. En door vermindering van subsidies en aftrekposten in drie stappen. Dat maakt het mogelijk voor mensen om op de effecten van deze grote uitruil te anticiperen.
Kroon op het plan blijft natuurlijk dat de opbrengst van de hele operatie niet verdwijnt in een algemene lastenverlichting, maar ten goede komt aan het realiseren van economische zelfstandigheid. Aan het eind van die vier jaar bedraagt de NlB 425 gulden per maand.
Deze grote opruiming ten behoeve van economische zelfstandigheid leidt tot een kleine verlaging van de collectieve lastendruk (alhoewel de definitie van dit begrip geen raad weet met het effect van belastingvrijstellingen), verlaging van de 'wig' (het verschil tussen bruto- en-netto inkomen) en een forse vermindering van de overbelaste bureaucratie. Daarmee draagt het bij aan de verbetering van de werkgelegenheid.
Een belangrijke stap richting economische zelfstandigheid wordt gezet.
Kris Douma
Van fraude naar basisinkomen
In ‘Aangenaam’ stelt telkens iemand met een mening over het basisinkomen zich aan u voor.
We leven in een pluriforme samenleving. Er zijn vele groepen mensen met een grote verscheidenheid aan meningen. De samenleving verkeert in een proces van verandering. Vooral de stedelijke samenleving ademt de sfeer van vrijblijvendheid en anonimiteit. Instanties die saamhorigheid bevorderen en in stand houden, zoals de overheid, genieten geen gezag meer. Politiek is de hobby van een kleine groep die de indruk wekt om namens velen op te treden. Mensen zijn niet langer aan te spreken op collectieve verantwoordelijkheid. De samenleving verindividualiseert. Mensen kunnen wel op persoonlijke verantwoordelijkheid worden aangesproken. Je kunt ook mensen ervan doordringen dat onderlinge afhankelijkheid in sommige gevallen de overlevingskansen bevordert.
Een verindividualiseerde samenleving is niet per definitie egoistisch. In de stedelijke samenleving gaan mensen ondanks de vrijblijvendheid en anonimiteit toch op zoek naar andere mensen. Ze hebben vaak graag iets voor anderen over. Vrijwilligerswerk in de sociale sector groeit en bloeit. Het is tragisch dat ons sociale-zekerheidsstclsel uitgaat van ontwikkelingen binnen gezinnen en relaties welke inmiddels voor een deel achterhaald zijn. Er zijn geen duidelijke relaties meer. Niet iedereen leeft binnen het verband van een gezin. Daar komt nog bij dat er geen werkgelegenheid is voor iedereen. Uitkeringen zijn betrekkelijk laag. Nu ontstaat een beeld dat gekenmerkt wordt door de volgende. reeds genoemde. factoren:
Dat betekent dat onze samenleving fraudegevoelig is geworden. Vooral buitenlanders die in het geheel niet vertrouwd zijn met de traditie van onze sociale zekerheidsstelsel confronteren ons met de fraudegevoeligheid. Buitenlanders zijn vaak afkomstig uit culturen waar de familie voor je zorgt. De schade die je een ander aandoet moet je ook ze vergoeden. In onze samenleving raakt de buitenlander soms in de war. Niet de familie belooft voor je te zorgen, maar de overheid. Tegen schade kun je je verzekeren. Dat wil zeggen dat het geld opgebracht wordt door onbekenden en onbeminden en bureaucraten die gebonden zijn aan een veelheid van regels om een en ander zo nauwkeurig en eerlijk mogelijk te regelen. Maar het wrange is nu dat niet alleen buitenlanders maar ook een groeiend aantal Nederlanders geen emotionele band hebben met de bureaucratie die hen onderhoudt of ondersteunt.
Zo ontstaat er een situatie waarin mensen proberen slimmer te zijn dan het bureaucratisch systeem. Zij trachten hun uitkering aan te vullen. Zij willen ook kostbare goederen aanschaffen. Waarom zij niet en anderen wel? Er is niet het gevoel dat de gemeenschap opgelicht wordt De mensen hebben niet het idee dat zij deel uitmaken van een zorgzame gemeenschap. Bovendien hebben mensen het gevoel dat regels willekeurig zijn. Zij kunnen toch niets doen aan die regels. Het is beter de hand te lichten met die regels.
