NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
nummer 6 juni 1993 Issn:09243038
Inhoudsopgave
Redaktioneel
Het Centraal Plan Bureau en het basisinkomen
Nogmaals: de keerzijde van de basisinkomenmedaille
Verslag middaggedeelte ledenvergadering 13 maart 1993
Verkort jaarverslag 1992
Discussienota
Inleiding
1. De hoogte van het basisinkomen
2. Invoering
3. Bekostiging
4. Uitbetaling.
5. De verhouding tussen basisinkomen en betaalde arbeid
6. De uitspraken
Uit de pers...
Boeken, boeken!
Het basisinkomen in dienst van milieu en economie
Redaktioneel
Juni 1993, steeds meer partijen, organisaties en personen hebben het over inkomen zonder daar arbeid direct mee te verbinden. Negatieve inkomstenbelasting, Gedeeltelijk Basisinkomen, Nieuw Sociaal-fiscaal systeem, Basisinkomen of wat voor term voor een arbeidsloos inkomen er ook uitkomt het gaat erover, en dat is alvast mooi meegenomen. En niet alleen in Nederland, Frankrijk en het RMI, Denemarken en daarover meer in dit nummer.
Verder het Centraal Planbureau en het basisinkomen, een verslag van de ledenvergadering op 13 maart, en meer. Misschien was het al opgevallen de programmatuur waarmee de nieuwsbrief wordt opgemaakt is veranderd. De volgende nieuwsbrief zal, als de lay-outer de nieuwe programmatuur beter begrijpt er hopelijk weer als "vanouds" uitzien.
Redactie en medewerkenden wensen u een aangename zomer.
Het Centraal Plan Bureau en het basisinkomen
In de voorgaande Nieuwsbrieven is diverse malen aandacht besteed aan de berekeningen die het Centraal Planbureau (CPB) get afgelopen jaar met betrekking tot het basisinkomen heeft uitgevoerd. Aarrvankelijk leken de CPB-berekeningen de vaak gehoorde opvatting te bevestigen dat een basisinkomen economisch onhaalbaar is. Zo meldde de Volkskrant op 29 mei 1992: 'CPB ziet grote .risico's in individueel basisinkomen'. M:aar in het rapport Nederland in Drievoud dat het CPB kort voor de zomer van 1992 presenteerde, .figureerde het basisinkomen heelopmerkelijk in het meest optimistische van drie toekomstscenario's, het zogeheten 'Balanced Growth'-scenario {'Evenwichtige Groei’).
Deze op het oog wat tegenstrijdige resultaten waren voor de Werkgroep Onderzoek 'Van de Vereniging Basisinkomen aanleiding om een medewerker van het Centraal Planbureau, Johan Graafland, uit te nodigen om een nadere toelichting te geven. Op 14 april 1993 legde hij in een collegezaaltje van de Universiteit van Amsterdam uit, hoe het CPB de effecten van een basisinkomen berekent.
Deze berekeningen worden uitgevoerd met het zogeheten MIMIC-model dat het CPB speciaal heeft ontworpen om de gevolgen van veranderingen in het belasting- en sociale-zekerheidstelsel te onderzoeken. Vooral twee onderdelen van dit model zijn van belang in verband met het basisinkomen., namelijk het loononderhandelingsmodel en het arbeidsaanbodmodel.
In het loononderhandelingmodel wordt verondersteld, dat werkgevers trachten hun winst te maximaliseren terwijl de vakbonden vooral oog hebben voor het nettoloon en de werkloosheid. Stijgt de werkloosheid, dan zullen de vakbonden hun looneisen matigen. Wordt het verschil tussen netto-loon en netto-uitkering kleiner, dan stellen zij hogere eisen; werknemers hebben dan immers minder te verliezen als ze werkloos worden. Vooral deze verhouding tussen uitkeringsniveau en loonniveau, de zogenaamde 'replacement ratio', speelt in het model een belangrijke rol.
In het arbeidsaanbodsmodel wordt verondersteld, dat het arbeidsaanbod van kostwinners niet reageert op veranderingen in de loonvoet of hun inkomen. Kostwinners (vooral mannen) blijven in het model dus altijd full-time werken, wat er verder ook verandert. Het arbeidsaanbod van de afhankelijke partners (zeg: huisvrouwen) is echter wel erg gevoelig ('elastisch' zeggen economen) voor veranderingen in hun loonvoet en het niet-arbeidsinkomen (zoals een uitkering of basisinkomen). Als hun loon 10% hoger wordt, dan willen zij gemiddeld ook 10% meer men gaan werken.
Bij de berekeningen die het CPB eerder m.b.t. het basisinkomen uitvoerde, waren de effecten van het basisinkomen steeds vermengd met de effecten van andere maatregelen, waardoor het niet zo duidelijk werd wat nu precies de gevolgen van het basisinkomen zelf waren. Het was dan ook interessant dat Johan Graafland (voorlopige) berekeningen presenteerde van alleen het basisinkomen, los van andere maatregelen. Daarbij wordt uitgegaan van een basisinkomen van 50% van het netto minimumloon, dat wordt gefinancierd door de belastingvrije voet af te schaffen en de inkomstenbelasting te verhogen.
Dit basisinkomen vervangt de bijstand (zodat alleenstaanden er 20% van het minimumloon op achteruitgaan), terwijl werklozen en arbeidsongeschikten met een WW- of WAO-uitkering netto hetzelfde inkomen overhouden. Voor werkenden is het basisinkomen simpelweg een extra inkomen bovenop het loon (al gaan zij wel meer belasting betalen).
