NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

 

nummer 8 december 1993

issn: 09243038

 

Inhoudsopgave

 

Het politieke klimaat lijkt nog niet rijp voor het basisinkomen

Een AOW-er over de AOW

Strategie. Een principieel mens bepleit een pragmatische opstelling

Het basisinkomen en de concept verkiezingsprogramma's, een korte inventarisatie

Inleiding

Een ander sociaal zekerheidsstelsel.

Herinrichting van de algemene bijstandswet.

Flexibilisering van de arbeidsmarkt

Uit de pers...

Boeken, boeken!

Het politieke klimaat lijkt nog niet rijp voor het basisinkomen

Het afgelopen jaar heeft een opmerkelijke opleving te zien gegeven in de publieke belangstelling voor het basisinkomen. Kostte het mij in voorgaande jaren vaak moeite om één of twee kranteberichtjes voor de rubriek 'Uit de pers ...' te vinden, in het laatste jaar stonden er af en toe zoveel stukken over het basisinkomen in kranten en tijdschriften, dat we voor de Nieuwsbrief een selectie moesten maken. Directe aanleiding voor deze belangstelling vormden de voortdurende problemen rond het sociale-zekerheidsstelsel die maar niet tot een bevredigende oplossing konden worden gebracht. De paniek die in de zomer van 1991 rond de WAO was ontstaan, vormde voor de meeste grote politieke partijen (de VVD uitgezonderd) aanleiding om in de eerste helft van 1992 met een rapport te komen waarin een 'nieuwe' visie op de sociale zekerheid werd geformuleerd. In de meeste rapporten ging de aandacht vooral uit naar de werknemersverzekeringen (WW, WAO, Ziektewet) en de wijze waarop deze door de sociale partners worden uitgevoerd. Bevordering van de arbeidsparticipatie stond in alle rapporten centraal en een onvoorwaardelijk basisinkomen werd door de politieke partijen - behalve GroenLinks, dat geen duidelijke keuze maakte - afgewezen.

Ondanks de aanzienlijke verschillen tussen deze rapporten bestond er op een hoofdpunt toch een opmerkelijke overeenstemming: zoveel mogelijk mensen moeten aan het werk worden geholpen. Toch bleken deze rapporten in de loop van dit jaar onvoldoende basis te bieden voor een breed gedragen herziening van het stelsel van sociale zekerheid. Daaraan lijken met name twee oorzaken ten grondslag te liggen.

In de eerste plaats werd in geen van de rapporten van de politieke partijen veel aandacht besteed aan de bijstand. En het was juist dit 'sluitstuk' van het sociale-zekerheidsstelsel dat het afgelopen jaar het meest onder vuur kwam te liggen. Berichten over omvangrijke bijstandsfraude in Groningen en Rotterdam vormden daarvoor de opmaat. De plannen van staatssecrataris Ter Veld en haar opvolger Wallage voor herziening van de bijstand en het rapport van de commissie Van der Zwan over de uitvoering van de bijstandswet maakten duidelijk dat ook ten aanzien van deze sociale-zekerheidswet niets meer vast staat. Vooralsnog weet echter geen enkele politieke partij een bevredigende oplossing voor de problemen met de bijstand te bieden.

In de tweede plaats begon na zes jaar met een recordgroei aan banen in 1993 de werkloosheid weer op te lopen. Deze ontwikkeling riep grote vraagtekens op over de door alle partijen gedeelde hoofddoelstelling, namelijk vergroting van de arbeidsparticipatie.

Beide ontwikkelingen - de problemen rond de bijstand en de oplopende werkloosheid - vormden een vruchtbare voedingsbodem voor een hernieuwd debat over het basisinkomen. Immers, de voordelen van het basisinkomen komen haast niet scherper naar voren komen dan door een confrontatie met de bijstand. Die vervult in zekere zin dezelfde functie als het basisinkomen - namelijk een garantie voor iedere burger van een sociaal minimumniveau - maar geeft hier op precies de tegenovergestelde manier vorm, namelijk door aan die minmum-bestaansgarantie tal van voorwaarden., plichten en beperkingen te verbinden waar het basisinkomen geheel onvoorwaardelijk en zonder verplichtingen en beperkingen wordt uitgekeerd. Het weer snel oplopen van de werkloosheid en de constatering, dat na iedere economische recessie de werkloosheid zich op een hoger niveau stabiliseert, riepen bij veel mensen twijfel op over het realiteitsgehalte van het streven naar volledige werkgelegenheid.

Aangezien dit streven zo'n belangrijk argument vormde om vast te houden aan de koppeling tussen (de plicht tot) arbeid en (het recht op) inkomen, was deze twijfel tevens aanleiding om de stellige afwijzing van het basisinkomen te heroverwegen. In de kranten en opiniebladen, radio en tv, en vaktijdschriften zijn het afgelopen jaar dan ook talrijke bijdragen aan de discussie over het basisinkomen te lezen en te beluisteren geweest. Drie zaken vallen daaraan op.

Ten eerste, dat degenen die zich in de discussie mengen overwegend positief gestemd zijn over het basisinkomen; de tegenstanders van het basisinkomen zijn duidelijk in de minderheid. Maar misschien heeft dat er gewoon mee te maken dat wie niets in het basisinkomen ziet, er ook niet zoveel behoefte aan heeft om er over te schrijven, spreken of zelfs serieus na te denken.

Ten tweede valt op, dat de positieve geluiden over het basisinkomen in zeer uiteenlopende maatschappelijke en politieke kringen te horen zijn. Terwijl het basisinkomen een jaar of tien geleden vooral in radicaal-linkse kring (PPR Voedingsbond FNV, organisaties van uitkeringsgerechtigden, de Bond tegen het Arbeidsethos) populair was, komen we de voorstanders nu ook tegen in PvdA, D66 en VVD, onder werkgevers, hoogleraren, de milieubeweging en het Centraal Planbureau (met directeur Gerrit Zalm als een van de meest opvallende, zij het gereserveerde, voorstanders).