Daarom meen ik dat de invoering van een basisinkomen de beste oplossing is. Alle arbeid wordt gelijk gewaardeerd, zowel de zogenaamd betaalde arbeid als de huishoudelijke arbeid en vrijwilligerswerk. leder krijgt een minimaal basisinkomen dat net toereikend is voor dagelijkse levensbehoeften. Elk individu heeft dus zijn of haar eigen inkomen. Het is duidelijk dat een aantal mensen zal willen studeren om betaald werk te verkrijgen. Zij krijgen een aanvulling op hun basisinkomen overeenkomstig de prestaties die verlangd worden. Relaties kunnen mensen privaatrechtelijk organiseren. Regelgeving moet niet langer afgestemd zijn op gezin en relaties. De individuele verantwoordelijkheid wordt aangescherpt.
Het verkrijgen van een uitkering maakt vaak apatisch en doet initiatief verminderen. Wie wil kan werken. Wie dat niet wil, kiest voor een andere levensstijl. Sollicitatiedwang verdwijnt. Politici behoeven hun kiezers niet meer blij te maken met de fopspeen van werkgelegenheid voor iedereen. De aanleiding om te frauderen zal afnemen. Er zal ook dan een gezondere relatie ontstaan tussen overheid en burger. De overheid legt atn stuk verantwoordelijkheid bij de burger die niet langer zijn hand komt ophouden bij de overheid, die de paraplu van sociale zekerheden aanreikt.
De overheid zorgt er als vantevoren voor dat de burger minimaal verantwoord kan leven. Voor de burgers is de gang van zaken ook goed voor de gezondheid. Er is geen werkdrang meer. Niet steeds minder mensen moeten meer werk doen. Toch zullen vele mensen de prikkel voelen tot studie en betaald werk. Tegelijkertijd zullen er mensen zijn die de voorkeur hebben voor bescheiden klussen en hun vrije tijd liever aan iets anders wijden.
Het basisinkomen houdt ten volste rekening met de individualisering. Deskundigen hebben berekend dat een geleidelijke invoering van het basisinkomen tot de mogelijkheden behoort. Er zijn ook diverse variaties denkbaar die politiek bespreekbaar zijn. Het grondprincipe blijft hetzelfde.
Hans Visser
(Pauluskerk R'dam. red.)
Uit de pers
Groningen. de bijstandsfraude en het Basisinkomen. Oftewel: hoe uit iets slechts toch nog iets moois kan voortkomen.
Begin december vorig jaar werd de Haagse politiek opgeschrikt door het verontrustende bericht dat in Groningen een omvangrijke fraude met bijstandsuitkeringen was ontdekt. Uit onderzoek van een 'representatieve steekproef’ van 78 bijstandsontvangers was gebleken dat maar liefst de helft die uitkering ten onrechte ontving. Of ging het om een derde van de bijstandsontvangers? Of slechts één op de zes? De berichtgeving was aanvankelijk nogal verwarrend. Op 9 december. een week nadat de berichten over fraude de wereld in waren gestuurd, meldde NRC Handelsblad zelfs: "Bij de sociale dienst van Groningen is niet bekend hoeveel cliënten uit het steekproefonderzoek naar woonsituatiefraude daadwerkelijk van fraude zijn beschuldigd via een officiële beschikking."
Dat weerhield de heren en dames politici er echter niet van om gelijk maar alle bijstandsontvangers in het beklaagdenbankje te zetten. Het geroep om strengere controle, meer sociaal rechercheurs, hardere sancties was niet van de lucht.
Maar zie. Na dit weinig verheffende schouwspel van politici die elkaar in krachtpatserij trachtten te overtreffen, deed zich in de media een opvallende omslag voor. Plotseling verschenen er in de pers allerlei artikelen waarin de politici verweten werd geen oog te hebben voor de oorzaken van het probleem. Was het niet de ingewikkelde en ondoorzichtige regelgeving van de bijstandswet zelf die het oneigenlijke gebruik in de hand werkt? Was het feit dat de helft van de bijstandsontvangers de uitkering volgens de letter van de wet niet terecht ontvangt, niet veeleer een aanwijzing dat de wet niet deugt dan dat de schuld eenzijdig bij de 'fraudeurs' moet worden gezocht?
De oplossing van het probleem werd door deze commentatoren gezocht in een sterke vereenvoudiging en stroomlijning van de regelgeving. Sommige van hen gingen zelfs zover om het basisinkomen als alternatief aan te dragen. Waar de politici de oplossing zoeken in het verder beperken van de aanspraken op een bijstandsuitkering, stellen anderen juist dat de enige oplossing erin is gelegen om iedereen, zonder voorwaarden, een uitkering te verstrekken.
