NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

nummer 17

Oktober 1996

issn: 09243038

Inhoudsopgave

Is een basisinkomen het wondermiddel tegen werkloosheid, voor activiteit en zelfontplooiing?

Wie niet presteert, zal niet eten

Uit de krant

Basisinkomen is dividend op publiek vermogen

Politiek-economische grondslag voor basisinkomen

Scriptie

 

 

Is een basisinkomen het wondermiddel tegen werkloosheid, voor activiteit en zelfontplooiing?

Sinds jaar en dag vormt werkloosheid een grote zorg voor de overheid. Tevergeefs zijn al tal van maatregelen getroffen om werklozen aan werk te he1pen. Vanuit linkse hoek wordt nu een van oorsprong rechts-liberale benadering geprogageerd: het basis- of voetinkomen dat het bestaand werk herverdeelt. Voor iedereen meer vrije tijd en minder werk, en toch genoeg verdienen. Een utopie?

In december 1994 zwengelden de ministers Weijers (economische zaken) en Zalm (financiën) opnieuw de discussie aan over het loslaten van de relatie tussen inkomen en arbeid. In het paarse kabinet dringt het idee door dat het bestaande werk met meer mensen uitgevoerd moet worden. Eind april bereidde minister Melkert een regeling voor die tijdelijke uitstappen van een baan mogelijk maakt, met behoud van de arbeidsplaats en recht op een -karige- uitkering. Deze en andere maatregelen lijken de nieuwe trend in werkloosheidsbestrijding te markeren.

De overheid probeerde in het verleden met verschillende scenario's de rap stijgende werkloosheid de kop in te drukken. De eerste poging werkloosheid terug te dringen, stamt uit de jaren zeventig toen de economische vooruitgang tuimelde. Tot 1975 moest het stimuleringsscenario met grote overheidsbestedingen investeringen door het bedrijfsleven laten stijgen zodat deze meer mensen in dienst konden nemen. De consumptie zou zo stijgen en hieruit zou weer belastinggeld terugvloeien naar het Rijk. Het was de tijd dat Keynes’ theorieën van een sturende en investerende overheid nog als de oplossing in periodes van economische malaise werd gezien. Het exportscenario domineerde de volgende twintig jaar de economische agenda. Niet langer moest naar binnenlandse bestedingen gekeken worden, maar was het buitenland, en met name de lagelonen-landen in Zuidoost-Azië, het motief de lonen te drukken. Om de Aziatische tijgers nog enigzins tegen te houden, was loonmatiging en herstructureren (lees: verkleinen) van de collectieve sector noodzaak. Flexibilisering was het toverwoord geworden en de zorg om de werkgelegenheid werd even naar een zijspoor gerangeerd, opdat 's-lands ondernemers van Nederland weer een welvarende natie zou maken. Die daarbij even buiten ogenschouw lieten dat bijna tweederde van de handel binnen de Europese Unie plaatsvindt en dus vooral elkaar beconcurreren.

In de jaren negentig komt er op bovenstaand scenario nog een derde bij. Het arbeidsmarktscenario, dat er op neerkomt dat het verschil tussen lonen en uitkeringen groter moet en bovendien de minimumlonen omlaag schroeft. Voor de kleine ondernemers wordt het op deze manier aantrekkelijker een (extra) kracht in dienst te nemen, is de gedachte.

Binnen deze context passen ook de termen basisinkomen en negatieve inkomstenbelasting, die de vereniging Basisinkomen voorstelt. Doel van het basisinkomen is het hele systeem van sociale zekerheid te vervangen en iedereen met slechts een paar mitsen en maren, een uitkering van 1300 gulden te verstrekken. Werknemersverzekeringen en bijstand verdwijnen grotendeels met de invoering. De voordelen van een dergelijke voorziening doen bijna utopisch aan. Want het hele apparaat van controle en uitvoering van de sociale zekerheid zou verdwijnen.

Naast het basisinkomen mag de ontvanger er onbeperkt bijklussen zonder dat op de uitkering gekort wordt. Zo wordt de gevreesde armoedeval voorkomen, iets dat met de huidige uitkeringen wel in de hand wordt gewerkt. Mensen zullen eerder een bijbaantje aannemen om hun toch karige uitkering aan te vullen. Het komt allemaal ten goede van de individualisering, vinden de voorstanders.

