NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
nummer 7 september 1993 issn: 09243038
Inhoudsopgave
België: Het publieke debat laait weer op
Citizen’s income
De Raad van Kerken en het basisinkomen
Het oude stelsel deugt niet meer
Malaise
Fundamenten
Grondig herzien
Uit de pers
...
België: Het publieke debat laait weer op
Na de kortstondige (en overwegend sceptische) perscommentaren op het idee van het basisinkomen toen het in 1985 voor het eerst in het openbaar naar voren werd gebracht, heeft er in België praktisch geen publieke discussie over het basisinkomen meer plaats gevonden. Maar blijkbaar is er sindsdien onder de oppervlakte toch het een en ander in beweging gekomen, gezien de recente wending in het debat over werkgelegenheidspolitiek. Niet alleen vielen er enkele uitgesproken pleidooien uit de zaken- en de academische wereld te beluisteren: Jo Colruyt, de directeur van een succesvolle supermarkt-keten, en Jacques Vilrokx, hoogleraar sociale economie en arbeidssociologie te Brussel, toonden zich beiden fervent voorstander van het idee. Niet alleen hebben de Vlaamse en Waalse Groene partijen (Ecolo en Agalev), die beide sinds 1985 officieel voorstander van een basisinkomen zijn, hun verbondenheid met het basisinkomen als hoeksteen van hun toekomstvisie op de verzorgingsstaat nog eens nadrukkelijk onderstreept.
Maar zelfs gematigde politici lijken meer dan ooit open te staan voor het idee. Zo reikte de Minister-Vice-President van de Vlaamse regering, Norbert De Batselier, volgens het dagblad De Morgen (3 mei 1993) de voorstanders van een universeel basisinkomen de hand: in zijn 1 mei-toespraak stelde De Batselier, dat "op lange termijn gedacht [kan] worden aan een loskoppelen van het inkomen en de prestatie van arbeid." Meer concreet riep de sociaal-christelijke Minister van Werkgelegenheid in de Belgische nationale regering, Miet Smet, opnieuw een voorstel tot leven dat eerder door haar voorganger Michel Hansenne was overwogen (juist voordat deze Secretaris-Generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie , ILO, werd): waarom niet de kosten van tewerkstelling van (bepaalde) schoolverlaters verlagen door hen vrij te stellen van sociale-zekerheidspremies en hen hun werkloosheidsuitkering van ongeveer 200 ECU per maand te laten behouden? Met andere woorden: om de werkloosheid onder jongeren te bestrijden een basisinkomen voor alleen jongeren invoeren.
Zoals te verwachten was werd er in de eerste reacties op gewezen, dat dit discriminerend, verstorend en ondoeltreffend zou zijn indien het strikt beperkt in tijd blijft (zie Le Soir, 12 mei 1993). Zouden deze bezwaren kunnen worden ondervangen zonder het doel van een sociaal acceptabele loonkostenreductie van weinig produktieve arbeid op te geven? Wordt deze vraag eenmaal expliciet gesteld, dan komt het basisinkomen vanzelf om de hoek kijken.
[Overgenomen uit Newsletter of the Basic Income European Network no.16, mei 1993]
Citizen’s income
In Engeland zet momenteel de BIRG (Basic Income Research Group) zich als onafhankelijke vereniging in voor de invoering van het basisinkomen. Deze groep bestaat sinds 1984, in welk jaar de regering Thatcher met voorstellen voor de hervorming van de sociale zekerheid kwam, die de voorstanders van een basisinkomen tot gezamenlijke actie inspireerden. Evenals de Vereniging Basisinkomen werkt de groep samen met het BIEN, het "Basic Income European Network". Sinds enige tijd bedient men zich liever van de term "citizen’s income" dan van de term "basic income", en daarom zal de groep zich langzamerhand "CIRG" gaan noemen.
Het idee van een basisinkomen leeft in Engeland langer en wat nadrukkelijker dan in Nederland. Veel prominenten uit de politiek, de regering en de wetenschap wijden er al sinds 1920 aandacht en artikelen aan.
