NIEUWSBRIEF
VAN DE VERENIGING BASISINKOMENnummer 15 april 1996
issn: 09243038
Inhoudsopgave
Reactie op de nota "Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting"
Geen perspectief
Individuele afhankelijkheid
Flexibele arbeid
Slotopmerkingen
Basisinkomen op floppy
Reactie op "Deelnemen en meedelen"
Boeken,boeken!
Het basisinkomen, sluitstuk van de verzorgingsstaat?
Everyone a King
Reactie op de nota "Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting"
Wij zijn het met de minister eens dat het bestaan van stille armoede en sociale uitsluiting bestreden dient te worden. Het in de nota aangekondigde beleid kan als een stap in de goede richting worden gezien. Wij waarderen het zeer, dat er nu meer dan in eerdere jaren, aandacht is voor de wijze waarop velen in Nederland leven en rond moeten komen. Ook het feit, dat onze vereniging uitgenodigd is om op de hoorzitting van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bijdrage te leveren, hebben wij met instemming begroet.
Drie aspecten die volgens ons zeer essentieel zijn, als men de huidige situatie beschrijft van mensen in de uitkeringssfeer, willen wij in onze notitie benadrukken: het ontbreken van een perspectief om de situatie te verbeteren (waaronder het begrip armoedeval), de individuele afhankelijkheid die mede door armoede veroorzaakt en/of extra schrijnend wordt, en de problemen rond flexibele en tijdelijke arbeid.
Geen perspectief
In de nota wordt het ontbreken van sociaal en economisch perspectief wel vermeld, maar daarop wordt naar onze mening te weinig ingegaan. Daarbij kan men in de eerste plaats denken aan mensen met uitsluitend inkomsten via een uitkering. Er is te weinig betaald werk beschikbaar en de verwachting is, dat in de komende jaren de situatie niet in positieve zin zal veranderen. Mede omdat uitkeringsgerechtigden door instanties maar ook door de eigen sociale omgeving regelmatig "geprikkeld" worden om te solliciteren, maar de kans op succes nagenoeg ontbreekt, komt men emotioneel in de knel. En als er werk gevonden wordt, dan is dat veelal in deeltijd, tijdelijk of als oproepkracht en onder slechte arbeidsomstandigheden. De meesten echter komen niet eens toe aan deze betaalde arbeid, zij zijn "de blijvers in de bijstand". Mensen die te lang in deze situatie zitten gaan aan zichzelf twijfelen en verliezen hun zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde.
In de nota wordt opgemerkt dat verslavingen en psychische problemen ertoe kunnen bijdragen dat mensen steeds armer worden, maar het werkt naar onze mening ook omgekeerd. Mensen zonder perspectief op werk lopen grote risico's bovengenoemde klachten te ontwikkelen hetgeen de sociale integratie niet ten goede komt. Daarbij komt, dat er in de Nederlandse samenleving mensen zijn, die zich over "blijvers in de bijstand" negatieve uitlatingen veroorloven. De omstandigheden werken dat soms in de . hand. Wie zelf te maken heeft met minder prettige arbeidsomstandigheden en met een minimale beloning krijgt de neiging zich afte reageren op deze groep. De tweedeling in de samenleving neemt daardoor toe.
Voorstanders van een basisinkomen geven voor de situatie, waarin bovengeschetste groepen terecht zijn (of dreigen) te komen, een perspectief In het boekje "Hoe? Basisinkomen Zo!", dat wij op de hoorzitting aan alle geinteresseerden zullen uitdelen, geven wij onze visie weer, alsmede een schets hoe invoering en financiering kan worden gerealiseerd.
Het basisinkomen garandeert iedereen (dus ook de "blijvers in de bijstand") een inkomen waarvan rond te komen is. Het geeft tevens de vrijheid om betaald werk te gaan verrichten waardoor de armoedeval verdwijnt. Ook kan men zonder daar verantwoording voor te moeten afleggen tot andere initiatieven komen. Het huidige woud van regels en controles dat nu velen gevangen houdt kan dan drastisch worden uitgedund. Het starten van een eigen bedrijf wordt zo bij invoering van een basisinkomen eerder mogelijk, mede omdat de nieuwe ondernemer een gegarandeerd minimum inkomen heeft. Een ander aspect betreft de cohesie in de samenleving; deze wordt verstevigd als iedereen het basisinkomen krijgt. Maar wellicht nog het allerbelangrijkste is, dat velen, die nu geen perspectief meer zien, dan de gelegenheid krijgen initiatieven te gaan ontwikkelen.