Als reactie op de invoering van het basisinkomen, zo blijkt uit de modelberekeningen, houden veel vrouwen op met werken of gaan zij korter werken, omdat hun nettoloon lager wordt (door de hogere belastingdruk) terwijl zij ook een inkomen krijgen zonder te werken: het financiële voordeel van werken wordt dus kleiner. Als gevolg daarvan neemt de (geregistreerde) werkloosheid af, waardoor de vakbonden hogere looneisen gaan stellen. De hogere lonen leiden weer tot prijsstijgingen, die uiteindelijk een negatief effect hebben op de economische groei en de werkgelegenheid. Alles bij elkaar zijn de effecten die het CPB van een basisinkomen verwacht dus niet erg gunstig, al kunnen ze evenmin 'desastreus’ worden genoemd.
Interessant is de vergelijking die Graafland maakte met individualisering van de sociale uitkeringen, d.w.z. dat iedereen die bereid is arbeid te verrichten recht heeft op een eigen uitkering, ongeacht of je een partner met een inkomen hebt. Zouden in dat geval alleen vrouwen die werkelijk beschikbaar zijn voor een betaalde baan een uitkering opeisen, dan verwacht het CPB van een dergelijke maatregel zeer gunstige economische effecten: het arbeidsaanbod neemt toe, de lonen worden gematigd, de werkgelegenheid stijgt fors en de werkloosheid daalt. Zou er echter sprake zijn van 'maximaal oneigenlijk gebruik', d.w.z. dat alle vrouwen een uitkering krijgen omdat niet valt te controleren wie werkelijk bereid is een baan te accepteren, dan zijn de gevolgen juist uiterst ongunstig: een sterke vermindering van het arbeidsaanbod, zeer hoge looneisen, een inzakkende werkgelegenheid en sterk stijgende werkloosheid.
Graafland merkte op, dat als het 'oneigenlijk gebruik' meer bedraagt dan 23%, de effecten van een basisinkomen gunstiger zijn dan van individualisering van sociale uitkeringen. Je kunt dit ook zo interpreteren: wie de sociale uitkeringen wil individualiseren., maar er rekening mee houdt dat dan een kwart of meer van de uitkeringsontvangers er ten onrechte een beroep op doet, kan beter een basisinkomen invoeren.
Ondanks (of misschien wel dankzij) de heldere uiteenzetting van Johan Graafland, riep zijn verbaal bij de aanwezigen de nodige vragen op. Zo werden er nogal wat vraagtekens gezet bij de veronderstellingen van het MIMIC-model. Is het wel zo realistisch om te veronderstellen, dat kostwinners helemaal niet reageren op de invoering van een basisinkomen? En wordt het arbeidsaanbod van vrouwen niet veel sterker door sociale en culturele factoren bepaald dan door economische? Ook de specifieke variant van het basisinkomen. die door het CPB was doorgerekend viel niet bij iedereen in de smaak. Zou bijvoorbeeld niet beter een andere financiering kunnen worden gekozen dan de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld een heffing op grondwaarde of de toegevoegde waarde van de produktie?
Graafland ging welwillend op alle vragen in en mende dat in een economisch model zeker niet met alle mogelijke factoren rekening kan worden gehouden, maar hield niettemin staande dat de modelberekeningen van het CPB wel degelijk van waarde zijn om de te verwachten effecten van het basisinkomen te 'voorspellen'.
Paul de Beer
Nogmaals: de keerzijde van de basisinkomenmedaille
Korte samenvatting van het voorafgaande:
In Nieuwsbrief m.2 van juni 1992 betoogde ik, dat invoering van een basisinkomen betekent dat alleenstaande ouders ('bijstandmoeders') ofwel flink in inkomen achteruit gaan (omdat zij nu 90% van het netto minimumloon ontvangen), ofwel zullen moeten accepteren dat de sociale dienst inbreuk blijft maken op hun privacy om te kunnen vaststellen of zij recht hebben op een aanvulling bovenop het basisinkomen.
In Nieuwsbrief nr.4 van december 1992 stelde Saar Boer1age dat het door mij geschetste dilemma kan worden omzeild door, ten eerste, bij echtscheiding de inzet van de afhankelijke partner voor de kostwinner te 'kapitaliseren', en ten tweede de mogelijkheden voor alleenstaande moeders om betaald werk te venichten te vergroten door voor hen gratis en bij voorrang kinderopvang beschikbaar te stellen.
Ik wil hier kort op beide suggesties reageren.
Het eerste voorstel van Saar Boerlage klinkt intrigerend, maar het is mij niet geheel duidelijk waarin het verschilt van alimentatie. Misschien moet ik denken aan de suggestie die de Amerikaanse politicologe Susan Moller Okin heeft gedaan, om bij echtscheiding het loon van de kostwinner zo te verdelen dat beide huishoudens dezelfde levensstandaard hebben. Als de moeder voor de kinderen zorgt terwijl de vader een betaalde baan heeft, zal dit doorgaans betekenen dat de vader meer dan de helft van zijn loon aan zijn ex-vrouw moet betalen. Een mogelijkheid die mij persoonlijk wat meer aanspreekt is, dat (echt)paren een verzekering kunnen (of moeten) afsluiten voor de financiele gevolgen van scheiding of het overlijden van een van beide partners. De kostwinner hoeft dan niet na de scheiding een flink deel van zijn inkomen aan zijn ex-partner af te maar betaalt zolang de relatie duwt voor het risico dat er een einde aan de relatie komt.
Overigens is het de vraag of dergelijke betalingen - door de ex-partner of door een verzekeringsmaatschappij - onbeperkt moeten doorgaan, ook als de ander inmiddels een nieuwe partner heeft gevonden. Misschien zou het het beste zijn om de duur van de betalingen te koppelen aan het aantal jaren dat de relatie heeft geduurd (wie langer getrouwd is geweest, heeft dan langer recht op een uitkering) en niet aan de samenlevingsvorm op dit moment, zodat geen controle nodig is.