Over de financiering van het basisinkomen zegt Emiel Schäfer, woordvoerder van de Vereniging Basisinkomen:

"Iedere volwassene een basisinkomen verstrekken, kost jaarlijks zo'n tweehonderd miljard gulden, tachtig miljard meer dan wat de gehele sociale zekerheid nu kost. In die situatie kun je stellen dat bij iemand boven een bepaald inkomen het basisinkomen wegbelast wordt, of helemaal niet krijgt. De hoogte van het basisinkomen moet dat punt bepalen. Aan de onderkant (van de samenleving, BvdP) geld erbij en aan de bovenkant gaat er wat af. Herverdeling van middelen noemen we dat.

De Vereniging wil met een lager bedrag beginnen. Totdat een behoorlijk aantal mensen er van kan leven. Het basisinkomen biedt werknemers die door deeltijdwerk fluctuerende inkomsten hebben, zekerheid. Het haalt bovendien de scherpe kantjes af van de opkomende flexibilisering. Gemeenschapszin is ook een onderdeel. Burgers moeten bewust worden dat ze van de staat een inkomen krijgen. In andere landen noemt men het basisinkomen ook zo: burgerschapsinkomen".

Tegenstanders van het basisinkomen wijzen op de oneerlijke verdeling ervan. Chronisch zieken en gehandicapten staan buiten spel omdat ze niet kunnen werken. Met een negatieve inkomstenbelasting wordt dit probleem opgelost omdat iedereen geld ontvangt, ongeacht of die persoon gewerkt heeft of niet. Ook staat het recht op het basisinkomen voor iedereen tegenstanders niet aan. De vrouw van de chirurg heeft immers bovenop het dikke inkomen van haar echtgenoot niet nog een zakcentje nodig, vindt men. Anderen wijzen op de rol van de overheid, die bij een basisinkomen als grote verdeler moet gaan functioneren.

GroenLinks-voorzitter Ab Harrewijn is daarom voorstander van een schijnbaar goedkopere variant op het basisinkomen: het voetinkomen. Het voorstel deelt de doelstellingen van de Vereniging Basisinkomen, zij het met andere middelen. Het voetinkomen is een uitkering van 500 gulden dat de huidige sociale zekerheid aanvult, niet vervangt.

Gecombineerd met deeltijdwerk levert het loon op dat boven het uitkeringsniveau ligt, met als gevolg dat de bruto-lonen verlaagd mogen worden. De werkgelegenheid zou een geweldige impuls krijgen, tot 100.000 full-time arbeidsjaren, berekende het economische tijdschrift Economisch Statistische Berichten vorig jaar.

Harrewijn: "Het voetinkomen maakt korter werken met een lager inkomen mogelijk. Men wordt onafhankelijker van de sociale dienst omdat het korter werken, vier in plaats van vijf dagen, een instrument in handen geeft zelfstandiger te worden. In plaats van mensen die aan de kant staan, met financiële middelen op te vangen. Het kan niet zo zijn dat de markt iedereen die wat mankeert of korter. wil werken, bij de overheid dumpt terwijl de economie verder draait.

Met een basisinkomen is de overheid ontslagen van de plicht een plaats voor een werkzoekende op de arbeidsmarkt te bevechten. Bovendien zal het arbeidsaanbod met anderhalf miljoen dalen omdat mensen sneller tevreden zijn met een basisinkomen alleen. We moeten ook van de scheiding tussen werk en vrijwilligerswerk af zodat het mogelijk wordt naast een 32-urige werkweek nog buurtwerk of zorgarbeid te verrichten. Nu werk je of 120 procent en kom je uitgeput thuis, of je doet vrijwilligerswerk. Met een voetinkomen dwing je herverdeling van werk niet at: maar je creëert wel de mogelijkheid om te kiezen".

De bijkomende flexibilisering wordt verwelkomd door Harrewijn omdat deeltijdwerk daar een onderdeel van is.

