NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

nummer 9 maart 1994 issn: 09243038

 

Inhoudsopgave

Vanwege de werkloosheid

Ronde tafel gesprek

De Raad van Kerken en het Basisinkomen

Aanvulling verslag middaggedeelte van de ALV van 13–03-1993

Boeken, boeken!

 

Vanwege de werkloosheid

Het basisinkomen is weer in. In het rapport Wolfson werd er nog de vloer mee aangeveegd. In het ontwerp-verkiezingsprogram van de PvdA echter staat de deur op een kier open voor experimenten. Het basisinkomen: utopie of illusie?

Het valt op dat een debat over basisinkomen vaak wordt gekenmerkt door een emotionele geladenheid zoals die in de huidige verzakelijkte politiek schaars begint te worden.

Misschien komt dat wel doordat daarbij impliciet een dieper gaande vraagstelling aan de orde wordt gesteld, n.l. de relatie tussen arbeid en inkomen. In de bestaande economische orde zijn arbeid en inkomen aan elkaar gekoppeld al heeft de wetgever die koppeling op een aantal punten verzacht.

Deze koppeling is nog zo sterk in onze cultuur verankerd dat wij bij 'arbeid' vanzelfsprekend aan betaalde arbeid denken. Maar tegelijk vind je ook in onze cultuur een vaak uitgesproken verlangen naar ontkoppeling: 'arbeid naar vermogen inkomen naar behoefte'. Dit ideaal hoort bij een utopisch mens- en maatschappijbeeld waarin mensen zich in vrijheid voor elkaars welzijn inzetten en het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde arbeid is verdwenen. Wie kan daar tegen zijn?

Wanneer het basisinkomen zo nu en dan weer op de politieke agenda wordt geplaatst gebeurt dat vooral omdat men daarmee twee inkomenspolitieke problemen wil aanpakken. Bij de eerste daarvan gaat het om de economische individualisering en bij de tweede om het uit het slop halen van ons vastgelopen stelsel van sociale zekerheid.

Economische individualisering betekent dat ieder persoon recht heeft op een eigen inkomen onafhankelijk van zijn of haar sociale relaties. Daarbij speelt ook de behoefte een rol aan maatschappelijke erkenning en beloning van opvoeding, huishoudelijke taken en vrijwilligerswerk. Het is te begrijpen dat dit argument voor het basisinkomen vooral vanuit de vrouwenbeweging klinkt.

Het tweede probleem speelt in de politiek een grotere rol. De bijstandsuitkering is ontworpen als tijdelijk vangnet tijdens werkloosheid. Intussen is werkloosheid structureel geworden en daar zijn de bijstandsregelingen niet op berekend. Vooral in tijden van laagconjunctuur wordt men zich daarvan bewust. Dan is basisinkomen opeens weer 'in'. Werd in het Rapport Wolfson met het basisinkomen nog de vloer aangeveegd, in het kersverse ontwerpverkiezingsprogram van de PvdA wordt voorzichtig een kier opengezet voor 'experimenten'.

Is het te betalen? Als er een basisinkomen zou worden ingevoerd gebeurt er in kwalitatieve zin niets voor degenen die nu betaalde arbeid verrichten, omdat het basisinkomen wordt opgenomen in het loon. Mensen die nu een uitkering krijgen ontvangen dan een basisinkomen plus eventuele aanwlling. De echte verandering treedt op voor degenen die nu geen persoonlijk inkomen ontvangen. Dat zijn er ongeveer 2 miljoen, waarvan driekwart vrouwen. Als men voor een basisinkomen kiest waarvan men enigszins kan bestaan, een zgn. volledig basisinkomen, komt men uit op t1 15.000 per jaar. Dat wordt per jaar in totaal 30 miljard gulden. Van het totaal besteedbare inkomen van 300 miljard gulden is dat 10 %. Dat moet dus door de anderen worden ingeleverd met name door degenen die betaalde arbeid verrichten. Zoiets is misschien heel goed mogelijk of zelfs wenselijk, politiek haalbaar is het niet. Vandaar dat tot op dit moment geen enkele politieke partij het volledig basisinkomen in haar programma heeft opgenomen. Einde discussie.

Of toch niet? In brede kring gaan de gedachten nu meer richting gedeeltelijk basisinkomen, zo tussen f1. 7.000 en f1. 10.000 per jaar, eventueel in combinatie met een aanpassing van het minimumloon.

Over dit alternatief verscheen onlangs Basisinkomen in Drievoud (Jan-Jaap Heij e.a., uitgave Het Spinhuis, Amsterdam), geschreven door een groep onderzoekers van de vakgroep politicologie van de Universiteit van Amsterdam, onder leiding van Robert van der Veen.

