NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
nummer 12 april 1995
issn: 09243038
Inhoudsopgave
Ontsnapping uit de sociale-zekerheidsval
Basic Income European Network
De onzin van "banen scheppen"
Vraag en antwoord
Een stortvloed van artikelen over het basisinkomen
Ontsnapping uit de sociale-zekerheidsval
Het komt niet vaak voor dat een groepje mensen die aanvankelijk niet veel in een idee zien, elkaar al discussiërend van de onvermijdelijkheid van dat idee overtuigen. Toch ging het zo met de Denktank Intermediaire Structuren en het idee van het basisinkomen.
De Denktank Intermediaire Structuren - kortweg DIS - is een clubje van een tiental mensen uit de sfeer van overheid, arbeidsvoorziening, bedrijfsleven en wetenschap, die een jaar geleden voor het eerst bij elkaar kwamen. De bedoeling was om na te denken hoe allerlei organisaties' en instituties op het gebied van economie, arbeidsmarkt en sociale zekerheid (de zogenaamde 'Intermediaire Structuren' waar de club zijn wat omslachtige naam aan ontleent) beter zouden kunnen functioneren. Hoewel de leden van de club van zeer diverse pluimage en politieke overtuiging zijn, waren zij het er in ieder geval vanafhet begin over eens, dat het nu niet goed gaat. De steeds verder oplopende werkloosheid, de geleidelijke afbraak van het sociale-zekerheidsstelsel, de sluipende achteruitgang van Nederland op de ranglijst van meest welvarende landen - dat zijn enkele van de problemen waarvoor de DIS een oplossing wilde zoeken.
Aanvankelijk meenden de meeste leden van de club, dat een keer ten goede zou worden teweeggebracht door instanties als de arbeidsbureaus, bedrijfsverenigingen, sociale diensten en ministeries beter en flexibeler te laten functioneren. Maar geleidelijk raakten zij ervan overtuigd, dat alleen een wijziging van de fundamenten van het systeem tot werkelijke verbetering zal leiden. Een basisinkomen is daarvoor een essentiële voorwaarde.
Laat ik dit toelichten aan de hand van het stelsel van sociale zekerheid en zijn relatie met de arbeidsmarkt.
Al meer dan tien jaar lang worden met de regelmaat van de klok nieuwe maatregelen aangekondigd om het stelsel van sociale zekerheid 'veilig te stellen'. Zo heet het althans officieel. Maar feitelijk wordt het stelsel stap voor stap verslechterd: uitkeringen worden verlaagd of jarenlang 'bevroren', de toegang tot regelingen wordt bemoeilijkt. Dit heeft er weliswaar toe bijgedragen dat de uitgaven voor de sociale zekerheid, als percentage van het nationaal inkomen, iets zijn gedaald. Maar het gevolg is wel geweest dat het stelsel steeds minder inkomenszekerheid biedt.
Daarom wordt er, vooral door de Partij van de Arbeid, steeds vaker voor gepleit om te stoppen met ingrijpen in de hoogte en duur van de uitkeringen. In plaats daarvan zouden de uitgaven voor de sociale zekerheid moeten worden beheerst door te zorgen dat alleen diegenen een uitkering krijgen die er daadwerkelijk recht op hebben. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat veel te veel mensen een uitkering hebben gekregen voor wie het stelsel nooit bedoeld was. Het enorme aantal mensen met een WAO-uitkering zou daarvan het duidelijkste voorbeeld zijn. Er wordt, kortom, gepleit voor een 'volumebeleid', een beleid waardoor het aantal uitkeringsontvangers wordt verminderd, maar de uitkeringen zelf intact worden gelaten. Door strengere selectie aan de toegangs. poort van de sociale zekerheid en door de uitstroom van degenen die kunnen werken te bevorderen, zou het kaf van het koren worden gescheiden.
Een dergelijk 'volumebeleid' stuit echter op twee fundamentele problemen, waardoor het geen werkelijke oplossing biedt voor de problemen van het sociale-zekerheidsstelsel.
