NIEUWSBRIEF VAN DE WERKPLAATS BASISINKOMEN

 

Nummer 2 juni 1991

ISSN 0924-3038

 

Inhoudsopgave

Redactioneel

De moeizame rechtvaardiging van het basisinkomen

Hoe houden we de boel bij elkaar? Met sociale vernieuwing of met een basisinkomen?

Even Kennismaken

Boeken, boeken!

Uit de pers...

 

Redactioneel

De tweede Nieuwsbrief van dit jaar. In dit nummero.a.: "De moeizame rechtvaardiging van het basisinkomen", en wordt uw speciale aandacht gevraagd voor het artikel over de manifestatie van 14 september.

De boekbespreking, door Paul de Beer, is deze keer wel zeer uitvoerig. Genoeg te lezen.

Het juni nummer kan wel eens in juli in de bus vallen. Mocht dit te laat zijn om nog te kunnen lezen wat er in de nieuwsbrief staat, voor u op vakantie gaat, neem hem dan mee. Dan kunt u zich in alle rust laven aan o.a. de inhoud. De redactie gaat dat ook doen en wenst u een prettige vakantie!

 

De moeizame rechtvaardiging van het basisinkomen

Paul de Beer

Op 22 april j1 was al weer het vierde in de reeks 'onderzoeksdebatten' die de werkgroep onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen organiseert. Na de economische effecten, de gevolgen voor de emancipatie en de relatie met het milieu kwamen nu de ethische grondslagen van het basisinkomen aan de orde. In een zaal van de Universiteit van Amsterdam werd een dag lang door een dertigtal genodigden in een zeer gemoedelijke sfeer van gedachten gewisseld De heftige discussies die zich nogal eens tussen voorstanders en tegenstanders van een basisinkomen voordoen bleven deze dag uit. Maar dat wil zeker niet zeggen, dat de discussie niet geanimeerd was of dat er geen meningsverschillen bestonden. Er werd over het algemeen echter serieus naar elkaars argumenten geluisterd en met elkaar mee gedacht, in plaats van te proberen elkaar vliegen af te vangen. En dat is ook precies de bedoeling van deze onderzoeksdebatten: door argumenten uit te wisselen proberen een stapje verder te komen. Of dat laatste ook gelukt is. daarover leken na afloop de meningen enigszins verdeeld.

Het ochtendgedeelte werd besteed aan een discussie over het arbeidsethos. Hans Achterhuis leidde dit thema in. Velen kennen hem als iemand die zich in het verleden (in zijn boek 'Arbeid, een eigenaardig medicijn) heftig tegen het heersende arbeidsethos heeft verzet. Maar langzamerhand is hij daarvan steeds minder zeker geworden. Hij begon zijn verhaal. dan ook met ruiterlijk te erkennen, dat hij momenteel hevig twijfelt over de rol van betaalde arbeid Hij illustreerde dit, om te beginnen, met een passage uit Umberto Eco's De naam van de roos.

In dit boek tracht de hoofdpersoon William van Baskerville aan zijn metgezel en leerling Adson duidelijk te maken, dat je, om ergens goed zicht op te krijgen, er niet midden in moet zitten. In die tijd (de Middeleeuwen) ging het om de hechte band tussen Kerk en staat. Volgens William was deze band niet zo van zelfsprekend als algemeen werd aangenomen. Maar Adson, die niet in staat was om voldoende afstand te nemen, kon dit niet bevatten. Zo is het in onze samenleving nodig om afstand te nemen van de praktijk van alledag, om in te kunnen zien dat de band tussen arbeid en inkomen niet zo vanzelfsprekend is. Maar door velen zal dat onvermijdelijk als ‘ketterij’ worden opgevat. Tegelijkertijd, en dat verklaart de twijfel van Achterhuis, is de dagelijkse praktijk voor veel mensen zo sterk, dat het al gauw iets elitairs krijgt om van mensen te vragen, dat zij minder belang aan betaalde arbeid hechten. De discussie die op Achterhuis' inleiding volgde, zal aan zijn twijfel zeker geen einde hebben gemaakt. Van verschillende kanten werd zowel op de waarde van betaalde arbeid als van onbetaalde activiteiten gewezen. Maar het antwoord op de vraag of je nu uiteindelijk het standpunt van William of van Adson zou moeten innemen, bleef in nevelen gehuld. Meningsverschil bestond ook over de vraag in hoeverre de 'reciprociteit', de wederkerigheid tussen arbeid en inkomen, gehandhaafd dient te worden.

