NIEUWSBRIEF VAN DE WERKPLAATS BASISINKOMEN

 

Nummer 1 1989

 

Inhoudsopgave

Een nieuwe lente (en 'n nieuwsbrief)

BIEN-congres 1988: Een terugblik

Gedeeltelijk basisinkomen: Breekijzer of Paard van Troje?

Ierse christen-democratie voor basisinkomen

Basisinkomen en studentenbeweging

Boeken, boeken!

Uit de pers

Stichting Weerwerk

Informatie over de Werkplaats Basisinkomen

 

Een nieuwe lente (en 'n nieuwsbrief)

Voor u ligt het eerste nummer van de gloednieuwe Nieuwsbrief Basisinkomen. Wie iets te vertellen heeft, moet daarvan kond doen, en dat gaat natuurlijk ook op voor de piepjonge sociale beweging rond het basisinkomen.

Een nieuwsbrief dus, om mee te gaan in de vaart der volkeren, want 't werkt niet meer. De oude manier, bedoelen we, die van bijstand in armoede, knellende en vernederende regelingen in de sociale zekerheid, het doorgeslagen belang dat gehecht wordt aan betaalde arbeid.

Wat wil de Werkplaats Basisinkomen bereiken met deze nieuwsbrief? Ons staan een paar doelen voor ogen. We willen:

De Nieuwsbrief is bestemd voor iedereen die geïnteresseerd is het basisinkomen en zal ongeveer viermaal per jaar verschijnen. De ondertekende artikelen in de Nieuwsbrief komen voor rekening van de auteur, en weerspiegelen niet de mening van de Werkplaats Basisinkomen. Is dat wel het geval, dan zijn aan het artikel of commentaar de woorden »namens de Werkplaats Basisinkomen« toegevoegd.

Veel leesplezier (en laat ons weten wat u ervan vindt)!

 

BIEN-congres 1988: Een terugblik

Door Erik Hogenboom

Onlangs werd in Antwerpen de tweede internationale conferentie over het basisinkomen gehouden. Onderwerp: wat is de beste manier om het ingevoerd te krijgen? De stand van zaken in Europa: een verslag van Erik Hoogenboom.

Twee jaar geleden, in september 1986, werd het debat over het basisinkomen voor het eerst grensoverschrijdend met de oprichting van BIEN, het Basic Income European Network. De eerste internationale conferentie over het basisinkomen in het Belgische universiteitsstadje Louvain-La-Neuve was een groot succes. Er was bepaald nog geen sprake van de oprichting van »De Nieuwe Internationale van het Basisinkomen«, zoals je hoopvol zou kunnen wensen, maar BIEN voorzag in elk geval in de groeiende behoefte aan uitwisseling tussen de voorstanders van een basisinkomen in de diverse landen van Europa. Men maakte een een begin met het opzetten van een organisatie, de oprichting van een secretariaat en de totstandkoming van een nieuwsbrief. En men besloot om elke twee jaar een internationale conferentie te organiseren. De tweede werd onlangs gehouden in Antwerpen.

In de periode tussen 1986 en 1988 is gebleken dat een geolied internationaal netwerk niet zonder slag of stoot van de grond komt. De afstanden in Europa blijven groot en als dan ook nog af en toe vliegtuigen door de grote kou weigeren op te stijgen, wordt het beleggen van tussentijdse vergaderingen wel erg moeilijk. Maar het nodige komt toch nog van de grond, niet op de laatste plaats dankzij het doorzettingsvermogen van de Belgische secretaris Walter van Trier. De eerste nieuwsbrieven verschijnen, de papers van de eerste conferentie worden gebundeld, en de continuïteit van BIEN lijkt verzekerd als een klein voorbereidend comité (mede dankzij de financiële steun van de Universiteit van Antwerpen) er in slaagt de tweede conferentie te organiseren. In hun eigen land wil de discussie over basisinkomen weliswaar niet echt van de grond komen, maar het zijn opnieuw de Belgen die het voortouw nemen in het internationale debat.

Antwerpen: de tweede internationale conferentie

De eerste conferentie in 1986 had een algemeen karakter. Er was vooral behoefte aan meer duidelijkheid over welke ideeën er in de verschillende landen leven en hoe groot het maatschappelijk draagvlak voor het basisinkomen in Europa is. Maar na de eerste kennismaking in Louvain-La-Neuve was iedereen sterk overtuigd van de noodzaak van een verdieping van het debat. Er zijn genoeg voorstellen en varianten ontwikkeld en over de vraag waarom de invoering van het basisinkomen een goede zaak is, bestaat ook weinig twijfel. Het is nu vooral zaak om gedegen invoeringsstrategieën te ontwikkelen, zo luidde de belangrijkste conclusie in 1986. Onder de noemer» Basic income and problems of implementation« stond in Antwerpen dan ook de vraag naar de beste invoeringsstrategie centraal.

Wat het aantal deelnemers betreft, was de Antwerpse conferentie kleinschaliger van karakter dan de eerste. Een kleine zestig deelnemers, uit alle hoeken van Europa, meldden zich op de eerste dag. Daaronder enkele parlementsleden: Chris O'Malley van het Europese Parlement, Osmo Soininvaara van het Finse Parlement en Wtlfried de Vlieghere, Groen parlementslid in België.

Opvallend afwezig was de delegatie uit de Bondsrepubliek Duitsland. Twvee jaar geleden zat er nog flink schot in het debat over het basisinkomen, met name vanwege de ontwikkelingen bij de Grünen. Het is niet duidelijk of het ontbreken van Duitse deelname in Antwerpen ook betekent dat het animo voor het basisinkomen in de BRD tot een nulpunt is gedaald.

Ook uit Zweden en Noorwegen waren ditmaal geen afgevaardigden. Dat is echter minder verwonderlijk, omdat de ontkoppeling van arbeid en inkomen in deze »bolwerken van volledige werkgelegenheid« slechts in de marge aan de orde komt.