In de eerste plaats kan een volumebeleid niets veranderen aan de economische factoren die voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor een stijgend beroep op de sociale zekerheid. Als het economisch tegenzit of bedrijven steeds meer 'rationaliseren' zal het aantal onvrijwillig werklozen onvermijdelijk toenemen.
Een volumebeleid kan daartegen geen dam opwerpen. Hooguit kan het de mensen moeilijker maken om een (werkloosheids)uitkering te krijgen. In de praktijk betekent dat ofwel dat men in een andere uitkeringsregeling terecht komt (bijvoorbeeld de bijstand in plaats van de WW), ofwel dat de gevolgen van de toenemende werkloosheid worden afgewenteld op de zwakste groepen.
Een tweede fundamentele probleem is, dat een volumebeleid alleen werkt als het daadwerkelijk mogelijk is om terecht en onbedoeld gebiuik van de sociale zekerheid te (onder)scheiden. Dit veronderstelt duidelijk van elkaar te onderscheiden categorieën. Twintig of dertig jaar geleden was dit niet zo'n probleem: mensen hadden ofwel een vaste baan of waren huisvrouw of werkloos, ze waren volledig arbeidsongeschikt of gezond, ze waren gehuwd of woonden alleen. Maar inmiddels is de samenleving ingrijpend veranderd. De verscheidenheid is enorm toegenomen: de vaste voltijdbaan heeft zijn overheersende positie verloren. Daarnaast zijn er deeltijdbanen, uitzendbanen, oproepbanen, thuiswerkers, ftee lancers, enz. 'Normaal' betaald werk valt steeds moeilijker af te bakenen van andere activiteiten, zoals onbetaald huishoudelijk werk, vrijwilligerswerk, werk-ervaringsplaatsen, JWG-banen, banenpools, enz.
Tussen het traditionele gezin en de alleenstaande is een breed scala aan andere leefvormen verschenen ongehuwd samenwonenden, LAT-relaties, woningdelers, enz. De pogingen om greep te krijgen op deze toenemende pluriformiteit door de regelgeving en het aantal onderscheiden categoriëen te verfijnen, heeft het systeem steeds ingewikkelder, ftaudegevoeliger en onuitvoerbaarder gemaakt. Doorgaan op deze weg is heilloos. Het zal de problemen. en onrechtvaardigheid van het systeem alleen maar vergroten. Zie de grote verschillen die ontstaan in de uitvoering van de bijstand en de schrijnende consequenties van de scherpere keuringseisen in de WAO.
Als een volumebeleid tot mislukken gedoemd is, moeten we de oplossing dan misschien in een 'prijsbeleid' zoeken. Prijsbeleid houdt in, dat de uitgaven van de sociale zekerheid worden 'beheerst' door de hoogte van de uitkeringen te verlagen. Het bekendste voorbeeld hiervan is het idee van de VVD van een ministelsel of basisstelsel: de overheid garandeert alleen nog een uitkering op minimumniveau; alles daarboven is de verantwoordelijkheid van de burgers zelf. Dat maakt niet alleen de sociale zekerheid een stuk goedkoper, maar het versterkt bovendien de prikkel voor uitkeringsgerechtigden om;' werk te zoeken en te accepteren.
Maar in feite wordt al tien jaar lang een prijsbeleid gevoerd. De relatieve hoogte van de uitkeringen ten opzichte van de lonen is immers steeds verder verlaagd. Dat heeft inderdaad forse bewegingen op de sociale zekerheid opgeleverd. Maar tegelijkertijd leert de ervaring van het afgelopen decennium, dat de problemen van het sociale-zekerheidsstelsel er niet door worden opgelost. Iedere keer dat het economisch wat minder gaat en de werkloosheid oploopt, neemt de 'noodzaak' om de uitkeringen te verlagen weer toe. Het einde daarvan is nog lang niet in zicht. Een prijsbeleid lost niet alleen de problemen van het stelsel niet op, maar tevens worden de gevolgen daarvan eenzijdig afgewenteld op degenen die er niet de schuld van zijn: de langdurig werklozen, arbeidsongeschikten, bijstandsvrouwen en gepensioneerden voor wie er echt geen werk is.
