NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
nummer 16 augustus 1996
issn: 09243038
Inhoudsopgave
Een basisinkomenexperiment in Dordrecht
Bijstandontvangers
Werkenden
Startende ondernemers
De kosten van het experiment
Te onderzoeken effecten van een basisinkomen
De fasen van het experiment
Prohef lokaal experiment
Het huidige belastingsysteem werkt averechts voor de inzet van arbeid.
Waaraan een alternatief systeem moet voldoen?
Produktieheffmg als alternatief systeem.
Kunnen ondernemers overweg met dit systeem?
Uitwerking van het Prohef-systeem voor het experiment.
Levert deelname mij voordeel?
Experimenten in Nederland
B.I.E.N.
Congres
Een basisinkomenexperiment in Dordrecht
Discussies over de wenselijkheid en haalbaarheid van de invoering van een basisinkomen worden vaak beheerst door meningsverschillen over de te verwachten effecten van een basisinkomen.
Het gaat daarbij in de eerste plaats om de sociaal-economische effecten: zal een basisinkomen de bereidheid om (betaalde) arbeid te verrichten verminderen en daardoor tot een verkleining van het arbeidsaanbod leiden? Zo ja, welke groepen zullen dan minder gaan werken of ophouden met werken? Zullen bedrijven na de invoering van een basisinkomen meer of minder arbeidskrachten in het produktieproces inzetten? Wordt de Nederlandse concurrentiepositie door een basisinkomen verzwakt? Zal een basisinkomen tot een vermindering of een toename van het zwart werken leiden? Enzovoorts.
Het probleem bij de beoordeling van deze en andere effecten is, dat bestaand onderzoek slechts in beperkte mate inzicht kan verschaffen in de gevolgen van een basisinkomen. Op grond van theoretisch micro-economisch onderzoek kan men wel iets zeggen over de richting van de te verwachten effecten, maar niet over de omvang. Als zich bovendien naar verwachting tegengestelde effecten zullen voordoen (bv. uitkeringsgerechtigden zullen eerder bereid zijn werk te aanvaarden, terwijl werkenden met een relatief laag inkomen minder zullen gaan werken of zullen ophouden met werken), valt op theoretische. gronden niet uit te maken welke effecten zullen overheersen.
Het vele empirische onderzoek naar de gevolgen van uitkeringen, belastingen en premies biedt slechts inzicht in de effecten van beleidswijzigingen die geen principiële breuk met het bestaande stelsel betekenen, zoals een beperkte verandering van uitkeringsniveaus, belastingtarieven e.d. Over de gevolgen van een totaal andere inrichting van het sociale-zekerheids- en belastingstelsel, waarvan sprake is bij de invoering van een basisinkomen, kan op basis van dergelijk onderzoek geen uitspraak worden gedaan.
Ook een enquête, waarin men een representatieve steekproef uit de bevolking vraagt hoe zij op de invoering van een basisinkomen zou reageren, levert doorgaans onvoldoende bruikbare informatie over de effecten van een basisinkomen op. Het gevaar is immers aanwezig dat mensen niet geheel eerlijk antwoorden, maar z.g. sociaal wenselijke antwoorden geven. Bovendien is het aannemelijk, dat veel mensen werkelijk nog niet goed weten hoe zij op de invoering van een basisinkomen zullen reageren, juist omdat het om een totaal ander soort systeem gaat dan het bestaande. Pas als men daadwerkelijk de gevolgen van een basisinkomen' aan den lijve' ondervindt, realiseert men zich waarschijnlijk ten volle wat een basisinkomen inhoudt en kiest men een 'passende' reactie.
De enige redelijk betrouwbare wijze om toch bij voorbaat al iets te kunnen zeggen over de gevolgen van de invoering van een basisinkomen is het uitvoeren van een veldexperiment met een basisinkomen. Een dergelijk experiment bestaat er uit dat een beperkte groep mensen in een beperkt gebied gedurende een beperkte periode een basisinkomen ontvangt. Door het gedrag van deze groep èn van een vergelijkbare controlegroep die niet aan het experiment deelneemt, nauwgezet te volgen en te analyseren, kan men trachten inzicht te verkrijgen in de effecten die het basisinkomen heeft op het gedrag van mensen.