's Middags stond de rechtvaardigheid van het basisinkomen centraal. Vaak wordt een basisinkomen verdedigd als een (natuurlijk?) grondrecht, als een middel om iedereen maximale keuzevrijheid te bieden. Maar zelden wordt getracht om, vertrekkend vanuit enkele fundamentele uitgangspunten, stap voor stap een ethische rechtvaardiging voor het basisinkomen op te bouwen. Een poging daartoe werd nu ondernomen door de filosoof Govert den Hartogh. Hij bouwde daarbij, misschien wat verrassend voort op het gedachtengoed van de moderne libertaire filosoof Robert Nozick en de 'klassieke liberaal' John Locke. Volgens deze denkers kan iemand aanspraak op bezit verkrijgen door hetzij goederen met een ander te ruilen, hetzij zich door arbeid iets te verwerven wat nog niet van iemand anders was. Simpel gezegd: door een appel te plukken van een boom die van niemand is, wordt men de rechtmatige eigenaar van die appel. Maar, zo formuleerde Locke een voorbehoud, dat mag alleen als er genoeg overblijft voor anderen om van te kunnen leven. Nu is dat laatste in de moderne overbevolkte samenleving heel wat minder vanzelfsprekend dan het wellicht in Lockes tijd was.

Volgens Den Hartogh valt er dan ook veel voor te zeggen, dat de grond, of de natuur, gemeenschappelijk bezit is. Dat betekent, dat iedereen die op enigerlei wijze van de natuur gebruik wil maken, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan de samenleving. Uiteindelijk kan men zelfs stellen, dat alles wat mensen voortbrengen bestaat uit een 'menging' van arbeid en natuur. En de vergoeding voor het gebruik van de natuur kan vervolgens worden gebruikt om een basisinkomen te financieren.

Een probleem, zo erkende Den Hartogh, is wel, dat niet valt vast te stellen welk deel van de produktie kan worden toegeschreven aan arbeid en welk deel aan de natuur. Er is dan ook een andere redenering nodig om te kunnen bepalen welk deel van de produktie mag worden 'afgeroomd' voor de financiering van het basisinkomen.

Te denken valt aan het feit, dat de in de loop der tijd ontwikkelde technologie gemeenschapsbezit is, of dat produktieve arbeid alleen mogelijk is in de context van maatschappelijke instituties. Maar ook dat levert geen één-duidig criterium op voor de toedeling van de opbrengst van de produktie aan de gemeenschap en aan de factor arbeid.

Tijdens de discussie die op deze inleiding volgde kwan nog een ander, meer fundamenteel probeel met deze redenering naar boven. Immers, dat bij productie arbeid en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, betekent niet alleer dat er geen productie kan zijn zonder natuur, maar ook niet zonder arbeid.

Dat roept de vraag op waarom iemand die geen arbeid verricht toch aanspraak zou mogen maken op een deel van de opbrengst van de natuur. Het lijkt er op, dat Den Hartoghs redenering wel een rechtvaardiging vormt voor een belasting op gebruik van de natuur, maar dat er nog een belangrijke schakel ontbreekt om de invoering van een basisinkomen te rechtvaardigen. Waar die schakel gezocht moet worden, daarover konden de aanwezigen het op deze dag nog niet eens worden.

Dat daarbij, naast Locke en Nozick, namen als Marx, Rawls en Tinbergen werden genoemd, geeft in ieder geval aan, dat de rechtvaardiging van een basisinkomen in heel verschillende hoeken van het politiek filosofische spectrum kan worden gezocht.

 

Hoe houden we de boel bij elkaar? Met sociale vernieuwing of met een basisinkomen?

Al jarenlang wordt een groot aantal bewoners van Nederland de mogelijkheid ontzegd om volwaardig deel te nemen aan onze welvarende samenleving. Langdurig werklozen, bijstandsvrouwen, ouderen, gehandicapten, veel buitenlanders, zijn uitgespuugd door het bedrijfsleven of hebben zelfs nooit een eerlijke kans gehad. Het zijn vaak ook de mensen die leven in de slechtste buurten, die verstoken blijven van tal van collectieve voorzieningen. Bovendien worden velen van hen vermalen door de ingewikkelde regelgeving en controle of raken zij hun weg kwijt in de ondoorzichtige bureaucratie.

Met het aantreden van het kabinet Lubbers/Kok, een kleine twee jaar geleden, zou daarin echter verandering komen. Onder de noemer van 'sociale vernieuwing' zouden drie hardnekkige problemen in een klap worden aangepakt Aan alle kanslozen op de arbeidsmarkt zou d.m.v. banenpools, loonkostensubsidies en jeugdgarantiebanen, uitzicht worden geboden op betaald werk, zodat ook zij weer volwaardig zouden kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Dat zou gecombineerd worden met een uitbreiding en verbetering van sociale en collectieve voorzieningen, die de kwaliteit van het leven in de armste buurten zou kunnen opschroeven. Bovendien zou radicaal het mes worden gezet in de centralistische regelgeving en bureaucratische rompslomp die het lokale bestuurders vaak onmogelijk maakten hun eigen oplossing voor plaatselijke problemen te zoeken.