Individuele afhankelijkheid
Veel ellende zou voorkomen kunnen worden als ieder individu economisch zelfstandig zou kunnen zijn. Nu er niet op gerekend kan worden dat er voor iedereen betaald werk beschikbaar is, moet de afhankelijkheid van de partner (en/of thuis wonende jongvolwassenen) nog dringender dan in het verleden aan de orde worden gesteld. Het tekort aan betaalde werkgelegenheid maakt bovendien werknemers ook erg afhankelijk van de eenmaal verworven positie. Opvallend is, dat in "De andere kant van Nederland" het feit dat armoede vaak voortkomt uit of leidt tot een afhankelijke positie niet of nauwelijks genoemd wordt.
Volgens ons is de angst om te vervallen tot armoede (en deze angst wordt helaas gevoed doordat men in de eigen omgeving mensen daarin terecht ziet komen) bij velen aanwezig. Het noodgedwongen accepteren van situaties die het levensgeluk bedreigen is een logische reactie. Vooral mensen met een laag inkomen en geen financiele reserves, lopen dit risico. Dat de "uitweg" via ziekte of scheiding niet tot onafhankelijkheid leidt (maar wel tot armoede) is bekend. Veel uitkeringsgerechtigden hebben eerdere afhankelijkheid ingeruild voor de soms minder persoonlijke maar toch erg drukkende "betutteling" van instanties. Een van de doelstellingen van de voorstanders van een basisinkomen is individualisering. Ook anderen hebben hetzelfde idee ontwikkeld.
De nota "Tijd voor nieuwe zekerheid" van de FNV gebruikt het synonieme begrip "verzelfstandiging". In deze FNV-nota begint het hoofdstuk "Naar een verzelfstandigde basisuitkering" met de zin: "De maatschappij vraagt vandaag de dag van iedere volwassen burger dat hij of zij er naar streeft economisch zoveel mogelijk op eigen benen te staan". De FNV bepleit vervolgens het afschaffen van de partnerinkomenstoets. Daarmee zitten de FNV en de Vereniging Basisinkomen op dezelfde lijn.
Door individualisering krijgen veel meer mensen de ruimte tot het maken van keuzes en het nemen van initiatieven. De in veel relaties door economische afhankelijkheid ontstane spanningen (tussen partners) kunnen dan hun scherpte verliezen. Ook op de werkvloer kan er, als er een gegarandeerd basisinkomen is, op een meer ontspannen wijze op individuele wensen en klachten worden ingegaan.
Wij constateren echter dat de, samen met armoede veelvuldig voorkomende knellende afhankelijkheid, in de voor ons liggende nota sterk onderbelicht is. En wij bepleiten een beleidsombuiging waarbij individualisering een meer centrale plaats krijgt toebedeeld.
Flexibele arbeid
Naast de armoede vraagt het oprukken van de flexibele arbeid een bredere en meer geintegreerde aanpak dan wordt voorgesteld. In een te groot aantal gevallen gaan flexarbeid en armoede hand in hand. In de nota wordt flexibele arbeid genoemd als een mogelijke manier om stille armoede en sociale uitsluiting te bestrijden.
Wij zetten daar vraagtekens bij. Flexibilisering van arbeid heeft vergaande consequenties voor de betrokkenen. Terecht wordt in de nota geconstateerd dat uitkeringen en subsidies veelal wegvallen zodra iemand een hoger inkomen verwerft. Als dat soort inkomen ontstaat en op uitzendbasis en/of in deeltijd verkregen wordt is het duidelijk dat zo het risico op verarming niet verdwijnt. De bestaansonzekerheid blijft bij tijdelijk werk bestaan. Als bovendien het inkomen (verkregen door betaalde arbeid) grote schommelingen vertoont, is het moeilijk en fiustrerend om daar tussendoor bij instanties weer een uitkering aan te vragen.