Ten derde - en dat hangt waarschijnlijk met het vorige punt samen worden de pleidooien over het algemeen gekenmerkt door realisme en minder door idealisme en utopisme. Het basisinkomen wordt vooral gezien als een middel om het volledig verzande sociale-zekerheidsstelsel weer vlot te trekken, als erkenning van het feit dat niet meer iedereen aan een betaalde baan kan worden geholpen en als grondslag voor een moderne interpretatie van 'burgerschap'. Nog slechts weinigen presenteren het basisinkomen als wapen tegen de overheersing van betaalde arbeid en het arbeidsethos en als grondslag voor een geheel nieuwe, antikapitalistische samenleving en een 'nieuwe mens'. Dit betekent ook dat er verhoudingsgewijs méér pleitbezorgers (lijken te) zijn van een relatief sober basisinkomen dat minder bedraagt dan het huidige sociaal-minimumniveau voor alleenstaanden. Meer concreet: de meesten pleiten voor een basisinkomen tussen, pakweg, vijfhonderd en duizend gulden netto per maand, en nog slechts weinigen voor een beduidend hoger bedrag.

Betekent dit alles nu, dat ook het politieke k1imaat rijp is voor de invoering van het basisinkomen? Is het reëel om te verwachten dat in de komende kabinetsperiode de eerste stappen op weg naar een basisinkomen zullen worden gezet?

Dat is nog maar zeer de vraag. Om te beginnen is het onduidelijk in hoeverre de geluiden in de media een afspiegeling vormen van de meningen onder de Nederlandse bevolking. Zoals ik al opmerkte ligt het immers voor de hand dat de voorstanders van het basisinkomen - degenen die verandering willen - zich wat actiever en luidruchtiger manifesteren dan degenen die het idee afwijzen.

Belangrijker is misschien nog wel, dat maatschappelijke steun voor het idee van een basisinkomen weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is om de invoering ervan mogelijk te maken, maar nog geen voldoende voorwaarde. Daarvoor zal ook een voldoende politiek draagvlak moeten zijn. Vooralsnog is dit er beslist niet. Geen enkele politieke partij in Nederlands is op dit moment voorstander van het basisinkomen.

Tien jaar geleden was dat nog wel het geval. Met het opgaan van de PPR in GroenLinks is de enige partij die zich nadrukkelijk voor een basisinkomen uitsprak echter van het toneel verdwenen. GroenLinks laat in haar (concept-)verkiezingsprogramma weliswaar de mogelijkheid van een basisinkomen open, maar kiest er vooralsnog niet voor. Een wat hoopvollere ontwikkeling tekent zich in de PvdA af. Deze partij, die zich jarenlang principieel tegen een basisinkomen heeft uitgesproken, heeft nu nadrukkelijk de deur op een kier gezet. Het ontwerpverkiezingsprogramma stelt dat het 'onvruchtbaar' is om op dit moment een definitieve keuze voor het bestaande stelsel of voor het basisinkomen te maken. Er wordt een no regret-beleid voorgesteld, dat de mogelijkheid om in de toekomst de kant van een basisinkomen op te gaan openlaat. Dat biedt in ieder geval meer perspectief voor het basisinkomen dan de PvdA ooit in het verleden heeft willen bieden. Wel bestaat er de nodige twijfel over of deze opvatting ook door de top van de PvdA (lees: Kok en Wöltgens) wordt gedeeld. Het zijn vooral de 'wat mindere goden' Marcel van Dam, Jos de Beus en Paul Kalma geweest die in de publiciteit op dit aspect van het programma hebben gewezen (zie ook de rubriek 'Uit de pers’).

Vooralsnog wijzen de reacties vanuit de politiek op de problemen met de bijstand en de oplopende werkloosheid voornamelijk in een heel andere richting dan een basisinkomen. De (vermeende) bijstandsfraude heeft vooral geleid tot pleidooien voor een striktere uitvoering strengere controle, omkering van de bewijslast en verlaging van de uitkeringen. Dergelijke maatregelen zullen de 'fraude' met leefvormen en bijverdiensten of het oneigenlijk gebruik weliswaar vrijwel zeker niet verhelpen en wellicht de problemen zelfs vergroten: in plaats van 'schijnbaar' alleen te wonen ga je dan als bijstandsontvanger maar 'echt' alleen wonen, in plaats van met een 'witte' baan bij te verdienen kun je dan beter een 'zwart' baantje nemen of ophouden met werken. Dat besef lijkt echter nog niet tot de politici te zijn doorgedrongen.

De oplopende werkloosheid blijkt vooralsnog voor de meeste politici evenmin een reden om serieus over het basisinkomen te gaan nadenken, maar juist een reden te meer om strikte voorwaarden te stellen aan het verlagen van een uitkering. Immers, als we er niet in slagen de werkloosheid omlaag te brengen, is het voor de betaalbaarheid van het sociale zekerheidsstelsel, des te belangrijker dat alleen degenen die werkelijk recht hebben op een uitkering er een ontvangen. Juist om voor degenen die ongewild op een uitkering zijn aangewezen een fatsoenlijk uitkeringsniveau te kunnen handhaven, is het absoluut noodzakelijk dat het onterechte, oneigenlijke en onbedoelde gebruik van uitkeringen zoveel mogelijk wordt teruggedrongen, zo luidt de redenering. Een basisinkomen past vanzelfsprekend niet in deze redenering.

Het is de vraag hoe lang dergelijke opvattingen stand kunnen houden. Het is niet zo moeilijk te voorspellen dat het doel dat ermee wordt beoogd - het aantal uitkeringsgerechtigden verminderen en daarmee het stelsel betaalbaar houden - niet zal worden gerealiseerd. Zo lang de financiële overwegingen, net zo als onder het huidige kabinet de doorslag geven, zullen de politieke partijen ook de komende jaren er weer niet aan ontkomen om de uitkeringen van bepaalde groepen te verlagen of uitkeringsaanspraken te beperken. Maar wellicht ontstaat er mede gevoed door de maatschappelijke discussie die het afgelopen jaar op gang is gekomen, toch een stemming waarin een meerderheid van het parlement erkent dat het geen zin heeft om nog langer op deze weg door te gaan en er voor kiest een radicaal andere weg in te slaan, een weg die alsnog naar het basisinkomen leidt.