Als zowel een volumebeleid als een prijsbeleid geen oplossing bieden en onrechtvaardig uitwerken, wat dan?
Het fundamentele probleem van beide soorten beleid is, dat ze niets wezenlijks veranderen aan de relatie tussen arbeidsmarkt en sociale zekerheid. Sociale zekerheid is en blijft een instrument om de gevolgen van een falend marktmechanisme op te vangen. Recht op een sociale uitkering ontstaat immers pas als men onvrijwillig zonder betaald werk zit. Juist als het economisch niet voor de wind gaat en we het het minst kunnen dragen, neemt het beroep op de sociale zekerheid toe. Dit leidt tot de zogeheten 'sociale-zekerheidsval'. Het toenemende beroep op de sociale zekerheid leidt tot hogere premies. Dat maakt arbeid duurder waardoor bedrijven nog meer personeel proberen kwijt te raken. Het aantal uitkeringsgerechtigden neemt dan nog verder toe en de premies stijgen verder. Enzovoorts.
Als men zich dit realiseert, ligt de oplossing eigenlijk voor de hand: ontkoppel de sociale zekerheid van de arbeidsmarkt en dus van de economische ontwikkelingen. Geef iedereen het recht op een onvoorwaardelijk inkomen, ongeacht of men werkt, niet werkt of al dan niet bereid is om te werken. Een basisinkomen dus.
Als de hoogte van het basisinkomen wordt gekoppeld aan het gemiddelde nationaal inkomen per hoofd van de' (volwassen) bevolking, wordt de neerwaartse spiraal automatisch doorbroken. Immers, de uitgaven voor het basisinkomen zijn dan per definitie gelijk aan een vast percentage van het nationaal inkomen, ongeacht de economische conjunctuur of het aantal werkenden. Een economische recessie of een stagnerende werkgelegenheid leidt dan niet meer tot een toename van het beroep op de sociale zekerheid of stijgende uitgaven.
Behalve dit macro-economische voordeel, heeft een basisinkomen ook op micro-niveau -het niveau van de individuele burger- tal van voordelen. Omdat die aan de meeste lezers van deze Nieuwsbrief wel bekend zijn, volsta ik met ze kort op te sommen:
enz.
Een belangrijke kwestie is natuurlijk hoe hoog het basisinkomen kan en moet zijn. Zoals alle voorstanders van het basisinkomen stond ook de Denktank voor het dilemma dat een te hoog basisinkomen economisch onhoudbaar en een te laag basisinkomen sociaal, onaanvaardbaar is. Uiteindelijk kwam de DIS tot de conclusie dat een basisinkomen van de helft van het netto minimumloon (zo'n 935 gulden per maand) een acceptabele middenweg is. Uit berekeningen van het Centraal Planbureau blijkt dat een dergelijk basisinkomen economisch verantwoord is. Tegelijkertijd houden samenwonenden met dit basisinkomen in ieder geval evenveel over als nu het geval is. Een probleem doet zich echter voor bij de alleenstaande uitkeringsgerechtigden die nu 70% van het netto minimumloon krijgen en er dus zo'n 350 gulden per maand op achteruit dreigen te gaan. De DIS wil dit niet oplossen door aan deze groep een toeslag op het basisinkomen te geven. Dan zouden veel van de problemen van het huidige sociale-zekerheidsstelsel (controle, fraude, armoedeval) weer terugkeren.
De Denktank meent dat het probleem min of meer vanzelf wordt opgelost als het basisinkomen geleidelijk, in acht jaar tijd, wordt ingevoerd. 'Bestaande gevallen' in de sociale zekerheid zouden hun huidige uitkering moeten behouden. Ook aan de AOW voor alleenstaanden wil de DIS niet tomen.
Voor 'nieuwe gevallen' geldt echter, dat zij, dankzij het basisinkomen, vrijwel altijd in staat zullen zijn die paar honderd gulden per maand zelf bij te verdienen. Alleen voor mensen die echt niet kunnen werken en zich daarvoor nooit hebben kunnen verzekeren, zoals jong gehandicapten, wil de DIS een toeslag bovenop het basisinkomen geven.