Het aantal landen dat wel vertegenwoordigd was, is niettemin groot: Groot-Brittannië, Ierland, Finland, Italië, België, Nederland, Frankrijk, Oostenrijk, Spanje en Luxemburg. De laatste drie waren voor het eerst aanwezig. De meeste landen waren vertegenwoordigd door een of twee personen, behalve de Nederlandse delegatie, die omvangrijk was. Naast een groot aantal leden van de Werkplaats Basisinkomen waren er ook nieuwe Nederlandse gezichten, zoals Erik de Gier van de Harmonisatieraad Welzijnsbeleid, Henk Wijnen van het NIMO (Nederlands Instituut voor Maatschappelijke Opbouw) en Erik van de Hoeven van D'66.

Rondje Europa: I

Uit het overzicht van de stand van zaken in de diverse landen blijkt dat het inhoudelijke thema van de conferentie, de invoeringsstrategie, nogal vooruit loopt op de feitelijke ontwikkelingen in Europa. Over de periode 1986-1988 zijn nauwelijks wezenlijke politieke doorbraken te melden. Nergens zijn er tekenen dat het basisinkomen spoedig op de politieke agenda komt. Een periode van twee jaar is waarschijnlijk te kort voor dergelijke hooggespannen verwachtingen.

De weerstanden tegen het basisinkomen zijn overal groot, zoals bijvoorbeeld blijkt in gastland België. De steun op politiek niveau blijft daar vooralsnog beperkt tot de Vlaamse Groene partij Agalev. Haar Waalse tegenhanger Ecolo heeft een voorstel voor de invoering van een basisinkomen gecombineerd met arbeidstijdverkorting, tijdens een groot congres over de werkloosheid verworpen. Hoop halen de Belgen echter onder andere uit het feit dat her en der mensen op belangrijke posten, zoals de voormalige kabinetschef René Grosjean, aangeven wel wat in het basisinkomen te zien. Voorlopig spitst de discussie zich toe op de invoering van een minimuminkomen.

Dat laatste gaat ook op voor het buurland Luxemburg. Daar is een belangrijke stap gezet met de invoering van een »Revenu Minimum Garanti«, dat sterk lijkt op het Nederlandse systeem van bijstand. Een dergelijk stelsel staat echter nog ver af van een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Ook in Groot-Brittanië zit nog weinig schot op politiek niveau. De discussie over het basisinkomen kent daar een langere traditie dan in de meeste landen, maar dat geeft het nog geen voorsprong op de rest van Europa wat betreft een mogelijke doorbraak. BIRG, de Basic Income Research Group, staat daar al enkele jaren garant voor een gedegen aanpak die de geloofwaardigheid van het basisinkomen vergroot. Maar tot nu toe hebben de pogingen om via het ontwikkelen van haalbare invoeringsmodellen meer steun in bredere kring te verwerven, nog te weinig resultaat gehad. Dat geldt ook voor het uitvoerige rekenwerk van Hermione Parker, lid van het Engelse BIRG, die heeft aangetoond dat het mogelijk is om een (gedeeltelijk) basisinkomen te financieren binnen de bestaande financiële kaders. Door de »hervormingen« van de sociale zekerheid onder Thatcher is het stelsel juist steeds verder af komen te staan van het basisinkomen. Het voorwaardelijke karakter van het stelsel is immers in belangrijke mate aangescherpt. Toch heeft die stelselherziening geen rust gebracht. De kritiek die al jarenlang van verschillende kanten op het Britse stelsel wordt uitgeoefend, neemt nog steeds toe en dat geeft de Britse beweging voor basisinkomen reden tot hoop. Tijdens de conferentie benadrukt Hermione Parker het feit dat een toonaangevende Britse deskundige op sociaal-zekerheidsterrein en criticus van het bestaande stelsel, Tony Atkinson, het basisinkomen nu als een serieuze optie beschouwt. In een recente studie concludeert Atkinson, die het basisinkomen tot dan toe altijd had bekritiseerd, dat, een beperkte vorm van een (gedeeltelijk) basisinkomen niet die nadelige effecten hoeft te hebben waar de critici meestal klakkeloos van uitgaan.

De situatie in Nederland wijkt in wezen niet zo veel af van die in Groot-Brittannië. Na de afronding van de stelselherziening en discussies over het voorstel van de WRR voor een gedeeltelijk basisinkomen, lijkt het debat in wat rustiger vaarwater te zijn gekomen. Maar ook hier geldt dat de stelselherziening de rust op het terrein van de sociale zekerheid niet heeft hersteld. Er lijkt sprake te zijn van een grotere bereidheid om onderzoek te verrichten naar het basisinkomen. Het belangrijkste Nederlandse wapenfeit is natuurlijk de totstandkoming van de Werkplaats Basisinkomen. Deze bundeling van krachten van voorstanders van het basisinkomen is uniek vergeleken met andere landen, en bevestigt nog eens de voorloperspositie die Nederland in Europa steeds heeft gehad.

Rondje Europa: II

In de overige Europese landen, die vertegenwoordigd waren op het BIEN-congres, staat het debat nog erg in de kinderschoenen. In Oostenrijk heeft het basisinkomen nog maar net enigszins voet aan de grond gekregen, met name binnen de sociale bewegingen als werklozen- en uitkeringsgerechtigdengroepen. Op politiek niveau hebben de »GrünAlternativen im Parlement« zich in 1987 tot voorstander verklaard van een beperkte vorm van basisinkomen voor specifieke groepen als gepensioneerden en vrouwen. Net als in België put de kleine groep van voorstanders hoop uit een aantal incidentele steunbetuigingen van aanzienlijke personen, zoals de voormalige premier Bruno Kreisky. Deze acht weliswaar de tijd nog niet rijp voor de invoering van een basisinkomen, maar hij vindt het idee de moeite van het discussiëren waard. Ook de onlangs bij een vliegtuigongeluk omgekomen minister van Sociale Zaken, Dallinger, heeft zich meerdere malen in positieve zin uitgelaten over ontkoppeling van arbeid en inkomen.

