NIEUWSBRIEF
VAN DE VERENIGING BASISINKOMENNummer 23, maart 1998
Issn: 09243038
Inhoudsopgave
Op zoek naar het tweesnijdende zwaard
Inleiding
Inkomensongelijkheid en werkgelegenheid
Arm en arm is twee
Inkomensongelljkheid en armoede
Basisinkomen, armoede en werkgelegenheid
Initiële effecten van een basisinkomen
Gedragsreacties op korte termijn
Werkgelegenheidseffecten op korte termijn
Armoede- en werkgelegenheidseffecten op langere termijn
Conclusie: is het basisinkomen een tweesnijdend zwaard?
Het seminar van 23 januari 1998
Mededelingen
Op zoek naar het tweesnijdende zwaard
Is het mogelijk armoede en werkloosheid tegelijk te bestrijden?
Dit artikel is een verkorte versie van een inleiding voor het eerste VBI-seminar op 23 januari 1998 te Amsterdam. Het is tevens een eerste versie van een paper voor het 7e internationale congres van het Basic Income European Network (BIEN) dat van 10-12 september 1998 in Amsterdam wordt gehouden. Commentaar wordt zeer op prijs gesteld.
Paul de Beer, verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau. Postbus 37, 2280 AA Rijswijk, e-mail: p.de.beer@scp.nl.
Inleiding
De vraag in de ondertitel van dit artikel is voor de voorstanders van het huidige beleid eenvoudig te beantwoorden. Werkloosheid is een van de belangrijkste oorzaken van armoede en werk is de beste sociale zekerheid. Een effectief instrument om de werkloosheid te bestrijden is dus tevens een wapen tegen de armoede. Bij deze officiële lezing van het huidige beleid kunnen echter vraagtekens worden gezet. Immers, de afgelopen tien jaar waren bevordering van de werkgelegenheid en verhoging van de arbeidsparticipatie juist belangrijke argumenten (excuses zullen anderen liever zeggen) om te snijden in het stelsel van sociale zekerheid en de uitkeringen los te koppelen van de loonontwikkeling. En waren die maatregelen er niet in belangrijke mate verantwoordelijk voor dat er de laatste jaren weer steeds duidelijker van een armoedeprobleem sprake is? Blijkbaar zijn er twee tegengestelde zienswijzen op de relatie tussen armoedebestrijding en werkgelegenheidsbeleid. Voor beide redeneringen valt wel iets te zeggen.
Het meest directe argument voor de opvatting dat bestrijding van werkloosheid en van armoede in elkaars verlengde liggen, is de constatering dat werkloosheid en armoede - op microniveau - nauw met elkaar verbonden zijn: werkenden zijn bijna nooit arm en het grootste deel van de armen heeft geen betaald werk. Dus door meer werklozen aan werk te helpen, wordt de armoede vanzelf kleiner. Een tweede argument luidt, dat dit ook in het voordeel is van degenen die werkloos blijven: Immers, naarmate meer mensen werken en minder mensen een uitkering ontvangen, is het economische draagvlak voor de verzorgingsstaat sterker en kan aan degenen die uitkeringsgerechtigd blijven een hogere uitkering worden geboden.
Voor de stelling dat werkloosheidsbestrijding ten koste gaat van meer (of diepere ) armoede kan worden verwezen naar de feitelijke ontwikkeling in het afgelopen decennium. In die periode is de werkgelegenheid sterk gegroeid, maar tegelijkertijd zijn ook de inkomensverschillen fors toegenomen en is het aantal armen gegroeid. Blijkbaar resulteert méér werk niet vanzelf in minder armoede.
Om uit te maken wie het gelijk aan zijn kant heeft moeten twee vragen worden beantwoord:
Inkomensongelijkheid en werkgelegenheid
De opvatting dat grotere inkomensverschillen goed zijn voor de werkgelegenheid vloeit voort uit de zogeheten neoklassieke economische theorie. Werkloosheid is in deze theorie het gevolg van een te hoge prijs van die soorten arbeid waar weinig vraag naar is. Vooral laag opgeleide arbeidskrachten zijn te duur, want de werkloosheid is onder deze categorie het hoogst. Hun loon zal dus moeten dalen om de werkloosheid te verminderen. Anders gezegd: de loonverschillen tussen laag en hoog opgeleiden moeten groter worden.
Echter, in de neoklassieke theorie is niet alleen de vraag naar arbeid (de werkgelegenheid), maar ook het arbeidsaanbod afhankelijk van de hoogte van het loon. De werkloosheid kan dus ook teruglopen doordat een deel van de laag opgeleide arbeidskrachten zich van de arbeidsmarkt terugtrekt, omdat werken (letterlijk!) niet meer voldoende loont.
