NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

 

nummer 14 october 1995

issn: 09243038

Inhoudsopgave

Het AOW-debat en het Basisinkomen-debat

Inleiding

De vergrijzing

De (voor)geschiedenis van de ÀOW

De huidige situatie: een regering met een blinde vlek

Het AOW-debat en het basisinkomen

Het kostwinnersmodel

Tot slot

De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit

Debat "Weg uit het moeras"

Wereldvrouwenconferentie, Beijing-China, september 1995

Congres Basisinkomen

Boeken, boeken!

 

Het AOW-debat en het Basisinkomen-debat

Inleiding

Iedere krantenlezer is er zich van bewust, dat er in Nederland anno 1995 een aantal debatten door elkaar gevoerd worden. Zo is er onder andere een AOW-debat en een basisinkomen-debat. In deze bijdrage ga ik vooral in op het AOW-debat en op de raakvlakken:" tussen dit debat en dat rond het basisinkomen.

Geconstateerd kan worden dat de AOW op diverse punten vergelijkbaar is met een basisinkomen. Want nagenoeg iedereen boven de vastgestelde leeftijd krijgt het onvoorwaardelijk. Er is dus geen inkomenstoets. Iedere oudere die dat wil kan zonder problemen er bij verdienen. Veel bijstandtrekkers kijken dan ook reikhalzend uit naar de dag waarop men 65 wordt want dan hoeft er niet meer "zwart" te worden gewerkt.

Ook kan er geconstateerd worden dat in de discussie over de AOW veel over tafel gaat. Er wordt in diverse partijen (P.v.d.A., CDA en GroenLinks) alsmede in maatschappelijke organisaties (vakbonden en ouderen-bonden) in het verlengde van het AOW-debat over de gehele sociale zekerheid en de meest gewenste premie- en belastingvormen gediscussieerd en dat is winst.

Er zijn minstens drie aspecten, die zowel bij de AOW-discussie als bij debatten over het basisinkomen van groot belang zijn: de financiering van rijksuitgaven via een ander belastingsysteem, de individualisering en de vraag of alleen zij, die betaald werk hebben, volwaardige burgers zijn.

Omdat lezers van deze nieuwsbrief veelal goed geïnformeerd zijn over hetgeen de Vereniging Basisinkomen voorstaat (en als dat niet zo is, dan raad ik lezing van onze brochure: Hoe? Basisinkomen zo! aan), geef ik in dit artikel wel de belangrijkste aspecten van het het AOW-debat weer, maar beperk ik mij bij het basisnkomen tot de genoemde raakvlakken.

De vergrijzing

In de Nederlandse media duikt al enige tijd het thema "vergrijzing" op. Meestal wordt er dan met enige zorg vermeld, dat de AOW, vanwege de "babyboom" die optrad na de tweede wereldoorlog, straks na 2010 onbetaalbaar zou worden. Opvallend is echter, dat meer serieuze studies, zoals het rapport van de Voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid van mei 1995, aantonen, dat de premiedruk die door de vergrijzing ontstaat erg meevalt. Als men uitgaat van het huidige systeem dan zou de AOW-premie, (die geheven wordt tot de eerste belastingschijf) van 11% naar (in het "topjaar" 2035) 12-15 % groeien.

Maar waarom dan die drukte?

Daarop zijn diverse antwoorden te geven. Een rol speelt zeker dehoge en structurele werkloosheid. De bedragen die het Rijk (dus de belastingbetaler) aan werkzoekenden moet verstrekken zijn hoog. Voor sociale zekerheid wordt als men de premies en de belastingheffing bij elkaar optelt een hoog percentage van het inkomen gevraagd. Veel beleidsmakers veronderstellen dat jongeren op de duur die afroming niet meer zullen accepteren. Verzekeringsmaatschappijen versterken deze gevoelens van onzekerheid. Zij moedigen mensen aan zich particulier te gaan verzekeren tegen ( oudedags- ) risico's.

Kortom - hoewel er bijvoorbeeld door het Sociaal en Cultureel Planbureau net een studie is afgerond waarin wordt vastgesteld dat jongeren wel degelijk bereid zijn om solidair te zijn (met ouderen) is er onrust over de eigen toekomstige inkomenspositie.

In de recent verschenen brochure van de 50+ groep van Groen Links worden ook nog andere redenen voor het AOW-debat genoemd.

"Een verklaring voor het desondanks op gang gekomen debat over 'de toekomst van de AOW moet o.i. gezocht worden in strategiedenken en schotjesdenken.

Strategiedenken wordt veelal ontwikkeld om beleid te verkopen. Soms -en dat lijkt hier het geval- worden zaken met veel nadruk in de publiciteit gebracht als afleidingsmanoeuvre. Door bewust het. probleem van de vergrijzing onder de publieke aandacht te brengen is er de kans andere zaken (falend beleid) minder te hoeven verdedigen. Daar komt bij dat een niet onaanzienlijk deel van de kiezers "grijs" is. Belangstelling tonen (veinzen) voor hun toekomstige materiële positie heeft electorale voordelen. Als dan bovendien het probleem gemakkelijk is op te lossen kan zo'n debat voor de huidige P.v.d.A.-bewindslieden een positieve uitstraling hebben.