Het lijken revolutionaire systemen, deze vervangende inkomens.

Uitgerekend in de Verenigde Staten is onder president Nixon met het basisinkomen in verschillende staten geëxperimenteerd. Een aantal huishoudens kreeg een basisinkomen toegewezen en werd drie jaar lang in hun gedrag gevolgd. De vrees dat men definitief zou ophouden met werken, bleek ongegrond. Alleen bij tweeverdieners werkte de vrouw iets minder. Overigens had de proef ook gevolgen voor de zelfstandigheid van de vrouw: het aantal echtscheidingen steeg aanzienlijk.

Wel moet aangetekend worden dat diezelfde proeven onder de naam SIME/DIME in Seattle en Denver andere resultaten lieten zien. Mannen gingen negen procent minder werken, vrouwen twintig procent en jongeren zonder gezin 43 procent. Maar in het kader van herverdeling van werk zullen deze veranderingen alleen maar toegejuichd worden.

Een variatie op het basisinkomen vormt het systeem van gedeelde opbrengsten. In Alaska ontvangen bewoners sinds 1979 jaarlijks een bedrag van rond de negenhonderd dollar uit olie opbrengsten, afhankelijk van de hoogte van de winst.

Wellicht dat de experimenten tot stand kwamen onder invloed van econoom Milton Friedman, die in zijn liberaal manifest Capitalism and Freedom al een negatieve inkomstenstelsel - zij het alleen voor werkenden - voorstelde: "De voordelen van negatieve inkomstenbelasting zijn duidelijk. Ze is specifiek gericht op het probleem van armoede. Ze biedt op de meest nuttige wijze hulp aan het individu, namelijk contant geld. Ze is algemeen en zou de massa aan bijzondere maatregelen die nu gelden kunnen vervangen. Ze vermindert de prikkel voor hen die geholpen worden zichzelf te helpen niet helemaal, zoals een systeem van aanvullende inkomens tot een bepaald minimum wel doen. Een extra dollar verdiend, is een extra dollar om uit te geven".

Ook hier te lande waagt de politiek een voorzichtige sprong in de praktijk. Binnenkort vinden in Dordrecht en Rotterdam proeven plaats, waarbij de sociale dienst aan mensen in verschillende situaties een basisinkomen toekent. Grootschalig zijn ze niet, want het ministerie van Sociale Zaken wil deze projecten niet financieel ondersteunen. FNV, PvdA, de fractiecommissie Sociale Zaken en D66 (op een congresuitspraak over het basisinkomen) hebben al de voorkeur uitgesproken voor het omzetten van de belastingvrije som in een voor iedereen gelijk bedrag.

Maar niet alleen wordt met een voet- of basisinkomen om een verandering van wetten en regels gevraagd; een mentaliteitsverandering ten aanzien van werk en vooral de verdeling ervan is, vereist.

Dat is waarschijnlijk nog moeilijker dan de megawet voorbereiden die het huidige sociale stelsel in de steigers gaat zetten.

(a.o. red.)

 

Wie niet presteert, zal niet eten

De manier waarop een samenleving omgaat met arbeid en inkomen en met hun onderlinge relatie vindt zijn achtergrond in de heersende tijdgeest.

Nu is zo'n tijdgeest nooit homogeen, maar er zijn wel overheersende trekken in aan te wijzen. Ook in onze tijd vinden wij uitingen van solidariteit en van een zekere openheid voor het kunstzinnige en het spirituele. Maar de overheersende onderstroom van onze tijd is overduidelijk een toenemende verzakelijking en verharding van de maatschappelijke verhoudingen.

In het woordgebruik vind je zoiets meteen terug: mensen worden tegenwoordig ergens op "afgerekend", bijvoorbeeld. De drijfveer voor economisch handelen verschuift steeds sterker naar maximalisering van persoonlijk inkomen of ondernemingsresultaat (beter: shareholder value!).

Sociale voorzieningen verliezen hun collectieve karakter en worden geprivatiseerde verzekeringen. Het sociale vangnet wordt tot een minimum teruggebracht, met steeds meer regelgeving en primair gericht op terugkeer in het circuit van betaalde arbeid (dat overigens steeds beperkter wordt). De koppeling tussen arbeid en inkomen wordt dus steeds sterker. In de politiek zie je daarbij de traditionele rechts-links tegenstelling verdwijnen. Je kunt hooguit nog spreken van rechts en averechts.