De hoop, dat men iets definitiefs kan opbouwen verdwijnt. Ook interesse voor het werk dat men (tijdelijk) doet wordt niet gestimuleerd. Daar moet nog aan worden toegevoegd dat het sociale leven van steeds meer mensen onder druk komt te staan wanneer de werktijden onregelmatig zijn. Men heeft geen zeggenschap over de eigen tijd. De kwaliteit van de relatie tussen partners en de opvoeding van kinderen komen daardoor onder druk te staan.
Volgens de statistieken zijn er nu al 1,2 miljoen "flexwerkers". Een "tombola van wisselwerk" noemde Jutta Choreuss in NRC Handelsblad van 10 februari 1996 de situatie. Zij en anderen voorspellen dat over tien jaar de helft van de beroepsbevolking geen vaste baan meer zal hebben.
Na invoering van een basisinkomen zullen de klappen van "flexwerken" en de daaraan verbonden inkomensschommelingen kunnen worden opgevangen. Omdat een (zij het bescheiden) inkomen gegarandeerd is, zullen meer werknemers dan nu het geval is, voor een deeltijdbaan kiezen. Mede daardoor komt er meer ruimte op de arbeidsmarkt en krijgen meer mensen de kans om, rekening houdend met de individuele wensen en omstandigheden, betaald werk te vinden. Wij gaan er derhalve van uit, dat de in het begin van deze paragraaf genoemde negatieve kanten van de toename van flexarbeid na het invoeren van een basisinkomen grotendeels verdwenen zijn.
Slotopmerkingen
Invoering van een basisinkomen vergt een fundamenteel andere kijk op onder meer arbeid en inkomen. De Vereniging Basisinkomen is slechts een bescheiden organisatie, maar desondanks wordt er heel hard gewerkt aan een consistent voorstel waarin zowel een ander belastingsysteem (minder heffingen en belastingen op lonen), als een ander opgezette vorm van sociale zekerheid hoofdbestanddelen zijn. Wij hopen en verwachten dat de nota "De andere kant van Nederland" de aanzet geeft tot een fundamenteel debat over de toekomst van onze verzorgingsstaat en de inrichting van onze samenleving. Het feit, dat er een aantal experimenten wordt aangekondigd stemt ons tevreden. Wij zullen gaarne bij de verdere uitwerking van de beleidsvoornemens worden betrokken.
Op het onlangs door ons georganiseerde congres "de toekomstige verzorgingsstaat en het basisinkomen" is een computermodel gepresenteerd. Met dit model kunnen de inkomensgevolgen, de gedragswijzigingen en de economische effecten van een basisinkomen worden onderzocht. Dit model, en de nadere uitwerking daarvan, alsmede andere voorstellen die de werkgroep "onderzoek" van de Vereniging Basisinkomen worden ontwikkeld, kunnen wij desgewenst bij het debat inbrengen.
Saar Boerlage
Basisinkomen op floppy
Tijdens het door de Vereniging Basisinkomen georganiseerde congres "De toekomstige verzorgingsstaat en het basisinkomen" op 23 en 24 februari jongstleden, is een computermodel gepresenteerd waarmee de inkomensgevolgen en economische effecten van een basisinkomen onderzocht kunnen worden.
Het model biedt aan de gebruiker de mogelijkheid om zelf allerlei wensen ten aanzien van het basisinkomen (zoals de hoogte en de financiering) en veronderstellingen ten aanzien van de gedragseffecten (zoals het arbeidsaanbod) in te voeren.
Dit computermodel is speciaal voor dit congres vervaardigd door de economen G. den Broeder. (Magnana MU Publishing & Research), P. de Beer (Sociaal Cultureel Planbureau), L. Groot (Universiteit Utrecht). Het betreft een eerste versie die tijdens het congres mondeling is toegelicht. Deze toelichting is thans op schrift gezet. U kunt het computermodel op floppy-disk alsmede de toelichting voor f 10,- bestellen bij de Vereniging Basisinkomen.
Wil Eijben.
Reactie op "Deelnemen en meedelen"
Geacht Bestuur,
Met Uw brief van 1 maart 1995 hebt u ons verzocht onze reacties te geven op het geschrift "Deelnemen en Meedelen".
Het bestuur van onze vereniging heeft zich in enkele vergaderingen op een commentaar beraden en wil u op basis daarvan graag het volgende doorgeven:
1.