In het rondje Europa neemt de Finse bijdrage een opvallende plaats in. In tegenstelling tot de andere Skandinavische landen is in Finland, als gevolg van een sterke toename van armoede, steun opgekomen voor de invoering van een »citizen's wage«, als alternatief voor het bestaande stelsel. Met name binnen de ecologische en studentenbeweging vindt dit idee veel aftrek. Een van de communistische partijen die Finland rijk is, heeft het basisinkomen in haar programma opgenomen. Tot nu toe domineren de Noordeuropese landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Nederland, en België de discussie over het basisinkomen. In Zuid-Europa slaat het idee nauwelijks aan. Door het lagere niveau van sociale zekerheid aldaar is de stap naar het basisinkomen zelfs in meer radicaal-politieke kring erg groot. In1talië echter lijkt hierin snel verandering te komen. Tot voor kort bleef de Italiaanse steun voor het basisinkomen beperkt tot een zeer select, voornamelijk academisch, gezelschap. De laatste tijd vinden er binnen de Communistische Partij en in het blad Il Manifesto regelmatig discussies plaats over de mogelijkheid van het ontkoppelen van arbeid en inkomen, naar aanleiding van de belastinghervormingen en de discussie over arbeidstijdverkorting. Een onderzoeksinstituut binnen de Communistische Vakbond heeft een onderzoek naar basisinkomen opgestart.

Van echt spectaculaire ontwikkelingen is nergens in Europa sprake. Toch bestaat de indruk dat het basisinkomen als een ondergrondse veenbrand de gemoederen blijft bezig houden. Op onverwachte plaatsen en in de uitlatingen van onverwachte personen steekt het telkens weer de kop op. De kritiek op de bestaande stelsels van sociale zekerheid, die overal voortduurt, vormt een blijvende voedingsbodem waarop het basisinkomen wortel kan schieten. Maar zolang een echte politieke doorbraak uitblijft, zullen de voorstanders het voorlopig nog moeten hebben van de kleine successen. Juist het uitblijven van brede maatschappelijke steun in een situatie van voortdurende kritiek op de regeling van de sociale zekerheid, maakt het zoeken naar een realistische invoeringsstrategie in elk geval des te urgenter.

Invoeringsstrategie: twee varianten

Bij het uitwerken van een invoeringsstrategie ligt het accent op het ontwerpen van meer gematigde voorstellen om zo de politieke aantrekkingskracht te vergroten en de weerstanden tegen een geleidelijke invoering van het basisinkomen weg te nemen.

Als aanzet voor het inhoudelijke debat werden twee van dergelijke varianten in Antwerpen gepresenteerd. De ene door Alexander de Roo, fractiemedewerker van het radicaal-linkse/groene samenwerkingsverband GRAAL in het Europese Parlement, de ander door de reeds genoemde Hermione Parker (zie ook de signalering van Parkers boek in de rubriek Boeken, boeken!).

BIRG-lid Parker gaat ervan uit dat het bereiken van een brede politieke consensus rond het basisinkomen consequenties heeft voor de concrete uitwerking ervan. Met haar voorstel voor een »Basic Income 2000« kiest zij dan ook expliciet voor een gedeeltelijk basisinkomen. Een volledig basisinkomen acht zij niet haalbaar, omdat dat tot een te grote belastingdruk op verdiende inkomens zal leiden. Ervan uitgaande dat het basisinkomen gefinancierd wordt uit een belastingheffing op overig inkomen, stelt zij de maximale belastingdruk vast op 40%. Naast het basisinkomen zijn er dan nog aparte toeslagen nodig voor mensen die niet in staat zijn om via betaalde arbeid hun inkomen aan te vullen en een »housing benefit«, als tegemoetkoming in de woonlasten. Haar voorstel zou in een periode van tien jaar ingevoerd kunnen worden.

Het voorstel van het Groen Progressief Akkoord, dat door Alexander de Roo wordt gepresenteerd, gaat ervan uit dat een belangrijke belemmering voor invoering van het basisinkomen ligt in het feit dat veel voorstellen tot nu toe geen oplossing hebben gevonden voor de belangrijke inkomensverschuivingen tussen huishoudens na invoering van een volledig geïndividualiseerd basisinkomen op sociaal minimumniveau. Om de haalbaarheid te vergroten, heeft het Groen Progressief Akkoord daarom het voorstel uitgewerkt voor een basisinkomen van 750 gulden voor iedereen, met een toeslag van 300 gulden voor alleenstaanden. De invoering zou gefaseerd kunnen geschieden in vier-jaarlijkse stappen, waarbij een basisbedrag van 250 gulden telkens met 250 gulden wordt verhoogd, in combinatie met het doorvoeren van arbeidstijdverkorting. In een aantal afzonderlijke werkgroepen werden vervolgens enkele deelaspecten van een invoeringsstrategie besproken aan de hand van een aantal papers en inleidingen. In de werkgroep financiering spitste de discussie zich toe op het uitwerken van andere financieringsbronnen om het bezwaar van een te hoge belastingdruk te omzeilen. Nog te weinig is onderzocht of een heffmg op de toegevoegde waarde, ook wel »produktieheffmg« genoemd, hieraan tegemoet zou kunnen komen. Een dergelijke fmancieringsmethode wordt bepleit door Jan Stroeken in zijn proefschrift over het basisinkomen. Ook de Voedingsbond FNV maakt zich daar sterk voor. Deze laatste organisatie legt bovendien het accent op een invoeringsstrategie waarbij het basisinkomen stap voor stap wordt ingevoerd, parallel met het gefaseerd doorvoeren van arbeidstijdverkorting. Een andere en minder ingrijpende variant die aan bod komt, is het invoeren van een negatieve inkomstenbelasting, als eerste stap op weg naar invoering van het basisinkomen.

Internationaal élan

Het doel van het tweede congres - meer zicht krijgen op mogelijke invoeringsstrategieën - is mijns inziens niet erg uit de verf gekomen. De verschillende inleidingen sloten vaak niet op elkaar aan, zodat de discussies de nodige diepgang misten. Een aantal verschillende mogelijkheden werd weliswaar aangestipt, maar van een echte en systematische uitdieping was geen sprake, zodat het debat op internationaal niveau vooralsnog blijft steken bij een eerste aanzet.