Het boek werd op 14 september gepresenteerd tijdens een levendige forumdiscussie in het Oost-Indisch Huis in Amsterdam. De deelnemers aan het forum waren Flip de Kam (Universiteit Groningen), Bram van Ojik (Tweede Kamerlid Groen Links), Kees Schuyt (Universiteit Amsterdam), Gerrit Zalm (directeur Centraal Planbureau) en Robert van der Veen. Discussieleider was Paul de Beer (Wiardi Beckman Stichting). De zaal was meer dan gevuld door zo'n 100 bezoekers uit allerlei politieke richtingen.

Basisinkomen :in Drievoud behandelt een drietal vragen:

In de discussie werden deze drie vragen aan de orde gesteld, maar al spoedig bleek de centrale vraag toch te zijn of het is misschien wenselijk, politiek haalbaar is het toch niet, een gedeeltelijk basisinkomen inderdaad in staat is om mensen uit de zgn. armoedeval (eenmaal in de bijstand altijd in de bijstand) te halen.

Dat probleem is niet alleen schrijnend uit sociaal oogpunt, het is ook schadelijk voor de economie. Vermoedelijk moet men daarvoor een gedeeltelijk basisinkomen combineren met een zodanige opzet van het minimumloon dat er meer goedkope banen in de dienstensector ontstaan, eventueel als deeltijdbaan. Je moet er daarnaast dan wel voor zorgen dat diegenen die niets of onvoldoende kunnen bijverdienen een aanvullende uitkering krijgen.

Wat mij van deze discussiebijeenkomst vooral bij is gebleven was de inzet, deskundigheid en onbevangenheid waarmee men met elkaar :in gesprek ging. Als de verschillende politieke stromingen op dezelfde manier poberen om de problemen aan te pakken zou dat best eens kunnen leiden tot de politieke consensus die nodig is om spijkers met koppen te slaan.

Rob Steinbuch

uit Tijd en Taak

 

Ronde tafel gesprek

Zoals U wellicht gelezen heeft in de vorige nieuwsbrief heeft de Vereniging in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam op 14 januari j.1. een Ronde Tafel Gesprek georganiseerd.

Het was een informele bijeenkomst van ongeveer twintig personen, waaronder politici van de PvdA het CDA D66, de VVD, Groen Links, wetenschappers en andere deskundigen inzake het basisinkomen. Doel van dit gesprek was inventariseren of er bij de verschillende politieke partijen gemeenschappelijke ideeen en gedachten over invoering van een basisinkomen zijn en onder weUce voorwaarden invoering van een basisinkomen acceptabel dan wel wenselijk is. Verder is er kort gesproken over de te voeren strategie om voor het idee van een basisinkomen meer politieke en maatschappelijke steun te verkrijgen.

Paul de Beer vroeg zich in zijn inleiding af, of de toegenomen belangstelling voor het basisinkomen komt door eèn breder draagvlak in de samenleving voor het idee van een basisinkomen, of dat dat toch meer een illusie is, die wordt gevoed door wat de krant erover schrijft, maar niet weerspiegelt wat er werkelijk in de samenleving gebeurt of in de politiek leeft. Omdat het voor een groot aantal mensen niet duidelijk is wat er nu precies met een basisinkomen bedoeld wordt, stelde Paul de Beer voor om tijdens dit Ronde Tafel Gesprek een basisinkomen te definiêren als:

Een zuiver inkomen dat op drie manieren onvoorwaardelijk is te weten: in termen van arbeid, inkomen en huishouden. De hoogte van een basisinkomen moet voldoende zijn om van te leven en dan kun je denken ongeveer 1300 gulden netto in de maand, de huidige normen van de bijstand.

Het eerste deel van de discussie ging over de voorwaarden waaraan volgens de aanwezigen een basisinkomen moet voldoen.

Jos de Beus (PvdA) noemde vier aspecten die remmend hebben gewerkt bij de discussie over het basisinkomen in de commissie die het conceptverkiezingsprogramma voor de PvdA heeft geschreven.

Ten eerste de verschillende varianten van een basisinkomen, De Beus noemde als voorbeeld de 250 gulden van prof. van Wijngaarden tot en met de 1300 van Saar Boerlage en daartussenin zitten wel 7 andere voorstellen.

Een andere belemmerende factor is, dat invoering van een basisinkomen zo'n omwenteling van het systeem is. Je moet zo'n enorme ravage aanrichten in je systeem dat je het idee hebt dat je meer stuk maakt dan dat je oplost. Voor de PvdA is het dan ook een eerste voorwaarde dat veranderingen overzichtelijk en beheersbaar zijn.

Dan het punt van de economische effecten die erg onzeker zijn, je weet niet wat het arbeidsaanbod doet.