Dit effect wordt in Nederland nog versterkt doordat het laagste loon - het minimumloon - nauwelijks hoger is dan het minimumuitkeringsniveau van een gezin. Een lager minimumloon zal dus al snel onder het niveau van de minimumuitkeringen komen te liggen. Dan verdwijnt voor werklozen de financiële prikkel om een baan tegen het nieuwe, verlaagde minimumloon te aanvaarden. Tegelijk met het minimumloon zal dus ook het uitkeringsniveau moeten worden verlaagd. De conclusie luidt dan dat, om de werkloosheid onder laag opgeleiden te bestrijden, zowel het minimumloon als de minimumuitkeringen moeten worden verlaagd.
Op de neoklassieke redenering valt het nodige af te dingen. Zo kan een lager loon gepaard gaan met een lagere productiviteit, waardoor werknemers niet werkelijk 'goedkoper' worden. Lagere lonen kunnen op macro-niveau bovendien tot 'vraaguitval' leiden, waardoor de afzet van bedrijven vermindert en daarmee tevens de werkgelegenheid wordt geremd.
Niettemin zal ik in dit artikel de neoklassieke redenering volgen en veronderstellen dat grotere inkomensverschillen inderdaad tot meer werk en minder werkloosheid leiden. De volgende vraag is dan, wat hiervan het effect is op de armoede.
Arm en arm is twee
Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet eerst duidelijk zijn wat met 'armoede' wordt bedoeld. Daarover valt veel te zeggen (er is een uitgebreide literatuur over de definitie en afbakening van armoede), maar ik wil mij in dit artikel tot twee interpretaties van armoede beperken. Beide betreffen een materieel armoedebegrip, dat wil zeggen dat armoede wordt beschouwd als een gebrek aan inkomen. Immateriële aspecten van armoede, zoals sociaal isolement en geringe maatschappelijke participatie, blijven buiten beschouwing. De twee interpretaties van armoede hebben betrekking op een relatieve en een absolute armoedegrens.
Relatieve armoede houdt in, dat je arm bent in vergelijking tot andere mensen. Een relatief armoedecriterium is bijvoorbeeld, dat iedereen als arm wordt beschouwd van wie het inkomen lager is dan de helft van het gemiddelde inkomen van de bevolking. Absolute armoede betekent, dat je niet genoeg inkomen hebt om een bepaald, gegeven consumptieniveau of levensstandaard te realiseren dat als minimaal wordt beschouwd: Dit niveau is onafhankelijk van het inkomen van anderen. Een absoluut armoedecriterium is bij voorbeeld, dat iedereen als arm wordt beschouwd van wie het reële inkomen (d. w.z. gecorrigeerd voor prijsstijgingen) lager is dan bv. fl 1.600 netto per maand in 1990 (dit is de z.g. lage-inkomensgrens die het CBS hanteert).
Op een bepaald, willekeurig moment kun je de relatieve en de absolute armoedegrens op ieder gewenst niveau 'prikken'. Hiervoor is geen objectief criterium voorhanden, het is simpelweg een afspraak. De relatieve en absolute armoedegrens kunnen, in de beginsituatie, dus aan elkaar gelijk worden gesteld. Zodra de omstandigheden veranderen, zullen beide armoedegrenzen echter meestal uiteen gaan lopen.
Bij de analyse van beleidsmaatregelen is het ook belangrijk om onderscheid te maken naar de termijn waarbinnen die effecten optreden. Zo zal het verschil tussen het gebruik van een relatieve en een absolute armoedegrens vooral aan de dag treden indien je de aandacht richt op de lange-termijneffecten van maatregelen. Hierna zal ik daarom onderscheid maken tussen:
Inkomensongelljkheid en armoede
Laten we aannemen dat op het begintijdstip zowel de relatieve als de absolute armoedegrens gelijk is aan het sociaal minimum, d.w.z. aan het minimumuitkeringsniveau krachtens de bijstandswet. Wat gebeurt er nu wanneer het (reële) minimumloon en het daaraan gekoppelde sociaal minimum worden verlaagd om de werkgelegenheid te stimuleren?
In eerste instantie (initieel) blijven zowel de relatieve als de absolute armoedegrens gelijk. Het nieuwe minimumuitkeringsniveau komt dus onder beide armoedegrenzen te liggen. De ontvangers van een minimumuitkering worden armer: eerst bevonden zij zich op de armoedegrens en nu eronder. Omdat de verlaging van de uitkeringen ruimte schept om de sociale lasten te verlagen, zullen de werkenden er juist in netto-inkomen op vooruitgaan. Alleen werkenden die het minimumloon verdienen zouden erop achteruitgaan en zelfs door de armoedegrens zakken indien hun loon automatisch wordt aangepast aan de verlaging van het wettelijk minimumloon.
