NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

 

nummer 13 juli 1995

issn: 09243038

Inhoudsopgave

Basisinkomen bewerkstelligt rechtvaardige inkomensverhoudingen

Financieringsbronnen voor een basisinkomen

Inleiding

Kritiek op de huidige heffingssystematiek

Implicaties van een basisinkomen

Ontkoppeling tussen arbeid en inkomen

Nivellering van inkomens van individuen

Toename van het rondpompen van geld

Nivellering van arbeidsaanbod

Beoordeling van financieringsbronnen

Conclusies

Literatuur

Groei van de uitzendwerkgelegenheid

 

Basisinkomen bewerkstelligt rechtvaardige inkomensverhoudingen

De discussie over de invoering van een basisinkomen begint op serieus vaarwater af te koersen. Gebleken is in de afgelopen weken dat vooral gedegen uitkeringsvormen de aandacht krijgen zoals de negatieve inkomstenbelasting, welke goed geïntegreerd kan worden in het bestaande belastingsysteem.

Ook aan de financieringskant duikt steeds vaker de fundamentele productieheffing over de toegevoegde waarde op, waarbij arbeid goedkoper wordt.

Een relatieve verlaging van de arbeidskosten maakt zaken goedkoper als human capital, opleiding en training, onderzoek en ontwikkeling: alle factoren die aan de basis staan van technologische vernieuwing, de economische motor welke uiteindelijk de betaalbaarheid bepaalt van een basisinkomen of welk ander stelsel dan ook.

Meer aandacht vandaag de dag voor structurele vragen en oplossingen betekent een stap vooruit ten opzichte van de beleidsmatige discussie in de jaren tachtig, welke vooral werd gedomineerd door het WRR-voorstel uit 1985 voor een gedeeltelijk basisinkomen, gelijk aan het verschil tussen het sociale minimum van een alleenstaande en dat van een echtpaar. Het voorstel was met name aan de uitkeringskant zeer beperkt van doelstelling, namelijk het vermijden van de inkomenstoets voor partners bij verschillende sociale zekerheidsregelingen. Het voorstel was niet ingebed in een strategische visie voor een uitgebreider basisinkomen op langere termijn. De uiteindelijke uitvoering zou een ad-hoc-achtig samenspel moeten worden tussen werkgevers en overheid.

Op één aspect is in de strategische discussie tot nu toe nog erg weinig ingegaan. Het betreft de inbedding van het basisinkomen in de inkomensontwikkelingen, welke reeds geruime tijd worden gedomineerd door het proces van individualisering in de samenleving. Geleidelijk begint het besef door te dringen dat de invoering van een basisinkomen, gelijk arbeidstijdverkorting, in essentie een herverdeling inhoudt van werk en inkomen. Over de herverdeling van werk (betaald en onbetaald) is inmiddels veel zinnigs geschreven. Greep krijgen op de herverdeling van inkomen bij een basisinkomen blijkt een stuk lastiger. Iedereen kan zien dat er voorstellen aan de orde zijn die het gehele inkomensgebouw betreffen en verder reiken dan het stelsel van sociale zekerheid. Niettemin beperken vele betalingsvoorstellen zich tot een herverdeling binnen de sociale zekerheid, waarbij bijvoorbeeld bovenminimale regelingen worden opgeofferd voor een verbreding aan de onderkant. Een absoluut dieptepunt in dit soort discussies zijn de bijdragen op de achterkant van een sigarendoos van de Groningse hoogleraar De Kam.

Er worden ook financieringsvoorstellen gedaan die verder reiken dan een reshufiling binnen het stelsel van sociale zekerheid. Zo worden in diverse publicaties van de Vereniging Basisinkomen voorstellen uitgewerkt voor basisinkomens welke weliswaar van hoogte verschillen, maar waarbij de financiering steeds uit vier bronnen wordt bijeengebracht: herbestemming van uitkeringsbedragen, belastingmaatregelen zoals de opheffing van de bestaande belastingvrije voet en een aantal aftrekposten, subsidievermindering en inverdieneffecten zoals kostenbesparing op de administratie en uitvoering van de sociale zekerheid. De bedoeling van dit soort voorstellen is te laten zien dat het basisinkomen kan worden ingevoerd zonder een beroep te doen op extra middelen uit de schatkist. Dit soort analyses zijn belangrijk, ook wel voorstelbaar, maar erg op de overheid georiënteerd en voorbijgaand aan de effekten op de categorale, maar vooral de personele inkomensverdeling in Nederland.

In de verschillende inkomensoverzichten van het CPB in de afgelopen jaren wordt steeds meer rekening gehouden met demografische en sociaal-economische veranderingen in de samenleving. Vooral de sociaal-economische factoren zijn in dit verband interessant, met name de gevolgen van het individualiseringsproces in de samenleving. Steeds meer inkomensgerechtigden zijn van ditindividualiseringsproces het gevolg, niet alleen door het vergrote aanbod van (gehuwde) vrouwen op de arbeidsmarkt, maar ook door het groter aantal zelfstandige huishoudens met recht op een eigen inkomen (bijvoorbeeld eerder zelfstandig wonende jongeren). In de reeds lange tijd geldende minder rooskleurige arbeidsmarktsituatie komt recht op een inkomen vaak neer op recht op een uitkering.