Daar staat tegenover dat BIEN als organisatie versterkt uit Antwerpen naar voren is gekomen. De wankele organisatorische basis van BIEN is verstevigd door duidelijke afspraken over de organisatiestructuur. Het uitvoerend orgaan van BIEN zal de komende twee jaar bestaan uit de beide voorzitters Guy Standing, coördinator arbeidsmarktonderzoek bij het ILO in Genève, en Edwin Morley Fletcher, medewerker van de Nationale Federatie van Coäperatieven in Rome. Het secretariaat blijft in handen van Walter van Trier van de Universiteit van Antwerpen. Alexander de Roo heeft de functie van penningmeester op zich genomen. De verspreiding van de internationale Nieuwsbrief krijgt een meer regelmatig karakter; Philip van Parijs van de Universiteit van Louvain-La-Neuve zal daar zorg voor dragen.

Dat het internationale élan in elk geval niet verzwakt is, blijkt uit het feit dat meerdere landen, waaronder Nederland, zich kandidaat hebben gesteld voor het organiseren van de conferentie in 1990. Italië lijkt het pleit te gaan winnen. Mogelijk dat de prille steun die het basisinkomen daar heeft gekregen, verder vergroot wordt als de volgende conferentie van BIEN in Rome plaatsvindt.

Erik Hogenboom is politicoloog en medewerker bij het onderzoeksproject Basisinkomen van de Vakgroep Sociale Zekerheidswetenschappen aan de Katholieke Universiteit Brabant

Informatie:

 

 

Gedeeltelijk basisinkomen: Breekijzer of Paard van Troje?

Door Paul de Beer

De laatste tijd wordt vanuit heel verschillende hoeken steun gegeven aan het idee van een gedeeltelijk basisinkomen. Is dat een uitstekende stap naar het volledig basisinkomen, of zit er een addertje onder het gras? Paul de Beer vindt dat waakzaamheid geboden blijft.

De laatste maanden is een paar keer vanuit een nogal onverwachte hoek een pleidooi voor een basisinkomen te horen geweest. Rabobankier H. Wijffels, de Rotterdamse voorzitter van de CDA-gemeenteraadsfractie B.F. Bohré, de VVD-senator H.F. Heijmans en de voorzitter van de Jonge Democraten E.J. Hordijk spraken zich allen uit voor de invoering van een basisinkomen (zie ook de rubriek Uit de pers, verderop in dit nummer). Toch zal dit de meeste voorstanders van een basisinkomen geen reden tot juichen hebben gegeven. Het ging namelijk steeds om een pleidooi voor een gedeeltelijk basisinkomen.

Vooral sinds de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WWR) in 1985 in zijn rapport Waarborgen voor zekerheid een basisinkomen van f 450 per maand bepleitte, heeft zo'n gedeeltelijk basisinkomen bij veel oorspronkelijke aanhangers van het (volledige) basisinkomen een slechte naam gekregen.

Een gedeeltelijk basisinkomen lijkt in naam dan wel veel op een »echt« basisinkomen, maar het zal in de praktijk eerder een Paard van Troje blijken te zijn. Het gevaar is groot dat het wordt gebruikt als een ordinaire bezuinigingsmaatregel en als een excuus om allerlei sociale verworvenheden (minimumloon, ontslagbescherming) af te breken.

Van de andere kant, het gedeeltelijk basisinkomen zou juist kunnen fungeren als breekijzer om een politieke meerderheid te krijgen voor een idee dat tot nog toe alleen in radicaal linkse kring op vrij brede steun kan rekenen. En dat zou - op wat langere termijn - de weg kunnen openen naar realisering van het veel verder gaande »volledige« basisinkomen.

Wie hierover een definitieve uitspraak wil doen, moet allereerst meer inzicht krijgen in de feitelijke verschillen tussen een gedeeltelijk en een volledig basisinkomen.

Er zijn twee manieren om naar het onderscheid tussen beide te kijken. De eerste manier is te constateren dat er »alleen maar« een verschil in hoogte is tussen het volledig en het gedeeltelijk basisinkomen. Het is zelfs niet duidelijk waar precies de grens tussen beide ligt: bij f 800 per maand, of pas bij f 1.100?

Voor mensen die een volledig inkomen uit een baan hebben, overheerst dit »alleen maar«-verschil (het graduele verschil) tussen een volledig basisinkomen en een gedeeltelijk basisinkomen. Beide soorten basisinkomen maken het voor hen aantrekkelijker om korter te gaan werken, omdat hun totale besteedbare inkomen dan minder dan evenredig achteruit gaat. Beide soorten basisinkomen bieden mogelijkheden om de loonkosten te verlagen als ze gefinancierd worden uit een belasting over de toegevoegde waarde (het verschil tussen de omzet en de kosten van grondstoffen en halffabrikaten die een bepaalde onderneming gebruikt). Natuurlijk zijn deze effecten bij een volledig basisinkomen wel groter dan bij een gedeeltelijk.

De tweede manier is te constateren dat er een principieel verschil tussen beide basisinkomens bestaat: van een volledig basisinkomen kun je leven, van een gedeeltelijk basisinkomen niet. Dit is vooral belangrijk wanneer je geen eigen inkomen uit arbeid hebt.

Wie leeft van een minimum-uitkering (bijvoorbeeld de bijstand of een RWW-uitkering), krijgt daarvoor het volledig basisinkomen in de plaats. Je bent dan gelijk van alle voorwaarden en beperkingen die aan je uitkering vast zitten verlost: geen sollicitatieplicht meer, geen toets op het inkomen van je partner of op eigen bijverdiensten, geen toestemming meer nodig om onbetaald werk te verrichten of een opleiding te volgen. Wordt er alleen een gedeeltelijk basisinkomen ingevoerd, dan zul je daar bovenop een aanvullende uitkering moeten ontvangen om niet onder het sociaal nûnimum (de armoedegrens) te zakken. Voor die aanvullende uitkering zullen in principe echter alle bestaande regels en beperkingen blijven gelden. Zo'n gedeeltelijk basisinkomen biedt voor een uitkeringsgerechtigde dan ook nauwelijks enig voordeel boven de huidige situatie. Pas wanneer je méér gaat verdienen dan die aanvullende uitkering, merk je dat het extra inkomen niet op het gedeeltelijk basisinkomen wordt gekort.