Overigens zal het in een dergelijk beperkt experiment niet mogelijk zijn de werkelijke, algemene invoering van een basisinkomen nauwkeurig na te bootsen. De drie belangrijkste redenen daarvoor zijn:
Aangezien het eerste effect niet optreedt voor de economie als geheel kunnen deelnemers aan het experiment niet 'profiteren' van het verminderde arbeidsaanbod dat zou resulteren bij een volledige invoering van het basisinkomen.
Het is echter onwaarschijnlijk dat mensen die door de invoering van een basisinkomen erop achteruitgaan, bereid zijn aan een experiment deel te nemen.
Voor zover sommigen daartoe wel bereid zijn, omdat het hen bijvoorbeeld in staat stelt met een gering inkomensoffer korter te gaan werken, vormen zij geen representatieve steekproef uit de categorie die er door een basisinkomen op achteruitgaan. Voor het experiment resteren dan degenen voor wie invoering van een basisinkomen inkomensneutraal uitpakt of een inkomensverbetering oplevert.
Onderzoekstechnisch is dit in zoverre niet zo'n probleem, dat vooral van deze groep ongewenste gedragseffecten worden verwacht: juist degenen die er dankzij een basisinkomen op vooruitgaan, zouden volgens veel tegenstanders van het basisinkomen zich (gedeeltelijk) terugtrekken van de arbeidsmarkt. Het experiment kan dus in ieder geval laten zien of dit effect daadwerkelijk optreedt.
Een financieel probleem is echter, dat het experiment nogal ‘duur’ wordt als vooral personen die van een basisinkomen financieel profiteren eraan deelnemen. Als dit geen onoverkomelijk probleem vormt, doordat er een voldoende groot budget beschikbaar komt, dan is er ook geen bezwaar tegen om deze personen aan het experiment te laten deelnemen. Is het beschikbare budget beperkt, dan verdient het de voorkeur alleen personen die er door een basisinkomen niet of nauwelijks op voor- of achteruitgaan te laten deelnemen.
Gezien het voorgaande punt zal dit in de praktijk betekenen, dat het basisinkomen in het experiment voor een aanzienlijke groep een grotendeels 'fictief karakter heeft: het gesimuleerde bedrag van het basisinkomen valt voor hen weg tegen de gesimuleerde verhoging van de belastingen of de vermindering van subsidies of uitkering. Weliswaar hebben ook in de bestaande situatie verschillende uitbetalingen en in.houdingen op het loonstrookje voor de meeste mensen een 'fictief karakter, bij het basisinkomenexperiment zal dit in nog sterkere mate het geval zijn, bv. omdat er ook formeel aan de belastingheffing niets verandert (tenzij het mogelijk zou zijn het belastingsysteem voor de deelnemers aan het experiment te veranderen, maar dat is niet waarschijnlijk). Door de deelnemers aan het experiment regelmatig een overzicht te geven van hun gesimuleerde inkomenssituatie (bv. een maandoverizcht met hun fictieve basisinkomen, (extra) belastingen, subsidies, loon e.d.), kan men proberen het basisinkomen voor hen zoveel mogelijk 'tot leven' te brengen.
Op grond van bovenstaande overwegingen lijkt het raadzaam het experiment te beperken tot enkele specifieke groepen uit de bevolking voor wie een basisinkomen relatief eenvoudig en zonder veel kosten te simuleren is en van wie substantiële en - gezien de discussie over het basisinkomen - relevante gedragsreacties te verwachten zijn.
Twee groepen die hiervoor in aanmerking komen zijn de uitkeringsgerechtigden op minimumniveau (in het bijzonder bijstandontvangers) en werkenden die door de invoering van een basisinkomen in hun inkomen voor- noch achteruit zouden gaan. Daarnaast valt te overwegen ook startende ondernemers in het experiment te betrekken.
Bijstandontvangers
Simulatie van het basisinkomen is voor de groep bijstandontvangers simpel: zij behouden eenvoudigweg hun huidige uitkering, maar deze wordt omgezet in een onvoorwaardelijke uitkering. De sollicitatieplicht vervalt voor hen en bijverdienen (zowel voor henzelf als voor een eventuele partner) wordt onbeperkt mogelijk. Aangezien de werkelijke invoering van een basisinkomen zal samengaan met een lagere netto-loonvoet (vanwege de benodigde belastingverhoging), valt wel te overwegen dit effect te simuleren door een deel van de bijverdiensten in mindering te brengen op de uitkering.