In een aantal opzichten is de invoering van het basisinkomen zoals de DIS dat voorstaat, een harde maatregel: de overheid schuift veel verantwoordelijkheden naar de individuele burger toe. Deze kan niet meer zo makkelijk naar de overheid toe stappen om een extra steuntje te vragen als men in een moeilijke situatie zit. Maar daar staat tegenover, dat het basisinkomen aan de burger ook veel meer mogelijkheden biedt om zelf verantwoordelijkheid voor het eigen leven te dragen.
Allerlei belemmeringen om keuzes en afwegingen te maken worden immers weggenomen. Uitsluiting van grote groepen van volwaardige maatschappelijke participatie wordt tegengegaan. Dat is de sociale kant van het basisinkomen. Vandaar de titel van de nota van de Denktank Intermediaire Structuren: Keihard sociaal.
Paul de Beer.
Paul de Beer is lid van de Denktank Intermediaire Structuren
De nota Keihard sociaal. Werk, inkomen en de stadstaat kan voor fl. 25,-- worden besteld bij BerGen, Kantsingell0A, 5349 AJ Oss, teL: 04120-27112, fax.: 04120-41046
Basic Income European Network
Zoals voor de meesten van u bekend is, is de Vereniging Basisinkomen aangesloten bij BIEN (Basic Income European Network). BIEN is in 1986 opgericht en brengt voorstanders van een basisinkomen in Europa en ook daarbuiten bij elkaar om na te denken over een totaal nieuw systeem van sociale zekerheid. Basic Income is een gegarandeerd inkomen voor iedere legale inwoner als een recht van burgerschap, ongeacht of er betaald werk of ander inkomen is.
Om de twee jaar houd BIEN een internationaal congres. Na congressen in LouvaID la Neuve, Antwerpen, Firenze en Parijs vond het vijfde congres plaats in Londen van 8 tot 10 september j.l. Er waren ongeveer 115 deelnemers uit 19 verschillende landen. Met.~ name Engeland met 46 deelnemers, België met 11 deelnemers en' Nederland met 18 deelnemers waren goed vertegenwoordigd. De overige deelnemers kwamen uit Oostenrijk, Canada, Denemarken, Finland, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Spanje, Zweden, Zwitserland en zelfs uit Brazilië, Argentinië, Israël, Japan en Nieuw-Zeeland.
Na de ontvangst op Goldsmiths College begon het congres met een welkomswoord van Evelyn McEwen, voorzitter Citizen's Income Trust en Richard Clement. Na de introductie van het congres door de vice voorzitters Guy Standing en Edwin Morley-Fletcher, was het woord aan de vertegenwoordigers van de deelnemende landen om over de activiteiten rondom het basisinkomen in eigen land te vertellen.
Saar Boerlage vertelde over de voortgang in Nederland. Zij ging in op de verkiezingsnederlaag voor de christen democraten en op de veranderde samenstelling van de regering die nu gevormd wordt door sociaal democraten, democraten en rechts liberalen. Hoewel er volgens Saar geen sprake is van bestuurlijke vernieuwing, het basisinkomen is niet opgenomen in het regeerakkoord, ziet zij toch enige lichtpuntjes; de roep om verandering wordt steeds luider. Zowel van werkgeverszijde als van werknemerszijde. Hoopgevend vond zij het feit dat de nieuwe minister van financiën Zalm, indertijd als hoofd van het centraal planbureau, uitspraken heeft gedaan pro basisinkomen. Verder vertelde Saar over de toegenomen belangstelling in Nederland voor het basisinkomen in de afgelopen twee jaar. Opmerkelijk noemde zij het feit dat de discussie zowel in rechtse als in linkse kringen wordt gevoerd terwijl het twee jaar geleden nog in diskrediet was.