De druk op de collektieve sektor nam stevig toe. Cijfers wijzen uit dat deze druk tot aan de jaren tachtig vooral is opgevangen door een verlaging van de winstinkomens van bedrijven. Daarna heeft met name de overheidssector een stapje terug gedaan, zowel wat het overheidsbudget betreft alsmede later ook de uitgaven voor uitkeringsgerechtigden.

Verder werd in deze periode een deel opgebracht door de besteedbare looninkomens via belasting- en premieverhogingen. Relatief zijn laatstgenoemde besteedbare looninkomens in deze categorale inkomensverdeling evenwel toch gespaard gebleven. Immers, de andere kant van de medaille van groeiende aantallen inkomensgerechtigden is een kleiner aantal mensen dat gemiddeld genomen afhankelijk is van een bestaande inkomensgerechtigde.

Heel concreet, bovengenoemde individualiseringstendenzen hebben mede geleid tot een stevige gezinsverdunning in de Nederlandse samenleving (bijvoorbeeld 3,2 personen per huishouden in 1970 en ongeveer 2,4 nu), terwijl het aantal inkomens per huishouden in deze hele eeuw constant is gebleven (1,7).

Dit betekent in de eerste plaats een verschuiving in afhankelijkheid van de niet (betaald) werkenden van de traditionele kostwinner in kleine kring naar de centrale overheid, met alle kosten voor het stelsel van sociale zekerheid vandien. Verder betekent het ook dat gemiddeld genomen van elk in Nederland verdiend inkomen minder mensen afhankelijk zijn, zodat inkomens tenderen van kostwinnersinkomens naar individuele inkomens.

Dat zou ook consequenties moeten hebben voor het (besteedbaar) inkomensniveau, maar daarvoor zijn de feitelijke belasting- en premieverhogingen van de afgelopen tijden zeker niet toereikend. In het zojuist genoemde voorbeeld zou een gemiddelde inkomensdaling van 25% ten opzichte van 1970 noodzakelijk zijn om het gemiddelde inkomensniveau van een huishouden over deze periode van 1970 tot nu toe constant te houden.

Het gaat hier om een gemiddeld percentage op nationaal niveau, het zal duidelijk zijn dat dit percentage voor individuele huishoudens met een looninkomen en twee- of meerverdienershuishoudens gemiddeld hoger zou moeten liggen.

Duidelijk is ook dat daar in het inkomensbeleid onvoldoende rekening mee is gehouden, zodat de personele inkomensverschillen als gevolg van dit individualiseringsproces zijn vergroot, met name in het nadeel van de traditionele kostwinnershuishoudens. De koopkrachtberekeningen van het CPB wijzen ook in deze richting. Immers, over het algemeen wordt slechts een gering aandeel in de spreiding van koopkrachtmutaties veroorzaakt door veranderingen in lonen, belastingen en premies. Een grotere invloed ligt bij wijzigingen in de sociaal-economische categorie (werknemers, zelfstandigen, werklozen, gepensioneerden, etcetra). Centraal staan evenwel wijzigingen in de huishoudomvang en in het aantal personen met een inkomen per huishouden.

Wat betekent dit nu allemaal voor de invoering van een basisinkomen, specifiek de financiering ervan? Een extra-aanslag op het overheidsbudget ligt niet erg voor de hand. Ook de bedrijven dienen te worden ontzien. Hier zal slechts een relatief geringe reshuflling plaatsvinden tussen arbeids- en kapitaalsintensieve ondernemingen wanneer een of andere vorm van productieheffing over de toegevoegde waarde wordt ingevoerd. Blijven over de particuliere inkomens.

Dat is hierboven aannemelijk gemaakt, temeer daar de verstrekking van een basisinkomen aan eenieder het individualiseringsproces in een enorme stroomversnelling brengt.

De beste manier om dit aan te pakken is niet het verhogen van allerlei heffingen, maar het aanhouden, consequent, wellicht jarenlang, van een nullijn ofwellicht zelfs minlijn, in de afte sluiten CAO's. De lagere inkomens kunnen daarbij worden ontzien door een goed uitgekiende regeling voor een negatieve inkomstenbelasting. Op deze wijze is niet alleen de financiering van het basisinkomen geregeld, maar groeien we langzamerhand weer toe naar eerlijkere inkomen,sverhoudingen. Dat zou de PvdA toch aan moeten spreken!

Jan Stroeken.

De auteur is als econoom verbonden aan de ingenieursopleiding Techniek en Maatschappij van de TU Eindhoven en is in 1986 op het basisinkomen gepromoveerd.