En tot slot een typisch PvdA punt volgens De Beus en dat is het morele punt. Er waren steeds twee punten, de miljonairsvrouw en de wederkerigheid. Je geeft iemand iets en je hebt eigenlijk helemaal niet het idee dat bij iets terug doet aan noodzakelijke maatschappelijke arbeid voor de samenleving.

Resumerend:

  1. Te veel verschillende varianten
  2. De enorme omwenteling van het systeem
  3. De economische gevolgen, met name het arbeidsaanbod
  4. Het aspect van de wederkerigheid

Arthi Schimmel (D'66) vroeg of het wederkerigheidsaspect bij invoering van een basisinkomen plicht of niet plichtig is. Wanneer wederkerigheid bij invoering van een basisinkomen een plicht is, krijgt de overheid volgens haar een enorme invloed op persoonlijke levens. Volgens Schimmel is binnen D'66 de discussie over het basisinkomen nog lang niet afgelopen. Veel mensen zien er een groot voordeel in, maar wat Schimmel opvalt is de sterke scheidslijn tussen voor- en tegenstanders.

Voor Marianne Spierings (Groen Links) is het een voorwaarde dat de hoogte van een basisinkomen vaststaat en niet ieder jaar of nieuwe regering ter discussie staat. In ieder geval moeten mensen het recht behouden om mee te doen in de maatschappij en mag een basisinkomen geen afkoopsom blijken te zijn.

Henk van Hoof (VVD) was blij dat het basisinkomen nog niet in het concept verkiezingsprogramma van de VVD staat omdat hij vaststelt dat een aantal argumenten, die daarvoor gehanteerd wordt nog niet overtuigend genoeg zijn. Hij noemde onder meer: geen volledige werkgelegenheid, de gedachte om langdurig werklozen maar af te schrijven als onbemiddelbaar spreekt hem. niet aan. Hij is nog steeds van mening dat ook ons land wel degelijk in de richting van volledige arbeidsvervulling kan komen. Argumenten in de richting van de fraudebestrijding dat je hiermee zou voorkomen dat gelooft hij niet. Hij denkt dat het ook straks nog steeds interessant is om naast een basisinkomensuitkering zwart te blijven werken. Maar het meest principieel is, dat hij er van uit gaat dat in beginsel men zelf in zijn inkomen voorziet.

Namens het CDA was Gijs Kuiper van de CDA Basisgroep Sociale Zekerheid aanwezig. Volgens Kuiper kan een basisinkomen een oplossing bieden in de zin dat er een heroverweging komt van het bestaande produktie potentieel, dat ten- gunste komt van de samenleving als geheel en niet van een bepaalde groep in de samenleving.

Naast de remmende factor van te veel verschillende ideeen betreffende een basisinkomen, de enorme omwenteling van het systeem die een basisinkomen tot gevolg heeft, de economische gevolgen en wel of geen volledige werlcgelegenheid is er uitvoering gediscussieerd over het wederkerigheidsaspect. Het was niet voor iedereen duidelijk wat er precies met dit begrip bedoeld wordt.

Joop Roebroek (KUB) vertelde iets over zijn idee van wederkerigheid. Hij is voor een contractueel basisinkomen, in die zin dat er afspraken gemaakt worden met burgers om 20 uur per week aanwijsbare vormen uit het brede patroon van maatschappelijke taken te verrichten. Als voorbeeld noemde hij de zorgsector waar gemiddeld 5 á 7 uur aan cliënten in de gezinszorg en thuiszorg besteed wordt, maar de informele zorgarbeid die daar bovenop komt het drievoudige is. Dat brengt hem op de stelling dat als je uitgaat van een contractueel basisinkomen en onder meer deze vormen van arbeid laat gelden je afbent van controleproblemen.

Jos de Beus (PvdA) vroeg zich het zit met mensen die nu geen maatschappelijke taken verrichten en dat in de toekomst ook niet zullen gaan doen als tegenprestatie voor een basisinkomen.

Volgens Roebroek zijn dat mensen die extra aandacht in het nieuwe sociale beleid nodig hebben. Bij die mensen moet er gekeken worden waarom ze als tegenprestatie geen maatschappelijk taken zouden vervullen, waarom ze bijvoorbeeld stelen of drugs gebruiken. Deze mensen moeten vrijgesteld worden van de voorwaarden die gelden bij een contractueel basisinkomen, omdat ze eerst aan iets anders moeten werken.

