NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

nummer 11 october 1994 issn: 09243038

 

Inhoudsopgave

 

Een nieuw fundament voor de verzorgingsstaat

1. Werk maken van werk.

2. De risico-verzekeringen.

3. In hoeverre is de Nederlander anno 1994 een carrierejager?

Boeken, boeken!

 

Een nieuw fundament voor de verzorgingsstaat

In de Volkskrant is er een debat losgebarsten over de verzorgingsstaat Dat gebeurt ondermeer in de rubriek "Forum" waarin de redacteuren Broertjes en Roelofs ruimte hebben gekregen om een publiek debat over de toekomst van de verzorgingsstaat te openen. Er zijn nu (24 october 1994) zes bijdragen over het onderwerp "Van de wieg tot het graf" geplaatst

Uiteraard is er door ons (bestuur Vereniging Basisinkomen) gepoogd ook aan dit debat mee te doen. Of dat lukt moet nog blijken, maar we doen, zoals u begrijpt ons best

De heren Broertjes en Roelofs beten de spits af met een bijdrage getiteld: "De nieuwe verzorgingsstaat: doormodderen of doordenken?"

Zij constateren, dat na de oorlog en de wederopbouw de verzorgingsstaat tot stand kwam en dat nu onder leiding van Kok, een "nazaat" van de leiders van veertig jaar geleden, deze verzorgingsstaat ter discussie staat. Broertjes en Roelofs kondigen vervolgens aan, dat aan het eind van het "forum-debat" de betreffende bewindslieden worden gevraagd op de verschillende bijdragen te reageren.

Zij stellen vervolgens: ''Het kernprobleem is het ontbreken van een samenhangende visie op de toekomst van de verzorgingsstaat en dat raakt de inrichting van onze samenleving op vrijwel alle gebieden. Zo'n samenhangende visie is tot dusver niet voorhanden; niet bij het toch redelijk goed geïnformeerde Nederlandse publiek en evenmin bij de regering. "

Ook in het vervolg van hun artikel geven deze redacteuren aan, ernstig bezorgd te zijn, maar tevens komt naar voren dat zij of alle in de Volkskrant o.a. door Marcel van Dam geschreven aanbevelingen richting het basisinkomen overgeslagen hebben, of onze voorstellen willen negeren.

Als tweede bijdrage verscheen "De verzorgingsstaat is een onhoudbare staat" van de heer A. Kinneging, auteur van het rapport "Liberalisme" van de Teldersstichting (VVD). Hij betoogt, dat de verzorgingsstaat zijn eigen pijlers ondergraaft. Met deze pijlers bedoelt hij: de markteconomie, de rechtsstaat en het maatschappelijk middenveld Kinneging doet eigenlijk een aanval op een staatsvorm die in Nederland niet bestaat (of bestaan heeft). Hij bestrijdt "de gedachte, dat in elk maatschappelijk vraagstuk een taak voor de overheid besloten ligt". Hij eindigt met: "Een goede maatschappij is alleen mogelijk als men zelf de primaire verantwoordelijkheid voor zichzelf en anderen draagt. Als dit besef zou doordringen tot publiek en politiek is een hoop gewonnen".

De derde bijdrage is van Godfried Engbersen, hoogleraar verzorgingsstaat en sociale ongelijkheid aan de Universiteit Utrecht. Dit artikel reageert in de titel reeds op de voorgaande bijdrage: "Waar ligt toch het land van Kinneging?" Engbersen constateert dat de redenering dat Nederland vanwege de internationale concurrentie gedwongen wordt tot afslanking van de sociale zekerheid voorbij gaat aan het feit, dat de verzorgingsstaat nu juist bedoeld was om individuen tegen risico's (die o.a. door internationalisering ontstaan) te beschermen.