Schotjesdenken is een verschijnsel dat welig tiert. Een probleem (in dit geval de vergrijzing) wordt apart gezet en apart behandeld. Dus: Er komen meer AOW-ers en dat kost enige miljarden. Dat bedrag moet hetzij uit een verhoogde opbrengst van de AOW-premie, hetzij door aan de AOW-rechten te knabbelen, worden verkregen. Andere mogelijkheden zoals een verschuiving tussen de bestedingen van ministeries: minder defensie-uitgaven? minder subsidies aan het bedrijfsleven? of een ander belastingsysteem waardoor de rijksinkomsten toenemen?, worden niet overwogen."

De (voor)geschiedenis van de ÀOW

In de jaren twintig/dertig van dezè eeuw bestond er in Nederland de beweging voor staatspensioen. Dat was een opmerkelijk grote organisatie. Toen na de oorlog de nood hoog was omdat veel ouderen huis, haard en familie verloren hadden konden, de ministers Drees en Suurhoff gebruik maken van het reeds sterk ontwikkelde gedachtengoed en in 1947 een noodwet lanceren. In de tweede helft van de jaren vijftig werd vervolgens de AOW een feit.

Maar de rooms-rode coalitie baarde een compromis: de AOW werd geen staatspensioen maar ook geen pensioenverzekering via fondsvorming of kapitaaldekking. Het werd vlees noch vis.

Een staatspensioen houdt in, dat van staatswege een inkomen aan ouderen wordt verstrekt dat bekostigd wordt uit de rijkskas; Deze kas wordt jaarlijks gevuld door (vooral) de opbrengst van belastingen.

Bij een verzekering betaalt men een premie aan de verzekeraar. Bij ziekte, inbraak, een leeftijdsgrens of wat er maar overeengekomen is, gaat de verzekeraar het afgesproken bedrag uitkeren. Voor deze laatste vorm was veel te zeggen geweest, maar men had daarvoor de tijd niet. Immers het ging om een actueel probleem terwijl voor een ouderdomspensioen een lange reeks van aanloopjaren nodig is.

De rooms/rode coalitie kwam dus tot een compromis. Een nieuw begrip werd gelanceerd: de sociale verzekering. De AOW-uitkering werd gefinancierd via een omslagstelsel: de 65-minners betalen premie opdat de 65-plussers in dat zelfde jaar AOW kunnen ontvangen. Zolang de bevolkingsopbouw zodanig is dat er in verhouding weinig ouderen zijn, is dat een gemakkelijk op te brengen stelsel. Maar dat is nu veranderd. In Nederland bereiken wij gemiddeld een hogere leeftijd en er zijn minder kinderen per huishouden. Men heeft met deze ontwikkelingen indertijd geen rekening gehouden. En daarom moet de premie straks (wat) omhoog.

Bij de invoering van de AOW (in de jaren zestig) werd er levendig gediscussieerd over de vraag of uitsluitend economisch zwakkeren de AOW zouden krijgen of iedereen van 65 en ouder. Een discussie die als er over het basisinkomen wordt gepraat nog steeds actueel is. Interessant is dus de besluitvorming indertijd.

"Iedereen" van 65 jaar en ouder kreeg recht op de AOW-uitkering, omdat, zegt mevrouw Bruyn Rundt in de ANBO-brochure "De AOW in de tang",: "De noodwet Drees van 1947 had geleerd dat kortingen het sparen ontmoedigden en tot ftaude leidden. Als ik mijn mond open doe, kun je fluiten naar je Drees, was een gezegde in die tijd".

De Algemene Ouderdomswet van 1956 gaf de 65 jarigen de volgende rechten:

  1. Iedereen had (en heeft) vanaf 65 jaar recht op de AOW. Er zijn echter twee uitzonderingen op de regel: wie in de tijd van AOW-opbouw (tussen 15-65 jaar) in het buitenland heeft gewoond, wordt gekort. Per "buitenlands jaar" is dat 2% . De andere uitzondering betreft de jongere partner van een AOW-er. Omdat er uitgegaan werd van het kostwinners-model kregen gehuwden zodra een van de partners 65 jaar werd de AOW (voor een echtpaar).
  2. Het bedrag zou mee groeien met de welvaart (index regelings lonen).
  3. Ongehuwden kregen 70% van het "gehuwden"-tarief Dat gold dus ook voor ongehuwd samenwonenden.

De huidige situatie: een regering met een blinde vlek

De laatste regeringen alsmede het paarse kabinet geven de bestrijding van de werkloosheid de hoogste prioriteit. Er is echter een blinde vlek: men wil (of kan) niet inzien dat deze werkloosheid in West Europa structureel is. Men denkt, dat automatisch de werkgelegenheid gaat aantrekken, als de economie groeit. De pogingen om het bedrijfsleven te versterken hebben enig succes, maar de werkloosheid wordt daardoor niet (afdoende) bestreden. Wel wordt er al een aantal jaren flink bezuinigd onder meer op het bedrag dat een uitkeringsgerechtigde krijgt. Bij die blinde vlek hoort ook de kritiekloze voortzetting van het belastingsysteem. Niet de produktie, de grondstoffen, de technische apparatuur worden belast, maar het inkomen van een (in verhouding) steeds kleinere groep werknemers.

In de brochure van de 50+ groep van GroenLinks (die o.m door ondergetekende geschreven is en waaruit ik zeer royaal citeer), wordt gesteld, dat we zonder het invoeren van ander belastingsysteem vast gaan lopen. Ook anderen, zoals de aan de V.U. in Amsterdam verbonden econoom Piet van Elswijk, pleiten voor een heffing op de totale toegevoegde waarde van alle economische activiteiten. De factor arbeid wordt voor de ondernemer zodoende goedkoper en dat leidt er toe dat er minder arbeid door kapitaal zal worden vervangen.