Na een discussie over wat nu wel en niet als tegenprestatie kan gelden zei Robert van der Veen (UvA): "Volgens mij is er nog een andere mogelijkheid als je het basisinkomen wilt verdedigen. Ongeacht welk idee je hebt over de validiteit van de tegenprestatie, is het basisinkomen een gerechtvaardigde manier om tot een bepaald niveau van inkomen die wederkerigheid gewoon te doorbreken. Tot nu toe is er maar één oplossing aan de orde geweest namelijk precies.kijken van wat nou wel en wat nou niet als aanvaardbare tegenprestatie kan gelden. Doe je dat dan kom je automatisch terecht in allerlei controleproblemen. Dus alleen daarom al ligt het voor de hand om andere benaderingen over basisinkomen serieus te nemen. "

Uit het voorafgaande concludeerde Paul de Beer dat diegenen die pleiten voor wederkerigheid er waarschijnlijk aan twijfelen dat wanneer je mensen geheel vrij laat die wederkerigheid vanzelf wel voor e1kaar komt. Anders zou het niet als voorwaarde aan het basisinkomen worden gekoppeld. Vervolgens stelde hij de vraag of je zonder basisinkomen mag verwachten dat er volledige werkgelegenheid komt?

Saar Boerlage wees op het feit dat er steeds meer mensen zijn die zeggen dat er in Nederland structurele werkloosheid is. Als dat zo is kun je mensen ook niet tot in de eeuwigheid verplichten om te blijven solliciteren.

Henk van Hoof (VVD) was het niet met die uitspraak eens. De economische ontwikkeling kent nu eenmaal hoogte- en diepte punten. Nu we in een dal zitten mogen we niet de conclusie trekken dat we er niet meer uitkomen. Volgens Van Hoof gaat de economische werking een andere kant op. En wat hij in de - discussie niet hoorde, is de demografische ontwikkeling. Ouderen moeten straks langer gaan werken omdat er op de arbeidsmarkt niet genoeg mensen zouden zijn. Er is volgens hem wel een probleem van de tweedeling, maar een tweedeling van mensen die niet mee kunnen doen in het arbeidsproces. Niet omdat er geen plaats voor ze is, maar omdat ze de mogelijkheden niet hebben, de capaciteiten niet hebben, te duur zijn voor de produktiviteit die ze kunnen leveren. Dat is volgens hem een heel ander probleem.

Voor Arthi Schimmel (D'66) zijn de argumenten voor invoering van een basisinkomen niet reëel voor de problemen waar nu tegenaan gelopen wordt. Zij vindt dat de discussie over een basisinkomen veel meer gevoerd moet worden vanuit een burgerrecht, vanuit een morele rechtvaardiging.

Maar wanneer de discussie over het basisinkomen meer gevoerd moet worden vanuit het idee dat het een burgerrecht is, doe je volgens De Heus (PvdA) een beroep op de solidariteit van de Nederlandse bevolldng. Hij wilde daar iets meer over horen, omdat volgens hem het bestaande stelsel elke dag meer de solidariteit bedreigt.

Schimmel vroeg of de overtuigingskracht voor een basisinkomen groot genoeg is om die solidariteit in de samenleving op te brengen. Of er niet aan een overgangsregeling zou moeten komen waarin begonnen wordt met terugwinning van uitkeringsgelden in arbeid hoe je die dan ook formuleert. De stap naar invoering van een basisinkomen is daar een te grote stap in. Politieke partijen zouden wel kunnen fonnuleren dat er in ieder geval geen maatregelen genomen worden die uiteindelijk een dergelijke basisinkomen gedachte in de weg zullen staan.

Volgens Jos de Beus (PvdA) roept iedereen in Nederland om burgerschap, maar heeft hij nog niemand gehoord, die zegt dat daar het recht op een basisinkomen bijhoort. En als dat niet breed wordt gedekt, kun je niet verder.

Schuringa (VVD) antwoordde dat rechtvaardiging van een basisinkomen als zijnde een burgerlijk recht altijd een zwakke en subjectieve rechtvaardiging is. Hij noemde een tweede rechtvaardigingsgrond voor een basisinkomen, die volgens hem teveel werd vergeten tijdens het gesprek: "Het is niet zo zeer in het kader van de wederkerigheidsdiscussie maar meer of een basisinkomen de arbeidsparticipatie kan bevorderen en bovendien denk ik ontkom je daarmee voor een groot deel aan het probleem van iets terug doen voor het geld wat je krijgt."

Voor Walter van Trier (BIEN) is de enige vorm waarin hij de vorm van voorwaardelijk zou aanvaarden, wanneer hij dat als politicus zou moeten: "(...) ik ben voorstander van een. basisinkomen en ik moet argumenteren voor een nieuw sociaal contract waarin ik met een andere partij een coalitie moet aangaan die zeer sterk tegenstander zou zijn, dan zou ik eventueel willen discussiëren over een sociaal contract waarin de universaliteit van de uitkering gekoppeld wordt aan universaliteit van een of andere vorm van sociale dienstverlening. Maar universaliteit, ik zou zeer .sterk tegenstander blijven van een sociaal verschil. Het hebben van een uitkering koppelen aan een terugverdienprestatie daar ben ik een fervent tegenstander van. "

Paul de Beer woog of volledige werkgelegenheid kan zonder het sociaal minimum te verlagen?

