NIEUWSBRIEF VAN DE WERKPLAATS BASISINKOMEN
Nummer 2 ,december 1989
ISSN 0924-3038
Inhoudsopgave
Het debat voorbij
Jonkvrouwen op het toernooiveld van de arbeid
Bestaande economische principes verhinderen goed begrip van basisinkomen
Basisinkomen géén huishoudloon
Basisinkomen bevoordeelt traditionele samenlevingsvormen
Boeken, boeken!
De Voedingsen Industriebond CNV
Uit de pers...
Het debat voorbij
Voor u ligt het tweede nummer van de Nieuwsbrief Basisinkomen 't Werkt niet meer.
Ditmaal in het teken van de reeks debatten die de Werkplaats Basisinkomen in 1989 heeft georganiseerd om de theorievorming over het basisinkomen te verdiepen en er meer mensen bij te betrekken.
De economen deden het - onder veel publiciteit - in Tilburg, de emancipeerders in Amsterdam, en het resultaat in de ogen van Paul de Beer en Hansje Kalt leest u verderop.
Jola Klein haakt in op het emancipatiedebat met een bijdrage over de opstelling van de vrouwenbeweging, dat overigens eerder geweigerd werd door Open Forum van de Volkskrant.
Ter discussie staat in dit nummer het negatieve inkomenseffect van het basisinkomen voor alleenstaanden. In de Pers-rubriek staan enkele waarschuwende woorden genoteerd uit Intermediair en NRC (Flip de Kam). Judit Klappe werkte dit probleem eerder dit jaar uit in Basisinkomen onder het mes (Wetenschappelijk Bureau PSP). Zij meent dat het basisinkomen traditionele leefvormen bevoordeelt.
Aan de argumenten die zij levert, kan niet klakkeloos voorbij worden gegaan. Daarom hebben we haar artikel opgenomen in de nieuwe discussierubriek. Discussie betekent: reacties - zowel voor als tegen. Uw bijdragen zien we met spanning tegemoet
Tot zover, genoegen toegewenst bij het lezen...
Jonkvrouwen op het toernooiveld van de arbeid
Door Paul de Beer
Leidt de weg naar emancipatie via het basisinkomen of is een basisinkomen juist de grootst denkbare belemmering voor een gelijke maatschappelijke positie van mannen en vrouwen? Een vraag waarover voor- en tegenstanders tot nu toe meer met elkaar hebben geruzied dan geargumenteerd. De Werkgroep Onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen vond het dan ook hoog tijd voor een serieus debat. De dag trok weliswaar weinig aandacht van de media maar deed de hartstochten hoog oplaaien. Paul de Beer (m) is optimistisch over het resultaat.
Tussen basisinkomen en emancipatie lijkt al jaren een haat-liefde-verhouding te bestaan. Aan de ene kant stellen veel voorstand(st)ers van het basisinkomen uit de linkse hoek, dat het basisinkomen een belangrijke voorwaarde voor emancipatie van de vrouw vervult. Aan de andere kant treffen we in feministische kring de felste tegenstanders van het basisinkomen aan.
Over het uiteindelijke doel - een gelijkwaardige maatschappelijke positie voor vrouwen en mannen - zijn beide groepen het globaal wel eens, maar over de weg die daar naar toe leidt lopen de meningen ver uiteen. Geen wonder dat de studiedag over basisinkomen en emancipatie, die de Werkgroep Onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen op 19 mei 1989 organiseerde, tot heftige en soms emotionele discussies aanleiding gaf.
"Waanzin! Absolute waanzin!", kreeg een van de organisatoren van de dag naar haar hoofd geslingerd toen ze alleen nog maar een toelichting bij een van de discussiestellingen had gegeven, zonder zich erover uit te spreken. Maar ondanks dergelijke emotionele reacties werd de studiedag toch vooral gekenmerkt door een openhartige gedachtenwisseling, waarbij het belangrijker bleek om naar elkaars argumenten te luisteren dan gelijk te krijgen.
Een paar uur eerder, in het holst van de nacht, was Janneke van der Plaat, voorzitter van de Werkplaats Basisinkomen, nog druk doende geweest om PPR, PSP en CPN aaneen te smeden tot Groen Links. Niettemin was zij tijdig present om de discussie tussen de achttien vrouwen en vijf mannen die in een zaaltje van de Universiteit van Amsterdam bijeen waren gekomen, in goedt banen te leiden.
"Tien jaar ben ik nu al met het basisinkomen bezig", zo vertelde zij ter introductie, "en in die tien jaar heb ik de discussie over dit thema met en tussen vrouwen steeds heel moeilijk gevonden. Ik ben dan ook erg blij met deze studiedag en hoop dat we daarmee de discussie over basisinkomen en emancipatie een stapje verder kunnen brengen." Hoewel de discussie nogal eens van de hak op de tak sprong, bleek het vooral om drie zaken te gaan:
Een eigen inkomen, met of zonder baan
Over het doorslaggevende belang van economische zelfstandigheid voor de emancipatie van de vrouw bestond onder de deelnemers aan het debat geen verschil van mening. Wel echter over de vraag of fmanciële zelfstandigheid (een eigen inkomen) ook los van het recht op een betaalde baan bijdraagt aan de emancipatie.
Hieke Snijders-Borst (deskundige op het gebied van belastingen en inkomens) had daarover een uitgesproken opvatting. "De arbeidsmarkt, is een toernooiveld, waarop ridders in harnas en een helm met verenbos met elkaar in het strijdperk treden om voor de schone jonkvrouwen de buit binnen te halen. Aan de deelname aan dat toernooi zijn enorme voordelen verbonden op het gebied van inkomen, status, macht, invloed en aanzien." De conclusie is voor haar duidelijk: inkomen alléén is volstrekt onvoldoende om een gelijkwaardige maatschappelijke positie van vrouwen en mannen te bewerkstelligen.