Wat is er, halverwege de kabinetsperiode, van deze mooie voornemens terecht gekomen? Hoeveel kanslozen hebben inmiddels een baan? Is de kwaliteit van collectieve voorzieningen werkelijk verbeterd? En is er daadwerkelijk in de regelgeving gesnoeid? Kortom, wordt dankzij sociale vernieuwing -zoals Den Uyl het destijds uitdrukte- de boel echt bij elkaar gehouden?

Of is er eigenlijk niets wezenlijks ten goede veranderd? Omdat sociale vernieuwing niets anders blijkt te zijn dan een nieuwe naam voor verouderde en achterhaalde instrumenten. Omdat ten onrechte alle heil wordt verwacht van een beleid, dat iedereen, goedschiks of kwaadschiks, naar een betaalde baan wil loodsen. Zonder dat acht wordt geslagen op het nut en de kwaliteit van het werk, zodat op termijn het beroep op de WAO wellicht nog groter wordt Zonder dat er een reëel perspectief is, dat zo'n baantje ook tot een volwaardige maatschappelijke positie leidt. En gaat de wellicht wat grotere beleidsvrijheid voor gemeenten niet gepaard met een steeds verdere inperking van de vrijheid van uitkeringsgerechtigden en steeds sterkere dreiging van strafkortingen en andere sancties als men haarlzijn eigen weg wil gaan?

Zou niet veel beter een radicaal andere weg kunnen worden ingeslagen? Een weg die in de eerste plaats aan uitkeringsgerechtigden zelf de vrijheid laat om te bepalen hoe het beste hun positie kan worden verbeterd. Een beleid, dat perspectief biedt op de zo noodzakelijke herverdeling van betaald en onbetaald werk. Een beleid dat niet betuttelend of stigmatiserend is, maar dat er vanuit gaat dat iedereen recht heeft op een eigen inkomen dat een einde maakt aan mensonwaardige armoede en voldoende is om volwaardig te participeren in onze samenleving. Een recht dat niet pas verkregen wordt wanneer men de weg door het woud van regelgeving heeft gevonden en tal van bureaucratische hindernissen heeft overwonnen. Een recht dat ook veel meer ruimte laat om zelf, op plaatselijk of buurt-niveau, te bepalen aan welke voorzieningen men behoefte heeft en daarin door vrijwilligers of tegen een beperkte vergoeding die niet ten koste gaat van het recht op een uitkering te laten voorzien. Simpel gezegd: het recht van iedere burger op een gegarandeerd basisinkomen, dat hoog genoeg is om zelfstandig van te kunnen leven, en dat niet afhankelijk is van enigerlei plicht tot arbeid of gekort wordt wanneer men andere inkomsten verwerft.

Wat heeft sociale vernieuwing ons te bieden? En welk perspectief biedt het alternatief van een basisinkomen? Deze vragen staan centraal op de manifestatie die op zaterdag 14 september 1991 wordt gehouden ter gelegenheid van de oprichting van de Vereniging Vriendinnen en Vrienden van een Basisinkomen. Deze Vereniging is een nieuwe loot aan de stam van de Werkplaats Basisinkomen, het in 1987 opgerichte overkoepelende orgaan van maatschappelijke organisaties die voorstander zijn van de invoering van een (volledig) basisinkomen. De Vereniging Vriendinnen en Vrienden van een Basisinkomen biedt nu ook aan individuele belangstellenden de mogelijkheid om zich actief met het thema basisinkomen bezig te houden.

Op 14 september a.s. vindt in De Rode Hoed te Amsterdam de oprichtingsvergadering van de Vereniging plaats, gevolgd door een openbare manifestatie over het thema basisinkomen en sociale vernieuwing. Deze manifestatie begint om 1130 uur en zal duren tot circa 16.30 uur. Bram van Ojik, sinds jaar en dag bekend voorstander van een basisinkomen, zal de manifestatie inleiden. Vervolgens vindt een tweetal tweegesprekken plaats. Onder deskundige leiding zullen tweemaal een voorstander van sociale vernieuwing en een voorstander van een basisinkomen over de verschillende doelstellingen van sociale vernieuwing in debat gaan. Greetje Lubbi, voorzitter van de Voedingsbond FNV, en een op dit moment nog onbekende discussieren over het belang van betaald en onbetaald werk. Kees van den Bosch, vertegenwoordiger van organisaties van uitkeringsgerechtigden. en iemand van de projectgroep sociale vernieuwing, kruisen de degens over de thema's van collectieve voorzieningen en regelgeving.