Hij pleit voor een ''beschermingsstaat'' die als taak heeft een aantal fundamentele waarden, normen en instituties te beschermen. Een belangrijke fundamentele waarde is voor Engbersen het zelfrespect van burgers. En deze wordt aangetast als iemand niet kan deelnemen aan het gemeenschapsleven omdat hij of zij geen geld heeft om zich redelijk te kleden, om onderwijs te volgen etc. Hij bepleit vervolgens een grotere inzet om banen te scheppen opdat "zeltbeschenning via arbeid" door velen gerealiseerd kan worden. Maar hij wijst wel het scheppen van - "derderangs banen of absurde invullingen van maatschappelijk nuttige activiteiten af. Hij kiest liever voor hogere sociale lasten dan voor een liberale verzorgingsstaat waar te grote ongelijkheid leidt tot maatschappelijke onlusten. En daarmee krijgt de beschermingsstaat bij Engbersen ook een algemene functie: bestrijding van onveiligheid en bewaring van natuur en cultuur. Hij bestrijdt vervolgens Kinneging: "Hoe verldaart Kinneging de omvangrijke participatie in vrijwilligersorganisaties? Waar ligt het land waar zwakkeren beter af zijn omdat overheidsprotectie ontbreekt?"

Thijs Woltgens, thans burgemeester van Kerkrade geeft aan zijn bijdrage de titel mee: ''Europa's kracht is de verzorgingsstaat". Hij bepleit het behoud van de verzorgingsstaat, maar enige verbeteringen zou hij toejuichen. Hij relativeert daarbij het te kort aan betaalde arbeidsplaatsen. Hij ziet de werldoosheid thans licht dalen en dat stemt hem optimistisch. Kennelijk is er volgens Woltgens geen sprake van structurele werkloosheid.

Hij zet zich is deze bijdrage fel af tegen de behoefte aan differentiatie: "de consequentie van differentiatie is echter niets anders dan hogere premies voor zwaar werk, voor zieken, voor ouderen en volledige uitsluiting van gehandicapten. Differentiatie zorgt er tevens voor dat potentiele werknemers met een "vlekje" niet aan de bak komen. Met andere woorden: hoe individueler de polis, des te geringer de solidariteit en des te groter de uitgesloten risico's, daar mag de collectiviteit voor opdraaien. Als ik ergens trewig over ben dan is het over het feit, dat voorstanders van deze differentiatie zich tegenwoordig in alle politieke fracties bevinden".

De heer Woltgens noemt vervolgens enige aspecten die verbetering behoeven: de uitvoering en de fraudebestrijding, het inzetten van uitkeringsgelden bij de plaatsing van werldozen, waarbij hij mogelijke verdringing op de koop toe neemt, en tenslotte maatregelen in de belastingsfeer waardoor arbeid minder belast wordt

Opmerkelijk is dat de heer Woltgens zijn eigen waarneming als burgemeester in een niet erg welvarende gemeente samen met onderzoeksresultaten van het Sociaal Cultureel Planbureau voegt en dan constateert: de economisering van ons werelddeel is niet zo allesoverheersend als wel eens wordt aangenomen. Vrijwilligersinzet wint het vaak van de prikkel om carriere te maken. En daaruit put Woltgens dan onder meer de moed om niet somber te zijn over de toekomst van de verzorgingsstaat.

In het volgende artikel kwam het Sociaal Cultureel Planbureau zelf aan het woord Theo Roes, adjunct-directeur van het SCP schreef zijn bijdrage onder de titel: "Middenklasse moet zelf belang hebben bij verzorgingsstaat".

Roes geeft voornamelijk een schets van sociale en culturele trends. Daarbij wordt Nederland ook vergeleken met het omliggend buitenland. Een geruststellend beeld wordt ons getoond: "de publieke opinie is in grote meerderheid te spreken over het systeem van sociale voorzieningen". Essentieel wordt vervolgens het scheppen van (deeltijd) banen genoemd Net als de heer Woltgens wil de heer Roes dat onder meer te bereiken door een verandering in het systeem van premieheffing op arbeid door te voeren. Het SCP heeft voorts trends ten aanzien van het kostwinnersmodel, de samenlevingsverbanden en de kritische instelling van de burgers ten aanzien van de politiek bestudeerd: "Of het lukt de kemfuncties van de verzorgingsstaat ook op langere termijn in stand te houden, zal mede afhangen van de wijze waarop de sociale en culturele trends in het beleid worden verdisconteerd" Daarna eindigt Roes met de constatering, die de titel van zijn artikel is geworden.