Niet iedereen was het daar echter mee eens. Ria Dijkstra van het Landelijk Steunpunt van Comités van Vrouwen in de Bijstand was van mening, dat een inkomen op zich aan vrouwen wel degelijk macht geeft. Een ander merkte op dat als het recht op een inkomen wordt verbonden met de plicht tot arbeid - zoals bij individualisering van het huidige stelsel van sociale zekerheid - veel vrouwen, voor wie de arbeidsmarkt geen reële perspectieven biedt, daar niet mee zijn geholpen. Bovendien, zo voegde een derde daar aan toe, is het volstrekt niet vanzelfsprekend, dat een betaalde baan aan vrouwen een machtsbasis verschaft. Integendeel zelfs!
Enkele deelneemsters aan de discussie leken het heil voor vrouwen vooral te verwachten van een herwaardering van onbetaalde arbeid. Die wordt nu immers sterk ondergewaardeerd: 'Als je een bom produceert heet dat produktieve arbeid, maar een baby produceren niet," zo stelde Gisela Schade van de Erasmus Universiteit Rotterdam. "Eigenlijk zouden alle vrouwen en mannen die vrijwilligerswerk doen eens moeten zeggen: we doen het niet meer. Dan zou eindelijk worden erkend dat vrijwilligerswerk ook arbeid is en dus betaald zou moeten worden," vond Thea van de Linden, actief in de Rooie Vrouwen in de Partij van de Arbeid.
Ondanks deze verschillen van mening - concludeerde Janneke van der Plaat - waren de aanwezigen het in ieder geval over twee zaken eens: "Ten eerste dienen vrouwen een recht te krijgen op een eigen individueel inkomen. Ten tweede dient er verandering te komen in de waardering van onbetaalde arbeid".
Herverdeling van de betaalde arbeid
Het grootste deel van de discussie ging echter over betaalde arbeid. Hoe belangrijk is een betaalde baan voor de emancipatie van vrouwen en hoe kunnen de kansen van vrouwen op betaald werk worden vergroot?
Om met dit laatste te beginnen: ieder die zich erover uitliet, wees op de wenselijkheid van herverdeling van de beschikbare arbeid. Maar moet dat geschieden via deeltijdwerk of via collectieve arbeidstijdverkorting (ATV)?
Aan deeltijdwerk kleven al te veel bezwaren, zo luidde de overheersende opvatting: deeltijdbanen zijn vaak tweederangs banen met slechte arbeidsvoorwaarden, een laag loon en geen carrièreperspectief. Wie zo'n baan bezet, wordt door de werkgever vaak niet voor vol aangezien. Toch werden er ook kanttekeningen geplaatst bij deze afwijzing van deeltijdarbeid. Zo werd erop gewezen dat het in de eerste plaats dankzij de sterke groei van het aantal deeltijdbanen is (en niet zozeer dankzij collectieve arbeidstijdverkorting), dat de afgelopen jaren zoveel vrouwen een baan hebben gevonden. Bovendien betekent individualisering op langere termijn dat iedereen zoveel mogelijk keuzevrijheid zou moeten hebben ten aanzien van de arbeidstijd (de zogeheten "tijdsoevereiniteit"). Deeltijdwerk zou daar in beginsel het meest geschikt voor zijn. Deze opvatting vond echter weinig instemming.
Allen waren het er over eens, dat deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt vooral via collectieve arbeidstijdverkorting moet worden gerealiseerd. Catelene Passchier van het FNV-Vrouwensecretariaat stelde dat de mate van arbeidstijdverkorting moet worden bepaald door de vraag of ze economische zelfstandigheid oplevert. Dan doet zich echter wel het probleem voor, dat in sommige "traditionele" gezinnen pas een baan voor de vrouw beschikbaar zal komen als het proces van arbeidstijdverkorting bijna is voltooid, dus op het moment dat de werkweek van 25 uur wordt ingevoerd. Ondertussen heeft men dan al wel jarenlang inkomen ingeleverd, en wel zonder er iets voor terug te krijgen. "Je zou daarom kunnen overwegen de arbeidstijdverkorting te koppelen aan aanvullende inkomensvoorzieningen voor diegenen die (nog) geen betaalde baan kunnen krijgen", suggereerde Passchier als oplossing voor dit probleem.
De vraag is dan natuurlijk of dat in de praktijk niet bijna hetzelfde uitwerkt als arbeidstijdverkorting die wordt gekoppeld aan de invoering van een basisinkomen. Waarom dan niet gewoon een basisinkomen ingevoerd?
Passchier: "Ik ontken niet, dat dat in de praktijk veel op elkaar lijkt. Maar ik vind wel, dat er sprake blijft van een principieel verschil tussen een basisinkomen en zo'n aanvullende voorziening. En dan kies ik voor het laatste. De crux is, dat de onderhandelingspositie van vrouwen niet alleen in hun inkomen zit, maar ook in hun deelname aan betaalde arbeid. En daarom kun je het een niet loskoppelen van het ander."
Vrouwen: betaald of onbetaald?
Daarmee was de discussie aanbeland bij de vraag hoe belangrijk deelname aan betaalde arbeid is voor de emancipatie van vrouwen. Volgens Jola Klein, een van de organisatoren van de dag, heeft de vrouwenbeweging ervoor gekozen om via de betaalde arbeid haar doeleinden na te streven. Betaalde arbeid lijkt immers gemakkelijker aan te pakken dan de onbetaalde: ze is beter zichtbaar en gemakkelijker meetbaar. De vraag is of dit terecht is. Hoe emanciperend is betaalde arbeid eigenlijk? Op betaalde banen, en zeker die waarin vrouwen werkzaam zijn, valt vaak veel aan te merken, bijvoorbeeld wat betreft de arbeidsomstandigheden en arbeidsverhoudingen. Daarover geen verschil van mening.
Maar in het debat oordeelde de een dat je juist door vrouwen te dwingen aan betaalde arbeid deel te nemen kunt bevorderen dat de verhoudingen binnen de betaalde arbeid worden verbeterd. Een ander bracht daar tegenin, dat de negatieve kwalitatieve aspecten van betaalde arbeid dienen te worden bekritiseerd vanuit de onbetaalde arbeid. Er zou dan ook een fundamentele kritiek op het arbeidsbegrip nodig zijn.
"Juist met een basisinkomen kun je het belang van betaalde arbeid voor mannen omlaag halen", zo werd opgemerkt. "Een arbeidsplicht is pas aan de orde wanneer vrouwen eenmaal een gelijkwaardige positie op de arbeidsmarkt hebben verworven."