 

 

Even Kennismaken

Sinds de jaarvergadering van 1990 heeft de Werkplaats Basisinkomen een nieuwe voorzitter. In de vakature die was ontstaan door het overlijden van Janneke van der Plaat is Marion van Leeuwen gekozen. Marion werkt sinds 1985 als fraktiemedewerkster bij de Tweede Kamerfraktie van de PPR, tegenwoordig Groen Links. Ze houdt zich vooral bezig met de terreinen financiën, economische zaken. volksgezondheid en inkomensbeleid

Marion, wanneer ben je je gaan bezighouden met het basisinkomen?

"Eigenlijk pas in 1985 toen ik bij de fraktie kwam werken. Daarvoor wist ik er weinig van af. Ik ben toen als de weerlicht begonnen om me erin te verdiepen. Daarna heb ik nogal wat inleidingen over basisinkomen gehouden, op PPR-afdelingsvergaderingen maar ook voor groepen buiten de PPR. In 1988 ben ik nogal veel op pad geweest voor de discussieronde die toen binnen de PSP liep."

Ben je op dit moment betrokken bij de discussie over basisinkomen binnen Groen Links?

"Ik heb een bijdrage geleverd aan de brochure "Bollen pellen en ander werk" die de aanzet voor de discussie binnen Groen Links moet geven. Maar ik heb er een hard hoofd in hoe de discussie gaat lopen. Groen Links is gestart met veel pretenties. Die kunnen ze op het terrein van arbeid en inkomen op dit moment nog niet waarmaken.

Bij de discussie over de Golfoorlog zag je dat de partij wel stand hield Maar dat moet ook gebeuren in zaken als sociaal economisch beleid, arbeidsmarktbeleid, nivellering. Groen Links moet vooral niet te konformistisch zijn."

En hoe past het basisinkomen daarin?

"Het basisinkomen is absoluut nodig als je naar een andere economische ordening wilt En dat laatste moet met name om ecologische redenen. We moeten kiezen voor een drastische milieuaanpak. en een voorwaarde daarvoor is een rechtvaardig inkomensbeleid Bij zo'n politieke keuze biedt het basisinkomen een goede algemene inkomensgarantie."

Hoe zie je de toekomst van de Werkplaats Basisinkomen?

Ik denk dat de Werkplaats een nieuwe impuls krijgt door de oprichting van de Vereniging van Vrienden van het basisinkomen. Ik hoop dat er meer levendige diskussie komen. Ik maak me wel zorgen om de smalle basis van de Werkplaats. Daarbij is het belangrijk wat het standpunt van Groen Links wordt over het basisinkomen, en vooral hoe de discussie dan gaat lopen. Ik vind het belangrijk dat er minstens één politieke partij bij de werkplaats is aangesloten. En de Partij van de Arbeid zie ik voorlopig nog niet komen.

 

 

Boeken, boeken!

Communistische idealen anno 1991

Paul de Beer. (Deze boekbespreking is een verkorte versie van mijn artikel "Nieuwe vergezichten voor de sociaal-democratie" in Socialisme en Democratie van juni 1991.)

Nu alom de ondergang van het communisme wordt bejubeld en de zegeningen van de vrije-markteconomie worden bezongen, lijkt er weinig ruimte meer te zijn voor een socialistische visie op de gewenste ontwikkeling van de samenleving. Er is dan ook moed voor nodig - of moet ik zeggen: overmoed - om een warm pleidooi te houden voor een geleidelijke overgang naar een communistische samenleving waarin het 'rijk van de vrijheid' verwezenlijkt zou . kunnen worden. Toch is dit de boodschap van het proefschrift Between exploitation and communism (Wolters Noordhoff, Groningen 1991) dat Robert J. van der Veen in februari van dit jaar verdedigde.

Between expIoitation and communism kan misschien het beste worden gekarakteriseerd als een oorspronkelijke en verrassende poging om het gedachtengoed van twee zeer verschillende politieke filosofen met elkaar te verzoenen, namelijk Karl Marx en John Rawls. Als uitgangspunt voor Van der Veens proefschrift dient de opvatting van Marx, dat in de communistische samenleving sprake moet zijn van de "volledige en vrije ontwikkeling van ieder individu". Kan op basis van dit grondbeginsel van het communisme een consistente theorie van sociale rechtvaardigheid worden geconstrueerd? zo vraagt Van der Veen zich af.

Autonomie of zelfrealisatie?