Belangrijk wordt voorts gevonden dat op die manier de opbrengst van de belastingen is verzekerd waardoor onder meer ministeries als die van Sociale zaken en Volksgezondheid voldoende armslag kunnen houden.

Een dergelijke verandering is volgens de GroenLinkse ouderen ook nodig om de achterstand te niet te doen. "De AOW is in de laatste tien jaar +/- 15% minder waard geworden. Bovendien zijn andere door de overheid te beïnvloeden uitgaven voor ouderen en gehandicapten met een laag inkomen sterk gestegen. De woonlasten van huurders stijgen jaarlijks op een ongekende manier. En de huursubsidie volgt slechts op afstand. Ook in de gezondheidszorg, de thuishulp, de kosten van het openbaar vervoer, van verwarming, etc., etc. zijn, of gaan de prijzen sterk omhoog".

De schets van heden en verleden afsluitend concludeer ik:

De GroenLinkse ouderen bestrijden deze zienswijze.

"Er wordt slordig naar de Europese statistieken gekeken. In andere landen is er bijvoorbeeld vaak geen Algemeen Burger Pensioenfonds. Dat betekent dat bij een Europese vergelijking de Nederlandse staatsschuld met het miljarden bezit van de ABP zou moeten worden verminderd.

Een ander aspect betreft de staatseigendommen. Het is mogelijk deze te verkopen waardoor de staatsschuld daalt. Die privatisering is in Nederland helaas aan de gang. De vraag is echter of de omliggende landen alleen naar de staatsschuld kijken of bijvoorbeeld ook naar staatsbezit en infrastructuur. Wij houden het er op dat op Europese schaal Nederland bij een iets meer diepgaand onderzoek minstens een goede middenpositie blijkt in te nemen."

De hoogste prioriteit van het huidige kabinet betreft de werkgelegenheid. Ten koste van alle andere mogelijkheden om armoede te bestrijden wordt er voor werk, werk en nog eens werk buitensporig veel geld beschikbaar gesteld. Daarbij ontbreken de diepgaande inzichten in de problematiek.

Bij een groot deel van de maatschappelijke organisaties is dat echter ook het geval. In de brochure die de ANBO uitgaf (met mevrouw Bruyn-Hundt als auteur) wordt er zonder argumentatie van uitgegaan dat ondanks de automatisering en de globalisering van de produktie er over enige jaren voldoende aanbod is van betaald werk. Het kan overigens nog bonter! Er zijn ook mensen, die vanwege de vergrijzing, denken, dat er straks (begin volgende eeuw?) een tekort aan werkkrachten komt in West-Europa. Zij pleiten daarom onder meer voor het verhogen van de AOW-leeftijdsgrens naar 67 jaar.

Noch de constatering dat er nu een veel ingrijpender automatisering (computeralisering) plaatsvindt dan eerder, noch het feit dat er nu sprake is van IIbaanlozegroeill, lost de blinde vlek op.

Zij die uitgaan van structurele werkloosheid worden veelal bestreden met de opmerking: als de werkloosheid niet verdwijnt is dat onaanvaardbaar, daar wil ik dus niet vanuit gaan. Het is een schrikbeeld, dat men niet nader wil ofkan analyseren. Dit "kop in het zand steken" is jammer omdat:

  1. Ondanks de huidige inzet van veel politici de kans op een sterke. stijging van de vraag naar werknemers gering is. De op wereldschaal opererende captains of industry hebben het heft stevig in " handen en zijn niet geinteresseerd in het bestrijden van de werkloosheid in Nederland.
  2. Zo geen ruimte ontstaat voor het inzicht dat een samenleving die wat minder belang hecht aan betaald werk een alternatief is, dat positieve kanten heeft.

Het AOW-debat en het basisinkomen

Het "kop in het zand steken" is gelukkig aan het verdwijnen. Er groeit interesse voor alternatieve voorstellen. Daarbij heeft het AOW-debat een funktie. Op drie terreinen: de financiering via een ander belastingsysteem, het afscheid nemen van een op kostwinners georienteerd systeem en het kunstmatige onderscheid maken tussen actieven en niet-actieven (waarbij de laatste groep buiten de maatschappij zou staan).

Over de noodzaak om over te gaan tot een ander belastingsysteem waarbij de loonbelasting verdwijnt of sterk vermindert en de belasting op de toegevoegde waarde gewijzigd en sterk uitgebreid wordt, heb ik hierboven reeds geschreven.

Op de zeer onsymphatieke wijze waarop sommige politici, de mensen, die geen betaald werk verrichten op het tweede plan zetten ga ik hier ook maar even in. Voor ouderen ligt het duidelijk. Zij weten uit de dagelijkse praktijk dat ook zonder betaalde arbeid te hebben iemand "actief" kan zijn en mee kan doen in maatschappelijke contexten.

De AOW lijkt, zoals ik in de inleiding stelde, op een basisinkomen van (voor alleenwonenden) f 1300.- per maand. Maar er zijn belangrijke verschillen. Zo is de vorm van huishouden een criterium, terwijl dat bij een basisinkomen veelal niet zo is. Op dit aspekt ga ik hier wat uitvoeriger in.

Het kostwinnersmodel

Het GroenLinkse congres heeft op uitnodiging van de 50 + groep zich in begin 1995 uitgesproken tegen de jacht op samenwonende ouderen die - soms zelfs zonder dat men zich in overtreding waant - te veel zouden ontvangen.