Maar ook als men van mening is, dat deelname aan betaalde arbeid in het algemeen de emancipatie van vrouwen ten goede komt, volgt daar nog niet automatisch uit, dat dat ook voor iedere vrouw afzonderlijk geldt. Bijvoorbeeld voor de vrouw die vanwege haar lagere opleiding alleen maar de mogelijkheid heeft een onvolwaardige baantje te krijgen. Voor haar zou vrijwilligerswerk een acceptabeler perspectief kunnen bieden.
Maar we hebben het hier over een thema waarvan voor- en tegenstanders tot voor kort maar bar slecht naar elkaar wilden luisteren. Is het dan niet een hele winst dat over een dergelijk thema een dag lang zinnig is gediscussieerd?
Een dag discussiëren bleek - niet zo vreemd natuurlijk - niet voldoende om eruit te komen. De vraag of het basisinkomen remmend werkt op de emancipatie van de vrouw, werd door de aanwezigen niet eensluidend beantwoord. Dat was ook de conclusie van Janneke van der Plaat aan het eind van de dag. Een teleurstellend resultaat? Voor sommigen misschien.
Paul de Beer is medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijke instituut van de PvdA
Bestaande economische principes verhinderen goed begrip van basisinkomen
Door Hansje Kalt
In de broeikashitte van de junimaand werd in Tilburg, aan de Katholieke Universiteit Brabant, het allereerste economendebat over het basisinkomen gehouden. Het debat was een uniek en veel aandacht trekkend iniatief van de Werkplaats Basisinkomen in samenwerking met de Vakgroep Sociale Zekerheidswetenschap van de KUB. Hansje Kalt merkte dat het voor een goed begrip noodzakelijk is te praten vanuit de bestaande economische theorieën, maar dat je daar al snel niet verder mee uit de voeten kunt. Een debat dat meer vragen dan antwoorden opleverde.
Het blijkt steeds weer dat iemands filosofie bepalend is voor de manier waarop hij of zij het basisinkomen beschouwt. Iemands fIlosofie is van doorslaggevend belang voor de "rationele redenering" waarmee hij of zij mogelijkheden en onmogelijkheden bespreekt. Eigenlijk zou je de spreker, als je een heldere discussie zonder verwarrende ondertonen wenst, eerst om zijn mensbeeld moeten vragen. Vindt hij dat mensen lui en egoïstisch zijn? Nemen zij te veel risico of te weinig? Kijken zij niet verder dan hun neus lang is? Moeten zij begeleid en gestimuleerd worden tot geluk, of zijn de meeste mensen gelukkig als zij "vrij" zijn?
Dit is nog maar het begin, want iedere wetenschappelijke discipline heeft ook nog zijn eigen theoretisch fundament, en binnen de faculteiten zien we ook nog verschillende stromingen. Binnen de economische wetenschap echter vinden we relatief weinig verschillende gangbare of erkende stromingen. De gevestigde economische wetenschap is van mening dat de neoklassieke theorie (die uitgaat van het vrije-marktmechanisme) voldoende verklaringskracht biedt.
Het is dan ook praktisch - en noodzakelijk - om neoklassieke termen te hanteren wanneer je met economen (zowel voor- als tegenstanders) over het basisinkomen in de slag gaat. De inleiders van het Tilburgse economendebat hadden van te voren besloten een ideologische discussie te vermijden. Het aardige resultaat hiervan was dat over de gepresenteerde cijfers, onder andere betreffende de kosten van het basisinkomen, geen verschil van mening bestond.
Ongehoorzaam
Maar natuurlijk was niet iedereen gehoorzaam. Zo hield J. Pierik van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich niet aan de door de organisator, de Werkgroep Wetenschap van de Werkplaats Basisinkomen, vöorgestelde defInitie van een voorwaarde-loos volledig basisinkomen. Pierik had het namelijk over een "aanvulling op het inkomen" van iedere Nederlandse ingezetene van 18 jaar en ouder tot een bepaald minimum. In Pierik's definitie vindt weliswaar geen vermogenstoets plaats en is men niet gedwongen beschikbaar voor de arbeidsmarkt, maar er wordt wel degelijk rekening gehouden met inkomsten uit arbeid. Pierik komt dan logischerwijs tot de conclusie dat we een dergelijk systeem in Nederland eigenlijk al hebben: de bijstand! Nogal wiedes als je eerst een definitie maakt die daarop aanstuurt.
Wie geen eigen inkomen heeft, zoals gehuwde vrouwen, krijgt uiteraard geen "aanvulling", maar een op zich staande "toelage" uit de Pierikiaanse basisinkomenpot. Pierik maakte zich zorgen over de enorme extra kosten die dit met zich mee zou brengen. Hij kwam met het politieke (dus niet economische) argument dat een regering een uitgave die de collectieve lasten met 20% doet stijgen, nooit zal kunnen doordrukken in het parlement.
Pierik deed tevens enkele globale voorspellingen over de gevolgen van invoering van een basisinkomen. Hij noemde de volgende reeks: stijging van de werkgelegenheid, daling van de investeringen, daling van de arbeidsproduktiviteit en dus achteruitgang van de economie. Daarmee waren de nadelen van het basisinkomen naar Pierik's mening zelfs nog niet uitgeput: het basisinkomen zou anti-emancipatoir werken omdat huisvrouwen genoegen zullen nemen met hun toelage. Ook zouden er internationale problemen ontstaan in verband met de algemene regels rondom sociale zekerheid binnen de Europese Gemeenschap.
Pierik werd door R. Janssen van de Commissie Oriënteringsdagen op de fundamenten van zijn redenering gewezen. De "moderne" economen hebben een te klein denkraam. Lagere produktiviteit heeft wel degelijk zijn voordelen: het is allang duidelijk dat langzame groei veel puttiger is, bijvoorbeeld voor het milieu, dan een onzekere snelle stijging van de groei.
Oök P. van Elswijk (van de Adviesgroep Koers) probeerde het denkkader te verbreden. Hij stelde het denken in tegenstellingen - ondernemer versus maatschappij - ter discussie. Ook de veronderstelling dat je economisch-theoretisch één ding kan veranderen en de rest hetzelfde laten blijven (het idee van "ceteris paribus") noemde hij onwerkbaar met betrekking tot internationale vergelijkingen en voorspèllingen.