'Vrije ontwikkeling is zelfrealisatie op basis van autonome keuze", zo omschrijft Van der Veen het kernbegrip van het communistische grondbeginsel kort maar krachtig (p.15). Tussen de elementen zelfrealisatie en autonomie bestaat echter een spanning, aangezien "autonoom kiezende mensen zich niet noodzakelijkerwijze op het activistische ideaal van zelfrealisatie behoeven te oriënteren, maar even legitiem kunnen besluiten om andere opvattingen over het goede leven na te streven" (p39S). Simpel gezegd: zelfrealisatie betekent dat men zijn/haar levensvervulling bijvoorbeeld vindt in het verzorgen van een zieke buurvrouw of het werken aan een betere samenleving, terwijl een autonoom persoon ook zou kunnen besluiten om de hele dag uit het raam te staren.

Uiteindelijk gaat het bij de keuze tussen zelfrealisatie en autonomie om de vraag in hoeverre ieder mens in staat gesteld moet worden 'zijn eigen 'conceptie van het goede' te realiseren. Mag de overheid er een eigen conceptie van het goede op na houden en de burgers ertoe trachten te brengen zich in overeenstemming met deze opvatting te gedragen? Misschien kan het probleem het duidelijkst worden geillustreerd met de concrete uitwerking die Van der Veen later in zijn betoog aan autonomie geeft, namelijk een vrije keuze tussen inkomen en vrije tijd. Stelt men autonomie voorop, dan vereist dit, dat ieder ook feitelijk de mogelijkheid heeft om uitsluitend voor vrije tijd of onbetaalde arbeid te kiezen. De overheid zal deze keuzevrijheid moeten verzekeren door aan iedereen een onvoorwaardelijk basisinkomen uit te keren dat voldoende is om van te leven.

Dit is de opvatting die Van der Veen het meeste aanspreekt en die hij als uitgangspunt voor zijn verdere betoog neemt. Het meest overtuigende argument daarvoor geeft hij overigens pas aan het eind van zijn proefschrift als hij stelt, "dat een bloeiend individualisme, een rijke cultuur en een produktieve ontwikkeling, die volgens Man het resultaat zouden moeten zijn van zelfrealisatie, uiteindelijk meer gediend zijn met een samenleving waarin de complementariteit van specifieke ideeën van het goede wordt erkend" (p.188) De overheid zou dan ook als taak moeten hebben om deze pluriformiteit aan opvattingen over het 'goede' te bevorderen.

Dit is beslist een aantrekkelijke gedachte. Maar vloeit hier logischerwijze uit voort, dat de overheid een basisinkomen zou moeten uitkeren? Het probleem is, dat niet zonder meer duidelijk is welke opvattingen over het goede door de overheid actief gestimuleerd dienen te worden.

De vraag is dan ook welk belang binnen het streven naar maatschappelijke pluriformiteit moet worden toegekend aan een voorkeur voor vrije tijd Is dit slechts een persoonlijke liefhebberij of een wezenlijk bestanddeel van een pluriforme samenleving? Van niet geringe betekenis daarbij is, dat het subsidiëren van keuzevrijheid ten aanzien van vrije tijd zeer kostbaar is: met het financieren van een volledig basisinkomen is al snel een derde van het nationaal inkomen gemoeid.

Wil men langs democratische weg een basisinkomen invoeren dan zal men een meerderheid van de bevolking ervan moeten zien te overtuigen, dat een vrije keuze tussen arbeid en vrije tijd zo'n belangrijk goed is, dat daarvoor ook, nee juist van degenen die er geen prijs op stellen een aanzienlijke bijdrage mag worden gevraagd Bij Van der Veen blijft vrije tijd echter een nogal abstract en 'leeg' begrip: het is simpelweg de tijd die over blijft nadat men betaalde arbeid heeft verricht Waarom daaraan zoveel waarde moet worden gehecht dat het de invoering van een basisinkomen rechtvaardigt, maakt hij mijns inziens onvoldoende duidelijk.

Door voorstanders van een basisinkomen wordt in dit verband echter vaak gewezen op het maatschappelijke belang van onbetaalde activiteiten die mensen in hun 'vrije tijd' ontplooien: vrijwilligerswerk, de verzorging van kinderen e.d. Simpel gesteld luidt de redenering. dat het nationaal inkomen dat jaarlijks wordt verdiend. niet alleen het resultaat is van de verrichte betaalde arbeid. maar ook van onbetaalde activiteiten. Deze vaststelling kan echter zowel toi een pleidooi voor een eerlijke verdeling van betaald en onbetaald werk leiden als tot een pleidooi voor een gegarandeerd basisinkomen.