In 1973 besloot de Conservatieve Partij om met de invoering ervan een begin te maken en kwam met een voorstel voor een negatieve inkomstenbelasting, het Tax Credit Scheme. Dit behelste invoering van een uitkering die door de fiscus onder nog al wat voorwaarden in de vorm van "tax credi ts" zou worden uitbetaald. Dit had in 1977 moeten gebeuren, maar in 1974 verloren de Conservatieven de verkiezingen en de Labour-regering voelde niets voor het stelsel. Sindsdien is de steun voor het basisinkomen bij de Conservatieven enigszins afgenomen en hebben overigens alle politieke partijen, zowel de Labour-partij als de Liberale partij en de Green Party belangstelling voor het basisinkomen gekregen.
Drie varianten van een basisinkomen worden in de publikaties het meest verdedigd: negatieve inkomstenbelasting (NIB), gedeeltelijk basisinkomen en volledig basisinkomen. Veel schrijvers stellen bedragen voor die doorgaans aan de lage kant zijn en aanvullende uitkeringen vereisen. Van de politieke partijen wil alleen de Green Party een volledig basisinkomen.
De NIB wordt bepleit omdat men de integratie van het belastingstelsel met het stelsel van sociale zekerheid doelmatig en goedkoop acht. De uit te keren bedragen zouden alle bestaande regelingen en aftrekposten moeten vervangen. De armoedeval die het gevolg is van het bestaande stelsel zou grotendeels (met het oog op de betaalbaarheid van het systeem dus niet helemaal) moeten verdwijnen. De voorgestelde bedragen lopen uiteen en zijn het hoogst bij de Liberal Party.
Het gedeeltelijk basisinkomen (GBI) wordt ook verdedigd met argumenten omtrent vereenvoudiging en doelmatigheid van het systeem, en het wegvallen van een inkomenstoets, maar ook met economische en sociale argumenten. Sommigen zien het GBI als een instrument om de werkgelegenheid te bevorderen en om de vrije markt weer een kans te geven. Het minimumloon zou kunnen worden afgeschaft.
Ook wordt het GBI wenselijk geacht als middel voor de herverdeling van arbeid en het stimuleren van arbeidstijdverkorting, het teweegbrengen van andere familierelaties door grotere zelfstandigheid van het individu en het bewerkstelligen van een grotere keuzevrijheid. En dan zijn er ook nog degenen, die voorstander zijn van een GBI omdat zij ervan overtuigd zijn dat een volledig basisinkomen te duur is en pas na onbekend verloop van tijd kan worden ingevoerd.
Het volledig basisinkomen wordt met onder andere dezelfde argumenten als voor de andere varianten bepleit. Deze worden aangevuld met argumenten betreffende de mogelijkheid van het verrichten van onbetaalde en deeltijd-arbeid, verhoogde autonomie van de burgers en verdergaande erkenning van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen.
De Green Party wil het basisinkomen financieren uit een "ecotax". Door Bill Jordan wordt het basisinkomen als onderdeel van een nieuw maatschappij-model gepresenteerd. Hierin beschikt het individu dankzij het basisinkomen ("social divident") over autonomie en de mogelijkheid van zelf gekozen maatschappelijke participatie en legt de overheid zich toe op het ontwikkelen van een stimulerend en activerend economisch en cultureel beleid.
Paul Lewis wil jongeren van 16 tot 19 jaar een volledig basisinkomen toekennen om hun overgang naar de volwassenheid te ondersteunen. Dit zou na enkele jaren tevens voldoende gegevens kunnen opleveren om vast te stellen of een basisinkomen voor iedereen wel wenselijk is.
Diverse parlementsleden, van alle politieke richtingen, hebben onlangs in een korte bespreking in het Lagerhuis de gedachte van een basisinkomen gesteund, zo bericht Christofer Monckton, voormalig adviseur van Margaret Thatcher, in het meest recente nummer van het BIRG Bulletin. Volgens hem kan een baisinkomen in Engeland gefinancierd worden door het schrappen van belastingaftrekposten en een verhoging van de belastingen met 5%.
Het ministerie van financiën, wakker geschud door deze geluiden uit het Lagerhuis, zegt hier evenwel niets van te willen weten, ook al zou de schatkist er feitelijk niet op achteruitgaan. Volgens de schrijver motiveert het ministerie deze houding slechts met het argument dat belastingaftrek niet meetelt als publieke uitgave en dat derhalve de uitkering van een basisinkomen, voor zover bekostigd uit een afschaffing van aftrekposten, uitsluitend als een verhoging van de uitgaven gezien moet worden. En die is onaanvaardbaar. Aan de inkomstenstijging heeft het ministerie kennelijk niets en manifesteert zich aldus als onverwacht boekhoudkundig obstakel op de weg naar het basisinkomen.
