NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
Nummer 19, maart 1997
issn: 09243038
Inhoudsopgave
Basisinkomen, AOW en armoedebestrijding
1. Armoede en sociale activering
2. 10% nu
3. Toekomstig Paars beleid
4. Konklusie.
Naar een verantwoordelijke samenleving
De overheid
Werkgevers
Werknemers
Besluit
Onze trouwste bondgenoot in de vakbeweging
Internet en de transactiebelasting
Internet: een belastingparadijs voor iedereen?
Of een belastingtarief van 1%?
Nadelen
Basisinkomen: éérst principe en inning, dan pas vaststellen hoogte!
Basisinkomen, AOW en armoedebestrijding
In talloze publicaties en op idem conferenties is het thema armoede tegenwoordig de hoofdschotel. Dat wekt bij mij tevredenheid: er wordt nu tenminste over deze, voor een welvaartstaat grote schande, gepraat. Maar ook ben ik tegelijkertijd woedend. Mijn kwaadheid betreft vooral drie aspecten:
1. Armoede en sociale activering
Bij armoede denken ambtenaren, politici maar ook de meeste woordvoerders uit de uitkeringssfeer niet aan 65-plussers of aan anderen die niet (meer) geschikt zijn om betaald werk te vinden. Het woord" activering" staat centraal. Mensen moeten aan het (betaalde) werk geholpen worden, of scholing krijgen of (bij uitzondering en onder toezicht) vrijwilligers werk doen. Arbeidsbureau’s en sociale diensten moeten deze sociale activering uitvoeren. Werk en scholing krijgen de nadruk. Daar worden miljarden guldens aan besteed. Als de sociale activering dan bij het inzetten van vrijwilligers belandt (meestal achteraan in boek of conferentie-agenda), dan word ik zo mogelijk nog kwader, want dan blijken mensen taken toegeschoven te krijgen, zonder daar iets aan te kunnen verdienen. Veel waardering is er voor de diverse vrijwilligsters en vrijwilligers, maar meer dan een vergoeding van f 5,-- per dag kan er niet af.
Het idee, dat mensen in staat zijn zelf zinvol onbetaald’ werk te vinden en met behoud van de uitkering zo de eigen sociale activering zouden kunnen invullen wordt in sommige gemeenten geaccepteerd, maar voor de landelijk politiek is dit nog een station te ver. Zelfs Marcel van Dam wilde in het programma "Het Lagerhuis" van 22 februari wel het debat aangaan over de vraag of vrouwen met kinderen tussen de 5 en 12 jaar verplicht zouden moeten blijven solliciteren, maar niet discussieren over de meer principiële kanten aan de huidige sollicitatieplicht.
2. 10% nu
Over de hoogte van de uitkeringen willen politici liever niet praten. Maar gelukkig gebeurt dat toch. Op menig congres mogen deelnemers stickertjes plakken. En dan blijkt de hoogte van de uitkeringen, van de AOW, of van het bedrag dat studenten en kunstenaars krijgen, de meeste aandacht te hebben. Ik ga hier wat dieper in op de discussie over de AOW. Niet omdat anderen met een laag inkomen minder belangrijk zijn, maar omdat niet alles tegelijk aan de orde kan komen en de AOW (zie de eerdere AOW-stukken in de nieuwsbrieven van december 1993 en october 1995) met enige fantasie beschouwd kan worden als een basisinkomen voor 65 jarigen. In de ANBO (de grootste ouderenbond) wordt al enige tijd over het bedrag waarop een AOW-er aanspraak zou mogen maken gediscussieerd. Er zijn twee stromingen. De ene wil niet verder gaan dan "maatwerk". Dat houdt in, dat er verbeteringen worden voorgesteld ten aanzien van de bijzondere bijstand. Ook de extra vergoeding vanwege de hoge stookkosten hoort bij dit pakket. En er is uitgerekend, dat met name oudere alleenstaande vrouwen (met alleen een AOW-inkomen) in armoedige omstandigheden leven. Het ANBO-hoofdbestuur (met een hoog paars gehalte) hoort tot deze stroming en bepleit bij de regering een maandelijkse toeslag voor deze vrouwen van 90 gulden. De andere stroming heeft uitgerekend wat de jarenlange ontkoppeling heeft veroorzaakt.
Er is een achterstand van ruim 15% ontstaan. Men wil een welvaartvaste AOW en verlangt een inhaalprocedure. Op het laatste ANBO-congres werd een motie aangenomen, waarin 15% verhoging geeist werd. Deze stroming heeft dus de meerderheid achter zich.
Uit diverse publikaties kan men opmaken, dat de koopkrachtachterstand van de mensen die uitsluitend op een AOW-inkomen zijn aangewezen nog meer dan de genoemde 15% is. Het hoofdbestuur van de ANBO gaat echter uit van 10%. Ook in GroenLinks gaat men uit van 10%.
Om pragmatische redenen zijn wij (ik ben lid van de Amsterdamse sociaal-economische commissie van de ANBO) nu voorlopig begonnen met een inhaalactie van 10%. En daarbij heb ik het dan alleen over de AOW, ook weer in de hoop, dat de andere minima in het kielzog kunnen worden meegenomen. De eerder gememoreerde woede zetten we dus om in "sociale participatie", of beter gezegd: in aktievoeren.
Is zo’n 10% AOW verhoging een onhaalbare eis? De AOW bedraagt zo’n 34 miljard gulden per jaar. Een verhoging van 10% "kost dus" 3,4 miljard gulden. Deze 3,4 miljard zal niet opgebracht kunnen worden door het verhogen van de premies. Maar dat hoeft ook niet, want Kok en de zijnen hebben dit najaar beloofd om de hogere AOW-kosten te fiscaliseren. De 3,4 miljard komt dus uit de belastingpot (die vanwege belastingmeevallers goed gevuld is).