Als ondergrens voor dit in.houdingspercentage kan een belastingtarief van 50% worden genomen. Door zowel alleenstaanden als samenwonenden het huidige uitkeringsbedrag als basisinkomen toe te kennen, wordt tevens geëxperimenteerd met twee verschillende niveaus van een basisinkomen (resp. ca. 1.300 en ruim 900 gulden per persoon). Hierbij dient de bijstand van een paar 'te worden gesplitst in een halve uitkering (à 900 gulden) voor beide partners.
Te overwegen valt om alleenstaanden die gedurende de periode van het experiment gaan samenwonen hun hoge uitkering te laten behouden.
Omgekeerd lijkt het echter onvermijdelijk, dat aan samenwonenden die uit elkaar gaan de mogelijkheid wordt geboden om een aanvullende (voorwaardelijke) bijstandsuitkering bovenop hun basisinkomen aan te vragen.
Werkenden
Ook bij werkenden die aan het basisinkomenexperiment deelnemen verandert er in eerste instantie niets. Het basisinkomen dat zij ontvangen wordt geacht precies te worden gecompenseerd door de extra belasting die zij bij de invoering zouden gaan betalen (o.a. doordat de belastingvrije som en de voetoverheveling vervalt) en de subsidies e.d. die zij kwijt zouden raken. Het bestaan van het basisinkomen merken zij pas als er in hun situatie iets verandert, bv. als zij korter gaan werken. Daartoe ontvangen zij aan het begin van het experiment een overzicht van de inkomensgevolgen van verschillende beslissingen die zij gedurende het experiment kunnen nemen. Als iemand met een voltijdbaan bv. een dag minder gaat werken, leidt dit tot een minder dan evenredige inkomensachteruitgang in plaats van een bij benadering evenredige inkomensachteruitgang van ongeveer 20% zoals onder het huidige stelsel het geval is. Omdat formeel het bestaande stelsel tijdens het experiment blijft functioneren, functioneert het basisinkomen voor deelnemers aan het experiment als een stimulans om korter te gaan werken.
Een probleem is dat de betreffende persoon indien hij/zij langer gaat werken of een promotie maakt, in een systeem met een basisinkomen minder vooruit zou gaan dan onder het huidige stelsel. Om de eerder genoemde redenen kan dit effect waarschijnlijk niet in het experiment tot uitdrukking worden gebracht. Bij een inkomensverbetering zal daarom van een simulatie van het effect van een basisinkomen moeten worden afgezien. Op theoretische gronden is het overigens onwaarschijnlijk dat invoering van een inkomensneutraal basisinkomen tot de wens om langer te werken zal leiden (het z.g. inkomenseffect is immers nul, terwijl het substitutie-effect negatief is), zodat het gemis van dit (mogelijke) aspect niet al te ernstig lijkt.
Een ander probleem doet zich voor bij werkenden die alleenverdiener zijn. Bij de 'echte' invoering van het basisinkomen zou de niet-verdienende partner een eigen basisinkomen ontvangen, dat gepaard zou gaan met een inkomensachteruitgang van de kostwinner (die weliswaar ook een basisinkomen ontvangt, maar veel meer belasting gaat betalen, o.a. door het vervallen van kostwinnerstoeslagen). Ook als het totale netto gezinsinkomen gelijk blijft, is het waarschijnlijk niet mogelijk om de inkomensoverheveling van de kostwinner naar de afhankelijke partner te simuleren.
De kostwinner zou dan immers contractueel verplicht moeten worden om een deel van zijn loon aan zijn partner afte dragen; het is niet aannemelijk dat veel traditionele kostwinners daartoe bereid zouden zijn (en voor zover dat wel het geval is, vormen ze geen aselecte steekproef). Ook het basisinkomen van de partner zal in een dergelijk geval daarom fictief moeten zijn en alleen een rol gaan spelen indien de partner gaat werken (waarbij zich wederom het probleem voordoet, dat als de kostwinner niet tegelijkertijd korter gaat werken, het gezinsinkomen t.g.v. het basisinkomen minder zou moeten stijgen dan onder het huidige stelsel het geval is).
Het basisinkomen is wel goed te simuleren bij z.g. anderhalfverdieners, d.w.z. paren waarvan de man een volledige baan heeft en de vrouw een deeltijdbaan(tje). Vaak wordt de verwachting uitgesproken dat een basisinkomen deze vrouwen zal stimuleren om op te houden met werken: ook dan ontvangen zij immers een eigen inkomen.