Als (voorlopig) laatste artikel fungeert "Sociale partners blokkeren serieuze aanval op langdurige werldoosheid" van professor Eduard Bomhoff, die thans verbonden is aan de Universiteit Nijenrode. Bomhoff constateert met hulp van het FNV-Magazine dat (door WAO-ers) sociaal isolement erger wordt gevonden dan de sociaal-economische achterstand Voor veel mensen dreigt een grauwen uitzichtloos bestaan en dat is wellicht meer een reden om de verzorgingsstaat te reorganiseren dan de macro-financiële problemen, stelt hij. Daarbij wordt hij gesteund door de OESO, die berekend heeft dat de Nederlandse werkloosheid inclusief WAO, VUT, bijstand etc. in twintig jaar slechts van 6 tot 9 procent van het Bruto Nationaal Produkt steeg.

Ook Bomhoff vermeldt (net als het SCP) dat de opinie-onderzoeken aangeven dat wij Nederlanders bereid zijn om de uitkeringen (en dus ook de premies) op het huidige niveau te handhaven. Het enige wat echt moet worden aangepakt is de werkloosheid.

Maar er zijn op dit terrein twee blokkerende groeperingen. De werkgevers verzetten zich tegen banenplannen die aanvullende overheidstaken bevatten (en overheidsgeld kosten) en de vakbeweging is tegen een beleid waarbij langdurig werkloze mensen financieel geassisteerd worden bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt. De angst bestaat, dat bestaande banen daardoor op de tocht komen te staan, maar de heer Bomhoff acht een mogelijk verdringingseffekt in het niet vallen bij de toename van de werkgelegenheid. Zijn artikel is een oproep om de blokkades af te breken opdat "mensen hun zelfrespect niet gaan verliezen".

Commentaar.

Het zal u duidelijk zijn dat de in "Forum" geplaatste bijdragen mijns inziens een goede aanzet geven tot het in Nederland noodzakelijk debat. Er is nu al (na zes bijdragen) veel over hoop gehaald Ik licht er hier enige aspekten uit:

  1. De bestrijding van het tekort aan betaalde werkgelegenheid
  2. De individualisering van de risicoverzekeringen
  3. In hoeverre is voor het individu de eigen inkomens- en carriere-situatie doorslaggevend?

 

1. Werk maken van werk.

Geconstateerd kan worden dat in alle bijdragen de werkgelegenheid aan de orde komt. Daarbij worden verschillende knelpunten opgevoerd: Het grote (structurele) te kort aan betaalde arbeidsplaatsen, het gedeeltelijk daardoor ontstane hoge bedrag dat aan uitkeringen wordt verstrekt, de mede daardoor hoge premieafdracht van werkenden en werkgevers, de uitzichtloze situatie van veel werkzoekenden, de fraude, en de mogelijke tweedeling van de samenleving met de daarbij behorende onvermijdelijke onlustgevoelens en criminalisering.

Opmerkelijk is echter, dat de privacy-aantastende controles, die bij gesprekken met uitkeringsgerechtigden ook steeds (terecht) als knelpunt genoemd worden, in deze bijdragen geen aandacht krijgen. Wellicht moeten "Vrouwen en de bijstand" eens contact opnemen met de heren schrijvers van deze artikelen.

Wel is "zelfrespect" of "zelfbescherming" via het verkrijgen van betaalde arbeid bij twee auteurs (Engbersen en Bomhoff) een centraal begrip.

Met de boven genoemde knelpunten is trouwens niet iedere auteur het eens. Woltgens beeft een andere (meer optimistischer) visie op de mogelijkheid om de werkloosheid terug te dringen en daarmee ook minder aandacht voor de uitzichtloze positie van veel werkzoekenden. Hij is bovendien de enige, die de risico-verzekering van werknemers aan de orde stelt.

Anderen zijn minder optimistisch maar komen wel met dezelfde remedies: verdeling van de betaalde arbeid, werkzoekenden inzetten (via banenplannen) bij overheidstaken, werkgevers stimuleren om extra banen te scheppen, waarbij uitkeringsgelden worden aangewend om de kosten te drukken, en maatregelen in de belasting- of premiesfeer teneinde arbeid goedkoper te maken.

De heer Kinneging heeft echter een ander uitgangspunt. Hij stelt onder meer, dat de verzorgingsstaat gekenmerkt wordt door een overmaat aan overheids-interventie in de markteconomie. Als gevolg daarvan zouden welvaart en werkgelegenheid afbrokkelen. Alleen een terugtreden van de overheid wordt als remedie aanbevolen.