Dit bedrag behoort geen probleem te zijn. Immers, we zijn beland in een periode waarbij per jaar belastingmeevallers optreden, de 3,4 miljard gulden wordt slechts voor een klein deel extra verstrekt, van het deel dat AOW-ers extra krijgen heeft de schatkist weer voordeel.
Op de laatste twee aspecten ga ik, hier nog even in, opdat jullie allemaal achter mijn actie "10 % nu" komen te staan.
Bekend is, dat de meeste 65-plussers een redelijk pensioen hebben. Dat geldt voor zo’n 3/4 van deze huishoudens. Een ander feit is, dat de meeste pensioenfondsen bij de pensioenvaststelling de AOW in de berekening opnemen. Van het verhogen van de AOW merken vele gepensioneerden dus "niets". Deze verhoging komt (als de overheid niet zou ingrijpen) dan ten goede aan de reserve van deze pensioen-fondsen, of aan de huidige werknemers en werkgevers die dan minder premie opgelegd krijgen.
Naar schatting zal rond de 2,4 miljard gulden op deze wijze "verdwijnen". Het moet voor de rijksoverheid echter niet moeilijk zijn, om er voor te zorgen, dat dit bedrag via het aanscherpen van belastingen niet bij de pensioenfondsen of bij de werknemers en werkgevers terecht komt, maar terugvloeit in de schatkist.
Blijft over een aantal huishoudens met geen, of slechts een zeer bescheiden pensioen of behorend tot de groep met een pensioen waarbij de AOW niet meeberekend wordt. Deze AOW-ers hebben direct voordeel van de 10% verhoging. Naar schatting komt het er dus op neer dat" slechts" een miljard gulden wordt uitgekeerd.
Maar, en hierbij kom ik bij de laatste stelling, de betreffende huishoudens zullen de extra AOW veelal hard nodig hebben en dus het bedrag uitgeven aan goederen-aankoop of aan het betalen van diensten. Van deze miljard gulden vloeit zodoende weer een belangrijk deel terug naar de schatkist, hetzij vanwege belastingheffing (btw bijvoorbeeld) hetzij vanwege de vernnndering van het aantal werkzoekenden (:in de zorgsektor bijvoorbeeld). Ook zal er minder "bijzondere bijstand" worden gevraagd en zal er in sommige gevallen sprake kunnen zijn van een lagere huursubsidie. Naar schatt:ing zal dus het rijk bij 10% verhoging van de AOW slechts een bedrag tussen de 0,5 en 1 miljard gulden inleveren. Nu het rijk aanzienlijke belast:ingmeevallers heeft, is dit bedrag gemakkelijk op te brengen.
3. Toekomstig Paars beleid
De door "Paars" voor 1996 aangekondigde discussie over wijzigingen in het sociale zekerheidstelsel is op een handige manier afgeblazen. Het armoede-debat funktioneert als afleiding. "Paars" is kennelijk sterk verdeeld over het meest gewenste beleid ten aanzien van sociale zekerheid, het premie- en belastingstelsel en de werkgelegenheid. Maar op korte termijn (en vooral nu het economisch niet slecht gaat) heeft men weinig moeite om het eens te worden.
"Werk, werk en nog eens werk" is de slogan van "Paars". Zoals hierboven in punt 1 reeds werd aangegeven richt men zich op de bestrijding van de werkloosheid. Kok en de zijnen hebben bij de bezuinigingen, die men de laatste jaren doorvoerde, daarop voortdurend gewezen. Het beleid is er op gericht de kansen op betaald werk te vergroten. Daar is geld voor uitgetrokken. En, ja, wie daar geen gebruik van kan maken, die heeft het moeilijk, Melkert speelt zich aldus in de kijker met zijn "Melkertbanen" en staatssecretaris Terpstra krijgt geen geld. Zij moet gehandicapten en ouderen "nul" verkopen. Maar gelukkig voor haar, waren er de sportsuccessen...
"Paars" heeft zich uitgesproken voor het verminderen van het begrotingstekort naar maximaal 3 %. Dat is trouwens ook vanwege de Europese plannen nodig. Tevens is in het regeeraccoord afgesproken, dat de belastingen zouden worden verminderd.
Daardoor was er bij het aantreden van dit kabinet geen geld beschikbaar voor het bestrijden van armoede. Nu het economisch beter gaat, is dat geld er wel. En, slim als "paars" is, wordt nu van de aanzienlijke belastingmeevallers twee miljard opzij gezet om de piek van de vergrijzing (die over 30 jaar verwacht wordt) op te vangen. Dit parkeren van geld in het zogenoemde schommelfonds wordt bij de bereken:ingen voor Europa terecht beschouwd als een extra vermindering van de staatsschuld. Aan ouderen wordt het echter verkocht als een uitgave ten bate van de situatie van ouderen. Zo’n aanpak maakt me woedend: de armoede onder de ouderen van nu, wordt niet aangepakt, maar de eventuele problemen in 2030 wel.
Soms hoor ik als weerwerk op de "10% nu aktie" voor AOW-ers: ja maar dan moeten andere minima ook 10% verhoging krijgen. Mijn antwoord kunnen jullie raden. Graag ja, want ook deze minima zitten vaak in een uitzichtloze armoede. En ook deze 10% verhoging is zeer wel te financieren. Het rijk geeft 11,4 miljard gulden uit aan bijstandsuitkeringen. Een deel van de bovenstaande effecten, die bij de AOW-verhoging zouden optreden zijn hier ook te verwachten. Het is te berekenen dat deze 10% er toe leidt dat er weer tussen de 0,5 en 1 miljard gulden van het rijk (de belastingbetaler) gevraagd gaat worden.