Daarnaast doet zich het probleem voor, dat deze mogelijkheid geen oplossing biedt voor alleenstaande moeders die nooit gehuwd zijn geweest of nooit een vaste partner hebben gehad. Ik zie weinig andere mogelijkheden dan bij hen ervan uit te gaan dat het krijgen van een kind een eigen verantwoordelijkheid is waarvoor zij, net als andere ouders, geen andere tegemoetkoming ontvangen dan de kinderbijslag.
De tweede suggestie, om voor alleenstaande ouders gratis kinderopvang beschikbaar te stellen, stuit mijns inziens op het bezwaar dat dan toch een onderscheid moet worden gemaakt tussen alleenstaande en samenwonende ouders en dus controle van de samenlevingsvorm nodig is. Saars opmerking dat er geen reden is voor vrees dat veel samenwonende ouders van deze regeling gebruik zullen maken, begrijp ik niet. Als beide samenwonende partners wedren of willen werken, maar een aanzienlijke eigen bijdrage voor kinderopvang moeten betalen, zal het voor hen wel degelijk aantrekkelijk zijn om te doen alsof zij alleen wonen. De enige 'oplossing' hiervoor lijkt mij, kinderopvang voor iedereen gratis te maken, maar dat is wel een erg kostbare aangelegenheid.
Hoewel dus bepaald niet zonder problemen, vind ik de suggesties van Saar Boerlage nuttige aanvullingen op mijn, misschien wat te pessimistisch getoonzette, stuk. Niettemin bevestigen ze wel mijn opvatting, dat de oplossing voor de bijzondere positie van alleenstaande ouders niet kan worden gevonden in het basisinkomen zelf. De suggesties van Saar zouden dan ook even goed kunnen worden toegepast in de bestaande situatie zonder basisinkomen. Ze vormen daarmee weer eens een bevestiging van het feit dat het basisinkomen geen wondermiddel is dat voor alle problemen een oplossing biedt.
Paul de Beer
Verslag middaggedeelte ledenvergadering 13 maart 1993
Op het middaggedeelte van de ledenvergadering presenteerde Guido den Broeder zijn onderzoek naar de financiering van een basisinkomen. In zijn onderzoek gaat Guido ervan uit dat iedere werkgever die een werknemer in dienst neemt een bonus van de overheid moet krijgen. Met deze bonus stimuleert de overheid de werkgelegenheid, terwijl tegelijkertijd de loonkosten gedrukt warden. Guido is in zijn onderzoek nagegaan hoe een dergelijke bonus gefinancierd kan worden en wat de effecten zijn op de werkgelegenheid en de sociale zekerheid.
Los van het onder.zoek staat de gedachte dat de bonus ook uitgekeerd kan worden. aan de werknemer. Deze ontvangt dan naast zijn loon maandelijks een x-bedrag van de overheid. Een soort basisinkomen dus.
In de discusssie werd met name ingegaan op de effecten van dit systeem op de werkgelegenheid. Vraag is of de invoering van het systeem inderdaad leidt tot een toenemende vraag naar arbeid. Opgemerkt wordt dat de keuze voor arbeid (boven machines) niet alleen afhankelijk is van financiële aspecten. Zo is een. machine nooit ziek. hoeft een. machine niet op vacantie en kan een machine 24 uur per dag werken. Daarnaast is niet alle arbeid wat op dit moment door machines wordt gedaan te vervangen door mensen-arbeid.
In de discussie wordt ook gewezen op het gegeven dat de meeste arbeidsplaatsen gerealiseerd zouden moeten worden binnen de (gezondbeids)zorg en het onderwijs. Het is echter maar de waag of het systeem hiertoe leidt.
Bij de financiering van het systeem worden ook de nodige vraagtekens gezet. Financiering vanuit de toegevoegde waarde houdt in dat dit doorberekend wordt in de kostprijs van het product. Dit betekent dus dat de werknemer als consument zijn eigen basisinkomen betaalt. Tenslotte wordt opgemerkt dat het systeem slechts leidt tot een basisinkomen voor de werkenden.
Aalze Koster
Verkort jaarverslag 1992
Op de ledenvergadering van 13 maart jl. is het jaarverslag over het jaar 1992 vastgesteld. Hieronder volgt een overzicht van de activiteiten die de Vereniging dat jaar verricht heeft.
In februari verscheen de brochme "Renovatie of afbraak: basisinkomen biedt uitweg uit vastgelopen verzorgingsstaat". De brochure was een gezamelijke uitgave van de Vereniging Basisinkomen en de Werkplaats Basisinkomen. De brochure is actief verspreid onder individuen, de vakbeweging, de politieke partijen en organisaties met een aan de Vereniging Basisinkomen verwant doel.
Groen Links bracht in 1992 het rapport "Tijd voor zelfstandigheid" uit. In dit rapport deed de Commissie Sociale Zekerheid van Groen Links een eerste aanzet voor het invoeren van een (gedeeltelijk) basisinkomen in Nederland. De Vereniging Basisinkomen schreef een uitgebreid commentaar. In haar reactie betoogde de Vereniging dat het invoeren van een basisinkomen in Nederland wel degelijk economisch haalbaar is.
Onder de titel "Voortmodderen of vernieuwen" organiseerde de Vereniging Basisinkomen op 30 september 1992 een discussiebijeenkomst met vertegenwoordigers van de politieke jongerenorganisaties.