Uw vertaling van de uitgangspunten "rechtvaardigheid" en "solidariteit" in een pleidooi voor maatregelen die voor iedereen mogelijkheden scheppen om volwaardig aan de samenleving te kunnen deelnemen heeft ons bijzonder aangesproken.
Het zal u evenals ons genoegen gedaan hebben, reeds in de aanhef van de jongste Troonrede de waarde van het leveren van een actieve bijdrage door burgers, niet alleen aan het economisch, maar ook aan het maatschappelijk en het cultureel leven, zo expliciet mogelijk geformuleerd te zien.
De regering wil, zo valt verder uit de Troonrede af te leiden, een betere verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid en een grotere economische zelfstandigheid van vrouwen bevorderen. Zij doet daartoe een beroep op burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk de sociale uitsluiting en stille armoede eensgezind en met kracht aan te pakken.
De invalshoek van Uw geschrift kan er naar onze mening aan meewerken dat de landelijke discussie over de toekomst van de sociale rechtsstaat ernst maakt met de strekking van hetgeen wij hierboven uit de Troonrede citeerden.
2.
In uw "Proef op de som" bespeuren wij enerzijds de bereidheid om een ingrijpende wijziging in de economische orde te aanvaarden teneinde aan de uitgangspunten rechtvaardigheid en solidariteit recht te doen. In dat kader bepleit u; een fundamentele herbezinning op de band tussen arbeid en inkomen.
Tot zover kunnen wij van harte met U meegaan, maar bij de daarop volgende suggestie voor concretisering bekruipt ons het vermoeden dat U zich meer toespitst op het lenigen van materiële noden bij behoeftige medeburgers dan op het sociaal-economisch systeem waarin die behoeftigheid wordt voorkomen.
Dit laatste, inclusief een aanduiding van randvoorwaarden om maatschappelijke participatie mogelijk te maken, zouden wij graag duidelijker als conclusie van uw betoog hebben aangetroffen. In een overzicht van mogelijke voor- en nadelen van één of andere vorm van basisinkomen citeert u diverse bronnen, die een volledig en onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen betreffen, de vorm die onze vereniging nadrukkelijk voorstaat.
Daarna voert U echter de beperking tot een "contractueel basisinkomen" in en uiteindelijk blijkt dat U dit contractueel basisinkomen wilt reserveren als sluitstuk van een twee-trajecten-sociale-zekerheidsstelsel voor mensen die langdurig aangewezen zijn op de "algemene basisuitkering" van dat stelsel. Het contract zou dan moeten voorzien in een "redelijke bijverdiensten regeling".
Onze voorlopige conclusie moet zijn dat het geschrift wel de term "basisinkomen" hanteert, maar daaraan een volkomen andere inhoud geeft dan de Vereniging Basisinkomen pleegt te doen. Ons streven is immers nadrukkelijk gericht op een volledig en onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen.
Frappant is dat in de uitgebreide literatuurlijst bij "Deelnemen en Meedelen" de naam van prof. P. Kuiper, die twintig jaar geleden voor zulk een basisinkomen pleitte, niet voorkomt. Dit verbaast te meer omdat in uw geschrift op tal van plaatsen levensbeschouwelijke uitgangspunten worden geformuleerd, die ook bij Kuiper te vinden zijn.
Wij missen in "Deelnemen en Meedelen" een sluitende redenering, die van die ethische uitgangsnormen naar het voorgestane beperkte alternatief voor een echt basisinkomen zou kunnen voeren.
Enkele citaten (de onderstrepingen zijn door ons aan gebracht):
Dat is ook het uitgangspunt van de Vereniging Basisinkomen.
Een algemeen, volwaardig en onvoorwaardelijk basisinkomen kan allerhande vormen van actief burgerschap stimuleren. Tegenover de rechten van burgerschap staan ook naar onze mening plichten, waarop de individuele burger kan worden aangesproken. Maar voor dat aanspreken op plichten is een "sanctie" in de vorm van het aantasten van de materiële mogelijkheden om in de samenleving te participeren een ondeugdelijk middel omdat het nu juist het fundament onder die samenleving weghaalt.