Hoewel de aanvankelijke reactie van de politici mij deed verzuchten, dat het basisinkomen verder weg leek dan ooit, is het basisinkomen door de media ineens ontdekt als een reëel alternatief voor het vastgelopen sociale-zekerheidsstelsel.
Daarmee is de politieke besluitvorming natuurlijk nog niet zover. Maar serieuze aandacht voor het idee in de pers is in ieder geval een eerste voorwaarde om uiteindelijk ook de politici over de streep te trekken.
Dat Marcel van Dam, die als columnist van de Volkskrant meermalen de gedachte van een basisinkomen heeft bepleit, inmiddels tot vice-voorzitter van de programcommissie van de Partij van de Arbeid is benoemd. geeft in ieder geval goede moed, dat het basisinkomen ook door één van de grote politieke partijen niet langer als een wereldvreemde optie zal worden beschouwd.
Hieronder volgt een, enigszins selectief, overzicht van de bijdragen die de afgelopen maanden in de pers over het basisinkomen verschenen.
Martha en Maria. Bron: de Volkskrant van 7 december 1992, auteur: Kees Schuyt
Hoogleraar sociologie en Volkskrant-columnist Kees Schuyt ziet in het Groningse fraudeonderzoek aanleiding om het rapport 'Waarborgen voor zekerheid' van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid uit 1985 in herinnering te roepen. In dit rapport werd gepleit voor een partieel (gedeeltelijk) basisinkomen:
"De vooroordelen over een basisinkomen zijn steeds groot geweest. Een inkomen zonder daarvoor te hoeven werken. past niet goed in onze moderne samenleving met een traditioneel calvinistisch arbeidsethos. Men heeft nooit goed raad geweten met de bijbelse parabel van Martha en Maria, waarin de een keihard moest werken en de ander in alle rust en vrijheid serieuze gesprekken met de Heer mocht voeren (…). Waar de één werkt, moet de ander ten minste beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en zich daar niet aan willen onttrekken," Het WRR-voorstel werd volgens Schuyt binnen twee weken doodgezwegen door de werkgevers (omdat het gefinancierd moest worden uit een heffing over de toegevoegde waarde), door de vakbeweging (omdat het een soort ministelsel omvatte) en door de regering (omdat het indruiste tegen haar eigen plannen met de sociale zekerheid).
"Met de invoering van een partieel basisinkomen wilden de WRR-auteurs op een innovatieve en creatieve manier inspelen op twee ontwikkelingen die het stelsel van sociale zekerheid zowel moreel als financieel ondermijnen: de individualisering en het toenemen van zwart werken." Dit zijn nog altijd de twee centrale problemen met de bijstandswet.
"Men kan zelfs stellen dat het manipuleren met de leefeenheid wordt aangemoedigd in plaats van afgeremd door het huidige stelsel. Er is een grote discrepantie ontstaan tussen de in alle overheidsbureaucratieën geboekstaafde leefeenheid en de sociale werkelijkheid van alledag en allenacht. Hetzelfde kan gezegd worden van de mate van legale en illegale bijverdiensten."
"Hoe groter de variatie in leefvormen en hoe groter de verschillen in de wijzen van geld verdienen, des te minder is een stelsel van sociale zekerheid in staat elk concreet geval volledig recht te doen, In zo'n situatie is terugkeer naar zeer algemene rechtvaardigheids- en ondersteuningsprincipes te overwegen. Het WRR-voorstel uit 1985 verdient een tweede kans om serieus in de discussie te worden betrokken,"
Eind sociale dromerij komt snel in zicht Bron: NRC Hande1sblad van 9/12/1992, Auteur: Marc Chavannes
NRC redacteur Marc Chavannes beschrijft de complexiteit van de wet- en regelgeving rond de bijstand. Het is het resultaat van de - vergeefse - pogingen van de overheid om een steeds ingewikkelder en diffusere samenleving in regels te vangen.