In de andere Europese landen komt de discussie over basisinkomen in golfbewegingen terug. Het is afhankelijk van de politieke aandachtspunten en de media. Ideeën over werkloosheidssubsidies, negatieve inkomstenbelasting, basisinkomen en arbeidstijdverkorting worden door de Europese top steeds serieuzer bekeken.
Er volgde een presentatie van Sir Samuel Brittan (financial journalist and author) en Lord Meghnad Desai (professor of economics at the London School of Economics and Labour Party member of House of Lords) met aansluitend de mogelijkheid tot stellen van vragen en discussie.
Na de thee gingen Malcom Wicks (Labour Party member of parliament) en Simon Hughes (Liberal democrat member) in op de politieke houding ten opzichten van het basisinkomen. Het openstellen voor andere ideeën schijnt in Engeland nog steeds inherend te zijn aan gezichtsverlies.
Om zes uur werden papers gepresenteerd door professor Gunnar Adler-Karlson (Zweden) "Basic income as a global idea" en professor Claus Offe (Duitsland) "Cl and the idea of full employment" .
Prof. G. Adler-Karlson is van mening als men tot een wereldwijd basisinkomen wil komen moet er met verschillende aspecten rekening worden gehouden. Hoe groter de massa van een economie wordt, hoe groter de verschilllen tussen arm en rijk kunnen worden. Er bestaan verschillende motieven voor landen om over te gaan tot invoering van een basisinkomen: rijke landen voor nog meer macht en stabielere economie, arme landen om opstanden en revoluties te onderdrukken. Om dit spanningsveld te reguleren zal er een nieuw internationaal economisch orgaan opgericht moeten worden. Het "Globe Basic Income Fund".
Claus Offe is juist van mening dat een BI kan leiden tot volledige werkgelegenheid wereldwijd. Dit zorgt voor een betere verdeling van inkomsten, zodat er rust ontstaat in de internationale verhoudingen.
De tweede dag werden we 's morgens verwacht bij één van de vier studiegroepen te weten:
's Middags presenteerde Lionel Stoleru, Professor of Economics te Parijs zijn paper: "Social trends towards the year 2000" en Eduardo Matarazzo Suplicy, professor of economics and Senator for the State of Säo Paulo zijn paper: "The guaranteed minimum income as a proppsal to help buidlding a healthier and civilized society".
Lionel Stoleru vertelde dat de ethiek van de eerlijke ongelijkheid steeds meer wordt ondersteund. Ongelijkheid wordt acceptabel als armen kansen hebben op verbetering. Rijke mensen worden acceptabel als zij de armen helpen. Het huidige zekerheidsstelsel is in tegenstrijd met zichzelf Bij een crisis worden de inkomsten kleiner voor dit zekerheidsstelsel terwijl meerdere mensen er op terug moeten vallen. De armoedeval groeit en het sociale rechtzekerheidsgevoel wordt aangetast. De onzekerheid groeit.
Mensen hebben zekerheid nodig om risico's te nemen. Juist in periode's als het wat minder gaat. Het basisinkomen kent dit probleem niet. Mensen leren van risico's nemen en worden daardoor zelfredzamer.
Senator Suplicy heeft in Brazilië mede een lobby ondersteund voor het invoeren van het minimumloon. In 1991 is dit ingevoerd naar Amerikaans model. Maximaal 30% subsidie op het te kort van inkomen uit werk is daarbij gegarandeerd. Dit heeft enorm veel bijgedragen aan de opbouw van de binnenlandse economie. Nu is er een lobby aan de gang om samen met het IMF, een vorm van negatieve inkomstenbelasting in te voeren. De bedoeling is om zodoende de binnenlandse economische structuur nog verder te verstevigen.