In het voorwoord van ds. van der Zee wordt gesproken over vormen van tweedeling en uitsluiting die onaanvaardbaar zijn in de sociale rechtsstaat waarnaar gestreefd moet worden. Een contract, waarin uitbetaling van het basisinkomen in gevaar zou worden gebracht omdat de betalende instantie van oordeel is dat de betrokken burger onvoldoende "participeert" of dat diens "bijverdiensten" de grenzen van het haars inziens redelijke overschrijden, zou onvermijdelijk een vorm van tweedeling in de maatschappij opleveren.
In plaats daarvan mogen -en moeten- wij elkaar als burgers kunnen aanspreken op ieders morele verantwoordelijkheid (= plicht) tot maatschappelijke participatie, ongeacht of iemand al dan niet alleen van een basisinkomen moet rondkomen.
3.
Uit hetgeen wij onder 1) en 2) betoogden zal u duidelijk zijn dat wij de meeste van de stellingen waarin u de voorlopige gedachten van uw Raad toespitst gaarne onderschrijven suggereren:
"Als sluitstuk van een nieuw stelsel biedt een algemeen, volwaardig en onvoorwaardelijk basisinkomen perspectief Zo'n inkomen is de noodzakelijke basis voor participatie in de brede zin van het woord. Een adequate begeleidingscampagne van overheidswege bij de overgang naar een sociaal-economisch systeem dat rekening houdt met financiering en uitbetaling van het basisinkomen kan een stimulans opleveren voor vanzelfsprekende deelname aan maatschappelijk zinvolle bezigheden door iedere burger die daartoe in staat is.
Dit zal een belangrijke bijdrage leveren aan een eerlijker verdeling van werk in zijn verschillende vormen, aan verschuiving van grootschalige en milieuvernielende naar kleinschalige en zorgzame activiteiten en aan opheffing van de onrechtvaardige tweedeling in de samenleving."
Tot nadere toelichting en gedachtenwisseling zijn wij uiteraard gaarne bereid.
Inmiddels verblijven wij,
Met vriendelijke groeten,
Namens de Vereniging Basisinkomen,
Jur Oosterhuis
Boeken,boeken!
Het basisinkomen, sluitstuk van de verzorgingsstaat?
Robert J. van der Veen en Dick Pels, red., Het basisinkomen. Sluitstuk van de verzorgingsstaat? Uitg. Van Gennep, Amsterdam, 250 pag., f 48,50.
Het basisinkomen is er nog niet. Maar liefst acht auteurs wijden in bovengenoemd boek hun aandacht aan de politieke, economische en ethische obstakels die de invoering ervan vooralsnog in de weg staan.
De beide redacteuren van het boek laten in hun bijdrage zien dat het basisinkomen inmiddels toch wel een vaste plaats in de politieke discussie heeft gekregen en anno 1995 niet meer als onzinnig plan van tafel geveegd wordt. De tegenstanders zijn nog in de meerderheid en voorspellen negatieve gedragsreacties ofhebben morele bezwaren.
Philippe van Parijs geeft aan hoe het basisinkomen ethisch te rechtvaardigen is. Het kan niet steunen op het verzekeringsprincipe, want dit rechtvaardigt slechts vergoeding van geleden schade. Ook het solidariteitsprincipe van onze verzorgingsstaat rechtvaardigt geen basisinkomen, want dit is, behalve op het element verzekering, gericht op specifieke ondersteuning van kansarmen.
Het basisinkomen kan wel steunen op het principe van de billijkheid. Dit kan bijvoorbeeld voorschrijven dat alle leden van een collectief een gelijk recht hebben op het vermogen van dat collectief en dat zij m~ dat recht mogen doen wat zij willen. Op dit principe berust het idee van een basisinkomen dat betaald wordt uit grondrente. Maar in plaats van van een recht op het vermogen aan grond kan men ook spreken van een recht op het vermogen dat gevormd wordt door de belastingopbrengst en de van eerdere generaties geërfde infrastructuur en productiemogelijkheden.
Paul de Beer rekent af met enkele argumenten die tegen de economische haalbaarheid van het basisinkomen in stelling gebracht plegen te worden. Eén daarvan luidt, dat momenteel het aantal werkenden ten opzichte van het aantal "inactieven" in Nederland sterk gedaald is.
De nog resterende mensen met een baan kunnen onmogelijk nog voldoende belasting opbrengen om er de bestaande uitkeringen, laat staan een volledig basisinkomen, van te financieren.