Dat is dus het probleem niet. Het probleem ligt elders. De politici blijven hangen op pappen en nathouden (zoals verwijzen naar de bijzondere bijstand) omdat bij een 10% verhoging van de uitkeringen de afstand tussen minimumloners en uitkeringsgerechtigden te veel zou worden ingekrompen. Ik denk niet, dat daarmee ons sociale zekerheidstelsel wordt aangetast, maar velen denken dat (te weinig prikkels om werk te aanvaarden en / of een te grote afgunst van minimumloners, die immers hard voor de kost moeten werken) een dergelijk effect zal hebben.
Op deze onjuiste veronderstellingen ga ik hier niet in, wel wil ik meedenken, of het echt noodzakelijk is, dat bij verhoging van de uitkering het verschil met datgene wat een minimumloner te besteden heeft, zo klein wordt. Ook neem ik de gedachte serieus, dat het verhogen van het minimumloon slecht is voor de Nederlandse concurrentiepositie en dus voor onze economie en voor de werkgelegenheid.
En daarmee ben ik dan terecht bij het basisinkomen.
Het is al vaker gezegd: verhoog de huidige belastingvrije voet tot (pak weg) f. 1000.- per maand. (Net als bovenstaande 10 % eis, is deze f. 1.000.- uiteraard ook geen eindstation). Door iedereen die een inkomen heeft boven de f. 1.000.- deze belastingaftrek te gunnen (en iedereen die minder verdient een negatieve inkomstenbelasting te verstrekken tot maximaal f. 1.000. -), gaat automatisch het besteedbaar inkomen van een minimumloner omhoog, omdat er over ongeveer de helft van het inkomen geen belasting wordt geheven. Het hogere bestedingsniveau is echter niet schadelijk voor de werkgelegenheid, omdat de werkgever geen extra kosten krijgt. Dit voorstel is al (zij het meestal niet voor f. 1.000.- per maand en soms ook gekoppeld aan speciale voorwaarden) door verschillende organisaties voorgesteld. In 1996 waren dat GroenLinks en de FNV. Er is al tamelijk veel rekenwerk verricht. En de konklusies zijn steeds: financieel is een dergelijk voorstel haalbaar.
4. Konklusie.
Verhoog het bedrag dat minima en AOWers krijgen met 10%, en voer een vorm van basisinkomen in van f. 1.000.- per maand. Deze negatieve inkomstenbelasting maakt dat ook de minimumloner er op vooruit gaat (zonder dat het bedrijfsleven schade ondervindt). Een bijkomend zeer belangrijk voordeel van deze negatieve inkomstenbelasting is, dat het aantal mensen, dat via de sociale dienst en dergelijke een uitkering moet vragen sterk vermindert. Immers: wie samenwoont krijgt f. 2.000.- per maand (en kan dus veelal leven zonder bijstand).
Van de alleenstaanden zullen velen sterk gemotiveerd worden om ook los te komen van de uitkeringsinstanties. Het zal lang niet iedereen lukken, maar een deel van hen (ik schat de helft) zal een deeltijdbaan kunnen vinden. Als er dan bovendien in de regeling betreffende de negatieve inkomstenbelasting een glijdende schaal voor alleenwonenden en laag betaalden wordt ingevoerd, wordt het zeer lonend om betaald werk te zoeken.
Kortom, praktisch is niets in te brengen tegen bovengeschetste maatregelen en tegen een principiële discussie. Er zijn bovendien flink wat aanzetten vanuit uitkeringsgerechtigden, AOW-ers, studenten, gehandicapten- en kunstenaarsorganisaties in bovenstaande richting. Met elkaar moeten we "Paars" wat meer in onze richting kunnen laten denken.
Saar Boerlage
Naar een verantwoordelijke samenleving
Gesprek met de heer R W.P.A.M. de Ley directeur Arbeidszaken bij AKZO Nobel NV.
Door Emiel Schäfer
In het vakbondsmuseum sprak de heer R W.P.A.M. de Ley over zijn visie op de samenleving. De bijeenkomst m het vakbondsmuseum was voor de Vereniging Basisinkomen aanleiding een nadere toelichtmg te vragen. In zijn zonnige kantoor m Arnhem zette mijnheer De Ley zijn gedachten nog eens op een rijtje. De gedachten vm de heer De Ley zijn interessant omdat hij voor verruiming van het begrip arbeid pleit. Ook interessant is dat hij aangeeft dat de sociale zekerheid in de toekomst geen onderscheid zou moeten bewerkstelligen tussen werknemer en zelfstandige. Deze gedachte kwam in ons gesprek slechts zijdelings aan de orde maar verdient uiteraard ook onze aandacht.
De overheid
Al jaren vertoont de Nederlandse overheid calculerend gedrag door regel op regel te introduceren. De regels worden steeds ingewikkelder en vooral ingegeven door pragmatisme. Bij die regelgeving lijkt meer gekeken te worden naar hetgeen electoraal goed scoort. Principes schijnen voor de Nederlandse overheid nauwelijks een rol te spelen bij het bepalen van de regels. Er werden problemen geconstateerd met de kosten van de sociale zekerheid maar in plaats bepaalde principes te volgen werd de sociale zekerheid constant gerenoveerd. Dat proces gaat nog steeds door. Het stelsel van sociale zekerheid is veranderd m een stelsel van sociale onzekerheid. Geen enkele groep m onze samenleving is veilig voor de pragmatische bezuinigingen op de sociale zekerheid. Vooral de geïntroduceerde herkeuringen voor arbeidsongeschikten hebben veel onzekerheid teweeg gebracht.