Tekortkomingen van het huidige economisch denken
Pierik gaf toe dat er "wellicht" - de stemming onder de debatteerders was mild - een zekere grond van waarheid zat in de vele tegenargumenten op zijn stelling.
De conclusie die N. Douben van de Technische Universiteit Eindhoven, ochtendvoorzitter van het debat, trok was dat het basisinkomen met het normale economische denken misschien wel niet bestudeerd kan worden. "Normale" vooronderstellingen worden plotseling randvoorwaarden. Bovendien is het onmogelijk om alles in cijfertjes en formules te vangen. Een basisinkomen brengt ook helemaal niet een economische omwenteling teweeg, vond Douben; het brengt eigenlijk alleen maar een (niet eens zo drastische) herverdeling van inkomen teweeg. Economen gaan te veel uit van de toestand van het moment; ze houden geen rekening (kunnen dat ook niet) met toekomstige ontwikkelingen, zoals de invloed van nieuwe technologieën. Al doorredenerend kwam Douben zelfs uit op de ultieme filosofische vraag: hoeveel risico wil je met je leven nemen?!
J. van Ours van de Vrije Universiteit Amsterdam presenteerde zich met de kreet: "Ik ben maar een eenvoudige econoom". Dat klopte voortreffelijk. Eenvoudige tegenstellingen zoals die tussen vrije tijd en consumptie dienden als basis van zijn betoog. Loonhoogte zag Van Ours als belangrijkste drijfveer tot arbeidsparticipatie en een constructie met basisinkomen biedt naar zijn idee te weinig werkprikkels.
J. Dekkers van het Havenbedrijf Rotterdam waarschuwde in zijn verhaal voor een te grote arbeidsmobiliteit in het geval van een basisinkomen. Hij roerde daarmee een interessante kwestie aan; meestal wordt een vergrote arbeidsmobiliteit als voordeel van het basisinkomen genoemd. Hoe vaak horen wij niet vanuit het bedrijfsleven dat de mobiliteit te gering is. Dekkers meende dat we met de oude gewoonte om kapitaalintensieve en arbeidsintensieve bedrijven te vergelijken niet verder komen. Er worden nieuwe eisen aan bedrijven gesteld die nog nauwelijks in het economisch denken ingepast zijn. Het streven naar continuïteit in plaats van naar winst is daar één van.
Voorspellingen?
Gaandeweg het debat werd men steeds nadrukkelijker met de neus op het feit gedrukt dat voorspellingen met betrekking tot het basisinkomen bijzonder moeilijk te doen zijn. Het voorstel werd geopperd om met een geleidelijke invoering van een gedeeltelijk basisinkomen ervaringen op te doen met de effecten die een volledig basisinkomen zal veroorzaken.
J. Roebroek van de universiteit van Tilburg, wees er fijntjes op dat juist een gedeeltelijk basisinkomen géén "training" geeft voor een volledig basisinkomen. Integendeel zelfs; men riskeert alle mogelijke nadelen van het basisinkomen met de gedeeltelijke variant, maar de voordelen krijgen er geen enkele kans mee. Bij een gedeeltelijk basisinkomen is de kans groot dat groepen mensen in de marge van de maatschappij gedrukt worden, omdat ze van een onleefbaar inkomen moeten "rondkomen" .
Middagvoorzitter F. van der Ploeg van de Katholieke Universiteit Brabant vroeg zich net als zijn ochtendcollega Douben af wat de gangbare economische principes nu eigenlijk voorstellen. Over afwentelingsprocessen is weinig bekend; wat moeten we met het nieuwe verschijnsel dat arbeid en kapitaal elkaar blijken aan te vullen in plaats van dat ze elkaar vervangen? En getuigt het juist niet van een economisch ver doorgevoerd liberalisme als zowel de aanbieders van als de vragers naar arbeid zich kunnen terugtrekken van de arbeidsmarkt wanneer het basisinkomen wordt ingevoerd? Heeft het basisinkomen gekoppeld aan een prijsindex niet juist een stabiliserend effect op de conjunctuurschommelingen?
Economische koudwatervrees
Meer vragen dan antwoorden dus op deze economendag. Het bleek een zeer verstandige zet van de inleiders op deze studiedag om het basisinkomen binnen de kaders van het bestaande economisch denken ter' discussie te stellen. Verstandig, omdat daardoor een debat tussen voor- en tegenstanders op creatieve en vruchtbare, maar ook onthullende wijze mogelijk bleek. Tegelijkertijd bestond er aan het einde van de dag een opvallende overeenstemming over het feit dat veel vaststaande economische principes niet functioneel zijn bij onderzoek naar de effecten van een basisinkomen, integendeel, die werken zelfs contraproduktief in het begrijpen van economische processen daarvan.
De conclusie was glashelder. Voorspellingen ten aanzien van het basisinkomen gedaan vanuit de oude kaders van het gevestigde economische denken kunnen ons niet verder helpen. Die conclusie zou de koudwatervrees voor het basisinkomen kunnen verklaren die er vooral bij economen heerst - en deze op den duur dus ook weg kunnen nemen.
Hansje Kalt is sociologe en lid van de Werkgroep Wetenschap van de Werkplaats Basisinkomen
Basisinkomen géén huishoudloon
Jola Klein
In de jaren zeventig heeft de vrouwenbeweging zich vastgebeten in de stelling dat een huishoudloon de emancipatie van vrouwen zou tegenwerken. Bevordering van de deelname van vrouwen aan betaalde arbeid, daar ging het om. Met die keuze is op zich niets mis. De vrouwenbeweging heeft echter de fout begaan het basisinkomen te verwarren met het huishoudloon, en ze bestrijdt het één met de argumenten tegen het ander. Onterecht, vindt Jola Klein, en legt uit waarom.
De Vrouwenpartij en het sterk gefeminiseerde Groen Links spreken zich uit voor het basisinkomen. Maar in recente discussies (zoals in het economendebat, zie de Volkskrant van 17 juni 1989) wordt het argument gebruikt, dat het basisinkomen de emancipatie van vrouwen zou tegenwerken. Dit argument komt niet uit de lucht vallen, maar geeft het standpunt van veel vrouwenorganisaties weer.