Op korte termijn, zo veronderstel ik. zullen er dankzij de vergroting van de inkomensverschillen nieuwe, laag betaalde banen worden geschapen. Een deel van de niet-werkenden zal daardoor werk vinden. Voor de meeste nieuwe banen zal echter minder dan het oude minimumloon worden betaald - anders hadden ze immers ook in de oude situatie kunnen worden geschapen. Ook wie een dergelijke baan vindt zal zich nog onder de armoedegrens bevinden (al gaat men er wellicht op vooruit t.o.v. de verlaagde uitkering). Bovendien zou het loon van bestaande laag betaalde banen tot onder het oude minimumloonniveau kunnen dalen. De werkenden op die banen zullen derhalve ook onder de armoedegrens terecht komen. Alleen werklozen die een baan boven het oude minimumloonniveau vinden, zullen boven de armoedegrens uitklimmen. Maar dat zullen er waarschijnlijk niet veel zijn. Aangezien de groep die als gevolg van de vergroting van de inkomensverschillen onder de armoedegrens zakt veel groter is dan de groep die boven de armoedegrens weet uit te klimmen, zal op korte termijn de armoede - zowel volgens een relatief als volgens een absoluut criterium - toenemen.
Op langere termijn ligt de zaak gecompliceerder. Het zou namelijk kunnen dat de vergroting van inkomensverschillen tot extra economische groei leidt. Datkan het directe gevolg zijn van de creatie van extra laag betaalde banen, die immers extra productie opleveren. Dit is echter een eenmalig effect. Belangrijker zou het indirecte effect van de verlaging van de belastingen en premies kunnen zijn. Zowel de verlaging van de uitkeringen als de extra werkgelegenheidsgroei leveren een besparing op de sociale uitkeringen op, die ruimte biedt voor verlaging van de belasting- of premiedruk. Omdat je van een uur werken netto meer over houdt zou dit de werkenden tot grotere inspanningen prikkelen, hetgeen uiteindelijk tot een hogere nationale productie leidt.
Het staat echter niet zonder meer vast dat lagere lasten het arbeidsaanbod werkelijk stimuleren. Onderzoek duidt erop, dat het arbeidsaanbod van mannen niet of nauwelijks reageert op veranderingen in belastingtarieven. Gehuwde vrouwen lijken daarentegen wel vrij sterk op hogere belastingen te reageren.
Als lagere lasten daadwerkelijk tot een hogere economische groei zouden leiden, dan zouden uiteindelijk ook degenen die geen werk vinden daarvan kunnen profiteren. Extra economische groei schept immers ruimte voor verhoging van de sociale uitgaven. Nadat de uitkeringen eenmalig met een bepaald percentage zijn verlaagd, zoudt.'tl ze vervolgens dus in hetzelfde tempo kunnen groeien als de lonen. Als dit tempo hoger is dan zonder de verlaging van de uitkeringen het geval zou zijn geweest, zullen de uitkeringen na verloop van tijd vanzelf hoger worden dan ze anders zouden zijn geweest. Hanteren we een absolute armoedegrens, dan zal de armoede uiteindelijk dus kleiner worden. Bevordering van de werkgelegenheid via vergroting van de inkomensverschillen leidt dan op termijn inderdaad tot minder (absolute) armoede.
Wanneer we een relatieve armoedegrens hanteren valt het oordeel minder gunstig uit. Als het nationaal inkomen groeit, zal immers ook de relatieve armoedegrens stijgen. Als de uitkeringen door de eenmalige verlaging onder de armoedegrens zakken en vervolgens in hetzelfde tempo als de lonen stijgen, zullen ze steeds onder de relatieve armoedegrens blijven liggen. Hun achterstand op de lonen lopen ze immers niet meer in.
De feitelijke ontwikkeling in Nederland in de afgelopen 10 à 15 jaar bevestigt deze ontwikkeling in grote lijnen. Vanaf 1984, toen de uitkeringen eenmalig met drie procent werden verlaagd en vervolgens de koppeling jarenlang niet werd toegepast, namen de inkomensverschillen in Nederland fors toe. Tussen 1983 en 1995 steeg de ongelijkheid van de besteedbare huishoudensinkomens op basis van de zogenaamde Gini-coëfficiënt met 11 %. Terwijl de koopkracht van de 10% rijkste huishoudens tussen 1985 en 1996 met 11 % steeg, daalde de koopkracht van de 10% armste huishoudens met 2%.