Na de lunch was er een plenaire sessie met Hermione Parker (Direct or of "Family Budget Unit" UK) over "How much is enough?" en "What is a full basic income?" en professor llona Ostner over "Woman, work and income". Hermione Parker pleitte dat de hoogte van het basisinkomen niet gekoppeld moet worden aan wat wenselijk is bij basisinkomen-afhankelijken. "Genoeg" is een relatief begrip. Voor iedereen ligt dat anders. De levensstandaard zal vooraf vastgesteld dienen te worden wat nodig is en niet wat wenselijk is.
llona Ostner onderscheid globaal twee feministische stromingen. De ene gaat uit dat vrouwen anders reageren en andere keuzes maken dan mannen. De andere neemt de mannelijke arbeidsmarkt als uitgangspunt waar vrouwen op gelijke voet moeten participeren. Hoever het basisinkomen bijdraagt aan vrouwen emancipatie kan iedereen voor zichzelf invullen aan de hand van Nancy Freezers model over kostwinnerschap en cariërre planning.
Ilona geeft wel aan dat als, door het basisinkomen vrouwen economisch zelfstandiger worden, dan zal bij het ontbreken van wederzijds respect tussen sexe, (over de kwaliteit van het leven) een andere frictie ontstaan.
Na een plenaire sessie met dr. David Purdy en prof Paul Hirst startte om vijf uur het huishoudelijk gedeelte van het congres. Aan de orde kwam onder meer de datum en plaats van het zesde congres. Zowel Oostenrijk als Nederland willen het congres organiseren in september 1996. Oostenrijk wilde graag dat het deze keer dichtbij het voormalig Oostblok georganiseerd zou worden. Gezien de ontwikkelingen daar rond het basisinkomen en het kleine budget voor reizen van de mensen aldaar.
Voor Nederland is het congres in 1996 belangrijk omdat in dat jaar de regering een besluit neemt aan welke eisen het sociaal zekerheidsstels op langere termijn moet voldoen.
De derde dag begon om negen uur met een plenaire bijeenkomst met de resultaten van de studiegroepen. Daarna een bijenkomst met Ken Mayhew, adviseur van Citizens income trust en Jack Jones, algemeen secretaris van de Transport and General Workers Union. Na de koffiepauze gaven Guy Standing en Edwin Morley-Fletcher hun conclusies over de resultaten van het congres.
De onzin van "banen scheppen"
Een van de meer markante bijdragen aan het BIEN-congres van 1994 was de lezing "Reinventing the square wheel" door prof D. Macarov. Hierin opende deze de aanval op de heiligverklaring van de volledige werkgelegenheid. Zijn twee uitgangspunten hierover zijn:
Macarov wijst er op dat overheden aldoor maar tevergeefs proberen volledige werkgelegenheid te bereiken terwijl een reële vraag naar arbeid ontbreekt. De methoden om werk te verschaffen zijn altijd dezelfde (voornamelijk subsidies aan werkgevers die werklozen in dienst nemen en overheidsprojecten voor werklozen) en leveren nooit voldoende banen op.
Werkloosheid wordt ook bestreden door herverdeling van arbeid, nl. door het stimuleren van part-time banen, door verkorting van de werkweek, en door vervroegde pensionering.
Ondanks dit alles blijft de werkloosheid bestaan. De reden hiervan is de technische ontwikkeling. Deze maakt een hoge productie per werknemer mogelijk en is onmisbaar voor de economische groei. Het krampachtig streven naar volledige werkgelegenheid acht de auteur schadelijk. Het leidt tot hoge subsidies aan zieltogende ondernemingen. Het argument dat de producten van de in moeilijkheden verkerende bedrijven onmisbaar zijn, wordt daarbij nooit gehoord; alleen de arbeidsplaatsen zijn kennelijk van belang.
Bovendien leidt het in stand houden van zoveel mogelijk werkgelegenheid ertoe dat taken worden opgedeeld over meer mensen dan nodig zijn. Dit maakt banen oninteressant. De laatste jaren blijkt dan ook de arbeids-satisfactie voortdurend af te nemen. Men wil ook zo vroeg mogelijk stoppen met werken.
Gelukkig zijn er, volgens Macarov, een aantal organisaties die gericht zijn op een toekomst waarin werkloosheid een volledig geaccepteerd verschijnsel is. Dit zijn onder andere de Society for the Reduction of Human Labor (Iowa, USA) en het Basic Income European Network.