 

Financieringsbronnen voor een basisinkomen

Studiedag Vereniging Basisinkomen 9 december 1994

Drs. G. den Broeder De auteur is wetenschappelijk directeur van Magnana Mu Publishing & Research.

Een van de meest omstreden aspecten van een basisinkomen betreft de mogelijkheden tot financiering ervan. In deze tekst gaat de auteur in op de voor- en nadelen van verschillende denkbare financieringswijzen, en de economische effecten die het gevolg kunnen zijn van de gemaakte keuze.

 

Inleiding

Voor een bezoeker van de planeet Pluto die vanuit z'n ruimtescheepje onze huidige systematiek van belastingen en sociale.; premies heffen in ogenschouw neemt, valt onmiddellijk op hoe zwaar wij de factor arbeid belasten.

Een veel bredere schouderpartij als het netto binnenlands produkt hoeft aanzienlijk minder bij te dragen. Zelf halen wij als doorgewinterde aardbewoners onze schouders hierbij op, voorzover we daar nog toe in staat zijn. De situatie is historisch zo gegroeid. Vooral bij sociale verzekeringen lijkt het altijd zo logisch, om de verzekerde met de premie op te zadelen.

Zodoende komt er maar zelden iemand op het idee, dat er wellicht ook alternatieven bestaan, die voor de samenleving als geheel veel zinvoller zijn. Vanuit een ruimteschip is het' bestaan van zulke alterenatieve heffingsmogelijkheden op deze aardkloot veel beter waar te nemen. Ik nodig u daarom uit, met ons allen in de shuttle te stappen die ons omhoog brengt voor een rendez-vous met deze unieke uitkijkpost. Het voorstel tot herverkaveling van onze nationale koek via de introductie van een basisinkomen biedt een mooie gelegenheid om ook het belasting- en premiestelsel in Nederland onder de loep te nemen. Het is m feite een tweede kans, een kans om met een schone lei opnieuw te beginnen. Laten we dan de fouten uit het verleden vermijden.

In mijn bijdrage aan deze studiedag zal ik allereerst mgaan op de problemen die zijn verbonden aan het huidige belasting- en premiestelsel, met zijn voorkeur voor het belasten van arbeid. Als het dan vervolgens gaat om de financiering van een basisinkomen, dient rekening te worden gehouden met de consequenties die een basisinkomen ten allen tijde heeft op de economische verhoudingen. Het betreft hier consequenties die vrijwel onvermijdelijk zijn, grotendeels onafhankelijk van de precieze invulling van het basisinkomen, waar we vanmiddag twee uitwerkingen van zullen zien, en van de gekozen financiermg. Tevens zullen we ons moeten realiseren dat er een aantal sociaal-economische wetten bestaan die beperkingen opleggen aan zowel de hoogte van het basisinkomen als aan de inzetbaarheid van in aanmerking komende financieringsbronnen. Verder heeft elke financieringswijze zo z'n gevolgen voor belangrijke economische grootheden als de vraag naar arbeid.

Wat ik vanochtend niet hoef te doen, is de sociale voordelen van een basisinkomen op te sommen. Ik kan wel, als daar tijd voor is, aan de hand van enkele modelberekenmgen, laten zien dat een weloverwogen financiermgsmethode een belangrijke bijdrage kan leveren aan het bevorderen van de werkgelegenheid.

 

Kritiek op de huidige heffingssystematiek

Stelt u zich voor dat onze held van Pluto een basis wil inrichten in mianport Holland, en hij overweegt ons gezelschap aan te nemen als personeel. Da's mooi, zult u zeggen, dat scheelt vadertje Staat een X aantal uitkermgen. Maar onze man van de buitenplaneet kijkt wel linker uit. Want wat gebeurt?

In plaats van dat de staat hem voor deze geste beloont, wordt onze vriend bestraft doordat hij per mgehuurde arbeidskracht ook nog eens premies moet afdragen om te helpen voorzien m het inkomen van het werkloze personeel van de basis voor Neptunus (logisch, natuurlijk, want Neptunus is uiteraard onbewoond) en voor groen geworden mijnwerkers die terugkeren van Mars. En dat terwijl er in feite minder premies nodig zijn. Een handelaar van Pluto, die een behoorlijke omzet kan verwachten, wil best bijdragen aan het collectief: maar dat hij meer moet afdragen naarmate hij meer werkgelegenheid schept, wil er bij hem niet m. Hij overweegt dan ook, de voorkeur te geven aan nikkelen driepoten uit Luna City boven ons, want mechanische werknemers hebben dit nadeel niet.

Hoe meedogenloos de huidige systematiek uitpakt hebben we de afgelopen 15 tot 20 jaar wel gemerkt. Hoge arbeidskosten leiden tot werkloosheid, en dus tot hogere premies, waardoor arbeid nog duurder wordt en nog sneller wordt uitgestoten, de spiraal houdt niet op. Het antwoord van regermgszijde was eenzijdig: vermindermg van uitkermgsrechten, ofwel het straffen van de slachtoffers. Dit heeft slechts een enkel voordeel opgeleverd: het aantal mensen dat iets ziet m een basisinkomen neemt langzaam maar zeker toe.