Dat was duidelijke taal, maar in de praktijk is men zelfs in Groen Links niet consequent. De Nederlandse overheid voert bewust of onbewust een onhelder beleid. De in "Europalf vastgestelde regels worden in Nederland slechts mondjesmaat ingevoerd.

Daarbij is er vanuit de samenleving een duidelijke steun voor degenen die het behoud van bestaande rechten voorstaan. Acties voor het handhaven van de - vergeleken bij mensen die een bijstandsuitkering krijgen- iets gunstiger positie van weduwen of van de jongere partner van een 65 jarige worden ook door mensen die in principe voor juridische individualisering zijn van harte ondersteund.

De overheid werkt dit verzet in de hand door bij invoering van zo'n individualiseringsmaatregel de extra-kosten op aanverwante categorieën te verhalen. Samenwonende broers en zusters (van 65 jaar en ouder) zijn daar de dupe van geworden. Dat een dergelijk beleid door velen wordt afgewezen is begrijpelijk, maar deze houding is meer pragmatisch dan principieel.

De GroenLinkse ouderen bepleiten in de recente brochure "dat iedereen ongeacht de wijze waarop hij of zij samepwoont, gehuwd is, gehuwd geweest is of familie van elkaar is, dezelfde rechten heeft. Het principe, dat de overheid uitmaakt welke leefeenheid samenlevingsvoordelen heeft is ons inziens achterhaald".

Zij staan dus net als .de leden van de Vereniging Basisinkomen een volledige individualisering voor.

De brochure geeft vervolgens een berekening van de extra kosten. Omdat ook deze redenering aansluit bij hetgeen onze vereniging voorstaat geef ik een uitvoerig citaat door:

"Voor de ouderen zou het uitgangspunt de AOW moeten zijn waarop een alleenstaande recht heeft. Dat is ons inziens het huidige bedrag aangevuld met de 15% die in de laatste tien jaar zijn "gekort". Samenwonenden krijgen dat dus ook. Zo'n huishouden ontvangt volgens ons voorstel f 2.600.- per maand (+ 15%). De extra kosten zijn eenvoudig uit te rekenen:

Van de in Nederland wonende 2.059.000 AOW-ers zijn er 1.119.000 gehuwde of samenwonende en 940.000 alleenstaande 65-plussers. Een samenwonende AOW-er krijgt netto f 967.- per maand, een alleenstaandef 1.343,- per maand. Het verschil is f 376.- per maand. Dat is per jaar: f 4.512,--. De 1.119.000 samenwonenden krijgen in ons voorstel per jaar gezamenlijk ongeveer 5 miljard meer uitbetaald.

De 15% inhaal-kosten zijn ook eenvoudig uit te rekenen:

15% x 1343 x 12 x 2.059.000 = bijna 5 miljard gulden.

Dat bedrag (ongeveer 10 miljard gulden) is minstens voor de helft terug te vragen van de pensioenfondsen die minder behoeven uit te keren. Immers in meer dan de helft van de AOW-huishoudens ontvangt men "op" de AOW een pensioen. Omdat indertijd is vastgelegd hoeveel dat pensioen zou zijn (veelal 70% van het laatst verdiende loon) gaat bij een verhoogd AOW-bedrag het door de verzekering uit te betalen pensioen met hetzelfde bedrag omlaag.

En voorts is er, omdat sommige oudere huishoudens een ruimer budget krijgen, een hogere belastingafdracht te verwachten. Het rijk zal ook minder uitgaven hebben op het terrein van huursubsidie e.d. Naar schatting is het voordeel van deze twee aspecten minstens 2 miljard.

De vraag, hoe de overige 3 miljard gulden zou kunnen worden verkregen is voor het rijk een marginaal probleem Als de economie aantrekt, zoals nu het geval is, komt er (veel) meer dan 3 miljard extra in de rijkskas."

Dit hoofdstuk sluit ik af met een laatste citaat uit de GroenLinkse brochure: "Wij bepleiten een helder systeem: Iedereen ontvangt op de vastgestelde leeftijd dezelfde (hoge) AOW. En wie alleen of samen met een ander een hoog inkomen heeft of een aanzienlijk vermogen, die moet dan via de belastingen ook veel afdragen. Voor alleenstaanden is een dergelijke regeling relatief onvoordelig maar daar staat tegenover dat er zaken worden rechtgetrokken. Het onredelijke systeem dat mensen met een oudere partner een aantal jaren eerder AOW-gerechtigde worden dan alleenstaanden verdwijnt alsmede de privacy aantastende controle op de leefwijze. "

Tot slot

En daarmee eindig ik dit overzicht. Ik ben benieuwd naar de debatten, die over de AOW gevoerd gaan worden. En daarbij hoop ik, dat de hier beschreven raakvlakken met het basisinkomen goed uit de verf komen.

Saar Boerlage.

 

 

De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit

Eén van de drie discussierapporten die ter voorbereiding van het PvdA-partijcongres op 10 februari 1996 voor commentaar aan de PvdA-leden is voorgelegd is het rapport "De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit" van de Wiardi Beckman-Stichting, geschreven door directeur Paul Kalma. De prachtig klinkende titel van het geschrift betreft overigens alleen een hoofdstuk over de internationale orde.