Daarom pleit de Ley voor een sociale zekerheid die op principes berust en niet op pragmatisme. Net zoals wegen, spoorlijnen en electra- gas- en telefoonaansluitmgen hoort de sociale zekerheid bij de infrastructuur van een land. Dat geldt natuurlijk ook voor de gezondheidszorg en het onderwijs. De opvatting dat sociale zekerheid een onmisbaar onderdeel is van de infrastructuur is daarbij van wezenlijk belang. Het is de kern waar het allemaal om draait. Infrastructuur vereist dan ook een planning op de lange termijn. De overheid moet daarbij keuzes durven maken en oriëntatiepunten moeten neerzetten opdat iedereen helder voor ogen krijgt volgens welke principes de sociale zekerheid is opgezet. Daarbij zou het onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen moeten verdwijnen zodat de laatstgenoemde groep meer zekerheden krijgt dan nu het geval is.
Het begrip arbeid zou verruimd moeten worden. Vrijwilligerswerk is onmisbaar geworden in onze samenleving maar toch worden vrijwilligers die geen betaald werk hebben niet tot de actieven gerekend. Ook mensen die hun ouders of kinderen verzorgen verrichten arbeid.
Volgens De Ley zijn alle activiteiten die een ander tegen betaling voor je zou kunnen doen te beschouwen als arbeid. Al deze vormen van arbeid zouden erkend moeten worden en daaraan zouden dan ook rechten op sociale zekerheid ontleend moeten worden. De term basisuitkering is volgens De Ley het meest helder om aan te geven waaruit de sociale zekerheid dan zou moeten bestaan. Met de verruiming van het begrip arbeid wordt de toetreding tot de arbeidsmarkt aanzienlijk vergemakkelijkt.
Bovendien wordt het ook eerder haalbaar om het recht op arbeid te erkennen zoals dat in de Scandinavische landen gebruikelijk is. De Scandmavische samenlevingen kenmerken zich onder andere door ver doorgevoerde principes van rechtvaardigheid. Zo heeft de overheid zich in Denemarken verplicht om haar burgers van arbeid te voorzien indien zij dat zelf niet kunnen vinden. De regels zijn streng maar gebrek aan kmderopvang bijvoorbeeld is een geldige reden om aangeboden werk te weigeren. (red.)
De basisuitkermg zou uit de algemene middelen gefinancierd moeten worden. Hoe dat precies gaat is van minder belang, het gaat De Ley om het principe. Het heeft weinig zin om alle verschillende premies en verzekermgsvormen apart te benoemen. Dat leidt tot bewustere keuzes. Aparte regels voor verschillende groepen leidt alleen maar tot meer bureaucratie.
Werkgevers
In het bedrijfsleven zijn afslankingen, verplaatsing van productie en dienstverlening aan de orde van de dag om de internationale concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Bedrijven kunnen dan ook nooit werkgelegenheid garanderen. Wel kan in samenspraak met werknemers ingespeeld worden op de eisen die in de nabije toekomst gesteld gaan worden.
Wat betreft de rol van werkgevers ziet de Ley dan ook een aantal gedragsregels die nu nog niet bestaan. Zo zou er een absoluut verbod moeten komen op het verbruik van arbeid. Verbruik van arbeid houdt in dat mensen zich door bepaalde werkzaamheden te verrichten, ziek worden, arbeidsongeschikt en/of zich niet verder kunnen ontplooien. De werkgever is verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van werknemers in brede zin. Niet alleen de directe fysieke omgevmg moet aan de hoogste eisen voldoen ook mogelijkheden voor werknemers zich bij te scholen of om te scholen zouden ruimschoots aanwezig moeten zijn. Geen enkel type werk ligt voor eeuwig vast en daarom zou iedere werknemer met zijn werkgever helder voor ogen moeten krijgen hoe de werkzaamheden m het betreffende vak zich de komende jaren gaan ontwikkelen.
Indien bepaalde werkzaamheden helemaal gaan verdwijnen zouden werknemers de mogelijkheden moeten krijgen zich op de nieuwe situatie in te stellen. Op die manier kunnen grote bedrijven de mogelijkheid krijgen om een werknemer op meerdere plaatsen in te zetten. Via uitzendbureaus kunnen werknemers aan de slag voor een pool van bedrijven die overeenkomstige werkzaamheden vragen. Op die manier kunnen werkgevers rekenen op een ploeg ervaren werknemers die toch in zekere mate tijdelijk zijn in te huren en daarnaast de mogelijkheid hebben hun kennis en deskundigheid te vergroten.
Werknemers
Werknemers konden het zich 25 jaar geleden misschien nog veroorloven om na hun 40ste op hun lauweren te gaan rusten en hun pensionering af te wachten. De laatste 20-25 jaar zou men het dan rustig aan doen en bij hetzelfde bedrijf blijven. Tegenwoordig is dat er niet meer bij. Niets is zeker en er worden geen garanties gegeven dat je je hele leven bij hetzelfde bedrijf kan blijven. Integendeel, er moet volop gepresteerd worden, de eisen worden steeds hoger en het wordt steeds moeilijker om de ontwikkelingen bij te houden. Bedrijven gaan failliet, er komen nieuwe bedrijven, er vinden fusies plaats of bedrijven verhuizen. Productieprocessen worden in steeds klemere stukjes gehakt waarbij elk deel van het produktieproces in een andere gebied of land kan plaatsvinden. (red.) De Ley vindt het daarom van cruciaal belang dat werknemers niet stil staan maar zich voortdurend blijven ontwikkelen. Ze moeten ook naar de mogelijkheden om zich heen kijken, iets waar veel mensen nog aan moeten wennen. Hij raadt werknemers m het algemeen aan om zich onmisbaar te maken zodat de werknemer kan kiezen tussen yerschillende werkgevers. Niets is erger dan een werknemer te zijn die bij zijn werkgever moet blijven. Niet omdat hij of zij dat wil maar omdat hij/zij niet weg kan omdat er nergens anders mogelijkheden zijn om aan de slag te komen.