Wat betreft de interne organisatie, de VerenigÏng Basisinkomen heeft zich in 1992 actief bezig gehouden met het werven van nieuwe leden. Advertenties voor het werven van nieuwe leden zijn geplaatst in het partijblad van de PvdA "Rood" en in het partijorgaan van Groen Links. Ter ondersteuning van deze ledenwerving is begin 1992 een folder ontwikkeld waarin in het kort wordt uitgelegd wat een basisinkomen is en wat de VerenigÏng Basisinkomen doet.
Ten behoeve van het secretariaat en de administratie is per 1 december 1992 een banenpoolster aangesteld.
Aalze Koster
Discussienot
aInleiding
De vereniging basisinkomen heeft volgens de statuten de invoering van een basisinkomen in Nederland tot doel. Onder een basisinkomen wordt verstaan een maandelijks door de overheid aan iedere ingezetene vanaf 18 jaar uit te keren bedrag. Deze verstrekking geschiedt op individuele basis en zonder nadere voorwaarden.
Er is het laatste jaar veel over het basisinkomen gezegd en geschreven. Het debat wordt gevoerd in diverse poliûeke richtingen (Groen Links, P.v.d.A., D'66 en de VVD).
De aanleiding om het basisinkomen (weer) alternatief te noemen, is de onvrede over het stelsel van sociale zekerheid. Veel kolommenschrijvers constateren dat het huidige stelsel nog uitgaat van de verdwijnende cultuur van de kostwinners. Er is kritiek op het feit dat de hoogte van uitkeringen gebaseerd is op de eerdere positie op de arbeidsmarkt, op niet gedefinieerde samenlevingsvormen en op toevallig eigen of vreemd inkomen. Velen weten niet waar ze recht op hebben en het is ook heel moeilijk vast te stellen of iemand misbruik maakt van de regelingen. Het resultaat is o.a. dat de uitvoering van het stelsel nodeloos duur is geworden, ongelijkeid in inkomen versterkt en aan uitkeringsgerechtigden geen perspectief biedt op verbetering van positie en de arbeidsmarkt niet goed functioneert.
Een argument voor de invoering van een basisinkomen dat ook geregeld opduikt, is de wens om de vrijheid van bet individu te vergroten. Zelfontplooiing, en de vrijheid om te kiezen voor deeltijdarbeid of onbetaalde arbeid, zijn daarbij de thema's. Voorts zien sommigen in het basisinkomen een methode om de kosten van de factor arbeid te verlagen en daarmee de werkgelegenheid te vergroten. Bij het lezen of beluisteren van deze nieuw geformuleerde pleidooien voor het invoeren van een basisinkomen blijkt, dat niet iedereen hetzelfde onder een basisinkomen verstaat.
De ledenvergadering op 19 juni a.s. heeft als doel om vast te stellen met welke voorstellen die er zoal ge1anceerd worden de Vereniging in hoofdlijnen kan instemmen. Daarmee wordt richting gegeven aan de wijze waarop de Vereniging aan het, door de a.s. verkiezingen opgewakkerde, debat mee gaat doen.
We kunnen constateren dat de diverse "nieuwe" voorstanders, net als indertijd de Werkplaats Basisinkomen, veelal uitgaan van het recht op een basisinkomen per individu. We stellen voor om over de individualisering nu niet te debatteren. Maar over de volgende aspecten is er tussen de voorstanders wel verschil van inzicht: de hoogte van het basisinkomen de wijze van invoering en bekostiging en de verhouding tussen basisinkomen en (betaalde) arbeid.
1. De hoogte van het basisinkomen
Voorstellen die neerkomen op een basisinkomen van f 200,- per maand, nemen wij alleen als een dergelijk bedrag als opstap naar een hoger bedrag is bedoeld, in beschouwing. Wij komen dan daarop terug bij "de wijze van invoering".
De serieuze voorstellen vallen uiteen in drie categorieen:
Zij, die voor de eerste categorie kiezen veronderstellen, dat er na de invoering voor velen op de arbeidsmarkt gelegenheid komt om het inkomen aan te vullen tot minimaal f.1.200, - . Voor hen die daarop niet terecht kunnen, (o.a. vanwege een handicap of zorgtaken thuis) is er het recht om via speciale regelingen een uitkering tot dat bedrag te verwerven. Het grote verschil tussen dit gbi en het huidige stelsel is dat de wijze van (samen)wonen geen kriterium meer is, en dat iedereen onbeperkt bij mag verdienen. zij die samenwonen krijgen een basisinkomen, dat ongeveer gelijk is aan het huidige bijstandsbedrag. Voor hen geldt dus, dat zij bij invoering van dit gbi verlost zijn van.al het controlegedoe.
De voorstanders van 1b zijn pragmatisch ingesteld. Zij constateren, dat er in Nederland een groeiend aantal mensen een dergelijk gbi wil invoeren. Zij zijn er van overtuigd, dat na invoering van een gbi, de voordelen van een basisinkomen duidelijk zichtbaar worden. Het invoeren van een volledig basisinkomen zou dan vervolgens betrekkelijk snel gerealiseerd kunnen worden.
Voorstanders van de derde categorie wijzen een gbi af omdat zij er niet zeker van zijn dat een gbi werkelijk zal uitgroeien tot een volledig basisinkomen. Zij benadrukken de gerecht-sociaal minimum zonder privacy aantastende controle. Veelal zijn zij voor stapsgewijze invoering op grond van leeftijdscriteria.
2. Invoering
De meeste voorstanders van een. basisinkomen zijn voor een. geleidelijke invoering via een gbi-systeem. Sommigen bepleiten de invoering van een gbi zoals onder 1a beschreven, anderen willen een aanvangsbedrag van f. 200,- per maand, dat dan jaarlijks met f.100,- verhoogd wordt. Deze strategie zou tegenstanders van het basisinkomen kmmen overtuigen van de voordelen van een b.i. en zou de financiele haalbaarheid kunnen aantonen. Het nadeel dat het huidige stelsel dan nog enige tijd (grotendeels) gehandhaafd blijft, zien zij als onvermijdelijk. Om toch iets te doen, zou de bijverdienmogelijkheid voor uitkeringsgerechtigden ondertussen kmmen worden venuimd. Daarnaast kunnen vele regelingen, die bij een steeds stijgend basisinkomen slechts een aanvullend karakter krijgen, sterlc worden vereenvoudigd.