Bij een groot gedeelte van de vrouwenbeweging valt het basisinkomen in de taboesfeer en wordt het moedwillig verward met het huishoudloon. In de afwijzende reacties op het basisinkomen klinken de echo's van het zogenaamde "huishoudelijke arbeidsdebat", dat met alle heftigheid gevoerd is in de jaren zeventig. In dit debat werd aan de kaak gesteld dat de kapitalistische staat profiteert van onbetaalde en dus onzichtbare arbeid van huisvrouwen. Een klein aantal deelneemsters pleitte toen voor een fmanciële vergoeding voor huishoudelijke arbeid.
De grote meerderheid zag echter invoering ván huishoudloon niet als een stap die gelijkheid tussen mannen en vrouwen dichterbij zou brengen. Het huishoudloon zou alleen de achtergestelde positie van vrouwen bevestigen en reproduceren maar niet bijdragen tot een verdeling van verzorgende taken tussen de seksen.
De meerderheid van de vrouwenbeweging sprak zich uit voor deelname van vrouwen in arbeid buitenshuis om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen. Betaalde arbeid buitenshuis, vond men, biedt naast economische zelfstandigheid ook voorwaarden voor de emancipatie van vrouwen, zoals bevrijding van de huiselijke omgeving, ontplooüng, opgenomen worden in machtsnetwerken. Een belangrijke rol in de keuze voor emancipatie via arbeid buitenshuis speelde de gedachte dat de bestrijding van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen betaalde arbeid meer uitvoerbaar is dan op andere maatschappelijke terreinen (bijvoorbeeld in het gezin).
Verregaande behoudzucht
De achterstelling van vrouwen in betaald werk is meetbaar en interventie op dat terrein lijkt politiek meer haalbaar. De keuze van de vrouwenbeweging voor emancipatie via betaalde arbeid is zeker begrijpelijk en juist. Teleurstellend echter is de starheid waarmee deze keuze wordt omhelsd. Een groot deel van de vrouwenbeweging houdt zich doof voor alles wat een beetje verschilt van de eens ingeslagen weg. Slechts deze verregaande behoudzucht kan verklaren dat de argumenten tegen het huishoudloon opnieuw afgevuurd worden op het basisinkomen. Het basisinkomen is wezenlijk anders dan het huishoudloon. Het vraagt geen tegenprestatie op huishoudelijk gebied en wordt aan iedereen uitbetaald; daarom slaan de argumenten, dat het vrouwen stigmatiseert en in huisvrouwenrol bevestigt, de plank mis.
Het basisinkomen verschilt verder ook in een ander cruciaal opzicht van het huishoudloon: het is namelijk verenigbaar met het emancipatiebeleid via betaalde arbeid. Het basisinkomen maakt juist de keuze voor betaalde arbeid meer reëel, omdat het naar alle waarschijnlijkheid banen zal opleveren (vooral als de invoering van het basisinkomen gekoppeld is aan een fikse arbeidstijdverkorting).
Verder kan het basisinkomen de positie van werknemers op de werkplaats sterker maken en leiden tot een verbetering van arbeidsomstandigheden, wat juist voor vrouwen van groot belang is volgens de conclusies van veel onderzoeken naar arbeidsmotivatie. De angst dat vrouwen massaal de arbeidsmarkt zullen verlaten na invoering van het basisinkomen is daarom ook ongegrond.
Mocht het echter zo zijn dat een aantal vrouwen, die geestdodende arbeid verrichten en daarbij slecht betaald zijn, hun werkgevers de rug toekeren, dan is dat uit emancipatorisch standpunt alleen maar toe te juichen. Of zijn de cijfers van deelname van vrouwen aan betaalde arbeid de enige graadmeter voor emancipatie?
De aantrekkelijkheid van het basisinkomen is niet alleen gelegen in het effectueren van het huidige emancipatiebeleid. Het biedt oplossingen voor een aantal problemen waar dat emancipatiebeleid te kort schiet. Bijstandsvrouwen met kinderen, oudere en laag opgeleide vrouwen, de maatschappelijk minst weerbare groep kan van het huidige emancipatiebeleid weinig profiteren. Het basisinkomen heeft voor deze groep vrouwen een aantal voordelen: het zorgt voor economische zelfstandigheid van alle vrouwen en leidt tot het opheffen van de vernederende kontrole op samenlevingsvormen. Kortom: men moet het basisinkomen niet zien als tegenstrijdig met het huidige emancipatiebeleid, maar als een maatregel die voorwaarden voor gelijkheid van vrouwen schept die ook op andere maatschappelijke terreinen liggen dan die van de betaalde arbeid. Daarmee kan de huidige strijd voor gelijkheid van vrouwen een minder elitair karakter aannemen.
Jola Klein is filosofe en lid van de Werkplaats Basisinkomen.
Basisinkomen bevoordeelt traditionele samenlevingsvormen
Judit Klappe
Invoering van een basisinkomen gaat gepaard met een herverdeling van inkomens die ongunstig is voor alleenstaanden. Daarover hoor je zelden iemand. Het is een kwalijke zaak dat wie nu al gekozen heeft voor economische zelfstandigheid, lijdt onder een zo progressief ogende zaak als het basisinkomen. Dat lijkt het toppunt van individualisering, maar is het niet. Aldus Judit Klappe, die ook de oplossingen voor dit probleem van een kanttekening voorziet.
Invoering van een basisinkomen leidt tot negatieve inkomensgevolgen voor alleenstaanden. Dat blijkt uit vrijwel alle voorstellen die tot nu toe gedaan zijn voor een basisinkomen. Over dit nadeel voor alleenstaanden hoor je zelden of nooit wat van de voorstanders (en vaak ook niet van de tegenstanders). Ik denk dat dat komt doordat niemand het leuk vindt zichzelf een "alleenstaande" te noemen. Maar de praktijk is natuurlijk dat veel mensen alleen wonen, juist ook linkse mensen. Als we het woord "alleenstaande" vervangen door "alleenwonende" en dan zeggen dat een basisinkomen nadelig is voor alleenwonenden, zou dat volgens mij weleens tot bezinning kunnen leiden.