Het is niet zo erg om werkloos te worden wanneer je weet dat je elders weer snel aan de slag kan. Maar als je werkloos wordt, is niets erger dan de wetenschap dat je op grond van je leeftijd werkloos zult blijven. De Ley verwacht van werknemers dat ze zich actief opstellen en om zich heen kijken. Niet blijven zitten tot het te laat is en er ontslagen vallen. Wie niet om zich heen kijkt, zich niet bijschoolt etcetera heeft de werkloosheid aan zichzelf te wijten, aldus De Ley. Zoals werkgevers verantwoorde1ijkheid moeten dragen voor de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden in brede zin, zo hebben werknemers de verantwoordelijkheid zich in te spannen zichzelf zo aantrekkelijk mogelijk te maken op de arbeidsmarkt. De meeste werknemers zullen zich toch ook graag willen ontplooien om hun capaciteiten en talenten zo goed mogelijk te benutten.
Een basisuitkering garandeert diegenen die moeite hebben toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt een inkomen. Tegelijkertijd zou men zich dan kunnen scholen en verder kunnen zoeken naar werk dat past waarbij de brede opvatting van wat arbeid is gehanteerd kan worden. Dat wil zeggen dat vrijwilligerswerk ook erkend zou worden als nuttig omdat men dan deelneemt aan de samenleving. Onbetaalde arbeid zou inkomen kunnen geven zonder dat premies en / of belastingen stijgen.
Een basisuitkering moet volgens de Ley niet onvoorwaardelijk zijn. Jonge mensen die net van de middelbare school komen zouden niet meteen het recht moeten hebben om niets te doen. In dit model dient iedereen zich beschikbaar te stellen voor werk. Er zou echter geen dwangmatige beschikbaarstelling voor betaalde arbeid moeten zijn zoals nu. Daarom is de verruiming van het begrip arbeid zo belangrijk. Want veel werk wordt niet gedaan omdat onze samenleving daar geen geld voor over heeft, terwijl de behoeftes er zeker zijn. De verruiming van het begrip arbeid en de betaling van werk dat nu vrijwillig gedaan wordt zouden de kwaliteit van onze samenleving ten goede komen (red.).
Besluit
Het onvoorwaardelijk basisinkomen zoals de Vereniging Basisinkomen dat wil, ligt volgens de Ley te ver weg. Het is een te grote stap ineens. Het zou beter zijn om te beginnen met een stelsel zoals hierboven geschetst. Een basisuitkering met een aantal voorwaarden die ruimer zijn dan nu waarbij meer activiteiten dan nu als arbeid erkend worden. Zo’n groeiproces duurt lang omdat er heel anders gedacht en gehandeld moet worden.
Het is belangrijk om na te denken over de generaties die na ons komen. Over de kwaliteit van onze samenleving. Iedere burger moet zich veilig kunnen voelen op straat. Een preventief beleid zorgt ervoor dat er een zo volledig mogelijke werkgelegenheid is of komt. Als de kansen op werk toenemen zien de meeste mensen weer perspectief in de mogelijkheden iets van hun leven te maken. Het basisinkomen zoals de Vereniging Basisinkomen wil is onvoorwaardelijk en begint met de erkenning dat ieder individu recht heeft op een inkomen dat voldoende is om van te leven. Het verschil met de basisuitkering zit dus in de mate van voorwaardelijkheid. Het basisinkomen koppelt arbeid en inkomen geheel los van elkaar, terwijl die koppeling in de ideeën van de heer De Ley blijft bestaan.
Toch is de verruiming van het begrip arbeid al een behoorlijke stap in de goede richting en verdient dit plan volgens mij alle aandacht. Minder mensen zouden dan problemen krijgen met de sociale dienst, meer mensen zouden zich nuttig voelen terwijl verantwoordelijkheid nemen voor je eigen situatie ook van groot belang is voor je gevoel van eigenwaarde.
Experimenten met de hierboven geschetste principes zouden naar mijn mening dan ook alle steun verdienen (red.)
Onze trouwste bondgenoot in de vakbeweging
Bij de FNV wordt, zoals trouwe lezers van onze nieuwsbrief weten, de laatste jaren flink gediscussieerd over het sociale zekerheidsstelsel. De meeste aangesloten bonden bij de FNV lijken het idee, om te komen tot een basisuitkering te ondersteunen. Nu is een basisuitkering niet hetze1fde als een basisinkomen, maar wij vinden daarin wel elementen van een basisinkomen terug.
Er is een bond, die voor honderd procent achter onze plannen betreffende het invoeren van een basisinkomen staat: dat is de Vrouwenbond FNV. In het blad "Binding" publiceerde men (als voorbereiding op een congres) een "dossier" basisinkomen.
Heel helder wordt daar onder meer in aangegeven wat een basisinkomen inhoudt en welke vragen daarbij aan de orde komen. Omdat het zo praktisch en direct wordt verwoord, geven wij deze tekst gaarne aan u door. (red.)
Stellingen:
1. De uitvoering van een basisinkomen is voor iedereen (dus ook voor betaald werkenden) en verandert de maatschappelijke positie van uitkeringsgerechtigden principieel.
Stelling: Voordeel van een basisinkomen is, dat openlijk erkend wordt dat er onvoldoende betaalde arbeid is om iedereen aan een baan te helpen. Met deze erkenning kan ook een eind komen aan de neiging werklozen de schuld te geven van hun eigen werkloosheid.