3. Bekostiging
De financiering van een basisinkomen berust gedeeltelijk op afschaffing van bestaande uitkeringen en uitkeringsorganisaties. Daarover is iedereen het eens. Maar over andere financieringsbronnen, die veelal ook nodig worden geacht bestaat verschil van mening. De diskussie betreft voornamelijk de verhoging van de inkomstenbelasting, en/of de BTW, de invoering van milieu- en/of productheffingen. Welke hiervan de voorkeur verdienen. is nog niet duidelijk. Wel staat vast dat invoering van een gbi van f. 200,- per maand in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting geen enkel financieel probleem oplevert en volgens het CPB zelfs een bescheiden stimulans voor de economie inhoudt.
4. Uitbetaling.
Voor de uitbetaling van het basisinkomen komen twee systemen in aanmerking: maandelijks een voor iedereen gelijk bedrag op de giro of een negatieve inkomstenbelasting. De nib gaat ook uit van het pricipe dat iedereen recht heeft op een basisinkomen, maar er is een andere praktische uitvoering. Wij geven voor de duidelijkheid twee voorbeelden. Het basisinkomen is in deze rekenvoorbeelden f. 1.200,- per maand.
5. De verhouding tussen basisinkomen en betaalde arbeid
Een van de ernstigste kwalen van het laatste decennium is de hoge werkloosheid. Als er een gbi wordt ingevoerd moet, maar kan ook, de kans op het verkrijgen van betaalde arbeid toeneemt. Immers, bij invoering van een basisinkomen kmmen de kosten van betaalde arbeid worden verlaagd door de belastingen en premies die op arbeid drnkken, te vervangen door heffingen op productie, grondstoffen en energie. Tegelijkertijd pleit men voor arbeidstijdverkorting, eventueèl gekoppeld aan bedrijfstijdverlenging en het invoeren van meer deeltijdarbeid.
Het is de overtuiging van velen, dat bij voldoende werlcaanbod een groot deel van de uitkerings-gerechtigden voor het venichten van betaalde arbeid zullen kiezen.
Sommigen denken echter, dat een volledig basisinkomen tot gevolg kan hebben, dat te weinig mensen een betaalde baan zullen ambieren. Zij zijn voor invoering van een GBI zoals is aangegeven in 1 a. (zie ook hieronder bij stelling 2)
6. De uitspraken
Op 19 juni zouden we ons over de volgende uitspraken een oordeel kunnen vellen:
Amsterdam, 28 mei 1993
De discussienota is in opdracht van het bestuur van de Vereniging opgesteld door Gosling Putto en Saar Boerlage. De auteurs hebben de opmerkingen, die Paul de Beer, Robert van der Veen en Frans Jacobs op het concept gaven, in dank overgenomen.
Uit de pers.
..Denemarken denkt aan invoering basisinkomen Bron: Het Financieele Dagblad van 7 april 1993.
Een opmerkelijk bericht uit Denemarken. De Deense regering onder leiding van Poul Nyrup Rasmussen staat positief tegenover de invoering van een vorm van basisinkomen. Een staatscommissie heeft begin deze week daartoe een voorstel ingediend. De commissie denkt aan een basisinkomen voor iedere Deen van Dkr 7500 per maand (circa f. 2.250) dat een reeks van bestaande uitkeringen vervangt." Aldus meldt het Financieele Dagblad. De 'Socialkommissionen' pleit voor een omvangrijke hervorming van de Deense verzorgingsstaat. Het sociale stelsel zou aanmerkelijk vereenvoudigd moeten worden door tal van subsidieregelingen en uitkeringen op één hoop te gooien en daarover belasting te heffen. Verder pleit de commissie voor een meer flexibele werking van de arbeidsmarkt om de werkloosheid te bestrijden.
Centraal Planbureau berekent forse daling werkloosheid bij invoering basisinkomen Bron: De Volkskrant van 13 maart 1993 Auteur: José Smits
In een wat warrig artikel probeert de Volkskrant uit te leggen waarom het Centraal Planbureau (CPB) individualisering van sociale uitkeringen onhaalbaar acht maar het basisinkomen wel een reële mogelijkheid vindt.
Bij een geindividualiseerde uitkering zullen veel vrouwen met een klein baantje niet blijven werken omdat een uitkering hun praktisch evenveel oplevert. Bij een basisinkomen mag men (kleine) bijverdiensten evenwel houden. Werken wordt daardoor aantrekkelijker. Het CPB gaat er echter in zijn berekeningen wel van uitt dat een groot aantal subsidies en de bovenminima1e uitkeringen worden afgeschaft. "De uitkomsten zijn prachtig: de werkloosheid daalt met een kwart, de collectieve lastendruk gaat omlaag met 7,7 procent, het overheidstekort blijft binnen de perken.