Het basisinkomen.

Hierbij ga ik uit van een basisinkomen van f. 1.300,- per maand. In het artikel "een basisinkomen kan in paars gekleed gaan" (Nieuwsbrief no. 10) heb ik een schets gegeven van een dergelijke opzet. Daarheen verwijs ik hierbij.

Het invoeren van een basisinkomen lijkt in het verlengde te liggen van hetgeen de zes auteurs voorstaan: n.l. werkgelegenheid voor ieder die dat wil. De door sommigen bepleite maatregelen om arbeid goedkoper te maken past in ons voorstel om de werkgeverspremies af te schaffen. (zie Nieuwsbrief no. 10 bladz. 9).

Weliswaar komt daar in onze plannen een belastingheffing (ecotax) tegenover te staan maar deze heffing zorgt er voor, dat "arbeid" minder (of niet) belast wordt en grondstoffen en energie juist wel. Het resultaat is derhalve, dat arbeidsintensieve bedrijven minder behoeven af te dragen en de ruimte krijgen om tot uitbreiding van het personeelsbestand over te gaan.

Het basisinkomen geeft extra inkomsten en verschaft daarmee velen de financiele ruimte om te kiezen voor een baan met een kortere werkweek. En zo komt op vrijwillige basis de door vijf van de zes auteurs bepleite betere verdeling van betaald (en onbetaald) werk tot stand.

Het grote verschil tussen de meeste auteurs en de heer Kinneging is gelegen in de rol van de overheid. Het basisinkomen kan deze tegenstelling overbruggen. Immers bij het invoeren van een basisinkomen, worden veel maatregelen overbodig. De overheid kan dan taken afstoten zonder dat de minima "onbeschermd" achterblijven. Ook de door onder meer de heer Bomhoff beschreven maatregelen tegen de langdurige werkloosheid zouden dan niet nodig zijn.

Kortom: er komt meer werkgelegenheid, meer zelfrespect en ook minder overheidsingrijpen. En daarmee lijkt het basisinkomen zoals ik reeds stelde, in overeenstemming te zijn met de door alle auteurs geformuleerde doelstellingen.

 

2. De risico-verzekeringen.

Bij het invoeren van een Basisinkomen kan het verschil in uitgangssituatie tussen de mensen met' betaald werk. en zij die dat niet hebben verminderen. Opmerkelijk is, dat dit niet ten koste van de werkenden gaat. Immers, zij krijgen door het basisinkomen' te ontvangen extra inkomsten. Daardoor is er de ruimte om de verzekeringspremies die nu gedeeltelijk door de werkgevers worden betaald, zelf op te brengen. De individuele werknemer sluit daartoe, als men het basisinkomen graag wil aanvullen, een kontrakt af met een verzekeringsmaatschappij. Een belangrijk aspekt is de keuzevrijheid. De risico's van ouderdom (pensioen), arbeidsongeschikheid en werkloosheid kunnen dan individueel en passend bij de situatie worden verzekerd.

Tegen dit voorstel gaat de heer. Woltgens stevig te keer. Hij maakt zich daarbij zorgen over de positie van werknemers met een grotere kans op ziekte of invaliditeit ("mensen met een vlekje").

Mijns inziens is er echter sprake van een misverstand Immers, in het voorgestelde systeem wordt de positie van de betrokkenen juist sterker, omdat de (potentiele ) werkgever geen belang meer heeft in de hoogte van de premie. De door de verzekeringsmaatschappij berekende toeslag zal bij het individu en vervolgens bij de totale gemeenschap terecht komen. Het is rechtvaardig (en past bij een systeem, waarbij het Rijk via de belastingdienst de 'solidariteit beheert), dat de verhoogde premie door deze dienst wordt gecompenseerd of uitbetaald.

Naast deze individuele vlekjes, zijn er ook de bij de werksoort passende risico's. Leraren en bouwvakkers moeten bijvoorbeeld vaak op betrekkelijk jonge leeftijd stoppen.

Deze risico's dienen uiteraard zo veel mogelijk op de werkplek bestreden te worden. Kan dat niet, dan dient in zo'n bedrijfstak de beloning zodanig te zijn, dat de hogere premie gecompenseerd wordt.