Stelling: Een basisinkomen bevrijdt uitkeringsgerechtigden van de (nu vaak zeer vergaande) bemoeizucht van de overheid. Ze hoeven voor hun financiële bestaanszekerheid niet langer zoveel persoonlijke gegevens op tafel te leggen. Ze worden burgers met een gelijk recht op privacy als betaald werkenden. Dat is een belangrijk voordeel.
2. Onze samenleving draait niet dankzij betaalde arbeid alleen. Veel arbeid die nodig is, wordt niet betaald. Die onbetaalde arbeid is net zo belangrijk.
Stelling: Een basisinkomen erkent de waarde van onbetaalde arbeid. Immers mensen die onbetaalde arbeid verrichten krijgen ook een eigen inkomen. Mensen die veel van hun tijd besteden aan onbetaalde arbeid worden door de invoering van een basisinkomen (eindelijk) gewaardeerd.
Stelling: Voordeel van een basisinkomen is, dat het betaald werkenden (beter) in staat stelt een deel van hun tijd aan onbetaalde arbeid te besteden.
3. De stellingen onder 1 en 2 gaan over mogelijke voordelen van een basisinkomen. Het is echter maar zeer de vraag of deze voordelen gerealiseerd worden door een basisinkomen alleen. Als er niet meer gebeurt, kan invoering van een basisinkomen net zo goed leiden tot versterking van de huidige (onwenselijke) situatie. Het risico bestaat dat tegen vrouwen gezegd wordt: "Je hebt nu een eigen inkomen: huishoudelijke arbeid en zorgarbeid zijn ook belangrijk, dus doe dat maar". Ook verandert de invoering van een basisinkomen nog niet vanzelfsprekend de positieve waardering van betaalde arbeid. Ook dan geeft betaalde arbeid aanzien, het gevoel er bij te horen en de kans je te ontplooien. Er moet dus meer gebeuren. Invoering van een basisinkomen moet samengaan met herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid.
Stelling: Het streven naar herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid stokt niet door gebrek aan draagvlak, maar door het ontbreken van goede voorwaarden om al het werk eerlijk te verdelen. Het draagvlak voor herverdeling is veel groter dan nu vaak gesuggereerd wordt. Veel mensen zijn blij met hun betaalde baan. Dat wil echter niet zeggen dat ze ook blij zijn met de vele uren dat zij, vaak heel hard, moeten werken. Het wil evenmin zeggen dat ze ook altijd blij zijn met de inhoud van hun werk. Vaak zouden ze het prettig vinden meer tijd te hebben voor de zorg voor kinderen, vrijwilligerswerk, hobby’s en dergelijke.
Stelling: De invoering van een basisinkomen (en dus de loskoppeling van arbeid en inkomen) levert een belangrijke bijdrage aan de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Met een basisinkomen gaan mensen er financieel niet op achteruit als ze uren inleveren. Dus kan een basisinkomen meehelpen om de betaalde arbeid over meer mensen te verdelen.
Stelling: Met een basisinkomen heeft de vakbeweging dus een belangrijk middel in handen om (beter dan tot nog toe het geval is) over korter werken te onderhandelen.
4. Het creëren van (betere) voorwaarden voor herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid is op zichzelf nog geen garantie dat die herverdeling er ook echt komt.
Stelling: Als mensen niet uit zichzelf korter gaan werken, zou overwogen moeten worden:
5. Rondkomen van uitsluitend een basisinkomen zal wel eens moeilijk kunnen zijn. Dit is een argument temeer om ook naar herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid te streven. Ook andere aanvullende maatregelen zullen waarschijnlijk nodig blijven.
Stelling: De meeste mensen kunnen nog wel een klein baantje vinden om hun inkomen aan te vullen, maar niet iedereen. Daarom moet een basisinkomen (in elk geval) voldoende zijn om (als alleenstaande) van te kunnen leven. Of er moet een toeslag komen voor mensen die geen betaalde arbeid kunnen verrichten of kunnen vinden (ouderen, gehandicapten).
6. Een van de argumenten tegen een basisinkomen is, dat het mensen betaald om niets te doen: een premie op luiheid. Mensen zouden niet meer gedwongen zijn om, in de vorm van betaalde arbeid, hun bijdrage aan de samenleving te leveren. Ze zullen dus op hun lauweren gaan rusten.
Stelling: Dit argument gaat uit van een onjuist beeld van mensen, namelijk dat mensen zonder dwang niets doen. In de praktijk zullen de meeste mensen na de invoering van een basisinkomen uit zichzelf een maatschappelijk nuttige bijdrage leveren.
Stelling: Aan de invoering van een basisinkomen moeten controleerbare plichten voor alle burgers verbonden worden. Er zullen altijd negatieve uitzonderingen zijn. Er moet op gelet worden dat ook zij hun bijdrage leveren. Bovendien moeten we erop toezien dat noodzakelijke goederen en diensten (zoals gezondheidszorg) er ook daadwerkelijk komen.
7. Een ander argument tegen het basisinkomen is, dat het mensen voor (een deel van) hun inkomen afhankelijk maakt van de overheid. En die is niet altijd te vertrouwen. "Als het ze uitkomt, verlagen ze zomaar dat basisinkomen en dan heb je zeker weinig om van te leven".
Stelling: Mensen met een uitkering lopen bij een basisinkomen niet meer risico dan ze nu al doen. Ook nu al zijn zij afhankelijk van een bezuinigende overheid.