"De oplossing kan niet zijn meer zedenopnemers op pad te sturen. En evenmin alle computers te koppelen. Technisch wordt dat een chaos en het eindigt in een nachtmerrie als de aardige beheerder is vervangen door een slechte. De bedpolitie-staat is alleen te voorkomen door tijdig te erkennen dat Nederlanders individuen zijn geworden. Die nogal eens samenleven met andere individuen. Uitkeringen voor individuen zijn soms lagere uitkeringen. Dat is de prijs voor de vrijheid. Andere reparaties blijven knoeiwerk." Chavannes ondersteunt dan ook Schuyts opvatting dat het WRR-rapport 'Waarborgen voor zekerheid' "meer aandacht verdient dan de overlegeconomie destijds kon opbrengen."
Startsubsidie. Bron: Intermediair van 18/12/1992, Auteur,: Bas van Stokkom
De socioloog Van Stokkom vindt het weliswaar, evenals de politici, verontrustend dat er zoveel wordt gefraudeerd. Maar het is nog veel verontrustender dat het stelsel van sociale zekerheid volstrekt niet meer beantwoordt aan de eisen van een moderne samenleving.
Na een opsomming van de bezwaren van het bestaande stelsel concludeert hij: "Kortom, het huidige stelsel van sociale zekerheid leidt tot passiviteit. onverschilligheid en isolement, en nodigt uit tot fraude. Er is een radicaal ander stelsel nodig, gebaseerd op algemene rechtvaardigheidsprincipes en individuele uitkeringen."
"Wat betekent dat voor een nieuw stelsel? Ten eerste: zelfstandige initiatieven mogen nooit gehinderd worden, ook niet wanneer deze strijdig zijn met de eis van 'beschikbaarheid voor de officiële arbeidsmarkt'. Dan blijven mensen in afhankelijkheid gevangen. (…) Dus geen malle tijdsbestedingstoetsen, maar ook geen basisinkomen dat zo hoog is dat initiatieven worden gedoofd en een consumerend bestaan wordt geprefereerd."
"Er is dus een tussenoplossing nodig, een uitkering waarvan positieve prikkels uitgaan en die een basis is om op te bouwen: een 'startsubsidie voor participatie' zoals de socioloog Schuyt dat noemt. Zo'n subsidie is onvoldoende om van te leven, maar prikkelt tot het zoeken van een aanvullend inkomen, door part-time werk te verrichten in de vele sectoren die tijdelijk of onregelmatig personeel nodig hebben, door werk te doen in het informele, niet professionele zorg- en hulpcircuit in de naaste omgeving of door zelf produkten of diensten op de markt te brengen (van muziek tot tuininrichting)." Bovenop dit gedeeltelijk basisinkomen zou men nog recht kunnen verkrijgen op een aanvullende uitkering door een bij- of omscholingsprogramma te doorlopen of een burgerdienst te verrichten.
Post-Groningse dromen Bron: de Volks krant van 23/12/1992. Auteur: Coen Teulings
Econoom Coen Teulings zet vraagtekens bij de suggestie die n.a.v. de Groningse fraudezaak is gedaan om elk onderscheid naar samenlevingsvorm te laten vervallen en de bijstand te individualiseren. "Zoals wel vaker ziet dat wat van veraf zo prachtig schitterde er van dichterbij een stuk doffer uit. Eén van de grootste groepen die afhankelijk is van een bijstandsuitkering is die van de alleenstaande ouders, in de praktijk vooral alleenstaande moeders. (...) Alhoewel een bijstandsuitkering geen vetpot is, zijn zij in vergelijking tot andere landen in Nederland gunstig af."
Zou je de bijstand gaan individualiseren, dan zouden ofwel alle andere bijstandontvangers "een slordige 400 gulden per maand meer moeten ontvangen" en l,2 tot 2 miljoen huisvrouwen een bijstandsuitkering kunnen aanvragen, ofwel zou de uitkering voor alleenstaande ouders moeten worden gehalveerd. De eerste mogelijkheid is echter onbetaalbaar.
"De vraag is dus welke kant het op moet. Ofwel afschaffing van de tandenborstelpolitie en een halvering van de uitkering voor alleenstaande ouders. Ofw'el handhaving van het huidige uitkeringsniveau voor alleenstn.ande ouders, met een verscherping van de controle. Het lijkt me een interessante afweging om aan de betrokkenen voor te leggen." Het perspectief van Schuyt, Van Dam en anderen "van een bijstandswet waarin uitkeringen worden vastgesteld onafhankelijk van de leefsituatie is daarom een prachtige droom. Dromen zijn veelal bedrog."
Paul de Beer