Gosling Putto
De Raad van Kerken en het basisinkomen
Op 9 februari van dit jaar organiseerde de Sectie Dienst van de Raad van Kerken in Nederland in haar kantoor in Amersfoort een gesprek over het basisinkomen. Aanleiding voor dit gesprek was de toenemende aandacht in onze samenleving voor dit onderwerp, waarbij het basisinkomen overigens vaak heel verschillend wordt ingevuld. Ook binnen de kerken wordt over deze zaken gesproken, en ook binnen de Werkgroep "Arme Kant van Nederland" van de Raad van Kerken bestaat er veel belangstelling voor. Bij het gesprek waren behalve diverse sekties van de raad van Kerken ook organisaties uit het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigd, waaronder ook onze vereniging.
De bijeenkomst werd ingeleid door Henk Tieleman van de Rijks Universiteit Utrecht en Joop Roebroek van de Katholieke Universiteit Brabant. De drie hoofdpunten uit die inleiding waren:
Vervolgens vond een open gesprek plaats, waarbij verschillende standpunten werden ingebracht en toegelicht, zonder dat men elkaar standpunt probeerde te forceren.
Een belangrijke invalshoek is daarbij de armoedebestrijding: het is nodig om naar alternatieven te zoeken voor het strenge en privacy-schendende regime van bijstandsverlening. In dat kader moet dan ook het begrip "arbeid" breder worden gedefinieerd om recht te doen aan huishoudelijke en zorgtaken . Deze laatste worden op het ogenblik nog grotendeels door vrouwen verricht. Daarbij komt een keuzemogelijkheid naar voren:
Je kunt in dat verband ook denken aan een kontrakt voor een basisinkomen voor mensen die daaraan toe zij n, zonder dat er sprake is van dwang. De wederkerigheid van rechten en plichten zou je daar dan toch ook bij moeten betrekken. Er werd ook gesproken over de risiko' s bij het invoeren van bepaalde vormen van basisinkomen, zoals het gevaar dat de mensen met de laagste inkomens niet terugkomen op de arbeidsmarkt. Verder werd gesproken over het verband tussen basisinkomen en de "economie van het genoeg". Deze laatste pleit ervoor de zorgcomponent weer toe te voegen. Maar een centraal punt bij dit alles is de (bereidheid tot) herverdeling van inkomen. Daarmee zit je midden in een ethische vraagstelling.
Kortom, genoeg aanknopingspunten bij datgene wat in de kerken leeft en wordt besproken. Het is belangrijk dat voor de diskussies in en rond het kerkelijk leven ondersteuning kan worden gegeven die zowel vanuit een maatschappelijke betrokkenheid wordt geleverd als gekenmerkt wordt door deskundigheid, openheid voor nuanceringen en de bereidheid om met anderen in gesprek te gaan. De bijeenkomst in februari was daar in ieder geval een goed voorbeeld van. Een uitgebreider verslag van de bijeenkomst kunt u opvragen op ons secretariaat.
Ria Dijkstra en Rob Steinbuch
Het oude stelsel deugt niet meer
Wat moet er gebeuren om een verdere tweedeling in de maatschappij tegen te gaan? Hoe ziet een sociaal zekerheidsstelsel dat houdbaar en rechtvaardig is eruit? Joop Roebroek meent dat de oude solidariteitspatronen hun beste tijd hebben gehad en geeft een schot voor de boeg.
Decennia lang waren de Nederlandse verzorgingsstaat en het stelsel van sociale zekerheid boegbeelden voor moderniteit en beschaving. Het niveau van bescherming en bestaanszekerheid bereikte grote hoogten. Gezinnen en individuele burgers waren niet aangewezen op bedeling en armenzorg maar bezaten het recht op een leefbaar bestaansminimum, dat was gekoppeld aan de ontwikkeling van lonen en prijzen. In internationaal opzicht verwierf de Nederlandse vezorgingsstaat en stelsel van sociale zekerheid een toppositie. Solidariteit leek een tijdloos gegeven.