Maximin

Een visie op een rechtvaardige samenleving waarin een vrije ontwikkeling centraal staat, dient ook een criterium te bevatten voor de verdeling daarvan over de burgers. Immers, de mogelijkheden voor een vrije ontwikkeling zullen niet vanzelf voor iedereen gelijk zijn. Van der Veen kiest hier voor het zogeheten 'difference principle' van John Rawls. Dit principe houdt in, dat ongelijkheid alleen aanvaardbaar is zo lang deze in het voordeel is van degenen die het slechtste af zijn. De gedachte hierachter is, dat verschillen (in inkomen) nodig zijn om degenen met de meeste verdien capaciteiten te prikkelen zich in te spannen. De extra produktie (welvaart) die hiervan het resultaat is kan dan mede worden aangewend om de positie van de minst bevoorrechten te verbeteren. Een bezwaar tegen dit principe van 'maximalisering van het minimum' (ook wel kortweg als 'maximin' aangeduid) is. dat ongelijkheid op zich geen rol speelt. Dat betekent, dat dit criterium onder verschillende omstandigheden zowel tot zeer grote als tot te verwaarlozen kleine inkomensverschillen kan leiden, al naar gelang de meer bevoorrechten zeer sterk of volstrekt niet op financiele prikkels reageren. Voor wie grote inkomensongelijkheid als iets onrechtvaardigs beschouwt is een dergelijk criterium dan ook moeilijk te aanvaarden.

Het loont de moeite om het basisinkomen te vergelijken met meer 'orthodoxe' sociale arrangementen. In lijn met het voorgaande hanteert Van der Veen als criterium bij deze vergelijking de mate van reele vrijheid die alternatieve regimes garanderen.

Onder 'reële vrijheid' verstaat hij dan de twee aspecten van autonomie, namelijk inkomen en vrije tijd, waar het in zijn rechtvaardigheidsopvatting om gaat Bij de vergelijking van twee regimes waarvan de ene meer inkomen en de andere meer vrije tijd verschaft doet zich dan wel de vraag voor welk aspect de doorslag moet geven. Van der Veen geeft er de voorkeur aan geen subjectieve afweging tuSSen beide aspecten te maken en stelt daarom voor in dat geval er vanuit te gaan, dat beide systemen gelijkwaardig zijn. De concurrenten tegen wie Van der Veen het basisinkomen in het strijdperk laat treden, zijn een 'egalitair arbeidsregime' en een' egalitair overdrachtsregime', In het eerste regime zijn de netto uurlonen van degenen met de minste verdiencapaciteiten in overeenstemming met het de maximin-regel, door middel van subsidies en belastingen zo hoog mogelijk opgeschroefd Omdat men onder een dergelijk regime altijd zal moeten werken om het sociaal minimum te verdienen doet dit regime op het punt van vrije tijd vanzelfsprekend onder voor het basisinkomen. Dit gaat echter samen met een hogere minimum-loonvoet dan onder het basisinkomen-regime, zodat de minst bevoorrechten die bereid zijn te werken een hoger inkomen kunnen verwerven. Het gevolg is, dat geen eenduidige uitspraak kan worden gedaan over de prioriteit van beide regimes en dus concludeert Van der Veen dat ze in beginsel gelijkwaardig zijn. Het zal echter duidelijk zijn, dat wie een groot gewicht toekent aan de verdienmogelijkheden van de minstbevoorrechten aan dit egalitaire arbeidsregime de voorkeur zal geven boven het basisinkomen-regime. In het egalitaire overdrachtsregime wordt de positie van de minstbevoorrechten verbeterd door middel van een uitkeringsstelsel. Bijvoorbeeld door aan ieder van wie het inkomen onder een bepaald minimumniveau blijft een aanvullende uitkering toe tekennen. Op Rawlsiaanse wijze wordt dit minimuminkomen zo hoog mogelijk vastgesteld Zou dit minimuminkomen op een hoger niveau kunnen worden gehandhaafd dan het basisinkomen. dan zou het daarvoor een serieuze bedreiging vormen. Zonder te werken zou men dan immers een hoger inkomen ontvangen dan onder het basisinkomen regime. Volgens Van der Veen zal hiervan echter geen sprake zijn, omdat er in dit egalitaire overdrachtsregime een armoedeval ontstaat. Wie een aanvullende uitkering ontvangt en er iets bij gaat verdienen moet dit extraatje weer volledig inleveren: tot aan minimumniveau is er sprake van een marginale druk van honderd procent Dit zal naar Van der Veens mening zo ontmoedigend werken, dat het minimuminkomen nooit langdurig op een hoog niveau zal kunnen worden gehandhaafd Bij het basisinkomen daarentegen is geen sprake van een armoedeval, aangezien men het basisinkomen blijft ontvangen als men een eigen inkomen verdient Daarom verwacht Van der Veen dat op langere termijn het basisinkomen op een tenminste even hoog niveau zal kunnen worden gehandhaafd als het minimuminkomen in het alternatieve regime. Het basisinkomen heeft dus ook de tweede aanval afgeslagen. Maar wordt hier niet te vroeg gejuicht? Van der Veen kijkt immers alleen naar de ontmoedigende werking ('disincentives') van beide regimes voor degenen die een arbeidsinkomen onder het minimum hebben. Voor de financiele houdbaarheid van een uitkeringsstelsel is het echter vooral van belang hoeveel inkomen men langdurig kan overhevelen van degenen die niet op het stelsel zijn aangewezen naar degenen die dat wel zijn. Met andere woorden. het gaat vooral om het ontmoedigende effect voor degenen die meer dan het minimum verdienen. Nu is een basisinkomen dat aan iedereen wordt uitgekeerd per definitie 'duurder' dan een aanvullende uitkering die een zelfde minimuminkomen garandeert. Een basisinkomen zal dan ook gepaard gaan met hogere heffingen en dus een lagere netto loonvoet voor degenen met grotere verdien capaciteiten en zal voor hen een sterker ontmoedigend effect hebben dan een aanvullende uitkering. or de ontmoediging voor de bovenminimalen bij een basisinkomen sterker is dan de ontmoediging van de onderminimalen bij een aanvullende uitkering is moeilijk vast te stellen. Maar het kan zeker niet bij voorbaat worden uitgesloten dat met een aanvullende uitkering wel degelijk een hoger minimuminkomen kan worden gegarandeerd dan met een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Op weg naar het 'rijk der vrijheid'?