Onderwerpen waarover in dit rapport een standpunt wordt ingenomen zijn onder andere: bezuinigingspolitiek, marktideologie, inkomensverdeling, privatisering, milieubehoud, arbeidsethos, participatie van burgers in de samenleving, Europese samenwerking en mondiale ontwikkelingen. En niet te vergeten: ook een gedeeltelijk basisinkomen, zij het slechts voor werkende uitkeringsgerechtigden, zou moeten worden ingevoerd.

Er wordt de nodige afstand genomen van het beleid van het paarse kabinet.

Gesteld wordt dat "de uitgesproken dominantie van het bezuinigingsdenken in de afgelopen periode moet worden doorbroken". De voortdurende bezuiniging en lastenverlichting zijn ook in economisch opzicht niet alleen maar gezond. Ze bemoeilijken het door de overheid stimuleren van technologische ontwikkeling, scholing en creatief ondernemerschap.

Ook de sociale zekerheid staat onder druk; het sociaal minimum is voor degenen die daarvan langere tijd moeten leven blijkbaar te laag. Armoede en inkomensongelijkheid worden onvoldoende afgeweerd. Als één van de gevaren van het marktgericht denken van de paarse coalitie wordt het naderbij komen van de invoering van een ministelsel in de sociale zekerheid genoemd.

Het huidige werkgelegenheidsbeleid is te zeer gericht op werk, werk en nog eens werk. Hierdoor speelt het onvoldoende in op de gegeven hardnekkige schaarste aan werk en verwaarloost het de kwaliteit van de arbeid. Ook het belang van niet-betaalde arbeid blijft onderbelicht.

Als altematiefbeveelt de schrijver een meer ontspannen arbeidsorde aan, die algemene arbeidstijdverkorting kent, zoals de vierdaagse werkweek, recht op zorgverlof en betaald educatief verlof Voorts zou de controle van de werknemers op de organisatie van het werk vergroot moeten worden, gekoppeld aan strakkere voorschriften voor de kwaliteit van de arbeid.

En tenslotte moeten er ruimere participatiemogelijkheden komen voor werkenden en niet werkenden. Een uitkering moet te combineren zijn met deeltijdwerk of vrijwillig werk.

In dit verband wijst Kalma op één der tekortkomingen van ons stelsel van sociale zekerheid, de armoedeval, en erkent dat alleen een basisinkomen hieraan iets kan veranderen.

"Een uitbreiding van de mogelijkheid tot behoud van bijverdiensten naast een uitkering, vooruitlopend op de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen, is uit een oogpunt van activering van werklozen dringend gewenst" stelt hij. Per voetnoot voegt hij er nog aan toe: "Het gedeeltelijk basisinkomen is misschien bruikbaarder als praktisch werkgelegenheidsinstrument dan als grondslag van een nieuw stelsel van sociale zekerheid". In de samenvatting van het rapport wordt nog gesproken van de onmisbaarheid van een "beperkt basisinkomen (als startpremie voor werkzoekenden)".

Ten onrechte wordt hier een startpremie voor werkzoekenden van de benaming "basisinkomen" voorzien. Kennelijk is de auteur er nog niet van overtuigd dat het basisinkomen (het echte) binnen de PvdA al als beleidsaltematief moet worden gezien, al biedt hij, door terloops de gedachte van het basisinkomen als grondslag voor sociale zekerheid te noemen, een bruikbaar handvat voor verdere discussie hierover.

Nu maar afwachten of dit handvat ook aangegrepen zal worden.

Gosling Putto

 

Debat "Weg uit het moeras"

Inleiding debat "Weg uit het moeras" en tevens presentatie van "Basisinkomen. Sluitstuk van de verzorginsstaat?" Amsterdam, 1995 (Van Gennep) De Balie, 9-1-:1995

We weten het allemaal; het paarse regeerakkoord voorziet in een politieke discussie over de toekomst van de sociale zekerheid, in de loop van 1996. Er zijn na de Algemene Beschouwingen tekenen dat het er misschien niet van zal komen. Paars heeft voorlopig de wind mee, economisch gezien; dat is reden voor politici om je zegeningen te tellen en niet al te nadrukkelijk te gaan praten over de moeilijke dingen die in het verschiet liggen.

Minister Melkert zegt bovendien liever de tijd te krijgen om met de verschillende generaties naar hem genoemde banenplannen te experimenteren. En tenslotte lijkt het oprakelen van de meningsverschillen tussen PvdA en VVD over het ministelsel niet zo heel veel goeds te beloven voor de samenhang in de coalitie. Daar staat tegenover dat Minister Wijers eind vorig jaar een stevig voorschot nam op de discussie toen hij de stelling lanceerde dat we in de sociale zekerheid "onvermijdelijk toegaan naar een soort basisinkomen". Zowel Wijers als Zalm, die een soortgelijk standpunt, zij het minder stellig, heeft verdedigd, hebben er daarna schielijk het zwijgen toe gedaan. Toch is de geest van het basisinkomen uit de fles, zeker nu een speciaal congres van D66 zich in maart van dit jaar heeft uitgesproken voor dè overweging van het basisinkomen als serieus alternatief.

Maar zelfs als de beloofde parlementaire discussie er in het komende jaar niet komt - en dat zou natuurlijk jammer zijn - dan nog komt er een grondige gedachtenwisseling over radicale alternatieven voor het bestaande stelsel van sociale zekerheid in zicht, tezamen met een bezinning op de maatschappelijke doelstellingen rond de arbeid, dit alles tegen de achtergrond van een steeds onoverzichtelijker wordende arbeidsmarkt en de steeds luidere roep om aandacht voor zorgtaken.