Malaise
In welk een schril contrast verhoudt het beeld van het begin van de jaren zeventig zich met het gevoel van nu? Bestaat er vandaag de dag eigenlijk nog wel een terrein binnen de Nederlandse verzorgingsstaat of het stelsel van sociale zekerheid dat zich heeft kunnen onttrekken aan het heersende sentiment van verwarring en malaise? Toenemende non-participatie aan betaalde arbeid, vertaald naar groeiende werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Het onvermogen elementaire regelingen te individualiseren.
Fraude en niet-gebruik binnen de Algemene Bijstandswet. Toenemende werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. Twijfels omtrent de toemomstige betaaibaarheid van de AOW. Het verlies van controle over de werknemersverzekeringen. Welke ruimte blijft eigenlijk over voor solidariteit? Wat vooral opvalt aan het hedendaagse debat over de verzorgingsstaat en de sociale zekerheid is het in hoge mate technische karakter van dit debat.
Toch gaat, achter de meer technische kant van de verzorgingsstaat, de sociale zekerheid en de wijze waarop solidariteit is georganiseerd, een dieperliggende werkelijkheid schuil. De techniek heeft een inhoudelijke kant. Verzorgingsstaat en sociale zekerheid geven uitdrukking aan een breder patroon van maatschappelijke ordening. Die ordening, veel meer dan de techniek, heeft vanaf het ontstaan van de moderne verzorgingsstaat en de hedendaagse sociale zekerheid een centraal aspect van maatschappelijke en politieke strijd gevormd. Vanaf de eerste debatten over de sociale zekerheid, rond de Ongevallenwet van 1901 of de debatten over het "Staatspensioen" hebben werkgeversorganisaties, vakbonden en politieke partijen hun opvattingen over maatschappelijke ordening trachten vorm te geven en in overheidsbeleid proberen te vertalen.
Het gaat daarbij om wezenlijke vragen. Verzorgingsstaat, sociale zekerheid en solidariteit liggen in dat kader verankerd in een complex maatschappelijk geheel. Daarbij zijn zij nauw verbonden met de economische structuur. Zij maken deel uit van verhoudingen tussen generaties en diverse groepen in de samenleving, niet in de laatste plaats die tussen mensen met betaalde arbeid en zij die grotendeels onbetaalde arbeid verrichten. De verzorgingsstaat, sociale zekerheid en solidariteit geven vorm aan de verdeling van verantwoordelijkheid tussen overheid, werkgevers en werknemers voor het waarborgen van levensvoorwaarden van burgers. Bovendien weerspiegelen ze centrale maatschappelijke en cul turele waarden inzake de relatie tussen overheid en burger, de koppeling tussen arbeid en inkomen, de beleving van individuele autonomie en preferenties betreffende de wijze van samenleven.
Fundamenten
Hedendaagse problemen betreffende de verzorgingsstaat, sociale zekerheid en solidariteit betreffen op de eerste plaats deze dieperliggende maatschappelijke werkelijkheid. En met name de wezenlijke keuzes waarop die maatschappelijke werkelijkheid berust. Het gaat niet om de crisis van de verzorgingsstaat, sociale zekerheid en solidariteit. Om het maar helder te stellen. Het gaat om een crisis van de heersende maatschappelijke ordening. En derhalve om het failliet van de verzorgingsstaat, sociale zekerheid en solidari teit die zijn gebaseerd op deze maatschappelijke ordening. Het is niet het probleem van de solidariteit, maar het betreft de fundamenten waarop hedendaagse solidariteit is gebaseerd. Natuurlijk is een nieuw stelsel van sociale zekerheid aan de orde. Het oude stelsel deugt niet meer. Niet alleen, of niet in de eerste plaats vanwege zijn instrumentele en technische tekorten. Die zijn inderdaad evident. Maar voornamelijk vanwege het tekortschieten van de ordeningsgedachte die eraan ten grondslag ligt. Economische groei krijgt voorkeur boven een verantwoord omgaan met milieu. Werkgelegenheid, primair gericht op hoge produktiviteit, winst en inkomen is belangrijker dan zinvolle maatschappelijke participatie. Betaalde arbeid gaat boven onbetaalde arbeid, vrijwilligers arbeid en vrije tijd. Ook. bij het vaststellen van het recht op sociale zekerheid. Bestaande rolpatronen van mannen en vrouwen boven meer emancipatoire verhoudingen. Samenlevingsverbanden boven individuele àutonomie. Zeggenschap op basis van produktie en betaalde arbeid boven zeggenschap op basis van burgerschap en maatschappelijke participatie. Direct waarneembare kosten, die in jaarlijkse budget-cycli zijn te vertalen zoals bezuinigingen in de levenssituatie van jongere generaties boven kosten in termen van verlies aan human capital en gebrekkige participatie op langere termijn.