Even nuchter beschouwd, is de fout die kleeft aan de huidige wijze van heffen, dat de zwaarste lasten worden gelegd op een produktiefactor - arbeid - die overvloedig beschikbaar is, terwijl de middelen die schaars zijn en waar we eigenlijk zuinig mee om zouden moeten gaan, zoals land, grondstoffen en energie, of meer in het algemeen natuur en milieu, voor de gebruiker relatief goedkoop blijven. Het valt ondernemers niet kwalijk te nemen, dat zij de weg van de mmste weerstand kiezen en technieken inbrengen, die vooral op arbeid besparen, hoewel dat maatschappelijk ongewenst is. Van regermgszijde is het tegenwoordig mode om te stellen, dat je als overheid zo weinig invloed hebt op de economie. Het tegengestelde is waar, doch men neemt de eigen verantwoordelijkheid niet. Alleen al door de belastingheffing voor de AOW te verschuiven naar een neutrale grondslag als de netto toegevoegde waarde, zoals wordt voorgesteld in het verkiezingsprogramma van Groen Links, kan de bestaande werkgelegenheid blijvend aardig worden verhoogd. Een berekening, gemaakt met het model AMO-K van de Nederlandse economie, laat een positief effect van 50.000 arbeidsjaren zien (Den Broeder, 1992).

 

Implicaties van een basisinkomen

Wie wil nadenken over de financieringsmogelijkheden van een basisinkomen, zal rekening moeten houden met enkele gevolgen van een basisinkomen voor de inrichting van onze economie die onvermijdelijk zijn. Veel effecten zijn sterk afhankelijk van de gekozen financieringswijze, maar dat geldt minder voor de volgende:

Dit heeft consequenties voor de bruikbaarheid van sommige financieringsbronnen.

 

Ontkoppeling tussen arbeid en inkomen

Een logisch gevolg van een basisinkomen waar geen tegenprestatie in de vorm van contractarbeid tegenover staat, is dat er minder geld overblijft om uit te betalen in de vorm van een directe beloning voor arbeidsprestaties. Met andere woorden: de netto loonsom zal grosso modo worden gehalveerd. Dat dit onafhankelijk is van de financiering van het basisinkomen, volgt uit twee heel belangrijke economische wetten: de wet van koopkrachtbehoud en de wet van de communicerende vaten.

De koopkracht van al onze gezamenlijke netto inkomens is precies gelijk aan de waarde van de produkten die er te koop zijn. Al halen we al ons spaargeld van de bank en steken we ons diep in de schulden, als het laatste produkt gekocht is, is de rest van onze bankbiljetten niets meer waard. Proberen we nu een basisinkomen in te voeren zonder bestaande netto inkomens aan te tasten, dan treedt er vanzelf inflatie op op het moment dat we dit extra geld proberen uit te geven, of de schappen in de winkels zijn op een gegeven moment gewoon leeg. Kortom: alle netto inkomens zijn dan in werkelijkheid minder waard dan we op papier even dachten. Heel wat ontwikkelingslanden zijn aan deze illusie kapot gegaan.

De Wet van de communicerende vaten zegt dat de verdeling van netto inkomens tussen categorien uitsluitend wordt beinvloed door marktspanningen. Van belang is dat partijen bij bijvoorbeeld CAO-onderhandelingen enkel zijn geinteresseerd in wat ze er netto uitslepen: dat bepaald immers hun koopkracht. Noch bruto bedragen, noch de af te dragen belastingen en premies die bruto verminderen tot netto, hebben daarbij enige zelfstandige betekenis (behalve voorzover ze door de verzekerde als onderdeel van het eigen netto inkomen worden ervaren).

Het maakt bijvoorbeeld niets uit of we iets belasting, werknemerspremie of werkgeverspremie noemen, en economische modellen die per naam verschillende effecten kennen deugen niet. Het enige dat telt is de te verdelen netto poet, de rest zijn de onderhandelaars toch al kwijt. We kunnen proberen de uitkomst van de onderhandelingen te beinvloeden door water van het ene in het andere vat te schenken, bijvoorbeeld door werknemerspremies naar werkgeverspremies over te hevelen, maar dit water kan gemakkelijk terugvloeien door een aanpassing van het bruto loon, dat als open verbinding fungeert. Dit proces wordt met een meer geladen woord ook wel afwenteling genoemd.

Bijgevolg wordt de verdeling tussen netto lonen en netto winsten uitsluitend bepaald door de macht die elk van de onderhandelende partijen bezit om in elkanders vat te knijpen en zo te doen overlopen. Deze macht wordt enigszins aan banden gelegd door de wet (via bijvoorbeeld minimumloon en stakingsrecht), maar in essentie ligt de meeste macht aan de kant om wie gevochten wordt. Zo leidt een krappe arbeidsmarkt tot looneisen, en werkloosheid tot loonmatiging. Bevindt de meeste werkloosheid zich, zoals thans, aan de onderkant van de arbeidsmarkt, dan treedt er al gauw denivellering op: het verschil tussen hoge en lage lonen wordt groter.