Als invoering van een basisinkomen voor een anderhalf-verdienerspaar inkomensneutraal uitpakt, zal het stoppen met werken van de vrouw betekenen dat het gezin er, in vergelijking met het huidige stelsel, op vooruitgaat. Als dit gedrag zich tijdens het experiment op grote schaal manifesteert (zoals tegenstanders van het basisinkomen verwachten), zal het daardoor wel tamelijk kostbaar worden: alle vrouwen die ophouden met werken ontvangen immers een basisinkomen, zonder dat dit consequenties heeft voor het inkomen van hun partner.
Startende ondernemers
Naast de twee bovengenoemde categorieën (bijstandontvangers en werkenden voor wie het basisinkomen inkomensneutraal is), valt te overwegen nog een derde groep in het experiment te betrekken, namelijk zelfstandige ondernemers in spe. De overweging hierbij is, dat een basisinkomen volgens voorstanders het (beginnend) ondernemerschap stimuleert, omdat het niet nodig is vanaf het begin volledig loonvormend te werken.
De bevolking van Dordrecht zou kunnen worden opgeroepen om zich te melden indien men geïnteresseerd is in het starten van een eigen bedrijfje. De huidige sociaal-economische positie -werknemer in loondienst, uitkeringsgerechtigde of huisvrouw- doet daarbij niet terzake (mits men niet al zelfstandige is [?]). Van de gegadigden zal maximaal de helft aan het experiment deel mogen nemen. Iedere deelnemer wordt gekoppeld aan een andere gegadigde die er zoveel mogelijk op lijkt, maar die slechts als controlegroep deelneemt.
Er zal overigens wel scherp moeten worden aangegeven aan welke voorwaarden men dient te voldoen, om te voorkomen dat er misbruik van het experiment wordt gemaakt: werknemers dienen bijvoorbeeld hun dienstverband op te zeggen (om te voorkomen dat zij een dubbel inkomen ontvangen) en huisvrouwen zullen moeten aantonen dat zij daadwerkelijk een eigen zaak zijn begonnen (om te voorkomen dat zij het basisinkomen als een 'huisvrouwenloon' incasseren).
Voor wie tijdens het experiment zijn bestaan als zelfstandige weer opgeeft, zal tegelijkertijd het basisinkomen moeten worden ingetrokken (om .schijnondernemerschap , tegen te gaan). Bovendien zal -om het effect van de hogere belastingdruk te simuleren - het basisinkomen van de nieuwe zelfstandigen worden verlaagd als zij winst maken.
De kosten van het experiment
De hierboven voorgestelde beperking van het experiment tot drie groepen, te weten bijstandontvangers, werkenden met een bepaald bruto inkomen en startende ondernemers, is naast onderzoekstechnische redenen mede gemotiveerd door het streven de kosten van het experiment zo laag mogelijk te houden (ofwel, bij een gegeven budget dat voor het experiment beschikbaar is, de groep deelnemers zo groot mogelijk te maken).
Voor de groep bijstandontvangers wordt de bijstandsuitkering vervangen door een gelijk bedrag in de vorm van een basisinkomen, zodat hiermee in eerste instantie geen extra kosten verbonden zijn. De overheid kan echter wel inkomsten derven doordat eventuele verdiensten van deelnemers aan het experiment niet meer nagenoeg volledig worden gekort op hun uitkering. Dit zijn echter geen kosten die ten laste komen van het budget beschikbaar voor het experiment. Als het basisinkomen bovendien een stimulans betekent om 'wit' bij te verdienen in plaats van 'zwart', zoals nu waarschijnlijk vaak gebeurt, kan de overheid er per saldo zelfs beter van worden.
Voor de groep werkenden met een zodanig bruto inkomen dat zij bij deelname aan het experiment er netto niet op vooruitgaan, zijn er in eerste instantie ook geen extra kosten aan verbonden. Hun basisinkomen wordt gefinancierd uit de hogere belastingafdrachten die hun bij deelname aan het experiment worden opgelegd. Extra kosten treden pas op wanneer deelnemers in deze groep besluiten minder te gaan werken. De omvang van deze kosten is maximaal gelijk aan het aantal deelnemers maal het basisinkomen indien deze groep en masse zou besluiten te stoppen met werken.
Voor de groep startende ondernemers worden wel vanaf de, aanvang van het experiment kosten gemaakt die ten laste komen van het budget voor het experiment. Immers, werknemers in loondienst of personen zonder eigen inkomen krijgen bij deelname aan het experiment iedere maand het basisinkomen uitgekeerd. Een (extra) inhouding op de winst die zij maken, zal dit op zijn gunstigst voor een deel kunnen compenseren.