Deze traditionele industriële ordening, in Nederland in sterke mate bepaald door het confessionele ordeningsdenken, heeft zijn grenzen bereikt. De gedeelde verantwoordelijkheid van overheid en sociale partners blijkt nauwelijks waarborgen te bieden voor maatschappelijke solidariteit. De kaders waarbinnen solidariteit wordt gedefinieerd zijn achterhaald. Solidariteit in een confessionele welvaartsstaat betekent solidariteit in termen van inkomen. Die vorm van solidariteit roept niet alleen nogal wat misverstanden op, maar verhult tevens de werkelijkheid omtrent de wijze waarop maatschappelijke solidariteit vorm krijgt. Het beeld dat de actieven de kosten van inactiviteit dragen, wordt maar al te graag door grote delen van de politiek, werkgevers en werknemers gekoesterd.
Ten onrechte. Een inkomen, welvaart en (sociale) zekerheid voor mensen met een betaalde baan is gebaseerd op een brede basis van maatschappelijke solidariteit; milieu-kosten van naar steeds hogere arbeidsproduktiviteit reikende economische activiteit; kosten in termen van buitenspel staan; van ziekte en arbeidsongeschiktheid; van zorgfuncties ; van het grootbrengen van een volgende generatie; van het beperken van de mogelijkheden van een volgende generatie om tot volle ontplooiing van hun capaciteiten te komen; en tenslotte kosten in termen van stigmatisering en het versterken van afhankelijkheidsrelaties.
Grondig herzien
Solidariteit in termen van inkomen loopt stuk op het feit dat te weinig oog bestaat voor solidariteit in termen van recht op arbeid, waardering van andere vormen van maatschappelijke participatie (dan betaalde arbeid), zorgzame intergenerationele verhoudingen, een gezond en leefbaar milieu, individuele autonomie en kansen op ontplooiing. Een alternatieve benadering is aan de orde. Solidariteit gebaseerd op de erkenning dat het niet mogelijk is iedereen een betaalde baan te bieden. Dat dit ook geen probleem is aangezien er zovele andere mogelijkheden bestaan om maatschappelijk zinvol bezig te zijn.
In dat kader past een grondig herzien en eenvoudig stelsel van sociale zekerheid. Alle bestaande regelingen worden vervangen door een vorm van basisinkomen. Niet zomaar een basisinkomen, maar een contractueel basisinkomen. Elke ingezetene van Nederland krijgt een geïndividualiseerd inkomen op basis van zijn burgerschap. Het contract komt tot stand tussen de individuele burger en de samenleving. De hoogte van het inkomen is in eerste instantie afhankelijk van de leeftijd. Kinderen krijgen een lager inkomen dat met het stijgen van de leeftijd oploopt, terwijl ouderen en gehandicapten een hoger inkomen krijgen. Gedeeltelijk op basis van een indicatie wat zij aan extra voorzieningen nodig hebben. Voor de personen tussen de 15 en 65 geldt als voorwaarde dat zij minimaal 15 uur per week maatschappelijk participatief bezig zijn. Die maatschappelijke participatie kan velerlei vormen aannemen. Van studie, (om)scholing, vrijwilligerswerk, huisarbeid, zorgarbeid, milieu-arbeid, kunstzinnige vormgeving, (kinder)theater, spiritualiteit. In dit kader staat het een ieder vrij betaalde arbeid te verrichten. Hetzij zonder een basisinkomen, hetzij met een basisinkomen. Behalve het basisinkomen kunnen verdere regelingen in termen van aanvullende uitkeringen, met name in de sfeer van pensioenen, voorzien in aanvullingen op het basisinkomen.