In huishoudens met meer dan één volwassene komt er een extra inkomen bij. Een volledig geïndividualiseerd basisinkomen is voordelig voor meerpersoonshuishoudens, en daarmee dus nadelig voor alleen wonenden. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel we geven iedereen een basisinkomen van f 1.200 netto per maand. Een alleenwonende volwassene heeft dan een inkomen van f 1.200 per maand. Twee volwassenen die samenwonen hebben samen een inkomen van f 2.400. Ten opzichte van de huidige bijstand gaat een. alleenwonende er f 100 op vooruit. Een tweepersoonshuishouden gaat er dan f 900 ( f 450 pp) op vooruit. Deze herverdeling is wel heel erg scheef. Het voordeel van dit systeem is dat er geen controle op de leefwijze nodig is, maar weegt dat op tegen de enorme inkomensverschillen tussen alleenwonenden en samenwonenden die er het gevolg van zijn? Iemand die nu alleen woont en dus al economisch zelfstandig is gaat er relatief gezien op achteruit! Deze vorm van basisinkomen bevoordeelt de traditionele huishoudens. Maar we wilden toch individualisering? Het merkwaardige is dat deze vorm van basisinkomen, die de meest geïndividualiseerde lijkt te zijn, dat in werkelijkheid juist niet is.
Een andere vorm van basisinkomen, waarbij we dit probleem tegengaan, is dat er wel een toetsing op leefvorm plaatsvindt. Dan krijgt een alleenwonende f 200, samenwonenden krijgen niet twee keer f 200 maar twee keer f 840 = f 1.680. Het nadeel is dat dit eigenlijk geen individueel basisinkomen meer is, en dat er toch weer allerlei controles nodig zijn. Dat betekent inbreuk op de privacy. De veronderstelling dat het basisinkomen zo'n eenvoudig systeem is blijkt hier ook niet op te gaan. Aan de andere kant blijft in deze variant in zoverre wel een individueel basisinkomen bestaan, dat als twee samenwonenden uit elkaar gaan, ieder van hen recht heeft op een apart, individueel basisinkomen van f 200.
Dilemma met oplossingen?
Samengevat is het dilemma dus: Als bij het basisinkomen geen toetsing naar leefvorm plaatsvindt, hebben samenwonenden twee keer zoveel besteedbaar inkomen als een alleenstaande. Vmdt er wel een toetsing plaats, dan betekent dat meer sociale controle en minder eenvoud in het systeem. De voorstanders zeggen dat de nadelen voor alleenstaanden gecompenseerd moeten worden via veranderingen in loon- en inkomstenbelasting. Daarbij doet zich meteen de vraag weer voor. hoe dat zich verhoudt tot de veronderstelde eenvoud in het systeem.
Een andere oplossing, die door PSP-voorzitter Saar Boerlage is voorgesteld, is om woningen die geschikt zijn voor alleenstaanden structureel te subsidieren. Dat zou de relatieve inkomensachteruitgang van alleenstaanden kunnen compenseren. Ook bij deze oplossing kunnen de nodige kanttekeningen geplaatst worden. Moet een alleenstaande altijd in een klein huis wonen? Waarom zou een alleenwonende ook niet recht hebben op een redelijke woning? In Amsterdam is het al zo dat een persoon die alleen woont na zijn/haar dertigste recht heeft op een driekamerwoning. Ook zijn er veel kleine woningen, met name in grote steden, die zowel door één als door twee personen bewoond worden. Natuurlijk is het terecht dat je meer betaalt voor een grotere woning, en een alleenwonende zou dus kiezen voor een grotere woning met een hogere huur. Maar dan kan een lagere huur voor kleine woningen niet gebruikt worden als instrument om iets te doen aan de scheve verhouding die ontstaat door het volledig geïndividualiseerde basisinkomen.
Een variant op dit plan - voorgesteld door de PSP - is dat de huurhoogte afhankelijk gemaakt wordt van inkomens in een huishouden. Ook hier doet zich de vraag voor wat er overblijft van de "eenvoud" van het systeem van basisinkomen. En bij dit voorstel wordt de controle op de leefwijze nog veel groter dan die nu al is.
Een ander voorstel van Saar Boerlage is om de vaste lasten, die onevenredig zwaar drukken op alleenwonenden, te verlagen. Dit zijn bijvoorbeeld het vastrechtbedrag bij energie- en telefoonbetaling, kijken luistergeld en onroerend-goed belasting. Dit idee lijkt mij een stuk beter, maar het is de vraag of we hiermee de negatieve inkomstenbelasting van het basisinkomen voor alleenstaanden op kunnen heffen.
Al met al denk ik dat de voorstanders hun gedachten nog maar eens moeten laten gaan over deze kwestie. Het blijft vreemd dat een idee dat bedoeld was om de individualisering en economische zelfstandigheid te bevorderen juist negatief uitpakt voor de mensen die dat al gerealiseerd hebben.
Judit KIappe is medewerkster van het Wetenschappelijk Bureau van de PSP
Boeken, boeken!
ABVA/KABO: Basisinkomen, economische zelfstandigheid en betaald en onbetaald werk. Zoetermeer (ABVA/KABO) april 1989. Omvang 28 pp. Adres ABVA/KABO: Bredewater 16, 2715 CA Zoetermeer.
In februari stelde de ABVA/KABO een commissie in, die zich moest beraden over het midden- en lange-termijn beleid. Centraal stond de vraag wat men met het basisinkomen moest doen. Dit boek is het verslag van het antwoord hierop, en de algemene conclusie is negatief: " De invoering van een basisinkomen is, op dit moment, noch noodzakelijk noch gewenst." Betaalde arbeid moet het centrale thema van de vakbeweging blijven. Voor de onderbouwing van het beleid verrichten onderzoekers uit Leiden in opdracht van de ABVA/KABO een literatuurstudie, getiteld Betaald werk, onbetaald werk, bestaansminimum... en een basisinkomen?
Stefan Kesenne & Patrick van Durme: Basisinkomen en arbeidsaanbod. Antwerpen (Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek) 1989. Rapport 89/229. Omvang: 23 pp. Meer informatie: Universitaire Faculteiten St. Ignatius, Prinsstraat 13, B-2OOQ Antwerpen.