Henk van Hoof (VVD) antwoordde hierop: "Ik denk dat je het sociale zekerheidsgebouw in ieder geval moet aanpassen. Als je kijkt naar wat daar nu in omgaat, wat dat kost etc. dan denk ik dat je daar niet mee komt. Een eerste voorwaarde is dat dat stringent aangepast moet worden. Of je nu gaat naar een basisstelsel, of naar veel lagere uitkeringen, laten we dat maar ter discussie houden. Maar ik denk niet dat je het huidige sociaal zekerheidsstelsel kunt behouden. "

Joop Roebroek (KUB) waarschuwde dat de reflex die de politiek zal geven absoluut voorstelbaar is: "Er komt een herinrichting van de bijstandswet. Daar komt een heel serieus debat over en dat zal men gebruiken om een. basisverzekering in te voeren. De politiek stuurt gewoon aan op een veredeld bijstandsstelsel, een basisverzekering noemt men dat en die hebben we over vijf of tien jaar in Nederland, waar we ook over discussiëren. Alle voorstanders van een basisinkomen merken op een bepaald moment dat zij heel lang mee gediscussieerd hebben met de politiek en dat ze uiteindelijk iets krijgen waar ze eigenlijk helemaal niet aan hebben gewild. Daarom moet de discussie over basisinkomen volgens hem een heel andere insteek hebben. Er moet eerst een debat gevoerd worden over integraal sociaal beleid. Je moet eerst helderheid hebben wat je met sociale zekerheid wilt.

Het laatste deel van het Ronde Tafel Gesprek ging over de te voeren strategie en Bram van Ojik (Groen Links) wilde graag iets meer weten van het experiment met een basisinkomen uit het verkiezingsprogramma van de PvdA. De Beus antwoordde daarop: "De redenering van de commissie was als volgt. Je hebt oudere mannen en die worden werldoos. Op een gegeven moment is het om allerlei redenen onzinnig om die mensen nog aan allerlei verplichtingen te houden. Daar moet je mee stoppen en ruimte maken om wat bij te verdienen. Dan gaat dat in de richting van een basisinkomen situatie. Dat staat ook in het verkiezingsprogramma dat je dat zou moeten doen.

Bram van Ojik: "Ik wil nog een variant op tafel leggen die bij ons altijd wel een rol heeft gespeeld. Dat is niet een groep nemen maar hele lagen. Begin nou eens heel bescheiden, dan kom je bijvoorbeeld in de richting van een negatieve inkomstenbelasting van bijvoorbeeld 200 gulden per maand. Dat zou je eens rustig moeten gaan bekijken, dat zie ik dus ook als een experiment. Ik leg dat als alternatief voor de groepsbenadering

Voor Saar Boerlage is dat geen oplossing omdat uitkeringsgerechtigden dan blijven zitten met de armoedeval. En je geen conclusies kunt trekken voor wat betreft de gevolgen uit zo'n laag basisinkomen.

Voor Bram van Ojik is het grootste voordeel voor de financieringsproblematiek. Met een. zeer geleidelijke aanpak kun je een belangrijk deel van de weerstanden wegnemen.

Wat Walter van Trier (BIEN) in het hele debat zeer moeilijk lijkt, is het massale van de invoering. Je kan het basisinkomen niet in één klap invoeren, omdat de effecten die je verwacht, de doelstelling die je hebt, niet alleen te maken hebben met de uitkeringen voor iedereen, maar ook met de regelgeving op de arbeidsmarkt. Hij pleit in België niet voor het idee om laag te beginnen omdat bij van mening is dat de voordelen daarvan zeer onduidelijk zijn. Een van de stelregels die hij voorstaat is dat het voor het gros van de mensen die er feitelijk mee te maken hebben vanaf het begin zeer materieel duidelijk moet zijn wat het voordeel van een basisinkomen is.

Invoering van een basisinkomen lijkt vooralsnog niet op de politieke agenda te komen. Wel waren verschillende politici het met Arthi Schimmel van D'66 eens, om te formuleren dat er in ieder geval geen maatregelen genomen worden die de uiteindelijke invoering van een basisinkomen in de weg zullen staan.

Kort samengevat waren de volgende aspecten voor de deelnemers aan het Ronde Tafel Gesprek belangrijk bij de discussie over invoering van een basisinkomen:

  1. Duidelijkheid over wat een basisinkomen precies is
  2. Veranderingen van het sociaal zekerheidsstelsel moeten overzichtelijkheid en beheersbaar zijn
  3. Goed weten wat de economische gevolgen zijn, met name wat het arbeidsaanbod doet
  4. Het aspect van de wederkerigheid
  5. Een basisinkomen als een manier waarlangs de arbeidsmarkt flexibeler kan functioneren.