De oude solidariteitspatronen hebben hun beste tijd gehad. Het louter verkrampt vasthouden aan die patronen biedt geen oplossing voor moderne vraagstukken rond afnemende betaalde arbeid, groeiende behoeften aan zorg en aandacht, het spanningsveld tussen individuele autonomie en saamhorigheid, het werken aan de kwaliteit van het bestaan in termen van milieu, verdraagzaamheid en respect voor een diversiteit van normen, waarden en cultuur. Nieuwe vormen van solidariteit zijn gevraagd, gebaseerd op maatschappelijke participatie en verantwoordelijkheid.
Joop Roebroek
Dit artikel is overgenomen uit Hervormd Nederland van augustus 1993.
Uit
de pers...Basisinkomen: het laatste wanhoopsinitiatief van de verzorgingsstaat Bron: De GroeneAmsterdammer, 14 juli 1993 Auteur: René Zwaap
De Groene ruimt liefst twee pagina's in voor een artikel over het basisinkomen. Het is echter jammer dat René Zwaap er een erg warrig verhaal van heeft gemaakt, dat wemelt van de kleine en grote fouten en onduidelijkheden.
In Europa (Denemarken, Frankrijk) wordt het tweehonderd jaar oude idee van het basisinkomen eindelijk serieus genomen, zo betoogt Zwaap. "Het basisinkomen, aldus de enthousiaste verhalen, is de kroon op de geïndividualiseerde maatschappij.
Het sloopt de bureaucratie en herdefinieert het begrip 'arbeid'. Het brengt, kortom, het huidige in Armageddon-achtige toekomstvisies gevangen Europa in één klap een aanzienlijk stuk dichter bij het paradijs op aarde. Een gruwel voor al diegenen die nog steeds dansen rond het gouden kalf van het arbeidsethos, maar een zegen voor al diegenen die de wereld op de drempel van het nieuwe millennium willen bevrijden van de ideologische ketens van de negentiende eeuw."
"Ook in Nederland lijkt de invoering van het basisinkomen nog slechts een kwestie van tijd." Nadat de ideeën van de Voedingsbond FNV en de Werkplaats Basisinkomen (de PPR en een aantal organisaties van uitkeringsgerechtigden vergeet Zwaap gemakshalve) jarenlang als luchtfietserij zijn afgedaan, beginnen nu ook types als Pim Fortuyn en Marcel van Dam het basisinkomen te bejubelen. De echte omslag is gekomen toen ook het Centraal Planbureau de voordelen van het basisinkomen onderkende. "Met behulp van een nieuw, zeer geavanceerd computergestuurd rekenmodel kwamen Planbureau-medewerkers G. Gelauff en H. Vossers tot de conclusie dat invoering van een basisinkomen van twaalfhonderd gulden per maand weleens de uitweg zou kunnen zijn uit de huidige malaise in de verzorgingsstaat."
"De bevindingen van het Planbureau zorgen voor een totale ommezwaai in het denken over het basisloon. Vroegere tegenstanders, zoals de PvdA-econoom Flip de Karn, bleken opeens door de bocht gegaan." Dat laatste baseert Zwaap op een artikel van De Kam in de Staatscourant (zie de vorige Nieuwsbrief), waarin echter ook veel bekende bezwaren tegen het basisinkomen naar voren worden gebracht. Niettemin concludeert Zwaap: "Plotseling was het basisinkomen het getto van de klein-linkse politiek ontgroeid."
"’De hele discussie is in een stroomversnelling gekomen', zegt Saar Boerlage, voorzitster van de Vereniging Basisinkomen." Zij acht het mogelijk, dat bij de komende kabinetsformatie al de eerste stap op weg naar een basisinkomen wordt gezet. "Voor dat doel is haar vereniging, die de fakkel heeft overgenomen van de Voedingsbond, momenteel druk in de weer met het schrijven van een concept-wetsontwerp. Daarbij zullen ook zoveel mogelijk politieke partijen worden uitgenodigd." Boerlage: 'De discussie over het basisinkomen wordt nu heel breed gevoerd. De laatste tijd hebben wij als vereniging ook veel belangstelling gekregen van de VVD.'" Om politieke steun te verwerven, heeft de vereniging gekozen voor een geleidelijke invoering van het basisinkomen. "'Het denken over het basisinkomen wordt vooral gestimuleerd door de wetenschap dat de huidige crisis in de verzorgingsstaat eigenlijk niet meer te verhelpen is', meent Boerlage. 'Die gedachte wordt versterkt door het idee dat volledige werkgelegenheid - al thans datgene wat daar nu nog onder wordt verstaan - een onhaalbare illusie is en de verhouding arbeid-inkomen derhalve aan een nieuwe norm toe is. '" Als belangrijkste voordeel van een basisinkomen noemt Saar Boerlage, dat daardoor allerlei controle kan verdwijnen.