Paul de Beer

 

Een AOW-er over de AOW

Als men zoals schrijver dezes AOW-er is geworden, komt de gedachte naar voren: hoe is die AOW er ook weer gekomen?

In mijn kinderjaren - de crisisjaren 1930 - waren de begrippen "oud" en "arm" nauw met elkaar verbonden en een onderdeel van de sociale strijd. Waren er toen dan geen voorzieningen voor ouderen? Zeker wel, maar zij stonden minder in het centrum van de belangstelling. Het aantal ouderen in de samenleving was veel geringer dan nu. Immers, men overleed gemiddeld op een veel jongere leeftijd dan nu. Bovendien was het kindertal veel groter dan nu, zodat de belangstelling - ook de politieke en dus de financiële - meer uitging naar de zorg voor kinderen en hun onderwijs, dan naar de zorg voor ouderen.

Toch waren er wel degelijk voorzieningen voor ouderen. De sinds 1903 geldende Ongevallenwet 1901 kende ongevallenrentes, welke ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd werden toegekend en voortgezet. Bovendien regelde de op 3 december 1919 ingevoerde Invaliditeitswet een verplichte werknemersverzekering, met werkgeverspremie, op grond waarvan men niet slechts een invaliditeitsrente, doch ook een ouderdomsrente kon verkrijgen. Daarnaast konden zelfstandigen zich vrijwillig verzekeren voor een ouderdomsrente ingevolge de gelijktijdig ingevoerde Ouderdomswet 1919, de zo geheten Vrijwillige Ouderdoms Verzekering.

De uitvoering van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet was opgedragen aan de Raden van Arbeid, waarvoor organisaties van werkgevers en werknemers een benoem.ingsrecht hadden. Deze Raden van Arbeid danken wij aan de corporatistische gedachte, die door minister A.S. Talma van het christendemocratische kabinet-Heemskerk was gepropageerd. Daarentegen werd de ongevallenwet uitgevoerd door een staatsorgaan, de Rijksverzekeringsbank; die wet was dan ook tot stand gebracht door de liberale minister C. Lely.

Tegen de totstandkoming van de Invaliditeitswet en de Ouderdomswet was tijdens de kamerbehandeling in de jaren 190 1-1903 veel verzet geweest. De christendemocratische regering - toen rechts geheten - baseerde zich op het Duitse stelsel der sociale zekerheid. terwijl de linkse oppositie (sociaal-democraten, vrijzinnig-democraten en liberalen) ook naar Denemarken en Engeland keek.

Een belangrijk strijdpunt was het "staatspensioen". Staatspensioen, ja, dat herinner ik mij. Plakkaten en advertenties van de Bond voor Staatspensionering: vóór premievrij staatspensioen. De gedachte. ontsproten binnen de sociaal-democratie, kreeg ook aanhang onder vrijzinnig-democraten en liberalen. De toen nog vrijzinnig-democratische voorman P.J. Oud werd voorzitter van de Bond, die sinds de oprichting in het begin der eeuw in de 30-er jaren ruime bekendheid had. Christendemocraten deden echter niet mee: zorg voor ouderen was in hun visie een zaak voor het gezin en zonodig voor de diaconie.

Wat hield premievrij staatspensioen in? Een basispensioen voor iedereen. uitgekeerd door een staatsorgaan. b.v. de Rijksverzekeringsbank en gefinancierd uit de rijksbegroting, dus via de belastingen.

En toen kwam de Tweede Wereldoorlog. De waarde van de gulden daalde aanmerkelijk, ook in de periode van de wederopbouw. Het gevolg was dat de ouderdomsrentes ingevolge de invaliditeitswet en de Ouderdomswet, beneden het minimum zakten. Zij waren immers gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel, dus op de wekelijks betaalde dubbeltjes (de "rentezegels") van de jaren-20 en -30.

Er moest dus iets voor de ouderen worden gedaan. De christen-democraten zagen de mogelijkheden voor de opvang binnen de gezinnen en met hulp van de diaconieën binnen het verarmde Nederland vervluchtigen. En de liberale werkgevers zagen hun oud-arbeiders, hun jarenlange medewerkers uit de crisisjaren en de oorlogsjaren verpauperen. Reeds in Londen was in 1943, onder leiding van de oud-CHU-minister A.A. van Rhijn - later PvdA-staatssecretaris - een op het Britse rapport-Beveridge gebaseerd plan ontwikkeld. De voorlopige oplossing werd gevonden in de "Noodwet-Drees", officieel Noodwet Ouderdomsvoorziening, die op 1 oktober 1947 in werking trad. Deze wet voorzag in vaste uitkeringen, naar gemeentekassen gedifferentieerd, met aftrek van eigen inkomsten, in de regel voor de helft, echter niet van alimentaties. De kosten kwamen ten laste van de staat, uit de belastingopbrengst.

Weer ging er een commissie, onder leiding van Van Rhijn - nu PvdA-er - aan het werk. Gestreefd werd naar een ruime consensus. Een staatspensioen was niet langer taboe voor de Christendemocratische partijen, maar het mocht natuurlijk wegens de bijna 50-jarige strijd niet zo heten. De liberale werkgevers zagen een groot voordeel in het wegvallen van hun financiële ondersteuning van hun oud-werknemers, mits zij maar niet werden opgezadeld met hoge administratiekosten. Voor dat probleem werd een oplossing gevonden. Binnen de Stichting van de Arbeid en de Sociaal Economische Raad ontstond de gedachte, dat registratie van de verzekerden en van de door hen opgebouwde rechten overbodig was, mits er maar "negatief" werd geregistreerd wie er over welke periode geen rechten had opgebouwd. Naar verluid werd dit idee ontwikkeld in gesprekken tussen het NVV (thans FNV) en het CSWV (thans VNO). En zo diende PvdA-minister J.G. Suurhoff het wetsvoorstel in, dat leidde tot de Wet van 31 mei 1956, de Algemene Ouderdomswet, die werd ingevoerd op 1 januari 1957.