Wil Eijben.

 

De Raad van Kerken en het Basisinkomen

Op 9 februari van vorig jaar organiseerde de Sectie Dienst van de Raad van Kerken in Nederland in haar kantoor in Amersfoort een gesprek over het Basisinkomen. Aanleiding voor dit gesprek was .de toenemende aandacht in onze samenleving voor dit onderwerp, waarbij het basisinkomen overigens vaak heel verschillend wordt ingevuld. Ook binnen de kerken wordt over deze zaken gesproken, en ook binnen de werkgroep "Arme Kant van Nederland" van de Raad van Kerken bestaat er veel belangstelling voor. Bij het gesprek waren behalve diverse sekties van de Raad van Kerken ook organisaties uit het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigd, waaronder ook onze vereniging.

De bijeenkomst werd ingeleid door Henk Tieleman van de Rijks Universiteit Utrecht en Joop Roebroek van de Katholieke Universiteit Brabant. De drie hoofdpunten uit die inleidingen waren:

Vervolgens vond een open gesprek plaats, waarbij verschillende standpunten werden ingebracht en toegelicht, zonder dat men elkaar tot één standpunt probeerde te forceren. Een belangrijke invalshoek is daarbij de armoedebestrijding: het is nodig om naar alternatieven te zoeken voor het strenge en privacy-schendende regime van bijstandsverlening. In dat kader moet dan ook het begrip "arbeid" breder worden gedefinieerd om recht te doen aan huishoudelijke en zorgtaken. Deze laatste worden op het ogenblik nog grotendeels door vrouwen verricht. Daarbij komt een keuzemogelijkheid naar voren:

Je kunt in dat verband ook denken aan een kontrakt voor een basisinkomen voor mensen die daar aan toe zijn zonder dat er sprake is van dwang. De wederkerigheid van rechten en plichten zou je daar toch ook bij moeten betrekken. Er werd ook gesproken over de risico's bij het uitvoeren van bepaalde vormen van basisinkomen, zoals het gevaar dat de mensen met de laagste inkomens niet teerugkomen op de arbeidsmarkt.

Verder werd gesproken over het verband tussen basisinkomen en de "economie van het genoeg". Deze laatste pleit ervoor de zorgcomponent weer toe te voegen. Maar een centraal punt bij dit alles is de (bereidheid tot) herverdeling van inkomen. Daarmee zit je midden in een etische vraagstelling.

Kortom, genoeg aanknopingspunten bij datgene wat in de kerken leeft en wordt besproken. Het is belangrijk dat voor de discussies in en rond het kerkelijk leven ondersteuning kan worden gegeven die zowel vanuit een maatschappelijke betrokkenheid wordt geleverd als gekenmerlct wordt door deskundigheid openheid voor nuanceringen en de bereidheid om met anderen in gesprek te gaan. De bijeenkomst in februari was daar in ieder geval een goed voorbeeld van. Een uitgebreider verslag van de bijeenkomst kunt u opvragen op ons secretariaat.

Ria Dijkstra en Rob Steinbuch

 

Aanvulling verslag middaggedeelte van de ALV van 13–03-1993

Op het middaggedeelte van de ledenvergadering presenteerde Guido den Broeder zijn onderzoek naar de financiering van de sociale zekerheid. In zijn onderzoek gaat Guido er van uit dat iedere werkgever die een werknemer in dienst heeft een maandelijkse bonus van de overheid krijgt. Met deze bonus stimuleert de overheid de werkgelegenheid, omdat tegelijkertijd de loonkosten worden gedrokt door de sociale premies voortaan over de toegevoegde waarde te heffen in plaats van (alleen) over loon.

Met het macro-economische model AMO-K heeft Guido berekend wat de effecten zijn op o.a. de werkgelegenheid. Het blijkt dat de combinatie van bonus en nieuwe heffingsgrondslag een kwart miljoen banen kan opleveren, grotendeels voor lager geschoolden onder wie de werkloosheid nu het hoogst is.

Effecten in 2000 (invoering in 1992)

Variant

Heffing toegevoegde waarde (%)

Bonus per maand (prijzen 1992, guldens)

Werkgelegenheid x 1000 arbeidsjaren

       

Werkloosheid

6

250

+43

Arbeidsongeschiktheid

10

450

+80

Ziekte

3

150

+22

Vervroegde uittreding

1

50

+8

       

Totaal loonderving

20

900

+167

Ouderloon

7

 

+33

       

Totaal

27

900

+255

De varianten betreffen telkens de financiering via de heffing toegevoegde waarde van de minimumbedragen van elke verzekering (bovenminimaal blijft via de loonbelasting lopen). Op deze wijze ontstaat in feite een volksverzekering tegen loonderving. Opvallend is, dat de varianten elkaar versterken: het totaal is meer dan de som der delen, elke volgende overheveling van premies naar de heffing toegevoegde waarde in procenten meer is.