Op 24 juni gaf minister Melkert zijn visie op de toekomst van de sociale zekerheid vooral als middel om economische groei en werkgelegenheid te bevorderen. Wel vroeg hij zich af waarom hij uit de kringen van uitkeringsgerechtigden zoveel kritiek hoorde. Wordt de boodschap misschien niet professioneel "verkocht"? Misschien dat Melkert toch onvoldoende oog heeft voor wat er aan de schaduwzijde van de prestatiemaatschappij gebeurt.

Waar armoede en dakloosheid toenemen, maar ook in brede kring onzekerheid, angst en vervreemding, met zaken als vereenzaming, agressie en verslaving als gevolg. De prestatiemaatschappij beschermt zich steeds meer repressief tegen deze symptomen, hetgeen weer leidt tot nog meer maatschappelijke verharding.

Het is logisch dat in deze maatschappelijke context het idee van een basisinkomen als een anachronisme wordt beschouwd. Het basisinkomen is een stap op weg naar ontkoppeling van arbeid en inkomen en staat dus haaks op de heersende trend.

Vandaar dat het debat over het basisinkomen vrijwel van de politieke agenda is verdwenen. Gezien de ernst van de situatie is er echter des te meer reden om er harder aan te trekken.

Rob Steinbuch

Uit de krant

"Er worden in de troonrede wel roerende passages gewijd aan het belang van de sociale samenhang, maar aan het ontwerpen van nieuwe concepten daarvoor is het kabinet nog niet toegekomen. Er is ook niets dat er op wijst dat het kabinet er van overtuigd is dat er radicaal nieuwe concepten nodig zijn. Zo wordt er van Wijers en Zalm niets meer vernomen over de wenselijkheid na te denken over een basisinkomen als grondslag van een gemoderniseerde sociale zekerheid en als motor van werkgelegenheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Jammer. Want met vernieuwingen van die orde zou Kok zich kunnen scharen onder de echt grote minister-presidenten."

Marcel van Dam (uit de Volkskrant.) red.

Basisinkomen is dividend op publiek vermogen

In een artikel in NRC-Handelsblad van 3 februari 1995 stelt S. Cnossen dat "de meest elementaire economische wet luidt: "wie niet werkt zal ook niet eten". Hoe aannemelijk deze populaire stelling ook lijkt, zo eenvoudig is het niet. We kunnen immers ook "eten" van de opbrengst van ons bezit. Dit is te verwerven door werk en sparen, maar ook door schenkingen, erfenissen, loterijen en huwelijk. Het spreekwoord "Arbeid adelt, maar adel arbeidt uiteraard niet" wijst bijvoorbeeld op de grote rol van erfenissen, die zijn ontstaan doordat koningen land uit "publiek bezit" aan enkele inwoners hebben geschonken.

Tot de categorie "erfenissen" behoort het aandeel in het vermogen van de N.V. Nederland, dat elke meerderjarige ingezetene als mede-aandeelhouder bezit. Helaas informeert het kabinet, als Raad van Bestuur, de aandeelhouder-burgers-kiezers niet over het vermogen van het land. De herbouwwaarde van ons land plus activa als de aardgasreserve overtreft vermoedelijk onze staatsschuld aanzienlijk, ook na reservering van een bedrag voor bodemsanering. Ons parlement kan besluiten deze balans jaarlijks te doen opmaken en het berekende rendement op het vermogen van de staat te gebruiken als beoordelings-criterium voor het gevoerde beleid.

In deze lijn kan het parlement ook besluiten de winst op het staatsvermogen niet langer te beschouwen als direct beschikbaar voor nieuwe uitgaven, maar net zoals bij gewone bedrijven gebruikelijk is, eerst een redelijk deel van de winst uit te keren aan de aandeelhouders.