Dit argument blijkt onhoudbaar te zijn. Om te beginnen is de i/a ratio (inactievenlactieven-verhouding) al sinds het begin van deze eeuw nauwelijks veranderd, maar wat belangrijker is: het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is voortdurend gestegen en stijgt nog steeds. En het is het nationaal inkomen dat grenzen stelt aan het vermogen om uitkeringen te verstrekken; niet het aantal betaald werkenden.
Een andere reden waarom een basisinkomen onhaalbaar zou zijn is de hiermee gemoeide stijging van de collectieve lastendruk. En die is al onverantwoord hoog: de overheid legt al beslag op bijna 60% van het nationaal inkomen. Van elke verdiende gulden houdt men minder dan twee kwartjes over.
De collectieve lastendruk is evenwel een louter boekhoudkundige grootheid en kan geen maatstaf zijn voor de haalbaarheid van een uitkering. 80% van de collectieve lastendruk gaat in de vorm van salarissen, subsidies en uitkeringen naar de burgers, waardoor die hun koopkracht in voldoendè mate behouden. Bij de berekening van de collectieve lastendruk worden de bruto uitkeringen en salarissen in aanmerking genomen, terwijl de netto waarde hiervan eigenlijk relevanter is. Berekeningen laten zelfs zien dat een basisinkomen, uitgekeerd via een negatieve inkomstenbelasting, de collectieve lastendruk doet dalen. Bij uitbetaling van datzelfde basisinkomen op ieders girorekening stijgt de collectieve lastendruk tot ongekende hoogte.
Dit alles betekent overigens nog niet, dat vaststaat dat een basisinkomen duurzaam te bekostigen is; daarvoor zijn de te verwachten gedragsreacties nog te onvoorspelbaar. Een geleidelijk in te voeren gedeeltelijk basisinkomen zou ons die reacties tijdig doen kennen.
Govert den Hartogh erkent het billijkheidsprincipe als rechtvaardiging van het basisinkomen, maar besteedt vooral aandacht aan het basisinkomen als arbeidsloos inkomen. Zijn benadering is gebaseerd op een arbeidsplicht die op iedereen zou moeten rusten. Waar die plicht vandaan komt blijft onvermeld, maar waar die toe moet leiden is duidelijk: tot verwerping van het basisinkomen. Maar in tijden van banenschaarste acht hij een basisinkomen toch acceptabel, ja zelfs "de institutie die de verdelende rechtvaardigheid realiseert met het geringst mogelijke verlies aan efficiëntie".
Siep Stuurman beziet het basisinkomen van een afstandje. Hij plaatst het in een historisch perspectief dat reikt tot in het oude Egypte en concludeert dat de discussie erover de innerlijke onzekerheid demonstreert van "het dominante discours over de toekomst van het productivisme ". Het zal wel niet snel worden ingevoerd. Interessant is de mogelijkheid om door de hoogte van het basisinkomen te variëren de bereidheid tot arbeid te laten toe- of afhemen.
Bas van Stokkom staat afwijzend tegenover ons zogeheten arbeidsethos, voorzover dat weergegeven kan worden met iets als: "het verrichten van betaalde arbeid is een burgerplicht".
Die opvatting heeft ertoe geleid dat baanlozen tot allerlei rarigheden gedwongen worden, hetgeen onverenigbaar is met de rechten die men ontleent aan een burgerschap dat past in een democratisch staatsbestel. Relativering van het arbeidsethos door invoering van een basisinkomen acht hij "pure winst".
Jos de Beus betoont zich een tegenstander van het basisinkomen, en wel omdat de onvoorwaardelijkheid van de verstrekking ervan hem niet bevalt. Een basisinkomen is volgens hem beslist niet bestemd voor "de werkloze jonge mannen in de getto's". Waarom niet? Omdat in handen van die jonge mannen "het geld naar passieve consumptie of actieve misdaad" gaat. Hoe dan ook, een basisinkomen zonder betutteling acht de auteur uit den boze.
Everyone a King
Walter van Trier, Everyone A King (proefschrift), Leuven, 1995, 501 blz., f 40,-, verkrijgbaar bij de Vereniging Basisinkomen.