Het interessante van Guido's onderzoek is - naast de financieringsmethode - vooral de bonus. Als deze aan de werknemer wordt uitgekeerd in plaats van aan de werkgever is voor deze groep het basisinkomen geregeld. De uitkomsten van het onderzoek maken het daarom aannemelijker dat een basisinkomen voor iederéén goed financierbaar is, zonder dat er allerlei economische rampen gebeuren..

Literatuur: Magnana Mu Publishing & Research, "Homeostatische financiering van de sociale zekerheid", maart 1992 (ISBN 90-5518-204-4, f 20,-)

 

Boeken, boeken!

EEN MONDIAAL BASISINKOMEN

Pieter Kooistra, Het ideale eigenbelang, uitgave Kok Agora, Kampen, januari 1994, 201 b1z. voor fI. 37,50 in de boekhandel verkrijgbaar.

De Universele verklaring van de rechten van de mens, op 10 december 1948 uitgevaardigd door de VN, vormt de achtergrond van het boek 'Het ideale eigenbelang' van Pieter Kooistra, dat gericht is op een snelle verwezenlijking van deze rechten, zeker in de arme landen. De huidige economische verhoudingen staan daaraan vooralsnog in de weg.

De menta1iteitsverandering die nodig is voor een harmonieuze wereldorde zou volgens de auteur door een bepaalde wijze van besluitvomring (de sociocratische) en door aanvaarding van een ander beeld van ons menszijn (het androgyne levensprincipe) bereikt kunnen worden. Bovendien zou voor die verandering de introductie van een basisinkomen voor iedereen ter wereld nodig zijn. De VN zouden hiervoor moeten zorgen.

Dit basisinkomen heeft de vorm van een jaarlijks te verstrekken giraal tegoed, in het begin ter waarde van ongeveer 250 US Dollar, dat door geldschepping tot stand komt. Het kan niet worden omgezet in contanten en is niet vrij besteedbaar, maar moet bestemd worden voor soorten goederen en diensten die na sociocratische besluitvomring door de VN worden aangewezen. Betaling vindt plaats door overmaking aan de VN-bank, die de producenten in hun nationale valuta betaalt, en tevens over het ontvangen bedrag belasting heft (voor de benodigde VN-ambtenaren).

Daardoor ontstaat een 'extra economie, die de 'oude' economie piet ontwricht. In feite is er sprake van een pakket gratis goederen en diensten.

De armen zullen via de VN hoofdzakelijk goederen voor de primaire levensbehoeften aanwijzen en dus kunnen aanschaffen, en de rijken vooral goederen die een meer educatieve of inspirerende waarde hebben.

Geleidelijk moet het jaarlijkse girale tegoed stijgen, waardoor enerzijds meer geproduceerd kan worden en anderzijds van meer vrije tijd en deeltijdarbeid gebruik gemaakt kan worden.

De gereguleerde extra economie geeft de VN kennis van en mvloed op de productie, de kwaliteit en de prijs van goederen en daannee ook de mogelijkheid tot beschemring van het milieu. Door ieders betrokkenheid bij het VN-beleid ontstaat daarnaast een heilzame mondiale bewustwording.

Het idee van dit 'wereld-ontwikkelingsinkomen' wordt door de auteur al sinds 1974 overdacht en is ook onderwerp van zijn eerdere boek, 'Voor (iedereen en tegen niemand)', van 1983.

Voor de rijke landen lijkt het verstrekken van wat gratis goederen en diensten, zoals Kooistra voorstelt, niet echt noodzakelijk, en het verband tussen die goëderen en een nieuwe wereldorde is geenszins onontkoombaar.

De reden om in Nederland een basisinkomen. in te voeren is ook niet, dat er een tekort aan koopkracht zou zijn. De redenen zijn het tekort aan flexibiliteit op de arbeidsmarkt en aan individuele keuzevrijheid en de behoefte aan verbetering van ons achterhaalde stelsel van sociale zekerheid dat niet berekend is op langdurige werkloosheid.

Voor de derde-wereldlanden liggen de zaken vermoedelijk anders. Vooral het element van de gereguleerde geldschepping biedt hier mogelijkheden. In landen zonder noemenswaardige be1astingopbrengst zou toch een begin van sociale zekerheid geboden kunnen worden, en daarmee steun aan de lokale landbouw en industrie. Er is waardevast geld voor te importeren goederen.