Stelling: Een basisinkomen maakt ook betaald werkenden voor (een deel van) hun inkomen van de overheid afhankelijk. Daardoor zal maatschappelijk verzet tegen bezuinigend overheidsbeleid veel sterker zijn dan nu het geval is.
8. Als we aan de invoering van een basisinkomen plichten verbinden, zullen die gebaseerd moeten zijn op wat wij maatschappelijk nuttige activiteiten vinden.
9. Het formuleren van plichten heeft alleen zin als ook controle plaats vindt op de uitvoering daarvan. Hoe en door wie zou deze controle bij de verschillende activiteiten kunnen plaats vinden.
10. Van experimenten leer je veel, wordt vaak gezegd. Binnen de Vrouwenbond FNV is het idee geopperd om te proberen bij een gemeente een "experiment basisinkomen" te organiseren.
Saar Boerlage
Internet en de transactiebelasting
naar Dr. H. Vording.
Het volgende artikel van Dr. H. Vording, werd ontleend aan het weekblad Fiscaal Recht (1997/6229, 23 januari 1997). Hoewel het basisinkomen ten eerste gaat om het principe en daarna om de invulling en financiering, leek het mij toch interessant onze leden van dit alternatief op de hoogte te brengen.
Internet: een belastingparadijs voor iedereen?
De fiscale gevolgen van een Internet-economie beginnen ook in Nederland merkbaar te worden nadat er in de Verenigde Staten onrust was ontstaan rond postorderactiviteiten via Internet, die de opbrengsten van de lokale salestaxes bedreigen.
De moeilijkheid is dat ons hele fiscale stelsel niet meer werkt in een Internet-economie. Ons fiscale stelsel vooronderstelt dat een belastingplichtige hier werkt, inkomen ontvangt en consumeert. Zulke mensen kun je makkelijk hoge en progressieve belastingen opleggen. Wij hebben een complex belastingstelsel en een hoge belastingdruk omdat de informatiebronnen die ons ter beschikking staan dat mogelijk maken.
In een ontwikkelde Internet-economie, waarin verleende diensten ook online kunnen worden afgerekend kun je diensten leveren aan een afnemer in Alaska, je daarvoor laten betalen op je Zwitserse bankrekening die je online kunt gebruiken om er een via Internet afgewikkelde cursus mee te betalen.
Het probleem is dat het inkomen niet langer meetbaar is. De fiscus zou dan ruime bevoegdheden moeten krijgen om de economische activiteiten van Nederlandse belastingplichtigen in de Interneteconomie te volgen. Aangezien de fiscus Internet-communicatie eerst moet lezen om er de eventuele fiscale gevolgen van te kunnen beoordelen, bestaat individuele privacy dan alleen nog buiten Internet (een domein dat volgens de schrijver van het artikel tegen die tijd economisch oninteressant zal zijn). Als de overheid alles van ons weet, kan hij ook goed (rechtvaardig en efficiënt) voor ons zorgen. Het belastingrecht kan dan onbeperkt worden ingezet voor de sturing van ons gedrag.
De kans is groot dat de fiscus buiten Internet gesloten zal worden doordat vitale informatie altijd gecodeerd zal zijn. Het gevolg zal zijn dat de bestaande belastingen niet meer op een aanvaardbare wijze kunnen worden opgelegd. De belastingdruk zal met een internet-economie terechtkomen bij de kansarmen van de informatie-maatschappij: degenen die (om welke reden dan ook) weinig economische activiteiten in Internet verrichten. De fiscus zal gemakkelijker informatie kunnen verwerven over het inkomen van de ambtenaar en de groenteman, onroerende zaken en auto’s, maar de privé dienstensector en de beleggingsmarkt worden belastingparadijzen.
Het is echter denkbaar dat in een Internet-economie niet alleen de heffingsmogelijkheden maar ook de taken van de overheid sterk zullen afnemen. Een alternatief is belasting naar profijt, of contant aftekenen voor overheidsprestaties. En voor zover de overheid middelen nodig heeft om bijstandsuitkeringen te verstrekken en publieke infrastructuur in stand te houden, is het wellicht mogelijk om een belastingstelsel op te bouwen rond belastingen op goederen, accijnzen, belastingen op land en materieel bezit.
Of een belastingtarief van 1%?
Een Internet-economie schept ook nieuwe heffingsmogelijkheden, met name het belasten van alle betalingen. In het huidige belastingstelsel neemt het observeren van geldstromen een belangrijke plaats in. Maar een geldstroom moet eerst worden gekwalificeerd als, bijvoorbeeld, een beloning, een aflossing of een koopprijs voordat de fiscale gevolgen kunnen worden vastgesteld. In een Internet-economie kan dat niet meer. Maar het is wel mogelijk om alle betalingen te treffen. Dit idee is eerder ontwikkeld door de Amerikanen Tobin en Feige. Tobin wilde er speculatieve beurstransacties mee treffen, Feige wilde het zwart-geld circuit onmogelijk maken. In een Internet-economie is een brede toepassing denkbaar, met name wanneer contant geld uit de circulatie wordt genomen.
Een belasting op alle transacties werkt eenvoudig. Op alle (elektronische) geldstromen wordt een heffing ingehouden van 1%. Aangezien het aantal betalingen in een economie vele tientallen malen groter is dan het BNP, kan zo’n laag heffingspercentage best volstaan om alle bestaande belastingen te vervangen. Uiteraard zullen primair de banken verantwoordelijk zijn voor de inhouding van de transactiebelasting; telkens wanneer een overboeking tussen rekeningen plaatsvindt moeten zij 1 % inhouden.