Hapsnap saneren en salami-taktiek, het wegsnijden van plakjes bijstand, het tornen aan de basis van de AOW, het privatiseren van de "bovenminimale" zekerheden van werknemers, het is allemaal te veel onder het gezichtspunt van plat bezuinigen gebeurd om nog geloofwaardig te zijn als een poging het bestaande stelsel op overzichtelijke en rechtvaardige wijze af te slanken. De ingrepen doen ook vermoeden dat we ons op het sluipende traject naar een ministelsel bevinden. De tijd is dus rijp... Maar waar gaat het precies over?

Heel globaal zijn er drie richtingen van een oplossing voor del problemen in de sociale zekerheid en drie doelstellingen waaraan een toekomstig stelsel zal worden getoetst.

  1. Rationalisering van het bestaande stelsel (met betere uitvoering van de werknemersverzekeringen, privatiseringselementen, meer baangaranties en handhaving van het minimumloon behoudens uitzonderingen)
  2. Invoering van het ministelsel (met verlaging of afschaffing van het ML)
  3. En, vooral sinds duidelijk geworden is dat loskoppeling van arbeid en inkomen niet onder het mes van "onbetaalbaarheid" hoeft te sneuvelen (zie "Nederland in Drievoud";de laatste daad van Zalm als directeur van het Centraal Planbureau):

  4. Invoering van het basisinkomen (met op termijn afschaffing van het minimumloon en koppeling van het niveau van de inkomensgarantie aan het besteedbaar inkomen per hoofd)

Waar iedereen het over eens lijkt te zijn is dat een houdbaar stelsel van sociale zekerheid in ieder geval drie dingen moet bieden:

Voor de discussie is het van belang om even stil te staan bij de aard van deze drie criteria. Het klimaat voor discussie over radicale hervormingen wordt sterk beinvloed door het feit dat de laatste twee doelstellingen extern zijn aan de sociale zekerheid in engere zin; de dubbele eis dat het stelsel de dynamiek van de arbeidsmarkt niet in de weg mag staan en tegelijkertijd de participatie aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet bevorderen laat zien dat de spelregels van de sociale bescherming tegenwoordig beoordeeld worden op hun gedragseffecten voor wat betreft de ongehinderde doorstroming naar en de ongehinderde werking van de arbeidsmarkt.

Aangezien een van de grootste problemen met het huidige stelsel juist hier ligt, is het niet verwonderlijk dat er een steeds grotere bereidheid is ontstaan om radicale oplossingen te overwegen.

Maar dit betekent ook, dat de eerste van de drie doelstelingen - het garanderen van een adequaté bestaanszekerheid voor allen - gemakkelijk onder druk komt te staan. We zien dat dan ook terug in de politieke discussie:. het sociale minimum kan "wel wat minder ruimhartig" (beleidsmatige koppeling), de voorwaarden kunnen wel wat scherper, de minimumnormen kunnen wel wat meer naar beneden toe worden vereenvoudigd (woningdelers, alleenstaanden, eenoudergezinnen).

Deze tendens komt neer op een onrechtvaardige en kortzichtige instrumentalisering van sociale zekerheid. Het is terecht dat sociale stelsels naar hun gedragseffecten worden beoordeeld. Maar het dient dan te gaan om een echte afweging, waarbij de principes van de verzorgingsstaat opnieuw worden doordacht, in plaats van een eenzijdig drammen om iedereen zo snel mogelijk aan de slag te krijgen, ongeachte het soort werk en ongeacht de sociale kosten van de inschakeling.

We dienen met andere woorden na te denken over de stimulerende' effecten van een "beschaafd" stelsel (de term is van Pen) ,waarin bestaanszekerheid werkelijk binnen het bereik van allen komt. En wel op voorwaarden die de ontvanger niet indeelt in stigmatiserende categorieen en hem ofhaar niet te veel in de hoek drijft van het bureaucratisch maatwerk.

In de inleiding van de bundel "Basisinkomen. Sluitstuk van de verzorgingsstaat?" wordt betoogd - het zal u waarschijnlijk niet verbazen - dat de oplossingsrichting van het basisinkomen de beste combinatie van deze drie doelstellingen belooft.

Wij menen bovendien dat het basisinkomen een rechtvaardig tegenwicht schept tegen de productivistische ideologie van het "werk, werk en nog eens werk" -zonder daarbij iets af te doen aan het belang van betaalde arbeid. (Dit laatste overigens wel met de nodige aandacht voor de onbetaalde arbeid en veranderingen die plaatsvinden in de verhouding tussen beide.)

Maar ook voor wie dit standpunt niet deelt is het debat over invoering van een basisinkomen relevant. Zoals de verschillende bijdragen aan onze bundel tonen, komen in dit debat een aantal scherpe keuzen naar voren over de toekomstige inrichtiing van het sociale stelsel. Ik noem er drie, waarover als het goed is ook zal worden gedebatteerd tussen Elske ter Veld, Frank de Grave en Wim Vrijhoef: ieder vanuit hun eigen (partij)standpunten:

Scherpe keuze 1

De meest wenselijke organisatie van het verband tussen arbeid en inkomen. Hier moet worden gekozen tussen ofwel een vergaande loskoppeling van betaald werk en het sociale minimum, ofwel een zeer veel verder gaande koppeling; voor het idee dat uitkeringsrechten verbonden moeten zijn met werkverschaffing van een min of meer dwingend karakter.