Essentieel is ook de goederenmarkt. Stel dat we toch proberen een basisinkomen te introduceren zonder de netto lonen te verlagen. We weten inmiddels dat de totale koopkracht hierdoor niet echt toeneemt, maar wellicht kunnen we per saldo toch iets in het voordeel van de werknemers doen. Ook dan komen we bedrogen uit: de extra vraag naar consumptiegoederen, in combinatie met geringere investeringsmogelijkheden als gevolg van lagere winsten, leidt al snel tot prijsstijgingen, die de oude inkomensverhoudingen in ere herstellen. Iets soortgelijks gebeurt als we het basisinkomen zo hoog maken, dat er op de arbeidsmarkt een groot aanbodtekort ontstaat. De looninflatie die daaruit voortvloeit holt de waarde van dat hoge basisinkomen als vanzelf uit.

De beide wetten, van het koopkrachtbehoud en van de communicerende vaten, zijn behoorlijk sterk. Dat betekent niet dat het helemaal onmogelijk is om de economische groei of een natuurlijke categoriale inkomensverdeling te b einvlo eden, maar vooralsnog zullen we er rekening mee moeten houden dat bij invoering van een basisinkomen, de netto inkomsten uit arbeid navenant zullen dalen.

 

Nivellering van inkomens van individuen

Als we dan toch erkennen dat de netto lonen dalen, kunnen we dat maar beter meteen netjes regelen. Twee varianten dringen zich op:

  1. Alle netto lonen gaan met hetzelfde bedrag omlaag
  2. Alle netto lonen gaan met hetzelfde percentage omlaag.

Op minimumniveau is het verschil tussen deze twee aanzienlijk: in de eerste variant wordt laaggekwalificeerde arbeid nagenoeg gratis, in het tweede geval zullen alle netto lonen ruwweg tot de helft inkrimpen. Het lijkt alsof we voor een gewichtige keuze staan, maar opnieuw bedriegt de schijn. Als laaggekwalificeerde arbeid nagenoeg gratis wordt zal vrijwel niemand zich daarvoor aanbieden. Men kan immers terugvallen op het basisinkomen. Tegelijk loopt de vraag van ondernemers naar zulke arbeid juist enorm op. Het gevolg zal zijn dat de lonen onderin de arbeidsmarkt gaan stijgen totdat vraag en aanbod wat meer in evenwicht zijn.

De eindsituatie ligt waarschijnlijk ergens tussen beide varianten in, en is onafhankelijk van het startpunt. Echter: hoe dichter we bij variant 2 uitkomen, hoe meer de mensen met de laagste inkomens er bij een basisinkomen op vooruit gaan, en de mensen met de hoogste inkomens moeten inleveren.

Het is dus vrijwel zeker dat er een flinke mate van inkomensnivellering plaatsvindt, of het moet zo zijn dat we de belastingen en premies die we eventueel nog op inkomsten uit arbeid leggen, voornamelijk bij de laagste inkomens plaatsen, maar daar ga ik maar even niet van uit. Het mooiste zou wellicht zijn als er sprake is van nivellering van netto lonen, in combinatie met denivellering van arbeidskosten. Als de kosten van laaggekwalificeer.de arbeid procentueel sterker dalen, is dat immers gunstig voor de vraag naar arbeid in dat segment, en dat is een welkom neveneffect gezien de hoge werkloosheid aldaar.

 

Toename van het rondpompen van geld

Een basisinkomen, dat voldoende is om van te leven, leidt bijna onvermijdelijk tot een omvangrijkere herverdeling van inkomens dan bij het huidige stelsel van sociale zekerheid. Alleen als het basisinkomen op een absoluut minimum wordt gezet, alle bovenminimale verzekeringen verdwijnen en sterk op subsidies wordt geknot, is dit misschien te vermijden. In alle andere varianten zal de collectieve-lastendruk stijgen.

Dit zit ‘m slechts gedeeltelijk in de basisinkomens die worden toegekend aan mensen met een betaalde baan, want hun basisinkomen kan direct worden verrekend met hun loonbelasting. Voor velen, maar dit hangt uiteraard wel af van de financieringsbronnen waar we voor kiezen, zal er per saldo een te betalen bedrag overblijven. Een belangrijke verandering is echter gelegen in de basisinkomens voor mensen, die thans geen inkomsten uit arbeid en geen uitkering hebben.

Het is dus zo goed als onvermijdelijk dat er meer geld zal moeten worden rondgepompt dan nu, en het mag bekend worden verondersteld dat ook nu al veel lieden de lastendruk aan de hoge kant vinden. Nu is er iets vreemds aan de hand met het begrip collectieve-lastendruk, want behalve op het hoofd van de Minister van Financien drukt deze in werkelijkheid op niemand.