Was er nu een premievrij staatspensioen ingevoerd? Nee dus. Wel een pensioen voor iedereen. Maar niet van de staat en niet premievrij. Het pensioen was wel een basisinkomen voor iedereen, maar lag nog beneden het sociale minimum, de verhoging tot dat niveau kwam stapsgewijs later tot stand. Het pensioen werd niet door de staat uitbetaald, maar door de Raden van Arbeid en de Sociale Verzekeringsbank (in 1956 ontstaan uit de oude Rijksverzekeringsbank), welke werden bestuurd door werkgevers en werknemers, onder toezicht van de Sociale Verzekeringsraad. En de financiering geschiedde door een afzonderlijke premieheffing naar draagkracht, gerealiseerd te samen met de loonbelasting en de inkomensbelasting. Daarbij gold geen kapitaaldekkingsstelsel, maar een omslagstelsel. Kortom: toch een basisinkomen voor alle 65-plussers. En tenslotte: de Bond voor Staatspensionering werd opgeheven.

Jan Boerlage.

 

Strategie. Een principieel mens bepleit een pragmatische opstelling

De Vereniging Baisisinkomen wordt gedragen door mensen, die voor het invoeren van een basisinkomen zijn. Dat is ons gemeenschappelijk uitgangspunt. Alle andere zaken, die ook in de ogen van velen een andere beleid behoeven proberen wij niet via onze vereniging aan de orde te stellen. Het concrete doel is een wetsvoorstel, dat door het parlement wordt aangenomen. Over hoe dit doel bereikt moet worden en over hoe een basisinkomen er uit zou moeten zien heeft de vereniging wellicht evenveel opvattingen als er leden zijn. Dat is strategisch gezien misschien lastig, maar het geeft ook aan, dat de vereniging springlevend is. Uiteraard spoort dit gegeven het bestuur van de vereniging aan, de leden over de te nemen stappen te raadplegen.

Op de ledenvergadering van 19 juni j.1 hebben we gediskussieerd over de toen reeds in de media beschreven varianten van een basisinkomen. Sommige publikaties gingen uit van een ministelsel, andere van een basisinkomen rond het bedtag dat nu wordt uitgekeerd aan alleenwonenden. De vergadering sprak zich uit voor het invoeren van een volledig waardevast basisinkomen van f 1.300,- per persoon per maand. Maar als stap daarheen werd het samenbrengen van mensen die hetzij een gedeeltelijk basisinkomen van rond de f. 900.- per maand voorstaan, hetzij kiezen voor het volledige basisinkomen zonder tussenstap, niet afgewezen. Voorts werd het bestuur verzocht om de politieke steun voor ons streven zo breed mogelijk te doen zijn.

Rekening houdend met deze aanbevelingen is het laatste half jaar het één en ander op touw gezet. Onderstaand overzicht geeft in het kort aan wat er naast de gewone werkzaamheden (die trouwens ook het opzetten en versterken van kontakten inhouden) is gebeurd. Daarna kan ik het niet laten, om ook enige meer algemene ideeën over de strategie aan u toe te vertrouwen. .

Na de vakantie was er op 14 september een (door de UvA georganiseerde) bijeenkomst waarbij de variant van f. 900.- centraal stond. Die middag kwamen diverse politieke stromingen aan het woord zoals (de mede auteur van het boek "Basisinkomen in Drievoud"), Jan Jaap Heij van de VVD, de sociaal-demokraat Professor Flip de Kam. en het Kamerlid voor GroenLinks, Bram van Ojilc.

Voorts hebben twee bestuursleden zich gezet aan het schrijven van een nieuwe brochure. Daarin worden naast de noodzaak van een goed sociaal zekerheidsstelsel ook de mogelijkheden voor zowel het invoeren van het gedeeltelijk als van het volledige basisinkomen behandeld. Deze brochure zal rond de jaarwisseling verschijnen.

In het verlengde van de strategie, die op 19 juni is uitgestippeld ligt ook de komst van een stagiaire (Wil Eyben), die bij professor Kees Schuyt gaat afstuderen op het (invoeren van een) basisinkomen. Mede door de inzet van Wil is het mogelijk om in januari a.s. een rondetafelgesprek te houden met zowel vertegenwoordigers uit de vijf grotere politieke partijen als met enige deskundigen uit de boezem van onze vereniging.

De werkgroep onderzoek is bovendien bezig met het organiseren van een studiedag over de financiering van een basisinkomen. Men gaat in een paper de verschillende financieringsbronnen en invoeringsstrategieën naast elkaar zetten waarbij de twee reeds genoemde bedragen ( f 900 en f 1300) de uitgangspunten zijn.

Dat bovendien leden van de vereniging de kolommen van de media beginnen te vullen, met blauwdrukken en diskussiestulcken mag niet onvermeld blijven, maar beeft uiteraard niet direkt met het bestuursbeleid te maken.

Het debat over bet basisinkomen is in Nederland vooral op gang gekomen in de jaren tachtig. Daarbij gebruikten de voorstanders het soort argumenten dat toen nog in de politiek gebruikelijk was: waarden en normen werden getoetst. De alternatieve beleidsuggesties kwamen voort uit idealen zoals gelijkheid, solidariteit en emancipatie van het individu. Maar tijden veranderen. "In de tijd van bezuinigingen is het expliciet redeneren in termen van waarden in de Nederlandse politiek sterk verminderd"., - scbrijft prof. Andries Hoogerwerf in het artikel "Een principieel betoog hoor je maar zelden in Den Haag" dat in de Volkskrant van 20 nov. 1993 bladz. 18 te vinden is. Hij konstateert mijns inziens terecht: "De afname van het normatieve redeneren en de toename van het empirisch-causale argumenteren zijn onder meer gestimuleerd door het groeiende aandeel van economen en andere niet-juridisch geschoolde academici in de politiek. Getallen en vooral financiële getallen hebben in de sfeer van het marktgerichte denken en het "no nonsense" beleid van de jaren tachtig een centrale plaats in het politieke debat veroverd. Het geld lijkt in de politiek vaak de hoogste waarde te zijn geworden. "

De vraag is nu of de Vereniging Basisinkomen rekening moet houden met deze verschuiving in argumentatie. Ik zeg daar "ja" op. Immers ik wil, omdat het sociaal zekerheidsstelsel steeds minder sociaal is en steeds minder zekerheid geeft, zo snel mogelijk een. zo hoog mogelijk waardevast basisinkomen tot stand helpen brengen. Ik ga daarom, hoewel ik de achteruitgang van de invloed van ideële waarden betreur, om praktische redenen mee in de huidige diskussietrend.