Dat zou een grondslag vormen voor een basisinkomen, dat een uitstekend passende versterking levert voor onze democratie en de vrije markt-economie. Het begrip "rentmeesterschap" krijgt dan pas een concrete betekenis voor iedere aandeelhouder-burger-kiezer-consument.

Het lijkt mij onjuist dit met Cnossen te zien als "het einde van de solidariteit".

Eerder is het starten van deze dividend-betaling te beschouwen als het beëindigen van een achterhaalde betutteling van de burgers en als einde van de, weliswaar tot nu toe parlementair aanvaarde, "gedwongen omgekeerde solidariteit" van de burgers met de overheid.

Uitkering van het dividend als basisinkomen geeft burgers werkelijke vrijheid voor de keuze tussen "herbeleggen" in nieuwe staatsactiviteiten en andere mogelijke bestemmingen, zoals overige ", vormen van beleggen, sparen, schenken of consumeren. "Gedwongen winkelnering" op kleinere schaal is bijna overal afgeschaft, nu de grootste nog!

Paul E. Metz

Politiek-economische grondslag voor basisinkomen

De discussie over een basisinkomen gaat vrijwel voorbij aan nieuwe fiscale concepten als de ecotax. Nu wordt belasting vooral geheven op maatschappelijk gewenste zaken als inkomen, bezit en winst: het verwerven hiervan wordt wel nagestreefd maar fiscaal bestraft, terwijl minder gewenste activiteiten fiscaal buiten schot blijven.

Dit heeft een tegenstrijdigheid tussen de "regulerende hand" en de "heffende hand" van de overheid gecreëerd, die de burgers en bedrijven voor vele dilemma's plaatst en de "onzichtbare hand" stimuleert tot tegenwerking van het overheidsbeleid. Dit vormt de grootste zwakte van ons vrije markt stelsel, en ecotax is het aangewezen instrument voor het moderniseren van de belastingheffing. De arbeid is door belastingen "uit de markt geprijsd", zodat automatisering en export van bedrijfsactiviteiten worden bevorderd en een grote afbraak van werkgelegenheid optreedt. Om dit proces te stoppen en terug te dringen is urgent een aanzienlijke verlaging van deze tarieven noodzakelijk. Dit kan niet worden bereikt door het saneren van de overheidsuitgaven en het verlagen van uitkeringen alleen, en daarom is een fundamentele herziening van de grondslagen voor de belasting een goede kans.

Er bestaan al dergelijke "goede" heffingen op alcohol, rookwaar, brandstoffen, auto's en loterijen, maar grotere opbrengsten vereisen meer, brede "ongewenste" grondslagen. Milieugebruik levert al bescheiden "nieuwe" heffingen op energie, afval en grondwater, maar meer fiscale creativiteit is mogelijk. De fiscus moet de maatschappelijke ontwikkelingen analyseren en de "nieuwe schaarsten" als grondslag kiezen. Bij natuur en milieu komt het ruimte- of grondgebruik in aanmerking, maar ook daarbuiten zijn er legio mogelijkheden: legale drugs, prostitutie, spuitbussen, vuurwerk, jetskis, helikopters, speedboten en andere lawaaibronnen, reclame en informatie. Een voorbeeld: reclame wordt volgens velen overmatig en storend toegepast, zodat een heffing beter dan gedetailleerde regelgeving de gebruikers zal prikkelen tot grotere creativiteit bij een kleiner volume. Ook andere "informatie" komt in aanmerking, evenmin wegens ongewenstheid als zodanig, maar om ook hier kwaliteit en efficiency te bevorderen in het aanbod dat steeds meer wordt ervaren als overmatig, en zelfs ongewenst als de inhoud porno en geweld betreft.

Zulke nieuwe heffingen geven een prijs aan het gebruik van ''publiek bezit": schone omgeving, fysieke en geestelijke rust en veiligheid zijn mensenrechten, dus van iedereen. Als gebruikers legaal inbreuk maken op dit recht en daarvoor een vergoeding betalen, hebben alle burgers recht op hun aandeel in de opbrengst: dit "dividend" van publiek bezit is te beschouwen als basisinkomen. We kunnen bijvoorbeeld de aardgasopbrengst als eerste stap naar het basisinkomen aan alle burgers te geven. Bij 30 miljard gulden voor 9 miljoen personen boven 18 jaar betekent dat bijna 300 gulden per maand. Vanzelfsprekend gaat het hierbij niet om "nieuw" geld, maar om een tot nu toe ontbrekende rechtvaardiging om bestaande staatsinkomsten op deze wijze te bestemmen. Dan wordt Nederland een "fiscaal gidsland" dat zowel "de koopman" als "de dominee" bevredigt.