De conclusie is dat inkomen en arbeid los van elkaar zouden moeten staan, dat "niet werken" de norm moet worden, terwijl toch de voortbrengselen van de technologie aan iedereen ten goede moeten komen. Wordt hier niet naar gestreefd, dan zijn maatschappelijke wanorde en onlusten onvermijdelijk.
Gosling Putto.
Het lidmaatschap van de internationale organisatie BIEN kost 150,- per jaar. U ontvangt dan de Nieuwsbrief van BIEN Aanmelden kan via het secretariaat van de Vereniging Basisinkomen, Herman Heijermansweg 20 1077 WL Amsterdam Tel.: 020-5731803.
Vraag en antwoord
Dit is een nieuwe rubriek in de "Nieuwsbrief'. De bedoeling is om het debat tussen mensen, die over het invoeren van een basisinkomen nadenken, te stimuleren. En zodoende bij te dragen tot het realiseren van een goed doortimmerd systeem. We nodigen iedereen uit, om bijdragen te leveren voor deze rubriek of te reageren op de beantwoording van vragen.
De eerste brief: die hierbij aan bod komt is geschreven door een belangstellende uit Enschede, die de brochure "hoe? basisinkomen, zo!" gelezen heeft.
De redactie.
"Mijn eerste vraag betreft de premies van de werknemer. Volgens .. het boekje kunnen deze laag zijn omdat deze bedragen samen met het inkomen ontvangen worden. Dit begrijp ik niet. Worden verzekeringspremies meestal niet door de verzekeraars zelf bepaald? Hoe kunnen jullie dan garanderen dat ze laag worden?
In jullie boekje staat terecht, dat geld niet de enige drijfveer is om te gaan werken. Het onaangenaam werk zal bij de invoering van een basisinkomen anders geregeld moeten gaan worden. Hoe? Wie wil er nu onaangenaam werk doen als je een basisinkomen hebt?
Ook zijn jullie voorstander van afschaffing van het minimumloon na invoering. Dit lijkt me geen goede zaak. Afschaffing zou erg veel voordelen van invoering van een basisinkomen teniet doen. Bij invoering per categorie hebben jullie een leeftijdscriterium gezet van 18 jaar. maar wat gebeurt er met jongeren, die al dan niet bij hun ouders wonen? Krijgen die alleen kinderbijslag?"
In de brochure wordt verondersteld dat" de benodigde premies betrekkelijk laag kunnen zijn". De argumenten die leiden tot deze stelling zijn:
Als iemand straks kiest voor een bestedingsruimte die vergelijkbaar is met hetgeen men nu ontvangt, dan is er een minder hoge aanvulling nodig. Het bij te verzekeren bedrag kan dus lager zijn, en daarmee ook de premiestelling.
Het aantal mensen, dat dan voor dit werk beschikbaar is zal afhemen. Werkgevers worden daardoor min of meer gedwongen, om onaangenaam werk" aangenamer" te maken. Dat kan betekenen een beter productieproces (meer ventilatie, meer afwisseling etc.) eu/of een hogere beloning waardoor werknemers gemakkelijk kunnen kiezen voor een parttime aanstelling.
Er komt vervolgens een evenwicht. Als het werk minder onaangenaam wordt en het uurloon hoog is, zullen er wel werknemers zijn, die (parttime) het werk gaan verrichten.
Overigens: wij hebben het vermoeden, dat door de verbeterde onderhandelingspositie van werknemers (zoals in punt 2 geschetst is) de beloning met name aan de onderkant van het loongebouw omhoog gaat nadat een basisinkomen is ingevoerd.
Saar Boerlage.
Een stortvloed van artikelen over het basisinkomen
Door uitlatingen van ministers Wijers (EZ) en Zalm (Fin.) in december van het afgelopen jaar werd het basisinkomen plotseling nieuws voor de voorpagina's.
Ruim dertig verschillende kranteknipsels bereikten de redactie van de Nieuwsbrief. De meeste hiervan kwamen uit het NRClHandelsblad. De rest uit Trouw, de Gelderlander, de Volkskrant, het Algemeen Dagblad, de Haagse Courant en het Parool. Lezers van andere kranten worden hierbij uitgenodigd om ons in de toekomst ook eens interessante knipseltjes over het basisinkomen toe te sturen.