Er is één voornaam bezwaar. De inkomenspositie van alleenstaanden die niet kunnen werken verslechtert relatief. Zij moeten tot in lengte van jaren van hooguit het basisinkomen leven, terwijl ieder ander in welvaart stijgt." Twee medewerkers van het CPB merken daarover op: "We zeggen niet dat het zo moet. Er is ook een ander scenario denkbaar. :Maar het is wel degelijk haalbaar. "
(Zie ook het artikel 'Het Centraal Planbureau en het basisinkomen' elders in dit nummer)
Bezuinigen zonder einde Bron: De Volkskrant van 29 april 1993 Auteur: Marcel van Dam
Voor de zoveelste maal steekt Van Dam zijn individualiseringsverhaal af: dit maal met als aanleiding de niet aflatende stroom bezuinigingsvoorstellen van bet kabinet. De oplossing is dat de solidariteit "radicaal anders" moet worden georganiseerd. "De overheid moet zich gaan beperken tot bet collectief regelen van een minimum bestaanszekerheid. Met het garanderen van die bestaanszekerheid voorkomen we sociaal onaanvaardbare situaties zoals in de Verenigde Staten." Dit basisstelsel zou de vorm moeten krijgen van een basisinkomen. Het minimmnloon en alle controle op uitkeringen kunnen dan worden afgeschaft. Het ideologische bezwaar dat er voor het basisinkomen geen tegenprestatie wordt gevraagd "is dubbelhartig. Iemand die nu weigert een tegenprestatie te leveren laten we toch ook niet van honger omkomen?"
"Een basisinkomen voer je niet zo maar in. Daar is een lange periode voor nodig. Dat vereist een plan gebaseerd op een visie voor een gereorganiseerde duurzame verzorgingsstaat die aangepast is aan de moderne cultuur. Zo'n plan en zo'n visie ontbreken. Daarom zullen we ook in de volgende kabinetsperiode weer geobsedeerd worden door de noodzaak van ad hoc-bezuinigingen. In plaats van geobsedeerd te zijn door de noodzaak van de oplossing van het ecologische vraagstuk." Die laatste zinnen zijn opmerkelijk voor iemand die deel uitmaakt van de programcommissie van de Partij van de Arbeid. Begint Van Dam eraan te twijfelen of 'zijn' commissie er wel uit komt?
Negatieve inkomstenbelasting verdient serieuze aandacht Bron: Staatscourantnr.29, 11 februari 1993 Auteur: Prof. mr. C.A. de Kam
Professor (Flip) De Kam herhaalt een aantal bekende bezwaren tegen het basisinkomen. Het is erg duur: de netto lasten van een basisinkomen van 1200 gulden per maand (het huidige sociaal minimum voor een alleenstaande) bedragen vijftig miljard gulden Per jaar, waardoor de collectieve lastendruk met tien procent stijgt. Het basisinkomen heeft een enorme aanzuigende werking op immigranten. Bovendien is het "uit maatschappelijk oogpunt erg ondoelmatig om inkomen over te hevelen naar (nu nog zes miljoen) economisch actieven die het niet nodig hebben." De Kam verwacht verder "grote nadelige gevolgen voor het functioneren van de arbeidsmarkt", doordat twee samenwonenden dan zonder te werken samen 140% van het minimumloon ontvangen, d.w.z. ongeveer het modale loon.
Echter: "Sommige van deze nadelen kleven niet aan een basisinkomen dat is gegoten in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting (n.i.b.)." Een n.i.b. is goedkoper dan een basisinkomen, omdat wie een eigen inkomen verdient een lager basisbedrag ontvangt. Het Centraal Planbureau heeft berekent dat een n.i.b. gunstige economische gevolgen kan hebben. Dat is echter het geval in een scenario waarin "de koopkracht van de sociale minima de komende 25 jaar wordt bevroren, terwijl de welvaart van de rest van de bevolking dooreen genomen verdubbelt. (...) Desondanks verdient de negatieve inkomstenbelasting de komende tijd serieuze studie en discussie. "
Boeken, boeken!
Basisinkomen op z’n Engels: Hermione Parker (red.), Citizen's income and women, BIRG Discussion Paper No.2, Citizens Income, 1993, 74 pag. (voor 3,00 pond te verkrijgen bij Citizens Income Study Centre, st. Phillips Building, Sheffield Street, London WC2A 2EX, tel. 071-955-7453)
In "Citizen's income and women", de tweede discussienota van de Britse organisatie Citizens Income (de voormalige "Basic Income Research Group"), zoekt de Nederlandse lezer tevergeefs naar geheel nieuwe inzichten in het verband tussen de positie van vrouwen en het baisinkomen. Het boekje is niettemin interessant, aangezien het accent bij de legitimering van het basisinkomen anders ligt dan in Nederland gebruikelijk is en verband houdt met de andere economische situatie van Engelse vrouwen.
Het zwaartepunt van de legitimering van het basisinkomen in "Citizen's income and women" ligt niet bij de emancipatie van vrouwen; het basisinkomen wordt in de eerste plaats gezien als een middel voor vrouwen om uit armoedeval te ontsnappen en enigszins in de buurt van de inkomensstandaard van mannen te komen. Deze prioriteit wordt volkomen gerechtvaardigd door de cijfers die in verschillende overzichten worden gepresenteerd: de Nederlandse lezer krijgt een schokkend beeld van de extreme feminisering van de armoede in Engeland, met name onder alleenstaande moeders en alleenstande oudere vrouwen.
Het basisinkomen zou ook een middel zijn om het gezinsleven te versterken door meer economische bestaanszekerheid te bieden en bijkomende psychische spanningen ten gevolge van geldzorgen weg te nemen (het op een na hoogste scheidingscijfer van Europa dat Engeland heeft brengen de auteurs in verband met de oprukkende armoede).
De auteurs van het boekje staan vrij neutraal tegenover betaalde arbeid als de weg naar emancipatie van vrouwen, terwijl dit standpunt tegenwoordig bijna unaniem wordt uitgedragen door wat er van het Nederlandse feminisme is overgebleven. De auteurs menen echter dat juist voor vrouwen met kinderen het basisinkomen zal bijdragen aan een grotere participatie in betaalde arbeid als zij de zorg voor kinderen kunnen uitbesteden. Het verrichten van betaalde arbeid wordt wel steeds heel belangrijk gevonden voor het gezinsinkomen.