Zo’n transactiebelasting vereist dat er niet teveel contant geld in de economie circuleert. Bij een verbod op contant geld zit de moeilijkheid dus in de circulatie van elektronisch "contant geld". Er lijken tot nu toe geen risico’s te kleven aan de ontwikkeling van E-cash, omdat de ontvanger van dit elektronische geld zich altijd zal moeten melden bij de bank die het heeft uitgegeven. E-cash is een elektronische boodschap die de ontvanger B een claim geeft op bijvoorbeeld 1000 gulden op bank Y, die deze boodschap ter beschikking heeft gesteld aan rekeninghouder A. Ontvanger B zal zich altijd bij bank Y moeten melden om die 1000 gulden te incasseren. Over een transactiebelasting zal de bank 1 % inhouden op de aan A verstrekte E-cash en opnieuw 1% op de door B geclaimde E-cash. B kan de E-cash niet gebruiken om, met voorbijgaan van de bank, C te betalen.
De moeilijkheid is dat het bestaan van een belasting op elektronisch betalingsverkeer een goede reden is om betrouwbare elektronische betalingsvormen te ontwikkelen die kunnen circuleren zonder voortdurende verificatie bij de bank van uitgifte.
Zou dat mogelijk blijken, dan blijft E-cash onbelast in de economie circuleren en zijn alleen overboekingen tussen bankrekeningen werkelijk belast. Het alternatief is om (her)gebruik van E-cash fiscaal onaantrekkelijk te maken door het heffingspercentage te laten oplopen met de circulatieduur. Stel dat B zijn E-cash onmiddelijk na ontvangst bij bank Y aanbiedt. De bank constateert dat zij dit bedrag zojuist heeft uitgegeven en kan volstaan met het heffen van 1%. Komt het bedrag echter pas na uren, dagen of maanden weer te voorschijn dan heft de bank een tot 100% oplopend tarief.
Zo’n transactiebelasting functioneert op een aantal punten beter dan ons huidige fiscale stelsel, en veel beter dan wat er van ons stelsel zou overblijven in een Internet-economie.
Een paar voorbeelden:
1. Het zeer lage tarief dat bovendien onafhankelijk is van de aard van de activiteit die met de betaling samengaat, vervangt de hoge, soms prohibitieve heffingen op arbeid, besparingen, investeringen en consumptie die wij thans hanteren.
2. De fiscus hoeft niets te weten van de individuele belastingplichtige; de transactiebelasting maakt geen enkele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, is zeer eenvoudig en verleidt politici niet tot fiscale sturing.
3. Grote grensoverschrijdende kapitaalstromen worden in beginsel effectief belast.
Nadelen
Er is een zeer coöperatief internationaal fiscaal klimaat vereist. Als dat er niet is kan geen enkel land de transactiebelasting uitvoeren: zijn burgers zouden een bank op de Bahama’s kunnen kiezen. Komt die samenwerking tussen overheden wel tot stand dan kan er een belastingheffing ontstaan op grond van het nationaliteitsbeginsel waarbij elke staat bevoegdheid krijgt over alle’ bankrekeningen (waar ook ter wereld) van al zijn burgers.
Het antwoord op een belasting op geldgebruik zou natuurlijk ruilhandel kunnen zijn. In een Internet-economie ontstaan nieuwe mogelijkheden om vraag en aanbod bijeen te brengen. dat geldt niet A. alleen voor eenvoudige dagelijkse transacties. Wie onder het regime van een transactiebelasting een onderneming wil overnemen, moet natuurlijk iets beters kunnen verzinnen dan een miljard dollar betalen (en dus 10 miljoen aan belasting). Dit risico van de vlucht naar een ruileconomie leidt ertoe dat de overheid gebonden is aan een zeer matig tarief
Verdere informatie is te zien op de homepage van de firma Digicash, www.digicash.com.
Saar Boerlage
Basisinkomen: éérst principe en inning, dan pas vaststellen hoogte!
De publieke discussie over het basisinkomen BI wordt sterk beheerst door twijfels aan de rechtvaardiging en de uitvoerbaarheid. Elke rechtvaardiging wordt door velen ontkend, omdat "wie niet werkt, zal ook niet eten" bij hen domineert. Sociale zorg is in die visie een noodzakelijk kwaad, een" staats-charitas" maar zeker geen mensenrecht. Een rechtvaardigend principe voor het onvoorwaardelijk (!!) BI is een eerste vereiste, voordat kan worden begonnen aan politieke besluitvorming over hoogte en wijze van invoering. De keuze is nog open liefdadigheid, solidariteit of mensenrecht.
Als deze eerste stap is genomen, is het nog verleidelijker dan nu al om de discussie direct te richten op het herschikken van bestaande overheidsmiddelen in de richting van het OBI. Dat zal echter slechts leiden tot een niet-optimale, "halve" oplossing. Het is gewenst eerst of gelijktijdig te onderzoeken welke nu bestaande belastingen en subsidies ongewenste effecten hebben, die (mede) oorzaak zijn van de misstanden die het OBI moet bestrijden. Bij de "inningsdiscussie" als tweede stap komt ook bijvoorbeeld milieuheffing als bondgenoot voor het OBI in beeld.
De derde stap wordt dan de wijze van invoering, waarover al vrij veel is gepubliceerd. Daarbij is het nuttig te herinneren hoe alle vergelijkbare sociale- en milieunormen tot stand zijn gekomen: eerst op een beperkt terrein en een vrij laag niveau, waarover snel politiek overeenstemming kon worden bereikt. Altijd zijn daarna het werkingsgebied en het niveau geleidelijk verhoogd in de richting van - en soms tot ver boven - de waarde die noodzakelijk werd geacht. De vierde stap, vaststelling van de hoogte van het OBI, is daarmee uitgesteld tot het moment dat de discussie hierover de principiële aanvaarding niet meer blokkeert.
Paul E. Metz