Een ander lid van de Vereniging, Paul de Beer, (tevens auteur van deze bespreking), zou volgens Zwaap minder enthousiast zijn en "hamert er al geruime tijd op dat een deel van het enthousiasme voortkomt uit illusoire euforie." Helaas heeft Zwaap onvoldoende begrepen dat mijn relativering alleen betrekking heeft op de mogelijkheid om bepaalde categorieën, zoals alleenstaande ouders, een extra hoog basisinkomen te bieden.
Het controleprobleem is volgens Zwaap echter een 'detailkwestie' ."Het levensgroot dreigende nadeel zit in (...) de kans dat een deel van de huidige uitkeringsgerechtigden ondanks alle jubelverhalen over individualiteit en het wegvallen van controlerende instanties er helemaal niet in slaagt om van de nieuwe ruimte gebruik te maken. Bijvoorbeeld omdat zij niet over de talenten of de middelen beschikken om hun basisinkomen free-lance of parttime wat verder op te vijzelen. Ze zouden moederziel alleen achterblijven in de laagste regionen van de inkomensklassen, terwijl de rest zou afstevenen op een verdubbeling van de inkomsten. De vraag is wat de circa twaalfhonderd zilverlingen van het basisinkomen dan nog waard zijn."
"Daarnaast - en dat is nog wel het ernstigste bezwaar tegen de huidige golf van enthousiasme steekt de euforie over de mogelijkheid om tot een Europees basisinkomen te komen wat vreemd af tegen de migratiestromen vanuit Afrika, Azië en Oost-Europa, die nog maar nauwelijks op gang is gekomen." De enige oplossing daarvoor is, volgens Zw aap , dat het basisinkomen een' mondiaal concept' wordt. "Ondanks het wetsontwerp van de Vereniging Basisinkomen blijft dan toch een wereldrevolutie noodzakelijk."
Verplichting tot falen Bron: De Volkskrant van 3 juni 1993 Auteur: Marcel van Dam
Hoe moeten we reageren op de snel oplopende werkloosheid? Moeten we ervan uitblijven gaan dat uiteindelijk iedereen betaald werk kan en moet vinden? Marcel van Dam vindt van niet. "Door hardnekkig vast te houden aan de fictie van de mogelijkheid van volledige werkgelegenheid en in het verlengde daarvan mensen verplichten werk te zoeken, scheppen we een enorm maatschappelijk probleem. We verplichten namelijk honderdduizenden mensen tot falen. Want wat er niet is kun je niet vinden. (...) Er is maar één manier om het collectieve maatschappelijke falen van honderdduizenden mensen te beeïndigen en dat is het afschaffen van de arbeidsplicht als tegenprestatie voor het verkrijgen van een uitkering. Door het creëren van een basisinkomen voor iedereen, geïntegreerd in het belastingstelsel, vervalt de noodzaak om de stijging van de produktiviteit als gevolg van de moderne technologie om te zetten in werkloosheid. Iedereen kan ongehinderd door regelgeving of controle proberen zijn basisinkomen aan te vullen met inkomen uit arbeid, variërend van het verrichten van klussen of seizoenarbeid tot het bekleden van een fulltime-baan." Het zijn bekende geluiden, maar het kan geen kwaad ze af en toe nog eens benadrukt te zien.