Mensen hebben alleen te maken met individuele lastendruk. Die is bovendien over vele zaken gespreid en veroorzaakt lang niet altijd problemen, zeker niet zolang men er van overtuigd is dat er goede bestemmingen mee zijn gemoeid. Economisch gezien zijn er drie redenen te verzinnen waarom lasten te hoog kunnen zijn:

  1. De marginale lasten komen in de buurt van de 100% of overstijgen deze zelfs. Dit komt thans nogal eens voor bij mensen die van een uitkering overgaan naar een betaalde baan. Een dergelijke armoedeval is uiteraard bijzonder ftustrerend en heeft invloed op de effectiviteit van arbeidsaanbod.
  2. De lasten veroorzaken een sterke wig tussen netto en bruto. Op de arbeidsmarkt zien we dat de produktiviteitseisen, waar een werknemer aan moet voldoen om voor de werkgever betaalbaar te zijn en toch nog een redelijk netto loon over te houden, al behoorlijk uit de hand zijn gelopen. Een groot aantal mensen met mindere kwalificaties is daardoor kansloos op de reguliere arbeidsmarkt (vgl. Cool, 1994).
  3. De totale lasten zijn zo hoog dat zwart opereren aantrekkelijk wordt. Veel hangt hierbij af van de controlemogelijkheden van de wetgever, en sommige economische sectoren leneti zich beter voor zwarte activiteiten dan andere. Overigens is zwart werk niet per definitie schadelijk: vaak gaat het om onderhoudsklussen, die anders niet zouden worden uitgevoerd, met op termijn kapitaalvernietiging tot gevolg.

Uit dit alles volgt, dat het uitermate. belangrijk is waar de lasten precies worden gelegd. De rek op de arbeidsmarkt lijkt er uit, maar dat geldt niet automatisch ook voor andere potentile financieringsbronnen. Het is dus niet op voorhand onhaalbaar dat de collectieve lastendruk zou kunnen stijgen.

 

Nivellering van arbeidsaanbod

We hebben al geconstateerd dat bij de invoering van een basisinkomen de inkomsten uit arbeid". in hun totaliteit omlaag zullen gaan. Voor diegenen die thans werk hebben, betekent dat dat de netto opbrengst van het laatste uur arbeid geringer is dan voorheen. Zeker als er ook nog sprake is van een partner die voordien geen inkomen had en nu in elk geval een basisinkomen, wordt het dus aantrekkelijker om dat laatste uur, of die laatste paar uren, om te zetten in vrije tijd. Een basisinkomen stimuleert dus arbeidstijdverkorting door mensen. die werk hebben. Daar staat tegenover, dat voor mensen die nu een uitkering ontvangen en te maken hebben met de zogenaamde armoedeval, de netto inkomsten van een eerste uur arbeid opeens een stuk interessanter worden. Met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt is dit van belang, ook al omdat we een nivellering van netto lonen verwachten.

Beide effecten kunnen elkaar nog versterken als ze binnen hetzelfde gezin optreden. Vermoedelijk is echter het eerste effect groter dan het tweede, zodat het totale arbeidsaanbod zal dalen. Dat is niet erg, omdat er vooralsnog ruim voldoende reeel arbeidsaanbod is. De diversiteit van het effect op het arbeidsaanbod leidt er in elk geval toe, dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt behoorlijk wat extra werkgelegenheid nodig blijft; we hebben al gezien, dat hiervoor juist dankzij het basisinkomen goede mogelijkheden aanwezig zijn. Bijsturing via progressieve tarieven en vooral belastingvrije voeten blijft altijd mogelijk.

 

Beoordeling van financieringsbronnen

Na al deze bespiegelingen in hogere sferen wordt het tijd dat we weer in de shuttle stappen om naar de harde dagelijkse werkelijkheid van de planeet Aarde terug te keren. Na onze vriend van Pluto te hebben uitgezwaaid gaan we, gewapend met de modernste metaaldetectoren, op zoek naar alle mogelijke financieringsbronnen die ons in onze strijd voor een betere wereld ook maar enigszins van nut kunnen zijn. We weten inmiddels dat er veel nodig is en dat niet alles even bruikbaar is.

Laten we proberen om deze wetenschap om te zetten in heldere criteria die het nut van een financieringsbron. kunnen helpen aangeven. Dan stel ik in elk geval de volgende voor:

Het feitelijke bereik van een financieringsbron wordt dus in eerste instantie bepaald door de draagkracht, maar kan in de praktijk lager liggen als er sprake is van onzekerheden of problemen in de uitvoering.

Naast deze hoofdcriteria is er natuurlijk niemand die ons verhindert om te kijken of er aan de diverse financieringsbronnen nog bepaalde neveneffecten zijn verbonden, en of we deze al dan niet wenselijk achten. Heffingen betekenen namelijk prijsverhogingen en zowel producenten als consumenten hebben de neiging, hun kosten te beperken. Via afwenteling hebben heffingen ook invloed op de inkomensverdeling tussen individuele producenten en consumenten. Bij mij dringen zich dan drie onderwerpen op, waar ik een heffingsmethode graag op zie scoren: werkgelegenheid, herverdeling van inkomens en het milieu.