Dus: neemt garantie van bestaanszekerheid de vorm aan van een basisinkomen of is het een beloning in een door de overheid geschapen of gesubsidieerde basisbaan? En zijn misschien ook combinaties van beide principes denkbaar?

Scherpe keuze 2

In het verlengde van de voorgaande keuze rijst de vraag naar de moreel meest verdedigbare rechtsgronden van minimumgaranties. Minder juridisch en meer politiek uitgedrukt: moet de herverdelende solidariteit opgevat worden als plicht tot geven, onder streng gesanctioneerde voorwaàrden voor de ontvangers, of kan er sprake zijn van bereidheid tot meebetalen aan onvoorwaardelijke overdrachten, zoals nu in zekere mate het geval is in de kinderbijslag en de AOW?

Hoe rechtvaardigen we elk van deze keuzen? Welke van de twee keuzen biedt het uitzicht op duurzame legitimatie en sociale stabiliteit, in de omstandigheden van onoverzichtelijke transformatie van arbeids- en carrierepatronen die we nu meemaken?

Scherpe keuze 3

Hier gaat het om een ander aspect van de minimumgarantie: de keuze tussen een vangnet voor behoeftigen of een universeel burgerrecht. De keuze is hier ofwel verder opschuiven naar het model van middelentoetsing in de bijstand (met een verkorting van de periode van recht op werknemersverzekering), ofwel opschuiven naar een maatschappelijke startsubsidie voor iedereen.

Ik hoop, en neem ook aan, dat dit soort zaken in de discussie mee zullen spelen.

Daaraan voorafgaande wil ik, ook namens mijn mederedacteur Dick Pels, mijn dank uitspreken aan de auteurs van deze bundel: in alfabetische volgorde; Paul de Beer, Jos de Beus, Govert den '. Hartogh, Philippe van Parijs, Bas van Stokkom en Siep Stuurman. Het is niet zo heel gebruikelijk, dit soort dankwoorden, maar wij ): zijn achteraf bezien soms wel wat lastig geweest met verzoeken om allerlaatste versies nog wat bij te stellen. En het heeft ook wel lang geduurd voor het boek er lag. Het basisinkomen is dan ook een lastig onderwerp, dat blijkt steeds opnieuw. Met die constatering willen wij de vruchten van het denkwerk prijsgeven aan de openbare meningsvormen en de politiek, waarvoor deze serie van Van Gennep is bedoeld.

Robert J. van der Veen.

 

Wereldvrouwenconferentie, Beijing-China, september 1995

Een van onze bestuursleden heeft vanuit haar organisatie de 4de Wereldvrouwenconferentie bijgewoond. Heeft dat iets met een Basisinkomen te maken? Thema (dan wel steekwoorden) van de conferentie zijn: Equality, Development and Peace. De Chinezen voegden er vaak het woord Friendship aan toe. En dat is helemaal geen gek woord voor een Vereniging, die voluit Vrienden en Vriendinnen van een Basisinkomen heet.

Ria Dijkstra heeft zich vanuit de vele thema's die aan de orde kwamen, vooral toegelegd op het thema armoede (opheffing), onbetaalde arbeid (quanticifering), oudere vrouwen, uitwisseling met Oost-Europese vrouwen en vrouwenrechten.

De conferentie was georganiseerd door de Verenigde Naties en aan geen enkele conferentie van deze instelling hebben zoveel NGO's en individuen deelgenomen als aan deze (NGO- Niet Gouvernementele Organisatie ).

Uit een rapport van diezelfde Verenigde Naties uit 1980 komen de volgende cijfers naar voren:

Vrouwen hebben flink gelobbied en onderhandeld met hun regeringen en met andere organisaties. Een grote mijlpaal mag dan ook genoemd worden, dat de regeringen - aangesloten bij de V.N. -zich uitgesproken hebben om het onbetaalde werk, dat door vrouwen wordt verricht te gaan tellen en meten en op gaan nemen in een sateliet-rekening (een soort schaduwrekening). Dat komt dus neer op tijdschrijven om al dat werk eens eindelijk zichtbaar te maken (en er een (basis)-inkomen aan te ontlenen?).

Er is een formulier ontworpen door de Vrouwenpartij om dit tijdschrijven mogelijk te maken. Genoemde activiteit kan tevens een prima bijdrage zijn aan het V.N.-Jaar 1996 voor uitroeiing van armoede (Eridication of Poverty). Immers het onzichtbaar gehouden werk, dat door vrouwen wordt verricht is immers ook een oorzaak van haar armoede.

Ria Dijkstra.

 

Congres Basisinkomen

Het huidige kabinet heeft aangekondigd het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid ter discussie te stellen, in 1996.

Het lijkt de Vereniging Basisinkomen nuttig en nodig om over alternatieve beleidsmogelijkheden te discussieren. Het invoeren van een basisinkomen is wellicht het meest vernieuwende voorstel, dat bovendien positieve praktische consequenties heeft. De vereniging heeft daarom het plan opgevat om een congres te organiseren op 23 en 24 februari 1996. De resultaten van dit congres kunnen vervolgens een rol spelen bij de later in 1996 geplande debatten.

Diverse onderwerpen, gerelateerd aan het basisinkomen, zullen worden geanalyseerd en besproken door deskundigen in hun vakgebied, vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, sociale- en maatschappelijke organisaties. en vertegenwoordigers van de belangrijkste politieke bewegingen in Nederland.