De aspecten van Van der Veens rechtvaardige samenleving die we hierboven hebben besproken zouden in beginsel in een ontwikkelde welvarende maatschappij als de Nederlandse verwezenlijkt kunnen worden, althans als we er van uit mogen gaan, dat een basisinkomen op sociaal minimumniveau economisch haalbaar is. Van der Veen schetst echter ook een perspectief van een ontwikkeling op langere termijn, waarin het 'rijk der vrijheid' het 'rijk der noodzakelijkheid' geleidelijk zou verdringen. Daardoor zou het communistische ideaal 'van ieder naar vermogen. voor ieder naar behoeften' langzaam maar zeker realiteit kunnen worden. Van der Veen geeft van dit ideaal een opvallend 'nuchtere' interpretatie. Hij omschrijft het namelijk als de limiet-situatie waarin het basisinkomen beslag legt op het volledige nationaal inkomen. Nu merkt hij onmiddellijk op, dat een dergelijke limiettoestand wel eens . 'denkbeeldig' zou kunnen zijn, maar hij laat wel zien hoe een dergelijke situatie steeds dichter genaderd zou kunnen worden. Het gaat dan om de vraag onder welke voorwaarden het aandeel van het basisinkomen in het nationaal inkomen steeds groter zou kunnen worden. Immers, dan zal een krimpend deel van het individuele inkomen afhankelijk zijn van de produktieve prestaties die iemand verricht en een groeiend deel daarvan zijn losgekoppeld. Hiervoor moet een evenwicht worden gevonden tussen twee conflicterende doelstellingen. Aan de ene kant mag het basisinkomen niet zo hoog zijn, dat het ontmoedigende effect op de arbeidsinspanning het financiele draagvlak (dat immers gevormd wordt doorbetaalde arbeid) aantast. Aan de andere kant zou het deel van het nationaal inkomen dat wordt verdeeld als beloning voor betaald werk steeds kleiner moeten worden. Beide doelstellingen zijn alleen tegelijkertijd te verwezenlijken als er sprake is van een structurele groei van de arbeidsproduktiviteit. Alleen dan is het immers mogelijk om met steeds minder arbeidsinspanning een even groot of groter nationaal inkomen voort te brengen. Of die produktiviteitsstijging het mogelijk maakt om het basisinkomensaandeel steeds verder te laten stijgen hangt af van de mate waarin het arbeidsaanbod op verschillende prikkels reageert. Op basis van een aantal veronderstellingen komt Van der Veen tot de conclusie, dat deze ontwikkeling alleen kan worden gegarandeerd in een situatie van nulgroei Anders gezegd, hij kan alleen aantonen dat de geleidelijke overgang naar het 'rijk der vrijheid' mogelijk is, wanneer het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking constant is. Deze verrassende conclusie is een rechtstreeks gevolg van de ongebruikelijke doelstelling die Van der Veen formuleert. Een van de meest gehoorde bezwaren tegen een basisinkomen is nu juist, dat het ontmoedigend werkt op de arbeidsinspanning: waarom zou je nog werken als je toch een inkomen krijgt!? Een basisinkomen zou daardoor leiden tot een vermindering van het arbeidsaanbod en schadelijk zijn voor de economische groei Dit schrikbeeld dat veel tegenstanders van het basisinkomen schetsen doet Van der Veen nu in zijn tegendeel verkeren: dat is juist de bedoeling van een basisinkomen! Heeft Van der Veen de tegenstanders van het basisinkomen hiermee nu een beslissende slag toegebracht? Dat zou wellicht zo zijn als de verschuiving van het prestatie naar het behoeften beginsel in de inkomensverdeling het hoogste doel zou zijn. Het is de vraag of dat ooit het geval zal zijn, zelfs in een zeer welvarende samenleving. Want bedenk, dat het teruglopen van het arbeidsaanbod in de wereld van Van der Veen niet het resultaat is van een veranderende voorkeur ten aanzien van arbeid en vrije tijd, maar in feite wordt afgedwongen. doordat betaalde arbeid steeds minder inkomen oplevert. Mensen gaan in zijn statische economie niet minder werken omdat ze zo'n behoefte hebben aan vrije tijd, maar omdat werken nauwelijks meer iets oplevert. Er is weinig reden om aan te nemen dat dit tot tevredenheid zou stemmen. Veeleer mag worden verwacht dat - niet voor het eerst in de geschiedenis - de onvrede over een overheid die een te groot deel van het eerlijk verdiende inkomen afroomt in een opstand van de belasting betalers zal uitmonden.