Uit de commentaren blijkt onder andere dat het begrip "basisinkomen" verre van eenduidig is. Desalniettemin overtreffen de tegenstanders ervan de voorstanders in aantal. Zij wijzen er met groot enhousiasme op dat het basisinkomen "onbetaalbaar" is, dat het "het minimumloon aantast", dat het strijdig is met het beginsel dat "iedereen die dat kan moet werken voor de kost" en dat het "asociaal" is. Ook luidt een commentaar, dat het basisinkomen er toe leidt dat "één miljoen mensen uitkomt op een uitkering van driehonderd tot vierhonderd gulden". Verder schijnt het basisinkomen" een uitvinding van de PPR" te zijn, alsmede "het einde van de solidariteit" en ook "te weinig voor wie het nodig heeft en te veel voor wie het niet nodig heeft".
Sommige tegenstanders vinden het basisinkomen "te hoog" (en dan is het "te duur"), anderen vinden het "te laag" (want er valt niet van te leven) en nog anderen zijn zeer onzeker en vinden het "te hoog of te laag" (of men wil niet meer werken of men kan van een basisinkomen niet rondkomen).
Onder de ingekomen knipsels waren er vijf met redactionele commentaren. De redactionele houding: "goed idee" ziet men bij NRC en Trouw, "weet niet" bij Gelderlander en Haagse Courant en "slecht idee" bij het Algemeen Dagblad.
Men zou kunnen verwachten dat de argumenten van de tegenstanders van een basisinkomen rigoureus van tafel zouden worden geveegd door de voorstanders, maar daarvan is geen sprake. Argumenten vóór het basisinkomen worden hoofdzakelijk door neutrale commentatoren opgesomd.
De voorstanders die in de artikelen aan het woord komen spreken zelden iemand tegen en openbaren hun eigen visie op het basisinkomen of geven uiting aan hun twijfel omtrent de haalbaarheid van de invoering ervan.
Joop Roebroek (Gelderlander, 24-12-'94) ziet als verdienste van het basisinkomen dat het de discussie over betaalde en onbetaalde arbeid en burgerschap een nieuw leven kan inblazen.
Sytze Faber (NRC, 29-12-'94) verwijt CDA-kamerlid De Jong dat hij niet lijkt in te zien, dat een basisinkomen goed aansluit bij het evenwicht dat christen-democraten nastreven tussen persoonlijke verantwoordelijkheid en solidariteit; hij acht het basisinkomen een goed middel tegen het ontstaan van een onderklasse.
Robert van der Veen (NRC, 10-1-'95) signaleert onoverkomelijke morele bezwaren van de Nederlanders tegen het basisinkomen en acht thans invoering op zowel korte als lange termijn niet haalbaar. Het basisinkomen is nu eenmaal niet simpel te rechtvaardigen. Het kan daarom het beste gepropageerd worden als middel voor twee doelen: het voorkomen van armoede en het spreiden van de participatie in betaald en onbetaald werk.
Van Schilfgaarde (NRC, 19-1-'95) stelt dat een basisinkomen de doelstellingen van individualisering, sociale stimulering, verdeling van werk, verhoging van participatiekansen en doorbreking van isolement helpt te bereiken. De haalbaarheid van invoering acht hij gering als gevolg van de heersende politieke verdeeldheid. Als geschikte voorbereiding op de invoering van een basisinkomen ziet hij het tussentijds invoeren van een "contractueel basisinkomen". Dat is de vrijwillige keus voor een uitkering die wel lager is dan de bijstand, maar waarop niet gekort wordt bij bijverdiensten.
Gosling Putto.
Wat voor monomane eenzijdigheden of bizarre contradicties de tegenstanders van het basisinkomen ook debiteren, toch wordt door de voorstanders hun psyche doorgrond en hun houding gebillijkt.
De te hoogllaag/duur-roepers baseren zich op de hedendaagse werkelijkheid, en wel op het hen omringende deel daarvan.