Daarbij zie ik bovendien twee voordelen:

1. Doordat er in Nederland sprake is van een struktureel te kort aan betaald werk, en bovendien een belasting op grondstoffen en energie steeds meer bespreekbaar wordt, is het mogelijk om cijfermatig aan te tonen, dat een basisinkomen financieel en economisch te realiseren is. De dekking is aan te wijzen! Dus de stellingen van de meeste tegenstanders van een basisinkomen zijn met gebruikmaking van thans hoogscorende argumenten te weerleggen.

2. Veel nieuwe medestanders van een basisinkomen leggen minder dan ik (en U wellicht) de nadruk op de door mij genoemde feilen van het huidige sociaal zekerrheidssysteem. Maar zij komen via gedeeltelijk andere argumenten tot dezelfde conclusie: het invoeren van een basisinkomen geeft meer vrijheid aan het individu, vermindert de bureaucratie, geeft nieuwe impulsen aan de economie en bestrijdt de steeds hoger oplopende werkloosheid. Het aantal medestanders, en daarmee de kans op politieke invloed wordt dus vergroot door de pragmatische argumenten alle ruimte te geven.

Hoe nu verder?

Ik denk, dat de tijd rijp is. In de diverse verkiezingsprogramma's is men het er over eens, dat het huidige beleid niet moet worden gecontinueerd. In de politiek zit dus bewegingsvrijheid voor alternatieve voorstellen. Maar, zult u zeggen, bijna nergens (in de programma's) wordt voor een spoedige invoering van het basisinkomen gekozen. Dat geef ik toe. Ik til daar echter niet zo aan. Mijn jarenlange ervaring met verkiezingsprogramma's heeft mij geleerd dat politieke verschuivingen desondanks voorkomen.

Het ligt, zoals U begrijpt, in de bedoeling, om de diskussie aan te zwengelen en zodoende steeds meer politieke medestanders te werven. Daarbij is gedegen cijfermatige onderbouwing van de argumentatie mijns inziens een noodzaak. Zowel economen als gedragswetenschappers zullen een flink aantal steentjes moeten bijdragen. Het debat in de media moet daarbij niet worden verwaarloosd. Bovendien zouden de juristen onder ons zich kunnen bezighouden met het fonnuleren van een concept wetsvoorstel, dat op onze ledenvergadering in maart 1994 aan de leden zou moeten worden voorgelegd.

Het zou mooi zijn als er een wetsvoorstel, in een ruwe vorm gereed zou zijn voordat de formatie-besprekingen in mei 1994 starten. Het is dus hard werken geblazen.

Saar Boerlage.

 

Het basisinkomen en de concept verkiezingsprogramma's, een korte inventarisatie

 

Inleiding

Ons stelsel van sociale zekerheid is aan vernieuwing toe, zeggen alle grote politieke partijen. Het wordt onbetaalbaar, het is te fraudegevoelig, het zet mensen aan de kant en het ontmoedigt mensen met een uitkering om betaald werk te gaan verrichten, alles wat men bijverdient wordt volledig gekort op de uitkering, één van de oorzaken van de armoedeval. Kortom, zo kan het niet langer, er moet iets gebeuren.

De Vereniging Basisinkomen organiseert een Ronde Tafel Gesprek met politici, wetenschappers en andere deskundigen en geïnteresseerden inzake het basisinkomen. Doel van dit Ronde Tafel Gesprek is te komen tot het indienen van een wetsontwerp met betrekking tot de invoering van een basisinkomen. Als voorloper op dit Ronde Tafel Gesprek is een inventarisatie gemaakt van wat er in de concept verkiezingsprogramma's van PvdA, CDA, Groen links, D66 en de VVD staat over een ander stelsel van sociale zekerheid, herinrichting van de Algemene Bijstandswet en flexibilisering van de arbeidsmarkt.

 

Een ander sociaal zekerheidsstelsel.

Vastgesteld kan worden dat alle grote politieke partijen bet erover eens zijn, dat er een ander stelsel van sociale zekerheid moet komen. Maar volgens de PvdA is de onzekerheid rond de sociale zekerheid op dit moment te groot om een keuze voor of tegen het bestaande stelsel dan wel een basisinkomen te maken in het bijzonder wat betreft:

- "de mate waarin, op basis van het bestaande stelsel, het aantal uitkeringen door een selectief gebruik van de sociale zekerheid en een gericht arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid, aanzienlijk kan worden verminderd en anderzijds:

- de mate waarin een basisinkomen aan het recht op volwaardige sociale zekerheid tegemoet komt en de arbeidsparticipatie bevordert ('startpremie') dan wel belemmert.

In die omstandigheden verdient het verre de voorkeur om een 'no regret'-beleid te voeren, dat keuzen voor de toekomst openlaat en zich in eerste instantie concentreert op de meest concrete en dringende problemen. Daarbij kan op beperkte schaal, en gebonden aan bepaalde voorwaarden, met het basisinkomen worden geëxperimenteerd."

Het CDA wil: "een stelsel van sociale zekerheid dat weer uitnodigt om aan de slag te gaan.(...) gegeven de veranderde Nederlandse samenleving en in een sterk veranderde wereld is een andere aanpak van de sociaal-economische en financiële problemen nodig, willen wij tal van voorzieningen en activiteiten overeind houden. "

Groen Links pleit voor een heel nieuw stelsel van sociale zekerheid omdat zelfs bij een fundamentele herverdeling van werk er mensen zullen zijn die een uitkering hebben. De hoogte van een uitkering moet een behoorlijke bestaanszekerheid en een waardige deelname aan de samenleving garanderen. Om het probleem van de fraude en stigmatisering tegen te gaan is het beter om bet stelsel te veranderen. Dit kan door de regelgeving te versimpelen, het stelsel te individualiseren, de bijverdienstenmogelijkheden te verruimen en de langlopende uitkeringen te verhogen. Groen Links noemt tien kernpunten voor een nieuw stelsel van sociale zekerheid, een daarvan is de invoering van een negatieve inkomstenbelasting. Door geleidelijke verhoging kan dit op termijn uitgebouwd worden tot een voorwaardelijk basisinkomen voor diegenen die geen eigen inkomsten hebben.