In het achtergrondpaper voor deze studiedag, dat jullie natuurlijk allemaal gelezen hebben, wordt al een opsomming gegeven van mogelijke bronnen voor financiering, ingedeeld naar bedrijven en gezinnen, alsook naar bestedingen, inkomens en vermogens. Een nuttig overzicht, waar ik overigens nog enkele aan toe wil voegen.

  1. Loon. Een bron, die zich m de praktijk heeft bewezen, zou je kunnen zeggen, en die dan ook tot de laatste druppel wordt aangesproken. Het probleem doet zich echter voor, dat de draagkracht juist door mvoerÛ1g van het basisinkomen wordt aangetast: de netto loonsom zal immers dalen. Hogere loonkosten gaan, via substitutie door andere produktiefactoren zoals grondstoffen en nikkelen driepoten uit Luna City, helaas ten koste van zowel de werkgelegenheid als het milieu. Progressieve tarieven en vrije voeten kunnen inkomensnivellering bevorderen.
  2. Winst. In veel andere landen is de wmstbelastmg hoger dan bij ons; hier valt dus nog iets te halen. Een nadeel is, dat wmsten van jaar op jaar nogal fluctueren.
  3. BTW en accijnzen. Een bron met maximale draagkracht, maar we zijn aan strikte regels gebonden van de zijde van Europa, ter voorkoming van concurrentievervalsmg. Zoals bekend is export vrij van BTW. Bij accijnzen is vluchtgedrag van consumenten naar het buitenland niet ondenkbeeldig. De ruimte tot verhoging (of verlaging) is dus relatief gering.
  4. Heffing toegevoegde waarde. Een nieuwe financieringswijze. Deze lijkt sterk op de bekende BTW, maar het verschil is dat export niet is vrijgesteld, maar import wordt afgetrokken. Een HTW heeft dan ook de goedkeuring van de Europese Commissie. De netto toegevoegde waarde omvat zowel lonen als winst, rente, pacht en andere rechten, is daarom neutraal voor de keuze tussen produktiefactoren en ook heel stabiel in de tijd. Uitvoering is tamelijk simpel door aan te sluiten bij het bestaande BTW-systeem. Bijkomende aspecten zijn een nivellering van netto wmsten, en een gunstig klimaat voor starters en voor research: men draagt immers pas premies af op het moment dat er toegevoegde waarde ontstaat, dus een mislukking is niet zo gauw fataal als nu. Diverse subsidies en kredietfaciliteiten zouden eventueel kunnen vervallen.
  5. Energieheffing. Een bron die er toch al aan zit te komen, met redelijke opbrengstmogelijkheden en natuurlijk gunstig voor een duurzame ontwikkeling. Producenten zullen proberen op energie te besparen en in plaats daarvan meer arbeid inzetten. De substitutiemogelijkheden zijn niet heel erg groot, waardoor deze financieringsbron nog vrij stabiel is. Een vrije voet voor consumenten is voorstelbaar, anders zijn mensen met lage inkomens de klos.
  6. Milieuheffingen. Met evidente voordelen, maar weinig geschikt voor structureel gebruik omdat zulke bronnen, dat is tenminste de bedoeling, snel opdrogen.
  7. Onroerende zaken. Het summum van stabiliteit. In de praktijk wordt van deze bron dan ook ruim gebruik gemaakt. Wel is het zo, dat onroerende zaken voor de meeste gemeenten een belangrijke bron van inkomsten zijn. Voor verhogingen ter financiering van een basisinkomen is dan minder ruimte over, maar zeker niet nul.
  8. Vermogensbelasting. Nederlandse individuen en ondernemingen beschikken natuurlijk over heel wat vermogen; alleen al het gewone spaargeld is ruwweg de helft van het jaarlijkse binnenlands produkt. Vermogens kunnen echter minder hoog belast worden dan inkomens of bestedingen, want dan zijn ze snel op. Bovendien kunnen ze relatief gemakkelijk naar het buitenland worden verplaatst. Belasten van vermogens (en dus van kapitaal) is wel gunstig voor de concurrentiepositie van arbeid als produktiefactor.
  9. Vermogensgroeibelasting. Nederland kent, in tegenstelling tot veel andere landen, geen belasting op vermogenswinsten (tenzij uit aanmerkelijk belang). Hier is dus iets mogelijk. De bron is echter uitermate instabiel in de mogelijkheden tot ontwijking zijn legio. Een uitzondering hierop lijkt een belasting op grondspeculatie.
  10. Afschaffen subsidies. Om de collectieve-lastendruk te beperken, een eenvoudige oplossing. Bij een voldoend hoog basisinkomen kan de huursubsidie wel wat minder, en subsidies aan bedrijven kunnen natuurlijk ook vervallen, als de nood aan de man komt.
  11. Afschaffen bovenminimaal. Met hetzelfde motief als de vorige bron in de lijst. Bij een hoog basisinkomen ligt dit meer voor de hand dan bij een laag basisinkomen, want in het laatste geval is de waarschijnlijkheid van particuliere verzekeringen toch wel erg groot. Die zitten weliswaar niet in de definitie van collectieve-lastendruk, maar hebben uiteraard dezelfde uitwerking op bijvoorbeeld het functioneren van de arbeidsmarkt.