Dit laatste omdat de auteurs het eigenlijk alleen over een "transitional" (overgangs-) en "partial" (gedeeltelijk) basisinkomen hebben. Het volledige basisinkomen, dat toereikend is voor het levensonderhoud, wordt wel als begrip geïntroduceerd, maar als onbereikbaar beschouwd in de huidige economische werkelijkheid. Bij het gedeeltelijke basisinkomen waarvan de hoogte 33 pond per week bedraagt (nog geen honderd gulden), wordt tegelijkertijd uitgegaan van toelagen voor zwangerschap, toelagen voor mensen tussen 60 en 65 jaar en pensioenen voor 65-plussers, en toelagen voor alleenstaande ouders. Dit laatste is ook bekend uit de Nederlandse discussie, waarin het dilemma wordt gefonnuleerd tussen aan de ene kant inbreuk op de privacy, controle van woonwijze van alleenstaande ouders, en aan de andere kant de economische achterstelling t.o.v. volledige gezinnen. De kostendekkende kinderbijslag, die een uitkomst uit dit dilemma zou bieden, wordt vaak niet realistisch gevonden. Ook de auteurs van "Citizen's income and women" gaan niet uit van een kostendekkende kinderbijslag. De alleenstaande ouders krijgen daarom buiten het systeem van het basisinkomen een toelage, de GMA ("guaranteed maintenance allowances").
Overigens geloven de auteurs van bet boekje niet, dat zelfs dit gedeeltelijke basisinkomen in een keer ingevoerd kan worden. Daarom wordt veel aandacht besteed aan het model van een overgangsbasisinkomen ("transitional citizen’s income"). Als functie van het overgangsbasisinkomen wordt gezien het mentaal en economisch voorbereiden op het volledige basisinkomen en een correctie van de laagste inkomens in de huidige situatie. De hoogte van het overgangsbasisinkomen zou 14 pond (39 gulden) per week voor volwassenen en 10 pond (28 gulden) per week voor kinderen moeten zijn. Daarnaast zou er nog een aantal toelagen voor verschillende achterstandsgroepen moeten zijn. De auteurs leggen stmt de nadruk op het overgangs- en voorbereidende karakter van het "transitional" basisinkomen. Deze optie maakt het geloofwaardig, dat invoering van het overgangsbasisinkomen beter is dan het simpelweg vemogen van bestaande voorwaardelijke uitkeringen.
Jola Jakson
De verzorgingsstaat ontleed: Joop M Roebroek, The Imprisoned State. The Paradorical Relationship Between State and Societv. Reeks Sociale Zekerheidswetenschap, Rapporten no.20, Katholieke Universiteit Brabant, Tilburg, januari 1993, proefschrift, 361 pag. (te bestellen door overmaking van f 45,- op girorekening 1077496 tn. v. KUB, Studierichting Sociale Zekerheidswetenschap)
In zijn omvangrijke proefschrift analyseert de Tilburgse politicoloog Joop Roebroek de ontwikkeling van de Westeuropese verzorgingsstaten. Door nu eens korte beschrijvingen te geven van een flink aantal landen en dan weer veel diepgravender op een of twee landen (waaronder in ieder geval Nederland) in te gaan. probeert hij zijn onderzoek naar de vetzorgingsstaten zowel diepgang als een zekere algemene geldigheid te geven. Deze aanpak heeft zeker een aantal voordelen, maar tegelijkertijd het bezwaar dat zijn studie daardoor iets willekeurigs krijgt. Waarom verteIt hij bijvoorbeeld in het begin wel kort iets over de ontwikkelingen in Frankrijk in de negentiende eeuw, maar lijkt dit land in de rest van het verbaal van de aardbodem verdwenen te zijn?
Roebroek geeft een interessante beschrijving hoe de sociale functie van de overheid in de verschillende staten aanvankelijk sterk verschilde, maar geleidelijk naar elkaar toegroeide. Vooral in de eerste drie decennia na de Tweede Wereldoorlog maakten de Europese verzorgingsstaten in sterke mate een parallelle ontwikkeling door. Het einde van de periode van onafgebroken economische groei en volledige werkgelegenheid in de jaren zeventig, betekende echter tevens het begin van groeiende divergentie tussen de verschillende verzorgingsstaten.
In de jaren tachtig trad een duidelijk verschil op de voorgrond tussen, wat Roebroek noemt, sterke ('strongg’) en zachte ('soft’) verzorgingsstaten. Zweden is het voorbeeld bij uitstek van een sterke verzorgingsstaat: een staat met een actieve arbeidsmarktpolitiek die garant staat voor een hoog werkgelegenheidsniveau, en algemene, 'universalistische' uitkeringen voor de gehele bevolking. Nederland daarentegen is een zachte verzorgingsstaat zonder actief arbeidsmarktbeleid en - als gevolg daarvan - een hoge werkloosheid, en een sociale-zekerheidsstelsel dat in de eerste plaats op werknemers is gericht.
Roebroek verklaart het verschil in ontwikkeling tussen beide typen verzorgingsstaat uit de verschillen in politieke machtsverhouding, die voor een belangrijk deel nog uit de jaren dertig stammen. In Zweden is de laatste halve eeuw de sociaal-democratie de toonaangevende politieke stroming geweest, terwijl in Nederland de christen-democratie al meer dan een halve eeuw het roer van het schip van staat in handen heeft.