Conclusie: met de heer Woltgens zou over dit onderwerp nog eens van gedachten moeten worden gewisseld Omdat de overige auteurs zich niet concreet over deze verzekeringskwestie hebben uitgesproken, blijft dit punt wat in de lucht hangen.

 

3. In hoeverre is de Nederlander anno 1994 een carrierejager?

Veel economen gaan uit van de veronderstelling dat de mens in het algemeen uitsluitend het materiële eigenbelang nastreeft. Het is verheugend dat de economen Bomhoff en Woltgens dit uitgangspunt verwerpen. Daarmee, en dat geldt zeker ook voor de heer Engbersen, is door hen reeds een stap gezet naar een mensbeeld dat bij een basisinkomen past. Immers door' iedereen het recht te geven op een basisinkomen zonder verplicht te zijn betaalde arbeid te verrichten krijgt het "economisch" denken een deuk. De opening die daardoor ontstaat kan leiden tot minder stress en bij voorbeeld ook tot een samenleving waarin mensen zorgvuldiger met elkaar omgaan.

Conclusie

Het debat in de Volkskrant zou aan waarde winnen als ook het alternatief "basisinkomen" in beschouwing wordt genomen. Maar zonder dit aspekt, is de "forum-diskussie" ook reeds de moeite van het lezen waard

Saar Boerlage

 

Boeken, boeken!

J. Th. van Steenbergen, Een plan voor 1,2 miljoen extra banen. Gelijk oversteken. eigen uitgave, april 1994, 140 blz., prijs f.30,-. Te bestellen door dit bedrag over te maken op rekening 40.31.43.497 (ABN/AMRO Breda) ten name van de auteur, onder vermelding van naam, adres, postcode en woonplaats van de besteller.

Hans van Steenbergen, een 24-jarige 4e-jaars HEAO-er, zoals hij zichzelf omschrijft, heeft kritiek op het economische beleid van de Nederlandse overheid en bovendien een plan om de kwalijke gevolgen van dit beleid in één klap op te heffen.

Over beide zaken gaat zijn boek "Gelijk oversteken". Hij bracht het werkje onder de aandacht van de Vereniging Basisinkomen, omdat volgens hem zijn plan op termijn heel goed met de invoering van een basisinkomen te verenigen zou zijn.

Het grootste deel van het boek behandelt de ontwikkeling van de Nederlandse economie sinds 1980. Onder andere laat hij zien dat de bedrijfswinsten sinds 1980 steeds sterk gestegen zijn, de loongroei hierbij zeer is achtergebleven en dat de koopkracht van de minimumuitkeringen gehalveerd is.

Twee hoofdstukken hebben betrekking op het plan zelf, dat overigens niet tot in detail wordt omschreven. Het houdt in: "dat een uitkeringsfabriek tegen een werkgever kan zeggen per uitkeringsgerechtigde die u van mij overneemt (een volledige baan geeft) hoeft u het geldende minimumloon voor 'die persoon minder aan werkgeverspremie te betalen" (blz. 74). Dit zou betekenen, dat werkgevers per drie bij hen in dienst zijnde werknemers er "gratis" één bij zouden kunnen krijgen (blz. 101 ). Voorts wordt er een nieuwe sociale verzekeringswet ingevoerd de AWAW of "Algemene Werkloosheids- en Arbeidsongeschiktheids Wet", die alle op dit terrein bestaande wetten vervangt en geringe uitvoeringskosten heeft. De premie wordt door de werkgever betaald en bedraagt 20,8% van het loon. Tevens vervalt de belastingaftrek en wordt een belastingvrije voet van ongeveer f. 45.000,- ingevoerd.

Er zijn in Nederland 1,2 miljoen uitkeringsgerechtigden die zouden kunnen werken, stelt de auteur. Er zijn nu 5 miljoen banen, dus als de werkgevers maximaal een derde van dat aantal mensen (vrijwel) gratis extra in dienst kunnen nemen, zijn die 1,2 miljoen meteen onder dak. Wel doet zich daarbij de vraag voor wat al die mensen nu daadwerkelijk zouden moeten gaan doen, maar daar is met enige vindingrijkheid wel uit te komen.

Zo zou de volledige werkgelegenheid in Nederland dus voor het grijpen liggen, tenzij de auteur de effecten van de bereikbare loonkostenvermindering een tikje heeft overschat.