Ook voor wie momenteel géén eigen inkomen heeft (zoals veel vrouwen zonder betaalde baan die financieel afhankelijk zijn van hun partner) is er een wezenlijk verschil tussen een gedeeltelijk en een volledig basisinkomen. Een gedeeltelijk basisinkomen verandert niets aan het feit, dat je financieel afhankelijk bent van een ander. Je krijgt weliswaar een eigen inkomentje, maar dat is te weinig om van te leven. Het voordeel is wel, dat je er minder bij hoeft te verdienen dan nu het geval is om economisch zelfstandig te worden. Een deeltijdbaantje zal daar vaak al genoeg voor zijn. Een afhankelijke partner wordt echter pas bij invoering van een volledig basisinkomen helemaal financieel zelfstandig. Het is dan niet meer nodig om een baantje te zoeken om geldelijk op eigen benen te kunnen staan.

Samenvattend blijkt voor sommigen (mensen met een betaalde baan) een gedeeltelijk basisinkomen vergelijkbare voordelen te hebben als een volledig basisinkomen, al zijn die voordelen natuurlijk minder groot. Voor anderen (mensen zonder betaalde baan) heeft een gedeeltelijk basisinkomen nauwelijks voordelen vergeleken met de huidige situatie - maar in principe óók geen nadelen.

Een essentiële voorwaarde is dan wel, dat invoering van een gedeeltelijk basisinkomen niet gepaard gaat met afbraak van allerlei andere sociale verworvenheden. Op zichzelf is er geen reden waarom dit zou moeten gebeuren. Maar of de aan het begin genoemde pleitbezorgers van een gedeeltelijk basisinkomen er ook zo over denken, staat nog te bezien. Invoering van een gedeeltelijk basisinkomen zou een eerste stap kunnen zijn op weg naar een volledig basisinkomen. Maar vanzelfsprekend is dat niet. Waakzaamheid blijft geboden!

Paul de Beer is econometrist en medewerker van de Wiardi Beckman Stichting

 

Ierse christen-democratie voor basisinkomen

Door Alexander de Roo

Ook in Ierland stijgt het aantal mensen dat afhankelijk is van een uitkering. De Ierse christendemocratie meent een oplossing te vinden in een gedeeltelijk basisinkomen. Een samenvatting van Alexander de Roo.

Ierland behoort samen met Portugal, Griekenland en Spanje tot de vier armste landen van de EG. Toch heeft dit land een relatief goed systeem van sociale zekerheid. Dat komt doordat er allang een systeem van bijstand is. Het aantaJ mensen dat van uitkeringen afhankelijk is, stijgt nog steeds. In 1982 ging het om 16% van de bevolking, begin 1987 bedroeg het percentage zelfs 21.

Tegen deze achtergrond heeft de jonge Ierse christen-democraat Chris O'Malley een gedetailleerd voorstel uitgewerkt voor de invoering van een basisinkomen in Ierland. O'Malley is lid van het Europese parlement voor de chisten-democratische Ierse partij Fine Gael. Fine Gael zit momenteel in de oppositie, maar heeft meermalen regeringsmacht gehad. O'Malley stelt voor een basisinkomen in te voeren van 40 pond per week voor ieder volwassen individu. Dat betekent ongeveer 1520 per maand, wat méér is dan het huidige niveau van de bijstand in Ierland. Om dit te financieren wil hij alle bestaande uitkeringen afschaffen voorzover ze hoger zijn dan het voorgestelde basisinkomen. Dit komt slechts in ongeveer 10% van de gevallen voor. O'Malley stelt verder voor om alle bestaande inkomensbelastingsaftrekken en voordelen af te schaffen. De geïndividualiseerde inkomensbelasting stelt hij op het eenheidstarief van 40%. Bovendien zakt het basisinkomen tot 20 pond per week voor de eerst verdiende 100 pond per week. Daardoor ontstaat er een lichte knik in de belastingscurve, en wordt het geheel betaalbaarder. De leiding en jongerenafdeling van Fine Gael hebben het globale idee van een gedeeltelijk basisinkomen overgenomen. Bij die aanvaarding past, vindt O'Malley, overigens wel een bescheiden kanttekening: »Het is een nieuw idee en vele backbenchers van mijn partij begrijpen het niet goed.«

Alexander de Roo is medewerker van het Groen Alternatieve Europese Alliantie GRAAL (waarin verenigd de Westeuropese groene en radicaal-linkse partijen in het Europese Parlement)

Voor meer informatie, neem contact op met: Chris O'Malley, European Parliament Office, Molesworth Street, Dublin 2, Ireland. Het gehele voorstel van 8 pagina's is bij Alexander de Roo verkrijgbaar: 2e Oosterparkstraat 82-D, 1091 JH Amsterdam.

 

Basisinkomen en studentenbeweging

Door Erik de Bakker

De Landelijke Studenten Vakbond heeft ooit een alternatief studiefinancieringsstelsel voorgesteld dat overeenkomsten vertoont met het idee van een basisinkomen. Erik de Bakker vertelt wat ervan gekomen is.

Inde Landelijke Stakingsweek van 14-18 november 1988 ging de LSVB in op het idee dat iedere studerende een inkomen van f 1.000 per maand wu krijgen. Om de kosten te dekken dacht men aan een »academici-belasting«, een belasting voor mensen die gestudeerd hebben.

Een dergelijke belasting heeft een nivellerend effect: in ruil voor een leefbaar inkomen tijdens hun studie worden academici zwaarder belast voor hun (hoge) inkomens na hun studie. Het principe van het plan lijkt op dat van een basisinkomen. Een basisinkomen gaat immers ook gepaard met een daling van de loonkosten in ruil voor een vast leefbaar inkomen, waar dan iedereen recht op heeft.

De christen-democraat Lansink riep over het LSVB-alternatief: »Sinterklaas komt zeker langs«. Ook een sociaal-democraat als Wallage (PvdA-onderwijsspecialist) moest er niets van hebben. De LSVB heeft dit politieke bod inmiddels dan ook weer losgelaten: bij nader inzien achtte men het niet haalbaar.

Erik de Bakker studeert sociale en politieke filosfie aan de Universiteit van Amsterdam

 

 

Boeken, boeken!

J.M Dekkers, B. Nooteboom: Het gedeeltelijk basisinkomen. De hervonning van de jaren negentig. Den Haag (SMO-boek) september 1988.

Voor meer informatie: Stichting Maatschappij en Onderneming, Postbus 878559, 2508 Den Haag, 070-500721.