Hoewel in Nederland sociaal-democraten doorgaans de meest fervente verdedigers van de verzorgingsstaat zijn (al begin je daar bij het huidige kabinetsbeleid wel aan te twijfelen), is de Nederlandse verzorgingsstaat volgens Roebroek in de eerste plaats het produkt van confessionele (machts)politiek. Zo bezien is er niet direct reden waarom sociaal-democraten en andere linkse politieke partijen er zoveel aan gelegen zou moeten zijn om de huidige organisatie van de verzorgingsstaat in stand te houden.
Mede in dit licht bezien is het interessant dat Roebroek in zijn proefschrift ook vrij uitgebreid ingaat op een alternatief maatschappelijk project, dat wellicht de basis zou kunnen vormen voor de toekomstige inrichting van de verzorgingsstaat. Dit is het 'post-industrieel-ecologische' project waarin het basisinkomen een centrale plaats inneemt. Behalve een overzicht van de ideeën over een basisinkomen die door de eeuwen heen in verschillende landen naar voren zijn gebracht, is het proefschrift aldus ook een poging om het basisinkomen in te passen in een meer omvattende visie op de verzorgingsstaat.
Paul de Beer
Het basisinkomen in dienst van milieu en economie
In ‘Aangenaam’ stelt telkens iemand met een mening over het basisinkomen zich aan u voor.
Mensen die met alle geweld een basisinkomen willen invoeren en daar al het andere voor op willen offeren zetten, althans in mijn ogen, de zaak: lichtelijk op z'n kop. Waar gaat het nu eigenlijk om. Steunend op technologische en organisatorische verworvenheden van vele generaties is Nederland een welvaartsstaat geworden die te kampen heeft met scheefgroeiverschijnselen. Het gaat erom dat we die verschijnselen verhelpen.
Door vrijwel iedereen als zodanig ervaren problemen in onze samenleving zijn:
Het is niet moeilijk om in te zien hoe deze problemen kunnen worden verholpen:
Bovenstaande drie elementen vormen tezamen het door mij voorgestelde "Nieuw Sociaal-fiscaal systeem" (NSF). Het is beschreven in het boek "Alle hens aan dek" (1983, uitverkocht) dat momenteel door F.P. Wijvekate en mij wordt herschreven om het aan de huidige situatie aan te passen. Men kan het idee in diverse varieteiten ook aantreffen bij milieugroeperingen.
De gevolgen van invoering van het NSF-systeem liggen voor de hand. De loonkosten voor de werkgevers worden ongeveer gehalveerd. Hierdoor stijgt de vraag naar arbeid en neemt de werkgelegenheid toe, vooral in de arbeidsintensieve bedrijven als verpleeg- en ziekenhuizen en politie, dus in de diensteverlening.
Mocht de toegenomen vraag naar arbeid nog niet voor voldoende werkgelegenheid zorgen dan kan een arbeidstijdverkorting, eventueel gecombineerd met bedrijfstijdverlenging, uitkomst bieden. Het basisinkomen maakt arbeidstijdverkorting althans voor de werknemer makkelijker te aanvaarden.
Het netto-inkomen van werknemers stijgt met het basisinkomen, en met dit basisinkomen kunnen werknemers bovenminimale verzekeringsregelingen treffen. Uitkeringsgerechtigden zijn aangewezen op het basisinkomen, dat evenwel alle denkbare andere inkomsten toelaat. Bijverdiensten kunnen nooit meer als "zwart" worden aangemerkt. Sollicitatieplicht en controle door sociale recherche behoren tot het verleden. De hoogte van het basisinkomen kan bij budgetneutraliteit ongeveer fl. 700,- per maand bedragen voor personen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar en fl. 1.400,- voor ouderen , terwijl het basisinkomen voor jongeren onder 18 jaar geleidelijk oploopt vanaf nul.
Goederen als auto's, wasmachines en electronische apparaten worden aanzienlijk duurder. Diensten zoals van de tandarts, organisatieadviseur, autoreparateur en electromonteur worden goedkoper en de kinderoppas, de glazenwasser, de werkster en de schilder zijn nog altijd even voordelig, want die werkten al zwart. Wegwerpen maakt plaats voor repareren. Voor de aanschaf van goederen moet langer worden gespaard. Deze situatie werkt positief uit voor het milieu.
Bouwactiviteiten zullen als diensten worden beschouwd en zijn BTW-wij, terwijl bovendien de bouw vrij arbeidsintensief is en kan profiteren van lagere loonkosten. Daar staat tegenover dat de in te kopen bouwmaterialen aanmerkelijk duurder zullen worden. Als totaal effect is een kleine daling van de woonkosten te verwachten.
Gemiddeld gezien blijft de prijs van het totale consumptiepakket onveranderd (budgetneutraliteit).
Het invoeren van het systeem is niet moeilijk. Het geleidelijk afschaffen van belastingen, sociale premies en BTW op diensten, gepaard gaande met stapsgwijze verhoging van de BTW op goederen, heeft op de koopkracht een vrij neutrale werking: de inkomsten stijgen wat, diensten worden goedkoper, artikelen duurder. Het basisinkomen kan het gemakkelijkst worden ingevoerd via het systeem van de negatieve inkomstenbelasting, bijvoorbeeld, zoals door anderen reeds is voorgesteld, door te beginnen met vervanging van de huidige belastingvrije voet door een negatieve inkomstenbelasting van fl 200,-.
Hopelijk hoeven we op de sanering van ons stelsel van belastingen en sociale zekerheid en van het milieu niet al te lang meer te wachten.
Tenslotte nog dit: mocht u op dit artikel enig commentaar hebben, dan wordt u uitgenodigd dit schriftelijk te richten aan mijn adres. Dat is Dignaland 78, 2591 CD Den Haag (fax: 070-3478043). Op dit commentaar zal ik desgevraagd graag reageren.
M.L. Wijvekate