Inmiddels werkt onze overheid al aan plannen om allerlei premievrijstellingen te verlenen aan werkgevers, die korter of langer werkloos zijnde personen in dienst nemen. Komen die plannen er door, dan komen we spoedig te weten of ook de honderdduizenden felbegeerde extra banen daardoor zullen ontstaan.

B. Goudzwaard en anderen, Economie contra duurzaamheid Een gezonde economie? Uitgever Kok-Kampen",1994, 253 blz., f. 45,--

Volgens het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving (MCKS) heeft het er soms de schijn van dat in het economische denken vergeten wordt rekening te houden met diverse maatschappelijke belangen. Op werkloosheid en stagnerende groei wordt door de overheid gereageerd met stimulering van het bedrijfsleven en terugdringing van overheidsuitgaven, maar is dit wel de beste reactie en wordt de leefbaarheid van de Nederlandse samenleving hierdoor uiteindelijk wel verbeterd?

De wens om hierin beter inzicht te krijgen heeft het MCKS er toe gebracht om een team van wetenschappers opdracht te geven om deze kwestie eens te onderzoeken. Dit team beschikt over economische, politicologische en sociologische deskundigheid.

Onze maatschappij is niet alleen een economisch systeem, maar een samenstelsel van elkaar beInvloedende systemen, waarvan het economische er één is. Om de eenheid van hun boek te bewaren hanteren alle auteurs een in het boek ontwikkeld model van onze samenleving waarin vier systemen worden. onderscheiden, nl. de economie, de politiek, de cultuur en de samenlevingspatronen (politieke partijen, belangenorganisaties e.d). De wisselwerkingen tussen deze systemen komen in de beschouwingen steeds aan de orde en vormen een bindend element.

Het boek bevat vrij diepgaande analyses van de economische ontwikkelingen na 1945, met het accent op de periode '70 -'90. culturele veranderingen in die tijd, arbeidsverhoudingen, verdelingsmaatstaven en de positie van de overheid. Ook de relatie tussen onze economie en het milieu en de derde wereld komt ter sprake. De nadruk ligt derhalve meer op terreinverkenning dan op het ten beste geven van conclusies en opinies. De bedoeling is dan ook om het publiek zelf aan te zetten tot "baanbrekende discussies".

Desalniettemin spreekt uit het geheel een lichte somberheid. Geconstateerd wordt dat de dominante cultuur al jarenlang die van het "instrumenteel activisme" is, d W.z. van voortdurende gerichtheid op verwerving, verbetermg en het verleggen van grenzen. Daarom wordt er uitsluitend naar voorstanders van economische groei geluisterd, en blijft de voorkeur van de schrijvers, de "duurzame samenleving", buiten bereik. Momenteel speelt ook het individualisme een rol, de gerichtheid op de. waardigheid, de autonomie en de zelfontplooiing van het individu. Dit is een gevolg van de gestegen welvaart, dat evenwel de solidariteit in het nauw brengt en daardoor de gewenste bestuurbaarheid van de samenleving vermindert. De overheid heeft inmiddels de greep op het loonbeleid verloren, dat thans gevoerd wordt door de sociale partners en resulteert in steeds grotere ongelijkheid Een derde kenmerk van onze cultuur, de ontkerkelijking, wordt negatief beoordeeld maar krijgt verder weinig aandacht

Men kiest positie vóór het basisinkomen. Er wordt opgeroepen tot hernieuwde aandacht voor het WRR-mpport "Waarborgen voor zekerheid" uit 1985, waarin meer dan thans gelet wordt op de bestaanszekerheid van de mensen met de laagste inkomens en invoering van een gedeeltelijk basisinkomen wordt voorgesteld

Daarentegen distantieert men zich van het WRR-rapport "Een werkend perspectief' uit 1990 over arbeidsparticipatie, waarin er o.a. van uitgegaan wordt dat hoge loonkosten nadelig zijn voor de werkgelegenheid en de concurrentiepositie en dat de hoge productiviteit nadelig is voor de werkgelegenheid. Deze effecten lijken voor de hand te liggen, maar blijken bij nader onderzoek niet op te treden. Daardoor biedt het rapport een te beperkt zicht op de mogelijkheden.