We zullen eerst door een heel diep dal gaan Bron: NRC Handëlsblad van 12 juni 1993 Auteur: Frits Abrahams
In een interview geeft Sicco Manholt, de 84-jarige 'éminence grise' van de sociaal-democratie, zijn visie op verleden, heden en toekomst van deze politieke beweging en de PvdA in het bijzonder. In een aantal opzichten zijn zijn opvattingen in de loop van de jaren veranderd, zo erkent hij. "Ik heb geleerd dat voor een overheid de sturingsmogelijkheden van bovenaf zeer beperkt zij n. Je kunt alleen globaal wat bijsturen op bijvoorbeeld monetair en sociaal terrein, maar je moet niet met allerlei fijnmazige regelingen werken. Die worden toch maar ontdoken, want de mensen zijn slim. Daarom is er nu zoveel vastgelopen in de verzorgingsstaat. (...) Je ziet het nu ook aan de sociale sector. Als ik die hele zaak zie van bijstand, WAO, AOW, dan zeg ik: onzin, ruim op die troep. Er moet een ministelsel komen met een basisinkomen en verder moet iedereen zich maar bijverzekeren. Voor dat basisinkomen heb ik al twintig jaar lang gepleit in de PvdA, maar behalve de Voedingsbond wil niemand eraan. Kok heeft beloofd dat de verzorgingsstaat op de helling gaat - ik ben teleurgesteld dat het nog steeds niet gebeurd is en dat men stapje voor stapje corrigeert."
Basisinkomen Bron: Hervormd Nederland van 26 juni 1993 Auteur: Sytze Faber
Hoe leg je een bijstandsmoeder uit dat zij niet mag bijklussen, terwij hoogleraren dat wel mogen, zo vraagt Sytze Faber zich in zijn column af. Het heeft geen zin om de 'In 't Velds' dan maar te verbieden om bij te verdienen. "Dat doet niet alleen hun tekort, ook de samenleving is er niet bij gebaat. De ongelijkheid in behandeling kan alleen opgeheven worden door ook de uitkeringsgerechtigden vrij te laten met betrekking tot het 'bijklussen'. Dat kan door de invoering van een basisinkomen voor iedereen, dat uiteraard beduidend lager moet zijn dan de huidige bijstandsuitkering. Er zal daarnaast een vangnet moeten komen voor gehandicapten en chronisch zieken. De samenleving zal er aanmerkelijk ontspannender door worden. De jacht op de sociale fraude kan gestaakt worden. Er wordt geappelleerd aan het persoonlijk initiatief. Veel onderhoudswerk dat nu blijft liggen vanwege de hoge loonkosten, zal dan wèl ui tgevoerd kunnen worden, omdat volstaan kan worden met een aanvulling op het basisinkomen."
Faber betreurt het dat de PvdA tot nu toe niets van het basisinkomen wil weten. "Met een doortimmerde visie op het (op termijn) invoeren van een basisinkomen, zou de PvdA het initiatief in de politieke discussie eindelijk weer eens naar zich toe kunnen trekken. Dan zou er na de politieke dood van In 't Veld nog hoop zijn voor de sociaal-democratie."
Rosenmöllers belastinggeld wordt niet over de balk gegooid Bron: De Volkskrant van 17 augustus 1993 Auteur. Mac van Dinther
Het GroenLinkse kamerlid Paul Rosenmöller heeft van zijn vakantieperiode gebruik gemaakt om een week stage te lopen bij de Rotterdamse Sociale Dienst. Hij is tevreden over de zorgvuldigheid waarmee de Sociale Dienst te werk gaat bij het toekennen van bijstandsuitkeringen, maar is er wel van overtuigd geraakt, dat er het nodige moet veranderen aan de regelgeving. Met name zou het snoeimes moeten worden gehaald door het woud aan samenleefvormen in de Bijstandswet. En wie eenmaal in de WW zit dient niet meer in de bijstand terecht te komen. Nog een stap verder, door een basisinkomen in te voeren, ziet Rosenmöller er nog niet van komen. "'Het kost 25 miljard gulden. Dat lijkt me niet gemakkelijk te realiseren.' Bovendien weet Rosenmöller ook niet zeker of hij er wel voor is. 'We moeten naar meer individualisering. Maar ik denk dat leefvormen altijd een rol blijven spelen. Stel dat in een huishouden twee keer een basisinkomen van 70 procent van het minimumloon binnenkomt. Dan is er geen prikkel meer om te gaan werken en is de verleiding groot om er gewoon van te leven.' Hij aarzelt even. 'En dat gaat ten koste van de gemeenschap. '"