Hier zou het VN-basisinkomen wel eens als een goede extra ontwikkelingshulp kunnen fungeren. Het offer dat de producerende landen hiervoor zouden moeten brengen is een overschot op de handelsbalans. Zou dat aanvaardbaar zijn?

Wie niet werkt zal maximaal f. 150,- per maand ontvangen.

Op 1 november 1993 hield dr. P.J. van Wijngaarden, ter gelegenheid van zijn aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap voor bijzondere vraagstukken van sociale zekerheid aan de RUU de inaugurele rede, "De toekomst van de sociale zekerheid".

De Groningse studente Anke Korteweg las erover in Hervormd Nederland en was er niet helemaal gelukkig mee. Haar reactie, geschreven na kennisneming van de rede zelf, stuurde zij aan de Nieuwsbrief Basisinkomen.

Het plan, dat Van Wijngaarden opperde is het volgende. Iedereen krijgt een "burgerschapsinkomen" van f 500,- per maand. Heeft iemand geen werk, en is niet bereid om conform zijn "burgerplicht" enkele uren per week nuttige arbeid te verrichten of zich bij te laten scholen, dan wordt dit burgerschapsinkomen verminderd tot f. 250,-. Verder krijgt iedereen zonder werk recht op een deeltijdbaan die een aanvulling tot f. 1200,- oplevert. De overheid laat voor een toereikend aantal van die deeltijdbanen zorgen.

Van Wijngaarden gaat er daarbij van uit, dat economisch gezien sociale rechten alleen kunnen bestaan als ieder een bijdrage levert, en dat sociologisch gezien rechten zonder plichten niet houdbaar zijn. Voorts wordt een algemene inkomensdervingsven;ekering ingevoerd die, in combinatie met het burgerschapsinkomen een uitkering gelijk aan het sociale minimum oplevert bij ziekte, ontslag en arbeidsongeschiktheid. Voor bovenminimale uitkeringen kan men zich vrijwillig verzekeren. Het minimum uurloon mag gehalveerd worden, dat wordt dan f. 5,-. tot f. 6,-. Dit maakt het werkgevers mogelijk de laagstbetaalden, die nu eenmaal weinig productief zijn, toch in dienst te nemen.

Anke Korteweg vraagt zich hieromtrent het nodige af. Onder meer waar toch uit zou moeten blijken dat de minst betaalden zo onproductief te werk gaan. In elk geval niet uit door van Wijngaarden aangedragen bewijsmateriaal. Voorts wantrouwt zij de "enkele uren nuttige arbeid per week". Gaat het om een soort corvee? Ook wijst zij er op dat een "burgerplicht" niet te rijmen is met onze grondwet, waarin aan alle burgers "eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer" wordt beloofd. We nemen aan, dat het voorstel van Van Wijgaarden er mede toe dient om nadere discussie uit te lokken en voegen graag nog wat aan de hierboven weergegeven opmerlcingen toe.

Allereerst mag venneld worden dat de meeste voorstanders van een basisinkomen het eens zijn met het voorgestelde systeem van verplichte lage en vrijwillige extra verzekering. Alleen, die lage verplichte verzekering kan bij het bereiken van een leefbaar basisinkomen vervallen, evenals het minimumloon.

Eigenlijk wil Van Wijngaarden, gezien vanuit het huidige stelsel, van alle werkzoekende bijstandgerechtigden banenpoolers maken. Wat thans vrijwillig gebeurt wordt noodzaak voor elke werkzoekende die niet rond kan komen van f. 500,- per maand.

Het verlagen van bijstandsuitkeringen voor werldozen tot in beginsel f. 250.- tot f. 500,- is, alleen al omdat Nederland tot de rijkste landen ter wereld niet nodig. Verder, een voorwaardelijke sociale bijstand, ongeveer zoals Van Wijngaarden voorstelt, is al ingevoerd in Frankrijk en er worden slechte ervaringen mee opgedaan.

Al met al maakt het voorstel van Van Wijngaarden een nogal paternalistische indruk. Het is natuurlijk waar dat een samenleving in het algemeen van haar leden een gedrag mag verwachten dat met die samenleving harmonieert en deze zo mogelijk versterkt. Dit wordt wel "beschaafd gedrag" genoemd en laat ongetwijfeld ruimte aan een spontane bereidheid om vrijwillige of laagbetaalde arbeid te verrichten. Tot die bereidheid kan men, bijvoorbeeld door het invoeren van een volledig basisinkomen, mensen nader inspireren. :Maar dergelijk beschaafd gedrag kan niet worden afgedwongen, omdat een te ver gaande mate van dwang zelf niet erg beschaafd is en alle spontaniteit buiten spel zet. Ongeacht of achter die dwang nu kwade of juist heel goede bedoelingen schuil gaan.

Gosling Putto