Concluderend wordt gesteld dat er een cultuuromslag nodig is, die kan leiden tot een duurzame samenleving. Wat dat is wordt niet volledig omschreven, maar er kan van gezegd worden dat er een overheid in optreedt die effectief sturend kan optreden en in staat is ook voor de minst draagkrachtigen een optimale bestaanszekerheid tot stand te brengen. De gedachte: "groei moet" zou verlaten moeten worden.

Groen Links en het basisinkomen. Brochure "Bestaanszekerheid voor iedereen" van de Werkgroep Sociale Zekerheid van Groen Links. Maart 1994, 34 blz, f. 3,--

Naar aanleiding van plannen van de overheid om de Algemene Bijstandswet te herzien heeft Groen Links de brochure met bovenstaande titel uitgebracht waarin wordt uiteengezet welke kant het op moet met de sociale zekerheid

Als het aan Groen Links ligt worden de minimumuitkeringen voor mensen die het 3 jaar zonder ander inkomen hebben moeten doen met 10% verhoogd Daarnaast wil men arbeidstijdsverkorting tot 32 uur of minder en een betere kinderopvang. Onduidelijk is, wat de auteurs willen met het basisinkomen. Hiervoor wordt nog niet gekozen, zo schrijven ze, want het basisinkomen is een buitengewoon ingewikkelde zaak. Voorlopig wil Groen Links wel als stap in die richting een negatieve inkomstenbelasting invoeren, die misschien op de langere termijn kan resulteren in een basisinkomen.

Wat wordt hier nu mee bedoeld? Waarschijnlijk dat niet zozeer het basisinkomen ingewikkeld is als wel de invoering ervan, en dat men een lage en wellicht ook voorwaardelijke uitkering wil invoeren die door de fiscus via het systeem van negatieve inkomstenbelasting wordt verstrekt. Maar dat staat er niet en bijzonderheden ontbreken. Hopelijk wordt een en ander ooit nog eens opgehelderd.

Gosling Putto

Basisinkomen komt dichterbij. Bron: Algemeen Dagblad. 23 juli 1994 Auteurs: Bert van Dommelen en Jeroen Smit

Het AD heeft een beschouwing aan het basisinkomen gewijd aan de hand van interviews met Saar Boerlage, voorzitter van de Vereniginging Basisinkomen, Gerrit Zalm, thans minister van financien en Bert Bakker, Tweede Kamerlid voor D66.

Zalm is gematigd voorstander van een volledig basisinkomen, dat bij een jaarlijkse economische groei van 3,5% na twintig jaar binnen bereik kan komen. Het zou dan het equivalent van f. 1300,- in 1994 kunnen zijn. Momenteel kan het niet hoger zijn dan f. 900,- ( de inkomstenbelasting zou daarvoor 55% moeten gaan bedragen, hetgeen al behoorlijk hoog is) en dat zou voor velen toch een grote achteruitgang in inkomen betekenen. Maar als het huidige stelsel echt niet meer aan de omstandigheden aan te passen is, zou invoering van een gbi (gedeeltelijk basisinkomen) van f. 900,- serieus te overwegen zijn. Bij dat bedrag blijft er immers voldoende noodzaak om te gaan werken.

Bakker is tegen bet basisinkomen. Het is te duur, en niemand wil meer werken, behalve misschien zwart, om de superhoge inkomstenbelasting te ontduiken. Bij een gbi van f.900,- moetje voor bepaalde groepen toch een aanvullende uitkering hebben, met alle controle die nu ook nodig is.

Boerlage wil dat een volledig basisinkomen op korte termijn wordt ingevoerd. Dat kost 185 miljard, en dat geld is er gewoon. Iedereen zal blijven werken, zij het wel vaak in deeltijd, want een inkomen van f. 1300,- per maand is niet riant en bovendien is het vervelend om alleen maar thuis te zitten. De inkomste:Q.belasting hoeft niet veel te stijgen, want de financiering kan beter mede via een productheffing tot stand komen. Die komt in de plaats van de werkgeverspremies, en werknemers zullen zelf voor bovenminimale verzekeringen moeten zorgen.

Arbeidsplicht voor werklozen kan staatsschuld verminderen. Bron:.NRC/Handelsblad, 26 juli 1994 Auteur: HSwart.