Volgens D66 wordt ons stelsel van sociale zekerheid, ‘opgebouwd in onbezorgder tijden’ een te zware last voor te weinig werkenden. "Er dreigt een spiraal waarin steeds hogere arbeidskosten tot steeds minder betaald werk leiden. Mensen die tijdelijk of blijvend niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, hebben recht op een toereikende uitkering, waarvan de hoogte niet voortdurend ter discussie staat. D66 wil dat het stelsel zo is ingericht, dat er een sterke stimulans van uitgaat om, waar dat mogelijk is, de eigen zelfstandigheid zo snel mogelijk te herwinnen. Het stelsel moet eenvoudiger en doorzichtiger worden in opzet en uitvoering.

De VVD zegt in haar kernprogramma, dat de noodzakelijke vernieuwing van de samenleving met durf en creativiteit moet worden aangepakt:

"In deze tijd vol onzekerheden moeten angst voor verandering, verlamming door gebrek aan fantasie plaatsmaken voor dadendrang en scheppingskracht. "

 

Herinrichting van de algemene bijstandswet.

De herinrichting van de ABW staat bij alle politieke partijen op de agenda. Op dit moment zijn er drie opties voor herziening van de ABW. Het plan van staatssecretaris Wallage, dat van de onderzoekscommissie Van der Zwan en dat van de kamercommissie Doelman-Pel. Er moet 380 miljoen op de bijstand worden bezuinigd en alle drie de plannen hebben verschillende opvattingen over de manier waarop dit gerealiseerd moet worden.

De PvdA is voor verzelfstandiging van de ABW, het vermindert de fraudegevoeligheid en neemt de financiële drempel weg om als bijstandsontvanger betaald werk te verrichten, maar: "In de huidige financiële constellatie is het echter onvermijdelijk dat een dergelijke venzelfstandiging mede ten koste van de hoogte van de uitkering gaat. De PvdA is niet bereid om deze consequentie te trekken en houdt voor de regeerperiode 1994-1998 vast aan een stelsel waarbij de bestaande minima voor resp. alleenstaanden, samenwonenden en één-ouder gezinnen gehandhaafd blijven "

Het CDA wil de bijstandsuitkering verzelfstandigen en vervolgens stellen op maximaal 50% van het huidige niveau van het sociaal minimum voor gehuwden/samenwonenden. In het verlengde hiervan introduceert het CDA een Algemene Voorzieningen Wet. Op basis van deze wet worden aanvullingen op de bijstandsuitkering toegekend. De uitvoering van deze wet ligt bij de gemeenten. De wet kent naast een inkomenstoets een vermogentoets. Betrokkenen moeten zelf aantonen dat ze voor een aanvulling in aanmerking komen. Voorzieningen zoals de bijzondere bijstand en individuele huursubsidie worden toegekend op basis van deze wet.

D66 wil herziening van de ABW: "Het uitkeringsniveau dient te beginnen bij vijftig procent van het sociaal minimum, waarop door gemeenten een toeslag wordt gegeven van twintig procent van het sociaal minimum voor alleenwonenden, veertig procent voor éénoudergezinnen en vijftig procent indien meerdere volwassenen moeten worden onderhouden. Daarbij is het aan de uitkeringsgerechtigde om zijn of haar recht op zo'n toeslag aannemelijk te maken.(...) Hierbij is wezenlijk dat in de regeling gewaarborgd wordt dat feitelijk alleenwonenden en alleenstaande ouders ook inderdaad de oude uitkeringsniveaus zullen halen. " Wanneer mensen erg lang op een minimum uitkering zijn aangewezen, moet het volgens D66 mogelijk zijn om in individuele gevallen een aanvulling te verstrekken. Geen bijzondere bijstand omdat die betrekking beeft op bijzondere gebeurtenissen.

Voor Groen Links moet de uitkeringshoogte zodanig zijn, dat er zelfstandig van rond te komen is. Zij streeft daarom naar een volledige individualisering van uitkeringsrechten: "De kostwinnersvoordelen uit het belastingstelsel kunnen worden ingezet om dit zelfstandig uitkeringsrecht te betalen. "

De VVD bepleit op termijn de invoering van een basisstelsel, één loket waarbij eerst wordt nagegaan of er werk is en pas als dat er niet is wordt een uitkering verstrekt. Concrete maatregelen die de VVD voorstaat:

 

Flexibilisering van de arbeidsmarkt

In alle drie de voorstellen voor herziening van de bijstandswet staat dat de bijstandsontvanger in principe werk moet zoeken, ook moeders met kinderen jonger dan twaalf jaar. De commissie Doelman zegt, dat er nu onvoldoende banen beschikbaar zijn voor de 500.000 bijstandsontvangers. Volledige werkgelegenheid is de komende decennia niet haalbaar. Desondanks vinden sommigen dat een activerend arbeidsmarktbeleid een oplossing voor het probleem. van de werkloosheid biedt. Anderen voelen meer - voor een betere verdeling van (betaalde) arbeid. Voorstanders van een basisinkomen voorspellen dat er door invoering van een basisinkomen een hogere arbeidsparticipatie zal zijn, met name de vraag naar deeltijdarbeid zal toenemen.

Volgens de PvdA is het Nederlands arbeidsbestel uit balans. Ondanks de spectaculaire groei van de werkgelegenheid, de toegenomen deelname van vrouwen en de gestegen arbeidsmobiliteit (verandering van baan), blijft het aantal werklozen bijzonder hoog. Voor 1994 wordt gerekend op meer dan 700.000 mensen met een werkloosheidsuitkering. Teveel oudere werlmemers zijn uit het arbeidsproces gestoten. Veel mannen en vrouwen met een volledige baan zouden een inkomensoffer willen" brengen om korter te werken. De PvdA pleit daarom voor "arbeid op maat". Een belangrijk kenmerk van 'arbeid op maat' is de erkenning van grote maatschappelijke en persoonlijke waarde van andere vormen van arbeid dan betaalde arbeid.