Professor Bart Nooteboom, hoogleraar bedrijfskunde te Groningen, geeft in het eerste deel van het boek een globaal overzicht van motieven en argumenten voor een basisinkomen, vooral die van politieke en ideologische aard (sociale rechtvaardigheid, emancipatie, spreiding van werk, deregulering en dergelijke).

Mede-auteur Jos Dekkers, medewerker van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam, voormalig medewerker van de Wetenschappèlijke Raad voor het Regeringsbeleid WRR, gaat in het tweede deel in op de technische aspecten van het gedeeltelijk basisinkomen. Het WWRvoorstel uit 1985 (Waarborgen voorzekerheid) staat daarbij centraal. Hij besteedt aandacht aan zaken als arbeidskosten, flexibilisering van arbeid, gelijke behandeling en economische groei. Beide auteurs tonen zich voorstander van een gedeeltelijk basisinkomen.

Anne G. Miller (red.): Basic income. Proceedings of the First International Conference on Basic Income at Louvain-la-Neuve, Belgium, 2-4 september 1986. Antwerpen (BIEN) 1988. .

De bundel is te bestellen door een Eurocheque ter waarde van BF400 te sturen aan: BIEN, Walter van Trier, Bosduifstraat 21, B-2018 Antwerpen, België. Dateer de cheque in een Belgische gemeente.

De Proceedings of the First International Conference on Basic Income bundelt een aantal inleidingen die in september 1986 zijn gehouden op de eerste internationale conferentie over het basisinkomen in België. Bevat bijdragen van onder anderen B. Nooteboom, G. Vobruba, H. Parker, P. de Beer, G. Adler-Karlsson, N. Douben, A. de Roo, A. Miller, E. Hogenboom, W. van Trier, R. van der Veen en Ph. van Parijs.

T. Walter: Basic income, freedom from poverty, freedom to work. London/New York (Marion Boyars) januari 1989.

Walter geeft in Basic income, freedom from povery, freedom to work een overzicht van het internationale debat over het basisinkomen. Alle voor- en nadelen van het basisinkomen worden uitgebreid tegen het licht gehouden. Zie ook de bespreking van het boek door Bram van Ojik in NRC Handelsblad van 23 februari 1989. Prijs: 135,15.

Oskar Lafontaine: Die Gesel/schaft der Zukunft. Refonnpolitik in einer verändenen Welt. Z.p., 1988.

De visie van de Saarlandse minister-president (en toekomstig SPD-leider?) Oskar Lafontaine op de toekomstige politiek van de Duitse sociaal-democratische partij SPD. Volgens Lafontaine dient de scherpe scheiding tussen Qetaalde en onbetaalde arbeid te worden opgeheven. Een mogelijkheid om dit te realiseren is de invoering van een basisinkomen.

Paul de Beer: Werkloos toezien? Drie scenario's van de arbeidsmarkt. Deventer (Wiarda Beckman StichtinglVan Loghum Slaterus) augustus 1988. Te bestellen via de boekhandel of bij Libresso, 05700 331550. Prijs: 132,50.

In het eerste deel schetst Paul de Beer de te verwachten ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in de komende vijfentwintig jaar. In het tweede deel worden in drie »scenario's« de mogelijkheden voor verschillende beleidsopties tegenover elkaar gesteld. In één van de scenario's, het meer keuze-scenario, neemt het basisinkomen een centrale plaats in.

H. v.d. Ende, P. v.d. Hijden, S. Boerlage, R. Leijser (red.): Basisinkomen en herverdeling van de arbeid. Gecombineerde uitgaveSEK-Bulletin en SVS-Bulletin or.132. Amsterdam (PSP) februari 1989. PSp, Postbus 700, 1000 AS Amsterdam, 020-267374. Prijs: 11,50.

Deze gecombineerde PSP-uitgave bevat achtergrondmateriaal voor een open themadag over basisinkomen en herverdeling van arbeid die op 18 februari 1989 is gehouden. Bevat artikelen van Saar Boerlage, Judit Klappe en Ute Breithaupt.

Marcel Hoogland, Joachim Driessen (samenstelling): Basisinkomen: voor of tegen. Amsterdam (Aktiegroep Ekonomen) januari 1989. De Aktiegroep Ekonomen van de Universiteit van Amsterdam heeft deze bundel met overdrukken uitgebracht als achtergrondmateriaal voor een forum over het basisinkomen op 2 februari 1989. Bevat artikelen van onder anderen C.A. de Kam, Bram van Ojik, Paul de Beer, Wiemer Salverda en Robert-Jan van der Veen.

Newsletterofthe Basic Income European Network, no. 3, Christmas 1988. BIEN is het Europese samenwerkingsverband van voorstanders van een basisinkomen, dat tijdens de eerste internationale conferentie over het basisinkomen in 1986 is opgericht. De BIEN-nieuwsbrief bevat informatie over BIEN zelf, relevante politieke ontwikkelingen in Europa, aankondigingen en verslagen van conferenties en een overzicht van recente publikaties. De nieuwsbrief verschijnt driemaal per jaar en wordt alleen toegezonden aan leden van BIEN.

Voor meer informatie, bel Marcel Hoogland, 020-5512452. Voor een 2-jarig lidmaatschap dient men een Eurocheque ter waarde van BF1.000 te sturen aan BIEN, Walter van Trier, Bosduifstraat 21, B-2018 Antwerpen, België. Dateer de cheque in een Belgische gemeente.

Joho van Dungen, Piet Leenders, »Werkplaats Basisinkomen: op zoek naar een concrete utopie«, in: Tijdschrift voor arbeid en bewustzijn, jrg. 12,3/1988, pp. 327-338. Een interview met Henk van der Kolk van de Voedingsbond FNV over de Werkplaats Basisinkomen, de Europese discussie, basisinkomen en herverdeling van arbeid en linkse versus liberale opvattingen over het basisinkomen.

Ralf Dahrendorf, »Meer spelers in een spel met minder wetten«, in: de Volkskrant, 5 november 1988. De Van der Leeuw-lezing die de Duitse econoom RalfDahrendorf op 4 november 1988 in Groningen hield, staat afgedrukt in de Volkskrant .