Twee miljoen Nederlanders zitten thuis met een uitkering. Zouden ze voor het bedrag van hun uitkering gaan werken, dan zouden ze er netto op achteruit gaan. Dat doen ze dus niet Bovendien is het werkgevers verboden om minder dan f. 36.000,- per jaar aan een werknemer die ouder is dan 22 jaar en een volledige baan beeft te spenderen (minimumloon + premies). Laag renderende banen blijven dus onbezet. En dat terwijl er volop banen zijn die tussen de 0 en 36.000 gulden waard zijn.

De remedie: een arbeidsplicht voor werklozen. Hun uitkering wordt met de helft gekort en voor die helft krijgen ze een waardebon. Die leveren ze in bij een werkgever, die na gedane arbeid de bon verzilvert Daardoor hebben werkgevers goedkope arbeidskrachten en de uitkeringsinstanties minder uitgaven. Zo zal iedereen blij en gelukkig worden, behalve de voor de rest van hun leven verplicht voor een halve uitkering werkende werklozen!

Dwangarbeid of zoeken naar een andere economie. Bron: Trouw. 12 augustus 1994 Auteur: Jolanda Hennekam

Veel goedbetaalde heren hebben de laatste tijd oplossingen aangedragen voor het probleem van de werkloosheid. Vaak komen die op hetzelfde neer: introductie van een arbeidsplicht voor uitkeringsgerechtigden.

Jolanda Hennekam, theologe, lid van Groen links en van de stuurgroep Groningen van "De arme kant van Nederland" geeft blijk van haar afschuw voor deze gedachte door te stellen dat het dwingen van mensen die toch al uitgesloten zijn van normale sociale mogelijkheden tot het werken in kunstmatig geconstrueerde baantjes doet denken aan slavernij. Dit heeft niets te maken met het "meedoen in de samenleving" dat men van mensen mag verwachten. Zij verwijst naar het boek "De hel van Jipsingshuizen" uit 1988 van Cees Stolk, waarin beschreven is hoe de werkverschaffing in de dertiger jaren moest voorkomen "dat arbeiders afgleden naar communisme of nationaal-socialisme" en waartoe dit leidde.

Hoe het dan wel moet valt buiten het kader van het stukje, maar we moeten beseffen dat ons huidige systeem te veel armoede en uitbuiting teweegbrengt. Omdat winstmaximalisatie (de Mammon) centraal staat, komen de zorg voor de naaste en de aarde steeds meer in het gedrang.

Het einde van de arbeidsmaatschappij, interview met André Gorz. Bron: Politiek en Cu/tuur. juni 1994 Auteur: Martin Kempe.

De Franse filosoof André Gorz voorspelt dat de werkgelegenheid als gevolg van productiviteitsstijging door arbeids- en kapitaalbesparende innovaties steeds verder zal teruglopen. In twintig jaar tijd is het arbeidsvolume in West Europa al met dertig procent afgenomen en in de komende tijd zal het nog sneller gaan. Dat is geen reden voor paniek, maar wel voor maatschappelijke hervormingen.

Als loonarbeid nog maar een fractie van de beschikbare tijd in beslag neemt is die niet meer als enige bron van maatschappelijke bijdrage en persoonlijke identiteit te beschouwen. Dan moet ook onbetaalde arbeid op grote schaal plaatsvinden en daartoe stimulering en erkenning krijgen. Betaalde arbeid zal grotendeels in korte deeltijd (slechts enkele maanden per jaar) verricht worden en kan niet meer als enig criterium voor de inkomensverdeling dienen. Het inkomen zal moeten worden aangevuld met een "tweede cheque". Die krijgt men wanneer men bereid is om naar behoefte korte tijd te werken en vaak om te schakelen.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen acht de filosoof uit den boze, want als het onvoldoende is om van te leven, zal uitbuiting van de burgers door machtige werkgevers het gevolg zijn, en is het voldoende om van te leven, dan treedt er via selectie van de beste werknemers alsnog een meedogenloze tweedeling van de maatschappij op. De gelukkigen werken en de rest verkommert en degenereert.

Waarom volledig onafhankelijke mensen geen nuttige invulling aan hun tijd zouden kunnen geven of geen bijdrage aan de maatschappij zouden kunnen of willen leveren als ze daartoe de gelegenheid krijgen vertelt André Gorz er niet bij. Misschien onderschat hij de mensen of hoort hij bij het leger der betuttelingsfanaten.

Gosling Putto.