Het (Engelstalige) proefschrift van Walter van Trier, "Every one A King", behandelt de betekenis en het belang van de discussies die voornamelijk in de periode tussen de beide wereldoorlogen in Engeland gevoerd zijn over bepaalde vormen van het basisinkomen.
Veel plaats wordt ingeruimd voor de presentatie van het bijeengebrachte materiaal; veel van de gevonden geschriften worden in de huidige literatuur niet meer aangehaald, hetgeen volgens de auteur oorzaak van onvolledig inzicht zou kunnen zijn.
Een van de overige onderwerpen is de vraag ,waarom het basisinkomen geen" ordentelijke" geschiedenis heeft. Immers, het idee schijnt steeds weer te moeten worden vergeten en weer uitgevonden. De vraag wat altijd wordt gezien als voordeel van een basisinkomen levert minder problemen op. Het is de vrijheid die er voor iedereen het gevolg van zou moeten zijn en die "Everyone a King" maakt.
Een drietal voorstellen voor invoering van een onvoorwaardelijke uitkeling aan alle burgers wordt uitvoerig behandeld. Deze worden "State Bonus", "National Divident" en "Social Divident" genoemd.
"State Bonus" zag het levenslicht in de vorm van een pamflet van 16 pagina's (Scheme for A State Bonus), in 1918 geschreven door het echtpaar Milner. Uit een nationaal fonds, bijeengebracht door iedereen die een inkomen had, zou aan iedereen, ook kinderen, een wekelijkse (lage) uitkering moeten worden verstrekt. De omvang van het totale uit te keren bedrag was 20% van het nationaal inkomen. In 1920 werd het systeem uitgewerkt in een boek van 127 pagina's en heette voortaan "A Minimum Income for All", met als doel een hogere produktie en levensstandaard. Een vereniging was sinds 1918 actief voor de promotie van het idee en benaderde organisaties, partijen, dag- en weekbladen en prominente figuren. Het voorstel werd vaak goed ontvangen en ooit behandeld door de Labour Party, die het overigens verwierp omdat er onmiskenbare praktische bezwaren aan vast zaten en omdat het partijprogramma effectiever bevonden werd. Na 1922 werd er weinig meer van vernomen.
"National Divident" was een uitvinding van de econoom C.H. Douglas, die van oordeel was dat het kapitalistische systeem ten onder dreigde te gaan als gevolg van een uit dit systeem voortvloeiend tekort aan koopkracht. Het "National Divident" hield met deze overtuiging verband en was een in eerste instantie op geldschepping gebaseerde uitkering, die voor verdere continuiteit een extreem strak geleide economie vergde. Douglas en zijn ideeën werden gesteund door een gerenommeerd literair en cultureel weekblad, "The New Age" geheten, en daaraan gelieerde maatschappelijke bewegingen, en verkregen daardoor de nodige bekendheid. Men wist wat reacties op het voorstel uit te lokken, maar niet veel positieve. De meeste discussies erover vonden rond 1920 en rond 1930 plaats.
"Social Divident" was een term die rond 1935 wel eens opdook in de economische literatuur. Het was geen uitgewerkt systeem, maar een uitkering voor allen die theoretisch denkbaar was als economisch middel voor diverse doeleinden. Een van de schrijvers die toen de term gebruikten was de econoom en latere Nobelprijswinnaar prof J. Meade. Deze heeft heeft de benaming onder andere in zijn boek "Aghatopeia, the economics of Partnership" (1989) gebruikt voor zijn versie van het basisinkomen.
Waarom is er geen continue geschiedenis van het basisinkomen en waarom wordt het steeds weer opnieuw uitgevonden? Walter van Trier meent dat dit komt doordat het begrip basisinkomen onvermijdelijk een teveel aan inhoud en betekenissen heeft. De correcte omschrijving is altijd aan bepaalde doelstellingen in bepaalde situaties gebonden en heeft daarom geen langdurige geldigheid. Maar een simpele omschrijving, zonder expliciete vermelding van doeleinden, heeft in een maatschappijkritische discussie al evenmin een permanent bruikbare betekenis.
Kennelijk heeft mede daarom een model van een basisinkomen dat lang genoeg overeind bleef om een historisch interessante ontwikkeling door te kunnen maken (laat staan om geaccepteerd en ingevoerd te worden) nog nooit bestaan.
Gosling Putto