Te onderzoeken effecten van een basisinkomen
De nadruk dient in het experiment te liggen op het onderzoeken van de arbeidsmarkteffecten van de invoering van een basisinkomen. Daarover bestaat immers het grootste meningsverschil, terwijl deze effecten van groot belang zijn voor de beoordeling van de haalbaarheid en de wenselijkheid van een basisinkomen.
Meer concreet gaat het vooral om de gevolgen voor het arbeidsaanbod: gaan werkenden minder uren werken of stoppen sommigen zelfs geheel met (betaald) werken? zijn uitkeringsgerechtigden eerder bereid een (laag betaalde en/of deeltijd-) baan te accepteren? zullen niet-participerende partners ('huisvrouwen') meer of minder snel betaald werk zoeken en accepteren?
Een basisinkomen kan echter ook op tal van andere terreinen interessante gedragsreacties oproepen. Hoewel deze wellicht niet cruciaal zijn voor de beoordeling van een basisinkomen, is het niettemin de moeite waard ze in een experiment te bestuderen.
Te denken valt onder meer aan de gevolgen van een basisinkomen voor de (vrije)tijdsbesteding, zoals deelname aan vrijwilligerswerk, maatschappelijke participatie, consumptiepatronen, huishoudensvorming (samenwonen dan wel scheiden), rolverdeling tussen mannen en vrouwen e.d.
De fasen van het experiment
Het basisinkomenexperiment in Dordrecht, waarvoor hierboven de uitgangspunten zijn geschetst, zou in de volgende fases uiteen kunnen vallen:
Op grond van deze enquête worden de groep die gaat deelnemen aan het experiment en een controlegroep geselecteerd.
Paul de Beer & Loek Groot.
Prohef lokaal experiment
In Rotterdam zijn in 1995 de voorbereidingen getroffen voor een lokaal experiment "produktieheffing", afgekort "Prohef'. Het experiment gaat in 1996 van start. Een aantal geselecteerde bedrijven kan op vrijwillige basis deelnemen aan het experiment.
Produktieheffing biedt een ander systeem voor bekostiging van de sociale zekerheid. (ofhet basisinkomen. red.) Zodanig dat de economische bedrijvigheid -en dus ook de werkgelegenheid- wordt bevorderd. Terwijl het huidige systeem de bedrijvigheid en werkgelegenheid vaak juist afremt.
Het huidige belastingsysteem werkt averechts voor de inzet van arbeid.
Als de overheid bepaalde gedragingen ongewenst vindt, maakt zij het duur. Zo wil zij het energieverbruik verminderen door een heffing op energie. En ook het roken wordt ontmoedigd door een forse accijns.
Thans wordt er een opslag van 55% tot 100% over het nettoloon geheven. Je zou dus kunnen denken dat gebruik van arbeid evenzeer ongewenst is. Toch is het creeren van meer werk een belangrijk doel van de overheid. Dit valt niet met elkaar te rijmen.
De opslag van 55% of meer is grotendeels nodig voor het betalen van de sociale zekerheid. Zo geldt voor een ondernemer dat zodra hij personeel aanstelt, hij meebetaalt voor iemand die niet werkt. Terwijl als hij personeel kan afstoten niet alleen het (netto- )loon wordt bespaard, maar ook de bijdrage ten behoeve van de niet-werkende. Kortom, de huidige werking is "neem iemand in dienst en je betaalt er twee" en andersom "stoot iemand af en je bespaart voor twee".
Het is dan ook niet zo vreemd dat de inzet van arbeid tot een minimum beperkt blijft. En evenmin is het vreemd dat kostenbesparing bij bedrijven zich vooral richt op het uitstoten van arbeid. Nu is er niets op tegen als machines het vuile en vervelende werk overnemen. Maar in de huidige situatie is het risico voor de ondernemer onnodig hoog als hij overweegt om personeel aan te trekken. Dit bemoeilijkt het ontstaan van nieuwe bedrijvigheid. En het leidt tot verspilling van menselijke arbeid, die overigens wel betaald moet worden. We zijn daarom op zoek gegaan naar een heffingsysteem dat aftekent met deze nadelen.
Waaraan een alternatief systeem moet voldoen?
De veranderingen die we willen aanbrengen in het huidige systeem van premieheffing hebben tot doel:
Zo'n systeemverandering moet allereerst aantrekkelijk zijn voor ondernemers. Zij immers zijn de belangrijkste scheppers van werkgelegenheid.