Het begrip »burgerschap« staat in deze lezing centraal. Daaronder, vindt Dahrendorf, zou ook een basisinkomen kunnen vallen. De tekst van de lezing is te bestellen door ƒ 7,50 over te maken op gironummer 46006 ten name van de Volkskrant, Amsterdam, onder vermelding van »Dahrendorf«.

Basisinkomen kent geen grenzen. Amsterdam (Voedingsbond FNV) 1989. Voor FNV-leden gratis te bestellen bij Nancy Zeebregts, 030-738333. De brochure is zowel in het Engels als in het Nederlands verkrijgbaar.

De Voedingbond FNV kwam in 1981 met een eerste brochure over basisinkomen, getiteld Met z'n allen roepen in de woestijn. Nu is er een vervolg op gekomen. In Basisinkomen kent geen grenzen wordt een bijdrage geleverd aan de Europese discussie, met verhalen uit Zweden, Portugal en Engeland.

Hermione Parker: lnstead ofthe dole. Z.p., 1989. Te bestellen bij Julia Hall, Promotion Department, Routledge, 11 New Fetter Lane, London EC4P 4EE. Prijs: f 40.

Hermione Parker is lid van de Engelse beweging voor basisinkomen BIRG. Zij stelt in haar boeklnstead ofthe dole dat het Britse systeem van sociale zekerheid heeft gefaald. Zij gaat in op het onderwerp van de negatieve inkomstenbelasting, en rekent uit dat een basisinkomen een wenselijk alternatief is.

Marcel Bullinga: Een wereld van verschil. Op weg naar een geëmancipeerde samenleving. Amsterdam (An Dekker) 1988. Te bestellen bij de boekhandel of rechtstreeks via uitgeverij An Dekker te Amsterdam, 020-753025. Prijs: j34,50.

In het hoofdstuk »In het zweet uws aanschijns« beschrijft free-lance journalist Marcel Bullinga (schrijver van onder andere Het leger maakt een man van je) de invloed van sekserollen op arbeid, de onrechtvaardigheden in de sociale zekerheid en het relatierecht, alsmede de voor- en nadelen van het basisinkomen. Robert van der Veen, econoom aan de Universiteit van Amsterdam, wordt over dit laatste onderwerp geïnterviewd. Het boek werd geïntroduceerd met een studiedag in oktober 1988 onder voorzitterschap van Hedy d' Ancona.

 

 

Uit de pers

Invoering basisinkomen is geen dwaasheid, Bron: Irouw, 06-01-89, Auteur: J ohn Toxopeus, coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid van de Industrie- en Voedingsbond CNV

»De voorzitter van de CDA-fractie in de Rotterdamse gemeenteraad heeft gepleit voor de invoering van het basisinkomen (Irouw 7 december). Ook E.J. Bolhuis pleitte ervoor (Podium 8 december). In beide gevallen ging het vooral om economische beweegredenen. De voortdurende en langdurige werkloosheid was het belangrijkste motief, temeer omdat allerlei banenplannen niet of onvoldoende werken.

De conclusie ligt dan ook voor de hand: loskoppeling van arbeid en inkomen en invoering van het basisinkomen is niet alleen mogelijk, het is zelfs noodzakelijk. Het leidt ertoe dat betaalde arbeid op allerlei verschillende manieren wordt aangeboden. Voor 36 uur per week, in deeltijd, voor bepaald werk of bepaalde tijd, noem het maar op. Anders gezegd, naast het basisinkomen kunnen individuele mensen zich via betaald werk extra inkomen verwerven.

Dit maakt tevens een hoge mate van flexibiliteit van werken in bedrijven mogelijk. Ook de zozeer gewenste aanpassing van wetgeving over het minimumloon komt voor de vakbeweging in een ander licht te staan als het basisinkomen is ingevoerd. Dit garandeert namelijk een minimuminkomen. Ook werkgevers moeten zich dit realiseren als dit onderwerp ter discussie komt. Zij moeten niet alleen naar de nadelen kijken. Want nadelen kleven natuurlijk ook aan het bestaande systeem.

Kortom, basisinkomen is geen dwaasheid. De echte dwaasheid zit in de huidige situatie. Een gezamenlijk antwoord op dit organisatievraagstuk is binnen bereik als groeperingen of individuen zich samen inzetten voor kwalitatieve en kwantitatieve benvloeding. Sinds enkele jaren bestaat onder andere daarom de Werkplaats Basisinkomen. Dit is een initiatief van de Industrie- en Voedingsbond CNv, de PPR, de EVP, het landelijk WAO-beraad, het Samenwerkingsverband Mensen Zonder (betaald) Werk, het Landelijk Steunpunt Vrouwen in de Bijstand, de Werkgroep PvdA Voor Basisinkomen en de Voedingsbond f'NV:«

CDA Rotterdam bepleit basisinkomen voor iedereen Bron: 1Touw, 07-12-89, Auteur: verslaggever

»De CDA-fractie in de Rotterdamse gemeenteraad is voorstander van het invoeren van een basisinkomen voor iedereen. Op deze manier kan worden voorkomen dat mensen zonder een betaalde baan het etiket »geen volwaardig lid van de samenleving« opgeplakt krijgen.

CDA-voorzitter B.F. Bohré erkent dat in z'n algemeenheid binnen het CDA op dit moment nog weinig steun te vinden is voor deze gedachte. Toch moet het invoeren van een basisinkomen serieus overwogen worden, meent hij, nu duidelijk wordt dat een steeds grotere groep werklozen waarschijnlijk nooit meer aan de slag komt.

De CDA-fractievoorzitter sprak er zijn teleurstelling over uit dat ook de PvdA het idee van een basisloon heeft laten varen, zoals blijkt uit het rapport Schuivende panelen. »Het heil moet in de PvdA-visie steeds weer komen van meer arbeidsplaatsen en het is zeer de vraag of dat wel reëel is. Is die arbeid er nog wel en zal die nog ooit komen voor alle niveaus die aan de kant van de werknemers beschikbaar zijn?« vroeg Bohré zich af.«

Bankier bepleit gedeeltelijk basisinkomen Bron: de Volkskrant, 16-11-88 Auteur: verslaggever

»Voor een rechtvaardiger inkomensverdeling en gelijktijdig volledige werkgelegenheid is het nodig het stelsel van sociale zekerheid ingrijpend te wijzigen. Daarbij kan het invoeren van een gedeeltelijk basisinkomen, zoals enige jaren geleden is voorgesteld in een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WWR), een rol spelen.