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden, dat het proefschrift van Robert van der Veen althans deze lezer niet in alle opzichten heeft overtuigd. Dat neemt echter niet weg, dat het een bijzonder boeiende en ook moedige poging is om een Marxistische (of, zoals hij zelf liever zegt: Marxiaanse) rechtvaardiging voor het basisinkomen te vinden. Voor wie niet terugschrikt voor abstracte filosofische redeneringen en een paar wiskundige formules, is Between exploitation and communism stevige, maar smakelijke kost, waar men eens flink de tanden in kan zetten.

Van harte aanbevolen!

 

Uit de pers...

Geld van moeder natuur, Bron: De Kleine Aarde nr. 76, 1991 Auteur: Jan Juffermans.

Jan Juffermans, medewerker van De Kleine Aarde houdt een pleidooi voor het basisinkomen als middel om het milieu en de natuur te beschermen.

"Als we de feiten nuchter op een rijtje zetten, blijkt dat we zelfs recht hebben op een basisinkomen. Moeder natuur en onze voorvaders en -moeders hebben daar samen voor gezorgd." Nu worden alle menselijke activiteiten belast. "Maar het zou beter zijn als we de gemeenschappelijke bezittingen van de mensheid zouden belasten zodra iemand er gebruik van maakt" Bij die gemeenschappelijke bezittingen' denkt hij in de eerste plaats aan grond, fossiele energie, grondstoffen, water en lucht.

Wat de grond betreft pleit Juffermans, in navolging van de Stichting Grondvest, voor het innen van 'grondrecht'. Verder denkt hij aan verhandelbare 'vervuilingskwota'. Aangezien de Derde Wereld veel minder vervuiling veroorzaakt dan de rijke landen zouden ze een deel van hun quota kunnen verkopen.

"Door zo'n systeem zou hun afhankelijkheid van de vernederende 'ontwikkelingshulp' plaats kunnen maken voor een recht op inkomen." Ten slotte is ook de in de loop der eeuwen opgebouwde technologische kennis gemeenschappelijk bezit. die belast zou kunnen worden om een basisinkomen te financieren.

Enorme loonsverbetering door invoering basisinkomen, Bron: CFO Magazine, 6e jaargang nr l, 17 januari 1991 Auteur: Jan Spijk

In het blad van de CNV bond voor overheidspersoneel zet het CFO kaderlid drs. L.W.J.M. Canisius zijn berekeningen van de financiering van een basisinkomen uiteen.

Volgens Canisius is de invoering van een basisinkomen van netto f. 1.100,- per maand mogelijk zonder enige lastenverhoging. Sterker nog: vrijwel iedereen gaat er fors op vooruit. Tot een inkomen van f. 75.000, gaan alleenstaanden en alleenverdieners er rond de twee duizend gulden per jaar op vooruit en tweeverdieners ongeveer het dubbele.

Te mooi om waar te zijn, zou je zeggen. Immers, een basisinkomen is niets anders dan een herschikking van inkomens, zoals Canisius zelf zegt. Maar waar al dat geld voor die inkomensverbetering vandaan komt wordt uit het artikel helaas niet duidelijk. In een commentaar plaatst CNV bestuurder Aart Jan de Geus dan ook vraagtekens bij Canisius' financieringsmodel van het basisinkomen.

En óok verder ziet het CNV niet veel in een basisinkomen: het CNV wil vasthouden aan een arbeidsplicht, het vreest een te radicale individualisering en het betwijfelt of het basisinkomen gezien de internationale verhoudingen houdbaar is.