Dat brengt ons tot de volgende randvoorwaarden waaraan een ander systeem moet voldoen:
Produktieheffmg als alternatief systeem.
Produktieheffing biedt uitkomst. Het houdt in:
Het gaat dus feitelijk om een nieuwe "definitie" van kostensoorten binnen het produktieproces. De arbeidskosten gaan omlaag, en daarvoor in de plaats komt een afdracht over de produktie. Bij invoering zijn voor de ondernemer deze twee posten gelijk, dat wil zeggen dat de totale kosten van de produktie bij de start gelijk blijven. Echter, er gaan verschillen optreden zodra er zich veranderingen voordoen in:
Gevolgen van het Prohef-systeem voor bedrijven.
In grote lijnen is de uitwerking van het Prohef-systeem op de onderneming als volgt te schetsen.
Kunnen ondernemers overweg met dit systeem?
Iedere verandering vergt aanpassing. Over de benodigde aanpassing kunnen we kort zijn. Om als onderneming optimaal profijt te trekken uit het Prohef-systeem is nodig:
Dit gaat niet vanzelf Daarom voorziet het experiment in ondersteuning van ondernemers. Als de ondernemer voorafgaand aan het experiment wil nagaan of deelname voordelig is, kan deze de eigen accountant inschakelen met bekostiging vanuit het experiment.
Ook tijdens het experiment wordt ondersteuning geboden om te bepalen met welke bedrijfsstrategie de ondernemer optimaal profijt trekt uit het Prohef-systeem
Werking van het prohef-systeem wordt in een experiment getoetst.
De gemeente Rotterdam maakt een experiment mogelijk voor een periode van twee jaar (met een uitloop van nog eens twee jaar). In dat experiment gaat het om de volgende vragen:
Vooral de verwachte werkgelegenheidseffecten maken dat de gemeente Rotterdam veel waarde hecht aan het experiment. Omdat het een lokaal Rotterdams experiment is, kunnen alleen Rotterdamse bedrijven deelnemen. Deelname aan het experiment betekent dat het bedrijf een overeenkomst aangaat met een stichting die door de gemeente Rotterdam belast is met de uitvoering van het experiment.
Uitwerking van het Prohef-systeem voor het experiment.
Hier volgt puntsgewijs hoe het Prohef-systeem in het experiment z'n beslag krijgt:
Levert deelname mij voordeel?
Het huidige systeem is voordelig als u omzetvermeerdering met minder mensen wilt realiseren. Bijvoorbeeld als:
Door de clausule dat de afdracht per saldo niet hoger is dan de ontvangen bonussen, betaalt u nooit meer dan onder het huidige regime. Maar als het bovenstaande de overwegende bedrijfsstrategie is, heeft deelname aan het experiment weinig zin.
Prohef geeft voordeel als u omzetvermeerdering met meer mensen realiseert. Deelname aan het experiment is voordelig als:
Wilt u aanvullende informatie? Deze is op te vragen bij:
drs. Peter W.Voogt, Stichting Prohef, Telefoon: 010 – 4761395
Hans E. Stenfert Kroese, Adviseur Werkgelegenheid Bestuursdienst, Gemeente Rotterdam Telefoon 010 4172788
"nieuwe ideeen worden altijd met argwaan bejegend, en stuiten gewoonlijk op verzet, om geen andere reden dan dat ze nog geen ingang gevonden hebben. " John Locke."
tekst uit ProhefLokaal Experiment (red).
Experimenten in Nederland
De twee omschreven experimenten zijn zover wij konden overzien de enige die dit jaar nog van start gaan. In een aantal andere steden wordt er over gedacht om binnenkort met voorstellen of initiatieven te komen. Onder andere Leiden wordt genoemd, het is te verwachten dat volgend jaar meerdere experimenten van start zullen gaan. Wij zullen daar in de toekomst gaarne aandacht aan besteden, u hoort er nog van. (red.)
B.I.E.N. Congres
Dit jaar is het Wenen waar het twee-jaarlijkse congres van het Basic Income European Network plaats vindt. In september zullen er in deze Oostenrijkse stad weer interessante discussies over het basisinkomen plaatsvinden.
Voor meer informatie over dit congres, de faciliteiten en bijvoorbeeld waar en hoe u zich kunt aanmelden, kunt u contact opnemen met het secretariaat van de vereniging basisinkomen.