Dit betekent overigens een "ruil" van ongekende omvang, die niet gemakkelijk zal zijn te realiseren. Skepsis is daarom begrijpelijk, maar niet doorslaggevend. De structurele zwakten van ons markteconomisch stelsel vragen om structurele oplossingen en het geschetste perspectief is aantrekkelijk: niet méér, maar àndere belastingen, die door de synergie omlaag kunnen - dus een grotere efficiency in ons bestuur en extra deregulering - en een vrije maar "in de goede richting gestuurde" marktwerking leiden via een basisinkomen naar een sterkere democratie en meer "ecosociale welvaart".

Paul E. Metz

Scriptie

Wil Eijben, Van biistand naar basisinkomen. Van vangnet naar springplank?

Doctoraalscriptie, 102 pag. Verkrijgbaar bij de Vereniging Basisinkomen.

Na een uitweiding over de Nederlandse verzorgingsstaat en zijn problemen volgt in deze scriptie een beschrijving van de diverse bestaande voorstellen voor een basisinkomen, waaronder die van WRR, FNV, Groen Links en de Vereniging Basisinkomen.

Daarna komt een minder algemeen thema aan de orde, namelijk de vraag wat de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen van 930 gulden per maand zou kunnen betekenen voor de positie van bijstandsmoeders. Velen van deze categorie hebben geen uitzicht op enige verandering in hun situatie en het enige wat zij zouden willen is, naast meer geld, door de sociale dienst met rust worden gelaten. Wellicht zou een gedeeltelijk basisinkomen hen de mogelijkheid bieden om uit de bijstand te komen. Om hierover een oordeel van de betrokkenen zelf te krijgen heeft Wil Eijben 13 bijstandsmoeders geïnterviewd.

Twaalf van hen waren voorstander van de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen als alternatief voor de bijstandsuitkering. Eén van hen motiveerde haar voorkeur als volgt:

"Bij de sociale dienst zeiden ze wel eens, als uw vriend komt mag hij maar drie dagen blijven slapen. Ik zeg, ik heb helemaal geen vriend en daardoor kreeg ik een raar gevoel. Zeker omdat mijn ex-man wel eens komt en dan zit je 's nachts tot een uur of drie vier te praten en dan gaat ie weer weg. Je geeft toch nog om elkaar, maar dat wordt je misgund en dan wordt het doorgegeven en kun je weer komen. Maar ik heb niets te verbergen. Ik heb al gezegd, kom maar kijken. Kom maar kijken of er kleren hangen of een scheerapparaat. Er is wel een scheermesje maar dat is voor onder mijn armen. Ik zeg, kom maar een keer onverwachts aan mijn deur, Dan moet je wel mazzel hebben dat ik open doe, want dat doe ik niet gauw. Met een basisinkomen ben ik tenminste van dat gedoe af."

En een ander: "Met een basisinkomen zou ik me veel vrijer voelen. Nu moet je voor alles naar hen toe, mag het wel, mag het niet, ohh, ik vind het verschrikkelijk. Ik zou dan weer lekker gaan werken, ook al is het maar twee dagen per week, dan ben ik er uit en kom weer onder de mensen, want dat mis ik wel. Het zou me meer rust geven".

De geïnterviewde die als enige de voorkeur gaf aan een bijstandsuitkering boven een gedeeltelijk basisinkomen deed dit omdat zij van een bijstandsuitkering wèl, en van een gedeeltelijk basisinkomen niet kon rondkomen.

Geconcludeerd wordt dat een gedeeltelijk basisinkomen economische zelfstandigheid van bijstandsmoeders mogelijk maakt, mits er meer deeltijdbanen zouden komen en voldoende kinderopvang.

Gosling Putto