Dit zei gisteravond drs. H. Wijffels , voorzitter van de hoofddirectie van de Rabobank bij de viering van het vierde lustrum van de Stichting Maatschappij en Onderneming (SMO). Nu de overheidsfinanciën wat op orde beginnen te komen, wordt de aandacht voor een rechtvaardige verdeling van de welvaart weer groter. De bestaande opvattingen daarover zijn echter onverenigbaar met het streven naar volledige werkgelegenheid. Zo voorkomt het sociaal minimum dat een aantal mensen zich aanbiedt voor werk. Een gedeeltelijk basisinkomen op een lager niveau dan het sociaal minimum, kan een uitweg bieden.«

Basisinkomen aantrekkelijk voor langdurig werkelozen, Bron: de Volkskrant 24-01-89, Auteur: RF. Heijmans, lid Eerste Kamer VVD

Er zitten aantrekkelijke kanten aan een (gedeeltelijk) arbeidsloos inkomen, stelt VVD'er H.F. Heijmans. Hij zet zich daarentegen af tegen een suggestie van de directeur van de gemeentelijke sociale dienst in Den Haag. Die wil werkgevers verplichten vacatures te scheppen.

»Een (gedeeltelijk) arbeidsloos inkomen dus, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WWR) al heeft voorgesteld? Hier zitten wel aantrekkelijke kanten aan. Je zou kunnen denken aan een bedrag dat gelijk is aan de toeslag in onze sociale verzekeringen: 30 procent van het minimumloon.

Eerste voordeel: van die fraudegevoelige toeslag worden we verlost. Wie aan het genoemde bedrag genoeg heeft - maar dat zullen er niet velen zijn - wordt met rust gelaten; wie meer wil zal ervoor moeten werken.

Tweede voordeel: omdat het veelal om aanvullend werk zal gaan kan de (ongeschoolde) arbeid meer in part-time worden gedaan en dus beter worden verdeeld. Wie geen werk vinden kan blijft - aanvullend - onder de werkloosheidsregelingen vallen. Maar is het dan onjuist een zeer ruim criterium voor passende arbeid aan te leggen aan noodzakelijk werk waarvoor we geen prijs willen betalen (onderhoud van plantsoenen bijvoorbeeld)?

Derde voordeel: de kosten voor sociale zekerheid - dus de premies - worden lager en het systeem eenvoudiger. Natuurlijk moet zo'n arbeidsloos inkomen worden gefmancierd, maar behalve de sociale lasten kunnen ook de brutolonen omlaag met het basis-bedrag. Knappe rekenaars zouden maar eens moeten bekijken of de WWR gelijk heeft met zijn stelling dat het de burger en het bedrijfsleven geen cent meer gaat kosten.«

 

 

Stichting Weerwerk

Weerwerk is een centrum voor informatie en onderzoek van baanlozen. Wij nemen de ervaringen en de belangen van mensen zonder betaald werk als uitgangspunt. Wij geloven niet dat »meer banen« en »economische groei« de oplossing voor de crisis is. Integendeel. Wij leveren weerwerk tegen dit soort »oplossingen«, die voor een groeiend aantal mensen niet (meer) gelden.

Weerwerk stelt zich ten doel de discussies over de alternatieven voor de bestaande inkomensverhoudingen te stimuleren door middel van onderzoek, publicaties, manifestaties en kursussen. Zo mogelijk in samenwerking met anderen.

Samen met de Commissie Oriënteringsdagen maakten we twee videobanden over het basisinkomen. Een voor beginners en een voor gevorderden. Deze videoband kan bij Weerwerk geleend worden en kost f30,-.

Activiteiten en publikaties

Cursussen

Het is mogelijk medewerk(st)ers van Weerwerk cursussen te laten verzorgen. We verzorgen cursussen over basisinkomen, nieuwe technologie, arbeidsethos en eigen werk, voor groepen werklozen, (middelbare) scholen en vormingscentra. De kosten zijn f 60,- per dagdeel. Voor groepen die weinig geld hebben, werken we voor lagere tarieven of gratis.

Voor onze vaste lasten (huur, telefoon en kantoorkosten, waaronder het bijhouden van het archief) steunen we op een netwerk van donateurs en donatrices. Voor eenmalige projecten of manifestaties proberen we projectsubsidies te krijgen.

 

Informatie over de Werkplaats Basisinkomen

De Werkplaats Basisinkomen (verder gemakshalve aan te duiden als WB) werd opgericht in oktober 1987. Tijdens enkele grote manifestaties rond het basisinkomen in het jaar daaNoor was de behoefte gebleken aan een breed samenwerkingsverband.

In de WB hebben diverse voorstanders van het idee zich verenigd. Zo'n 15, zeer uiteenlopende, organisaties zijn lid. Kleinere clubs, zoals Landelijk Steunpunt Vrouwen in de Bijstand en Landelijk WAO-beraad, maar ook giganten als de Industrie-en Voedingsbond CNV en de Voedingsbond FNV. Van de politieke partijen is de PPR vertegenwoordigd. (De volledige lijst van leden volgt hierna.)

Momenteel is er 1 betaalde kracht voor het secretariaat en verschillende pro-deo-medewerkers. Er zijn enkele vaste werkgroepen: publiciteit, onderzoek en internationale contacten.

De WE is van mening dat de financieringsbronnen voor het basisinkomen zo gekozen moeten worden dat aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan.

Activiteiten

De WB wil door voorlichting, bewustmaking en studie de invoering van een basisinkomen dichterbij brengen. De visie van de Werkplaats staat verwoord in de brochure Heilsleer of haarlemmerolie? Waarom de werkplaats een basisinkomen wil, verkrijgbaar bij het secretariaat, Herman Heijermansweg 20, 1077 WL Amsterdam, 020-5731803. De Werkplaats ontplooit talloze activiteiten. Ze

Lidorganisaties (per 1 mei 1989)

Sympathiserende organisaties (per 1 mei 1989)

Leden van de Raad van Advies