Deze studie onderzoekt welke effecten de invoering van een basisinkomen op het aanbod van arbeid. Het bevat: (1) een theoretische analyse van de tijdstoewijzing aan arbeiders/consumenten; (2) literatuur uit de Verenigde Staten die ingaat op experimenten van negatieve inkomsten belasting; (3) een recent survey-onderzoek over het arbeidsaanbod onder getrouwde vrouwen in de regio Antwerpen. Conclusie is dat bij invoering van een basisinkomen het arbeidsaanbod van (op z'n minst) getrouwde vrouwen behoorlijk zou teruglopen.
Bram van Ojik: Basisinkomen. Van veenbrand naar gidsland Amsterdam (PPR) 1989. Prijs: f5, omvang: 42 pp. Adres PPR: le Weteringdwarsstraat 4,1017 TN Amsterdam.
Derde editie van een opgewekt pamflet, het eerst gepubliceerd in 1982 door Bram van Ojik, nu voorzitter van de PPR. Aardigheidje bij de nieuwe editie: briefkaarten met pro-Basisinkomen teksten.
Walter van Trier: Who framed social dividend? A tale of the unexpected. Antwerpen (Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek) 1989. Rapport 89/230, 78 pp. Voor meer informatie: Universitaire Faculteiten St. Ignatius Prinsstraat 13, B-2OOQ Antwerpen.
Socioloog Walter van Trier probeert de herkomst van het begrip "social dividend" (tot voor kort de Engelse term voor basisinkomen) op te sporen. Dwars door Keynesiaanse gedachten en beginnend socialisme in Engeland graaft hij zich een weg door het werk van James Meade, George D.H. Cole, Joan Robinson en Abba Lerner. Veel algemeen voor waar gehouden gedachtengoed wordt door Van Trier van het voetstuk gehaald.
De Voedingsen Industriebond CNV
De Industrie- en voedingsbond CNV is met een dikke 50.000 leden de grootste marktbond van het CNV. Hoe zijn wij in de Werkplaats Basisinkomen terechtgekomen?
In 1985 hebben wij binnen onze bond diepgaand gedacht en gesproken over "arbeid" in onze samenleving. Wat is arbeid? Kun je met goed fatsoen uitspreken dat iedereen recht heeft op (betaalde) arbeid onder goede arbeidsomstandigheden als van dat recht in de praktijk niets terecht komt?
Het zal niemand verbazen dat wij als CNV-bond dergelijke vragen tegen het licht hebben gehouden (en nog houden) van onze christelijke visie op mens en maatschappij. Vanuit die visie is arbeid gericht op een betere wereld niet minder waardevol dan arbeid gericht op een produktieproces. Integendeel!
Wanneer je mensen de vrije keuze laat om het één of het ander te doen, dan kan ieder naar eigen mogelijkheid en aanleg zijnJhaar werk in deze samenleving doen. Het werk dat gedaan moet worden om de BV Nederland draaiende te houden zal onder omstandigheden en onder voorwaarden moeten gebeuren die aantrekkeijjk zijn en dus mensen aantrekken.
Nationale koek groot genoeg
Ervan uitgaande dat de nationale koek groot genoeg is om alle Nederlanders een voldoende inkomen te garanderen, dient iedereen het recht op een basisinkomen te hebben. Aldus realiseer je echte keuzemogelijkheden voor alle mogelijke soorten arbeid in gezinsverband of daarbuiten. Wij hebben onder andere deze onderwerpen uitgewerkt in ons actieprogram Om de kwaliteit van het leven (uitgave 1986).
Kenmerkend voor onze stellingname is dat deze vooral is ingegeven door principiële overwegingen. Een principiële beoordeling van het begrip "arbeid", een principieel oordeel over recht op inkomen om menswaardig te kunnen leven.
Hoe principes in het maatschappelijk bestel (wetgeving, het denken van mensen, structuren) vorm moeten krijgen is niet eenvoudig. Daarom vinden wij het belangrijk om met allerlei andere organisaties in de Werkplaats Basisinkomen te trachten ons gemeenschappelijke doel te bereiken. Ieder vanuit zijn eigen invalshoek, met eenzelfde einddoel voor ogen.
Uit de pers...
Economen bijten tanden stuk op basisinkomen, Bron: de Volkskrant, 17-06-89, Auteur: Pieter Broertjes
De Eindhovense econoom prof. dr. N. Douben weet als geen ander wat het is om je nek uit te steken voor het gedachtengoed dat basisinkomen heet. Precies vier jaar geleden bracht hij als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een gedurfd advies uit over invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Binnen 48 uur was het lijvige rapport, vurig en enthousiast verdedigd door Douben, volledig weggeschreven en weggehoond. Douben, gelouterd door alle kritiek: "We kunnen de uitdaging met de bestaande economische modellen niet aan. Vijfendertigjaar economisch onderzoek levert geen betrouwbare schattingen op. Alleen niet-economen, zoals de jurist Flip de Kam, kunnen zich boude uitspraken permitteren over economische processen. Zij hoeven zich niet te generen voor hun opleiding."
Basisinkomen is in de kern een probleem van herverdeling van beschikbare middelen, stelt Douben op collegetoon. "Maar we weten niet eens wat de invloed zal zijn van technologische veranderingen. dat is zo gecompliceerd, dat de effecten totaal onbekend zijn."
Junior-onderzoeker Den Broeder schudt heftig het hoofd en lacht om zoveel twijfel bij de oudere geleerde. Douben ziet dat en zegt: "Ik ben blij dat u nog kunt lachen. Ik zou er wel om kunnen janken. Maar ik waarschuw u: heb niet te veel optimisme en verwacht niet te veel van de economische wetenschap bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken."