De PvdA betwijfelt of de wijzigingen in het sociaal stelsel daadwerkelijk voldoende mensen aan betaald werk helpen en zegt: "Tegen die achtergrond wordt van verschillende zijden gepleit voor invoering van een (al of niet gedeeltelijk) basisinkomen. Aan zo'n basisinkomen zijn aanzienlijke voordelen verbonden. Het stelsel van sociale zekerheid zou er veel eenvoudiger en minder fraudegevoelig op worden. De keuze van burgers (om vrijwilligerswerk te verrichten, om een studie te volgen om er wat bij te verdienen) zou toenemen, het verzwijgen van bijverdiensten minder aantrekkelijk worden. Bovendien zou een basisinkomen de loonkosten fors kunnen doen dalen." De PvdA zegt dat invoering van een basisinkomen ook een aantal principiële en praktische bezwaren oplevert, onder meer het principe van wederkerigheid in de sociale zekerheid en de stijging van de collectieve lasten.

Het CDA vindt dat er meer aandacht nodig is voor flexibilisering van de arbeid. Dit kan door deeltijdbanen, flexibele arbeidstijden. Deeltijdvut, bedrijfstijdverlenging en onbetaald verzorgingsverlof: "De werkgever is gehouden gemotiveerd antwoord te geven op verzoeken tot overgang op deeltijdarbeid. Dè pensioengerechtigde leeftijd blijft niet langer gefixeerd op de leeftijd van'de AOW, maar wordt geflexibiliseerd.

Groen Links schrijft da4 bet arbeidsbestel en bet bestel van sociale zekerheid dienen uit te gaan van de behoefte aan economische zelfstandigheid, gekoppeld aan 'zorgzelfstandigheid', de mogelijkheid om voor zichzelf te zorgen. Dit vereist niet alleen vergaande herverdeling van betaalde en onbetaalde werk onder mannen en vrouwen, maar ook een aanpassing van het betaalde werk aan de eisen van de nieuwe werknemer, andere verlofinogelijkheden, flexibele arbeidstijden en (tijdelijk) een kortere werkweek, flexibele en deeltijdpensionering.

D66 wil voor iedere werknemer een recht op deeltijdwerk, dat alleen mag wijken voor zwaarwegende belangen van een bedrijf. Mogelijkheden voor zorgverlof moeten toenemen en vut- en pensioemegelingen moeten worden afgestemd op de behoefte aan een grotere flexibiliteit en aan lagere loonkosten.

Wil Eijben.

studente sociologie UvA en stagiaire bij de VerenigÏng basisinkomen.

 

Uit de pers...

'Een links program met libertaire inslag' Bron: NRC Handelsb/ad van 6 september 1993 Auteurs: Cees Banning en Derk-Jan Eppink

In een gesprek met Jos de Beus, de belangrijkste auteur van het verkiezingsprogramma van de PvdA, gaat deze in op de discussie in de programcommissie. "Wij zijn de eerste sociaal-democratische partij die in een verkiezingsprogramma het onderwerp van het basisinkomen heeft opgenomen. Een keuze voor of tegen is op dit moment onvruchtbaar. Het is psychologisch ook niet verenigbaar wanneer je nu volult voor een basisinkomen zou kiezen en tegelijkertijd een activerend arbeidsmarktbeleid zou voeren." Maar: "Het zou kunnen dat bepaalde elementen van onze sociale politiek tenderen in de richting van een basisinkomen. Het moet dus op de agenda blijven staan. Maar maak er geen theologisch debat van.

De beste bron Bron: de Volkskrant van 9 september 1993 Auteur: Marcel van Dam

Het lid van de PvdA-programcommissie geeft in zijn column een toelichting bij het ontwerp-verkiezingsprogramma en legt uit dat nieuw beleid nooit al te veel kan afwijken van het huidige beleid. "Dat geldt bijvoorbeeld voor het invoeren van een basisinkomen. Dat is zo'n ingrijpende verandering met zulke verreikende consequenties dat invoering daarvan alleen geleidelijk kan en zich over meerdere kabinetsperiodes moet uitstrekken. Niemand in de commissie heeft dan ook het voorstel gedaan om invoering van een basisinkomen in het programma op te nemen en er is ook nooit een concept-tekst geweest waarin dat heeft gestaan. Wel is er veel discussie geweest over wat er wel in het programma staat over het basisinkomen. En terecht. Want het gaat naar mijn mening over het meest wezenlijke probleem dat de sociaal-democratie voor de toekomst onder ogen moet zien."

Adieu arbeidsplicht Bron: de Volkskrant van 10 september 1993 Auteur: Paul KaIma

Een ander lid van de PvdA-programcommissie en columnist van de Volkskrant, Paul Kalma, constateert, dat de twijfel of volledige werkgelegenheid nog haalbaar is, twee ideeën uit de jaren tachtig nieuw leven heeft ingeblazen, namelijk arbeidstijdverkorting en het basisinkomen. Maar de voorstellen zijn wel van karakter veranderd. Bij arbeidstijdverkorting gaat het nu om individuele en flexibele vormen, zoals deeltijdarbeid, en bij het basisinkomen gaat het om "een gedeeltelijk basisinkomen, dat de prikkel tot werken intact laat" of een basisinkomen onder voorwaarden, "bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk of een sociale dienstplicht. Een basisinkomen, dat moet je verdienen!" stelt KaIma. "Niemand praat meer over een volledige, op het niveau van het sociaal minimum uit te betalen, onvoorwaardelijke uitkering." Arbeidstijdverkorting en basisinkomen zouden elkaar dan kunnen aanvullen. "De PvdA heeft in haar verkiezingsprogramma, niet zonder intern Haags verzet, het basisinkomen op de politieke agenda geplaatst. (...) Ze ziet, als eerste grote politieke partij, onder ogen dat, na de stemplicht en de dienstplicht, nu ook de arbeidsplicht begint af te brokkelen - en misschien, onder bepaalde voorwaarden, nog eens kan worden afgeschaft."