 

Conclusies

Op zoek naar financieringsbronnen voor een basisinkomen, hebben we allereerst twee belangrijke gegevens opgemerkt:

  1. De huidige heffingssystematiek, met de nadruk op het belasten van arbeid, is ongunstig voor de werkgelegenheid.
  2. Bij invoering van een basisinkomen daalt de netto loonsom uit arbeid navenant.

Het gevolg is dat een basisinkomen, voldoende om van te leven, nauwelijks financierbaar is zonder gebruik te maken van alternatieve heffingsvormen.

De best bruikbare methode lijkt een heffing toegevoegde waarde te zijn, een financieringswijze die nieuw is, maar goed uitvoerbaar. Ook een energieheffing komt in aanmerking, en diverse andere bronnen kunnen eveneens een bijdrage leveren, met soms belangwekkende neveneffecten.

Helemaal zonder loonbelasting lijken we niet te kunnen. We zullen daar alert mee om moeten gaan: voor evenwicht op de arbeidsmarkt zijn heffingen op loon doorslaggevend.

Voor vanmiddag staan ons twee concrete voorstellen te wachten, die we nu enigszins kunnen beoordelen op hun haalbaarheid. Wellicht, dat wij dan nog eens op Pluto kunnen landen, om daar te vertellen hoe het moet.

 

Literatuur

 

 

Groei van de uitzendwerkgelegenheid

Op 28 februari jl heeft Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van de VNO, ons via de radio uitgelegd dat de gedachte aan baanloze economische groei in Nederland maar onzin is. Een dag later bleek minister Gerrit Zalm van Financiën het met hem eens te zijn.

Er zijn volgens beiden duidelijke tekenen dat de werkgelegenheid toeneemt. Immers, er vindt nu een flink winstherstel van het bedrijfsleven plaats, en telkens wanneer dat zo was steeg de werkgelegenheid, dus dat zal nu opnieuw gebeuren.

Verder is het aantal langdurig onvervulde vacatures gestegen, evenals het aantal personeelsadvertenties. De investeringen zijn ook al aan het aantrekken. Het belangrijkste teken van groei van het aantal banen is evenwel de grote toeneming van de hoeveelheid werk die door uitzendkrachten wordt verricht.

Afslankingen en bijbehorende ontslagen in het bedrijfsleven gaan ondanks het winstherstel weliswaar gewoon door, maar die afslankingen zijn nu eenmaal nodig om de concurrentie met het buitenland vol te houden. In feite hebben ze ook geen werkloosheid tot gevolg, omdat bij grote bedrijven meer werk dan vroeger (nu al 30%) wordt uitbesteed, en ook omdat steeds meer gebruik wordt gemaakt van uitzendkrachten. De vermindering van het aantal vaste banen bij winstgevende bedrijven is volgens Rinnooy Kan wèl een blijvend verschijnsel.

Daar moeten we mee leren leven. Maar dat is geen enkel probleem, omdat er nu eenmaal veel mensen zijn die graag als uitzendkracht soms wel en soms niet werken.

Wanneer de overheid zou instemmen met vermindering van het aantal vaste banen zou dit het uitzendwezen aardig in de kaart spelen. Dat is leuk voor de uitzendbureaus, maar niet zo leuk voor werknemers die streven naar een vast inkomen, het afsluiten van een hypotheeklening of een behoorlijke pensioenopbouw, en die alleen uitzendwerk kunnen vinden; hun vooruitzichten zijn volkomen onzeker.

Dat uitzendwerk onvoldoende inkomenszekerheid biedt wordt door het "uitzendwezen" indirect erkend. Uitzendbureau Randstad bijvoorbeeld heeft in 1986 een boek uitgegeven, "De toekomst van de arbeid", waarin gepleit wordt voor invoering van een basisinkomen.

Een citaat: "Waar bedrijfsleven en staat onvoldoende full-time banen kunnen garanderen om de inkomstenverdeling te laten plaatsvinden via de betaalde arbeid, moet de staat rechtstreeks het levensonderhoud garanderen.[...] In zijn eenvoudigste en zuiverste vorm zou een nationaal inkomensstelsel alle huidige ingewikkelde sociale regelingen vervangen en aan ieder individu rechtstreeks een som gelds [doen toekomen]".

Kortom, de groei van de uitzendactiviteit is het zoveelste signaal dat er een toenemende maatschappelijke behoefte bestaat aan de invoering van een basisinkomen.

Gosling Putto