Met een basisinkomen zijn tegelijkertijd de flexibilisering van arbeid, de bestrijding van de baanloosheid, de opheffing van de armoedeval, de herinrichting van het sociale zekerheidsstelsel, herziening van het belastingstelsel en milieusparende aspecten aan de orde.

Naast deze onderwerpen zal ook op het congres aandacht gegeven worden aan de gevolgen van het instandhouden van het huidige sociale zekerheidsstelsel. Er zal een analyse gemaakt worden van de psychische gevolgen van de heersende arbeidsethiek, armoede en aantasting van de privacy.

Uiteraard komt ook de financiering van het basisinkomen aan de orde. Een aantal economen van de onderzoeksgroep van de vereniging zullen een computermodel presenteren. Een ieder kan door middel van dit model op eenvoudige wijze de consequenties zien van veranderingen die bij de invoering van een basisinkomen optreden. Het is dan mogelijk dat iedereen zijn of haar ideeën over de financiering van een basisinkomen kan invoeren en zien wat de macro-economische effecten daarvan zijn. Dit model zal verkrijgbaar zijn op een diskette.

Hieronder staat het voorlopige programma. Binnenkort verschijnt het definitieve programma. Alle leden krijgen dit toegestuurd.

Voorlopig programma (kort overzicht)

Eerste dag

Algemene inleiding over het basisinkomen en afzonderlijke discussies over de mogelijke betekenis ervan voor:

  1. Het bedrijfsleven
  2. De bovenminimale verzekeringen
  3. het milieubeheer
  4. De gevolgen voor de onderkant van de samenleving bij ongewijzigd beleid.

Tweede dag:

Financiering en gedragseffecten van een basisinkomen en opname (en eventuele live uitzending) van een TV-programma waarin de raakvlakken tussen de vijf behandelde thema's aan de orde komen.

Beoogd aantal deelnemers: 250.

Erwin de Wolf.

 

Boeken, boeken!

L.W.M. Delsen, Atypical employment: an international persoective, Wolters, Groningen 1995, 302 blz.

Deeltijdarbeid en tijdelijk werk zijn in Europa, de USA en Japan onmiskenbaar in opmars. Aan dit verschijnsel heeft dr. L. W.M. Delsen, universitair docent bij de vakgroep Toegepaste Economie, faculteit der Beleidswetenschappen, aan de KUN, zijn proefschrift gewijd.

De bijeengebrachte feiten en cijfers hebben betrekking op tijdelijke en deeltijd-arbeid in ruim 20 landen gedurende een periode van ongeveer twintig jaar. In 1973 waren overal vrijwel alle banen nog full-time. De meeste "atypical" (anders dan fulltime) arbeid werd toen in Noorwegen verricht: 23,5% van alle arbeid. In Nederland was dat toen 4,4%, in België 2,8%. In 1990 kende Spanje nog de minste onvolledige banen: 4,8%. Nederland was in dat jaar koploper met 33,2%, gevolgd door Noorwegen met 26,6%.

De toeneming van het aantal deeltijdbanen is hoofdzakelijk door het initiatief van de werkgevers tot stand gekomen. Die blijken om uiteenlopende redenen steeds meer behoefte aan flexibele arbeidsverhoudingen te hebben en daar ook daadwerkelijk van te profiteren. Hoe kleiner de onderneming, hoe meer behoefte aan flexibiliteit. Werknemers geven de voorkeur aan volledige banen, maar staan bij de huidige universele werkloosheid te zwak om deze af te dwingen.

Vooral in Europa komen evenwel ook parttime banen op instigatie van de werknemers tot stand. In Nederland al in een derde van de gevallen; vaak gaat het hierbij om mensen met een volledige baan die korter willen werken. Arbeidscontracten voor bepaalde tijd zijn uitsluitend bij werkgevers geliefd.

Vakbonden hebben het niet zo op deeltijdwerk begrepen, behalve enigszins in Scandinavië. Wel zijn ze vaak voorstander van verkorting van de werkweek, de laatste tijd zelfs ook als deze gepaard gaat met loonsverlaging. Arbeidstijdverkorting wordt wel gezien als middel tot humanisering van de arbeid.

Overheden zijn geneigd beperkende regels aan deeltijdwerk te stellen. Waar het onbeperkt is toegestaan, heerst meestal een voor de parttime-werker een ongunstig sociaal regime.

De auteur is van oordeel, dat de toeneming van deeltijdwerk. gunstig voor is voor produktiviteit en arbeidsparticipatie, maar dat er wel betere bescherming van de deeltijd-werknemer tot stand gebracht moet worden. Dit is een taak voor de overheden, die ook wat meer gericht zouden moeten zijn op het tot stand brengen van volledige werkgelegenheid. Daartoe zouden ze eens goed moeten kijken naar het oorspronkelijke "Zweedse model", dat uitvoerig beschreven wordt.

Verreweg de beste maatregel ter bescherming van werknemers bij de bevordering van deeltijdwerk vindt de schrijver de invoering van een basisinkomen. Hiervan somt hij vrijwel alle voordelen op die ook in de brochure van de Vereniging Basisinkomen te vinden zijn. Hij ziet één nadeel: de prikkel tot het verrichten van betaalde arbeid zou soms kunnen wegvallen.

Daarom zouden potentiële werknemers die zich niet beschikbaar houden voor een deeltijdbaan hun aanspraak op een basisinkomen ogenblikkelijk moeten kwijtraken.

Gosling Putto