Basisinkomen voor links en rechts aantrekkelijk Bron: de Volkskrant (Forum) van 10 september 1993 Auteurs: Brik Jan van Kempen en Robert J. van der Veen

Opmerkelijk: de auteurs van het boek Basisinkomen in drievoud (zie de boekenrubriek) gaan in de Volkskrant met elkaar in debat. Van Kempen en Van der Veen bekritiseren hun co-auteur Heij die eerder met twee andere VVD'ers voor een laag basisinkomen pleitte. Tegenover deze lage 'vrije-markt'-variant van het basisinkomen, staat een veel hoger 'van de wieg tot het graf-variant die in GroenLinks en de linkervleugel van de PvdA wordt bepleit. Terwijl de eerstgenoemde variant niet rechtvaardig uitwerkt (want de inkomensverschillen worden veel groter), is de tweede variant niet haalbaar, doordat dan niet genoeg mensen meer zouden willen werken. Van Kempen en Van der Veen bepleiten een gulden middenweg van een welvaartsvast basisinkomen van 50 procent van het netto minimumloon (de huidige bijstandsnorm. voor een samenwonende). Dit is niet zo hoog dat het de arbeidsparticipatie ontmoedigt. Wel moet er voor mensen die echt niets kunnen bijverdienen een aanvulling op het basisinkomen komen. "Het zou uitstekend passen in de visie op de sociale zekerheid van het PvdA-verkiezingsprogramma, waarin reïntegratie op de arbeidsmarkt te zamen met het streven naar zelfstandigheid en individuele keuzevrijheid centraal zijn gesteld. Het is een veel betere stimulans voor 'burgerzin' dan de paternalistische aanpak die de PvdA op dit ogenblik in haar arbeidsmarkt- en sociale-zekerrheidsbeleid voorstaat. "

"Zoals blijkt uit recente geluiden uit de VVD en uit het programma van de PvdA behoeft het basisinkomen zelf geen strijdpunt tussen links en rechts te zijn. Slechts over de hoogte ervan verschillen de meningen, maar daar moet uit te komen zijn."

 

 

Boeken, boeken!

Jan-Jaap Heij, Erik Jan van Kempen, Tobias Kwakkelstein, Anthony L. Stigter, Robert van der Veen: Basisinkomen in drievoud. Documenten en Onderzoek PSCW, Het Spinhuis, Amsterdam 1993, 213 blz.

Een viertal studenten politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en hun 'leermeester' Robert van der Veen hebben een belangwekkend boek over het basisinkomen geschreven dat niemand die zich wat grondiger in dit onderwerp wil verdiepen, mag missen. De titel is geïnspireerd door het veelbesproken rapport van het Centraal Planbureau, Nederland in drievoud (zie Nieuwsbrief 3 van oktober 1992). waarin een variant van het basisinkomen is uitgewerkt. Heij c.s. gaan echter van een wat hoger basisinkomen van een kleine 900 gulden per maand uit. Zij proberen een antwoord te vinden op drie vragen die een dergelijk basisinkomen oproept. Ten eerste, lost het de problemen van het sociale-zekerheidsstelsel op? Ten tweede, is het economisch haalbaar? En ten derde, is het basisinkomen moreel te rechtvaardigen? Op elke vraag wordt een gedegen antwoord gegeven, waarbij zij zeer serieus ingaan op de argumenten tegen het basisinkomen. Hun eindconclusie luidt niettemin, dat het basisinkomen, zoals zij dat voorstellen, inderdaad de problemen kan oplossen, economisch haalbaar is en ethisch te rechtvaardigen valt.

Paul de Beer: Het verdiende inkomen. Wiardi Beckman Stichting, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/ Zaventhem 1993, 337 blz., fl. 49,50.

In dit lijvige rapport doet de medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid een poging om een nieuwe grondslag voor sociaal-democratische inkomenspolitiek te formuleren. In het eerste deel, De feiten, geeft hij een overzicht van de ontwikkeling en verklaring van de inkomensverdeling in Nederland. Het tweede deel, Het ideaal, is een speurtocht naar een nieuwe sociaal-democratische interpretatie van sociale rechtvaardigheid. Naar de mening van De Beer zou daarin het streven naar zo groot mogelijke, gelijke keuzemogelijkheden voor iedereen centraal moeten staan. De sociaal-democratie zou zich door een dergelijke keuze ontwikkelen in de richting van een sociaal-liberale partij die zich vooral richt op het scheppen van gelijke kansen en minder op het corrigeren van onrechtvaardige uitkomsten. In het derde deel, De toekomst, schetst de auteur de hoofdlijnen van een toekomstige sociaal-democratische inkomenspolitiek. Naast voorstellen voor een meer flexibele en gedifferentieerde loonvorming, een progressieve inkomstenbelasting voor de inkomens vanaf een ton, een kritische herziening van tal van subsidies en een privatisering van de bovenminimale sociale zekerheid, pleit hij tevens voor de invoering van een basisinkomen. Dit zou zijns inziens het meest tegemoet komen aan de keuzevrijheid van de minst bevoorrechten in de samenleving.

L.A.M Veendrick: Het loon van de last: ongeschoolde arbeid en de veranderende identiteit van ongeschoolde iongeren. proefschrift Rijksuniversiteit Groningen, Wolters-Noordhoff, Groningen 1993, fl. 64,-.

Alle jongeren tussen de 17 en 25 jaar die onderwijs volgen moeten een basisinkomen krijgen dat ze kunnen aanwllen met een inkomen uit een ongeschoold baantje. Hierdoor zullen meer jongeren onderwijs gaan volgen, waardoor de kans op langdurige werkloosheid afueemt. Met dit plan, dat geen extra geld hoeft te kosten, kan worden voorkomen dat de tweedeling in de maatschappij tussen mensen die betaalde arbeid verrichten en mensen die langdurig werkloos zijn dramatische vormen aanneemt. Dit is de belangrijkste conclusie uit het onderzoek van Veendrick dat een analyse behelst van een grote hoevee1heid arbeids- en jeugdonderzoek.

Paul de Beer.