Topambtenaar acht basisinkomen onwenselijk en onbetaalbaar Bron: de Volkskrant, 22-05-89
Een gegarandeerd basisinkomen voor iedere Nederlander is onwenselijk en bovendien onbetaalbaar. "De gedachte van een basisinkomen is mooi; wie wil het niet? Maar als je nagaat wat het kost en wie het moet betalen, dan is het antwoord: niet doen", aldus prof. drs. J. Pierik, directeur fmancieel-economische vraagstukken van het ministerie van Sociale Zaken. Pierik sprak zaterdag op een symposium, georganiseerd door de Wiardi Beckman Stichting van de PvdA en de Erasmus Universiteit, ter herdenking van het overlijden van dr. W. Drees vorig jaar. Het basisinkomen in de zin van een voor iedereen gegarandeerd bedrag, zonder beperkende voorwaarden heeft uitsluitend nadelige effecten, zegt Pierik. In een Europa waarin de verschillen in systemen in ieder geval niet verder uit elkaar mogen lopen, past geen basisinkomen. Nederland kent al een hoog minimumloon, vergeleken met de andere EG-landen. Het netto minimumloon hier bedraagt 72 procent van het netto gemiddelde loon. Vergeleken met het netto standaardinkomen - een statistisch begrip - is het verschil slechts 13 procent.
Het recht van de Europese burger op vrije vestiging in elk van de twaalf EG-landen betekent dat een basisinkomen een sterke zuigkracht zal uitoefenen op andere EG-burgers, waardoor de kosten voor de staat nog sterker zullen stijgen, aldus Pierik.
De onvolledige discussie over het basisinkomen Bron: Intermediair, 21-07-89 Auteur: Ed Lof
Een basisinkomen veronderstelt volledige financiële individualisering, en dat is een gedachte die nog steeds Kamerbreed wordt afgewezen. Hier en daar wordt weliswaar geopperd dat ook het basisinkomen afhankelijk zou kunnen worden gesteld van de persoonlijke omstandigheden, maar in die variant (zoals naar voren gebracht door Pierik) blijven de grootste nadelen van het bestaande stelsel bestaan, zowel in de sfeer van disincentives (als Marie gaat werken, moet Jan inleveren) als in die van de aantasting van de persoonlijke levenssfeer (de tandenborstels tellende inspecteur).
Een basisinkomen dat niet individueel is, is geen basisinkomen. Zelfs als de conclusie luidt dat het basisinkomen betaalbaar is, betekent invoering ervan een enorme inkomensverdeling van alleenstaanden naar samenlevenden - naár die mensen namelijk die nu op grond van het beginsel draagkracht naar huishouden niet in aanmerking komen voor individuele inkomensoverdrachten. In de praktijk zijn dat vooral de niet-werkende partners. En hoewel er wel wat lapmiddelen te bedenken zijn om de sociale pijn daarvan wat te verlichten, en hoewel er in het recente verleden ombuigingen hebben plaatsgevonden waarvan de financiële consequenties voor individuele burgers of huishoudens veel ingrijpender waren, is het moeilijk voor te stellen dat enige politieke partij met een dergelijk plan de verkiezingen in zou gaan. Maar op den duur is individualisering onvermijdelijk, omdat het steeds moeilijker wordt vast te stellen wat nu precies dat huishouden is waarvan de draagkracht moet worden bepaald.
Stapsgewijze invoering van een basisinkomen zoals de Werkplaats bepleit (of een gedeeltelijk basisinkomen als door de WRR uitgewerkt) zal op een gegeven moment minder weerstanden oproepen dan een groeiend controle-apparaat dat criteria moet toetsen die niet meer aansluiten op de werkelijkheid.
Economische zaken. Het manna-denken Bron: NRC, 08-06-89, Auteur: Flip de Kam
Voorstanders van een gelijke deelname van mannen en vrouwen aan het betaalde arbeidsproces zullen het basisinkomen om een of andere reden afwijzen. Dit zet immers een premie op het traditionele rolpatroon waarbij de vrouw het onbetaalde huishoudelijke werk doet. Zij hoeft niet langer de deur uit om geld te verdienen, want de overheid maakt jaarlijks een half modaal loon naar haar bankrekening over. Door het basisinkomen wordt het (krimpende) nationaal inkomen herverdeeld van alleenstaanden naar samenwonenden. Alleenstaanden hebben reden om hiertegen te protesteren, zeker nu zij met ingang van 1990 - overigens terecht - door de invoering van de Oort-wet geving hun alleenstaandentoeslag op de belastingvrije som van de loon- en de inkomstenbelasting verliezen. Ondanks de genoemde bezwaren is de aantrekkingskracht van het basisinkomen verklaarbaar, omdat dit idee onweerstaanbaar appelleert aan het manna-denken, dat vooral in de jaren zeventig velen in de ban hield. Manna-denkers geloven dat de nationale koek in hogere sferen wordt gebakken en dat wij slechts op aarde zijn om de brokken te verdelen. Daarom staan zij te weinig stil bij de gevolgen van hoge belastingtarieven en een genereus basisinkomen voor de bereidheid van de mensen om zich in te spannen bij de nationale produktie, om zodoende een inkomen te verdienen.
Weinig creativiteit bij zoeken naar oplossingen voor werkloosheid, Bron: Voorwaarts, 15-04-89, Auteur: Tjarda Harmsma
Gesprek met Peter Laman, directeur van de Rotterdamse Sociale Dienst. Als we nu toch nog eens zouden nadenken over zoiets als een gedeeltelijk basisinkomen voor iedereen. Ik durf het nauwelijks meer te zeggen. Men kan dan werken of niet, en naarmate het inkomen hoger wordt, belast je het basisinkomen geleidelijk weer weg. Iemand heeft dan een basisinkomen van bij voorbeeld vijfhonderd gulden per maand. Om aan het minimuminkomen te geraken zou die nog ongeveer vijfhonderd gulden nodig hebben; dan is hij of zij als arbeidskracht op dat moment goedkoper dan iemand die het volledige minimumloon moet verdienen. Ik zie wel dat je eigenlijk geleidelijk op een verlaging van het minimumloon uitkomt als je met een uitkering voor iedereen begint Dat zal dan ook ontzettend veel haken en ogen hebben voor je dat allemaal goed hebt uitgekiend. In feite een soort algemene loonsubsidie en hoe dat Europees ligt, weet ik niet" "Ik denk niet dat de Sociale Diensten bezwaar zouden maken tegen zo'n gedeeltelijk basisinkomen. .In feite moet onze doelstelling toch zijn dat we op den duur overbodig worden?"