Bovenstaande leidt tot een eerste conclusie. Vergroting van de inkomensverschillen, door het minimumloon en de minimumuitkeringen te verlagen en de lastendruk voor werkenden te verlichten, kan een positief effect hebben op de werkgelegenheid en de economische groei, al staat dit niet vast. Een dergelijk beleid zal op korte termijn vrijwel zeker tot grotere armoede leiden. Op langere termijn blijft de relatieve armoede groter dan ze zonder vergroting van de inkomensverschillen zou zijn geweest. Als dit beleid voldoende extra economische groei oplevert, hetgeen denkbaar is, dan zou de absolute armoede op termijn echter wel kleiner kunnen worden.
Basisinkomen, armoede en werkgelegenheid
Voor het hierboven besproken beleid van vergroting van de inkomensverschillen zijn tal van alternatieven denkbaar. Ik wil me in dit artikel echter beperken tot één alternatief, namelijk de invoering van een basisinkomen. Om een goede vergelijking mogelijk te maken, veronderstel ik dat de hoogte van dit basisinkomen gelijk is aan die van de minimumuitkeringen bij het boven geschetste beleid. Het verschil is, dat het basisinkomen onvoorwaardelijk aan iedere volwassene wordt uitgekeerd.
Initiële effecten van een basisinkomen
Ontvangers van een minimumuitkering zullen in eerste instantie weinig van de invoering van een basisinkomen merken: hun uitkering wordt eenvoudig omgezet in een basisinkomen. Werkenden zullen enerzijds een basisinkomen ontvangen, maar anderzijds meer belasting gaan betalen. Werkenden met een hoog loon gaan er per saldo op achteruit (voor hen weegt het hoge belastingtarief het zwaarst) en werkenden met een laag loon op vooruit (voor hen legt het basisinkomen meer gewicht in de schaal). Voor werkenden van wie het loon onder de armoedegrens ligt, zal het totale netto inkomen, inclusief het basisinkomen, vrijwel zeker boven de armoedegrens uitkomen. Het initiële effect van de invoering van een basisinkomen is derhalve een verkleining van de netto-inkomensverschillen tussen werkenden onderling. Als gevolg daarvan zal de armoede kleiner zijn dan bij een vergroting van de inkomensverschillen.
Aangezien ik heb verondersteld dat het basisinkomen zelf onder de armoedegrens ligt (het is immers gelijk aan de minimumuitkering bij het hierboven besproken beleid), staat het niettemin vast dat het initiële effect een grotere armoede is dan zonder verlaging van het minimumuitkeringsniveau het geval zou zijn geweest.
Gedragsreacties op korte termijn
Nu zal invoering van een basisinkomen al snel gedragsreacties oproepen die tot een andere uitkomst leiden:
Rekening houdend met individuele gedragsreacties levert een basisinkomen op korte termijn gunstiger effecten op de armoede op dan vergroting van de inkomensverschillen, doordat veel uitkeringsgerechtigden met relatief kleine bijverdiensten boven de armoedegrens uit kunnen komen.
Werkgelegenheidseffecten op korte termijn
Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zal een basisinkomen extra ruimte creëren voor laag betaalde, flexibele en deeltijdbanen.
Aan de ene kant zal het basisinkomen het effectieve arbeidsaanbod van uitkeringsgerechtigden voor banen aan de onderkant stimuleren, doordat dergelijk werk fmancieel aantrekkelijker wordt. In economische termen: voor de meeste uitkeringsgerechtigden (onder 65 jaar) is de effectieve marginale druk op een gulden extra inkomen rond de 100%. Na de invoering van een basisinkomen zal deze dalen tot het gemiddelde marginale belastingtarief, dat waarschijnlijk in de orde van grootte van 60% zal zijn. Een bijverdienste naast de uitkering levert nu dus veel eerder een fmancieel voordeel op.
Aan de andere kant biedt het basisinkomen de mogelijkheid om een aantal wettelijke belemmeringen voor het creëren van werk aan de onderkant weg te nemen. Zo kan het minimumloon worden afgeschaft omdat de functie van minimuminkomensgarantie wordt overgenomen door het basisinkomen. Vanwege de bescherming die het basisinkomen buiten de arbeidsmarkt om biedt, zou men eventueel ook kunnen overwegen om andere regels, zoals de ontslagbescherming en de regulering van flexibele contracten te versoepelen.
Al met al is het aannemelijk dat na de invoering van een basisinkomen aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer banen zullen ontstaan dan als gevolg van een verlaging van minimumuitkeringen en minimumloon. Wel zal het daarbij, zoals eerder opgemerkt, vaker om relatief kleine banen gaan.
Lastiger te voorspellen is het effect dat een basisinkomen op de werkgelegenheidsontwikkeling zal uitoefenen via de loonvorming. Vaak wordt verondersteld dat een hogere belastingdruk door werknemers wordt 'afgewenteld' op de werkgever, zodat de loonkosten stijgen. Echter, invoering van een basisinkomen zal vooral leiden tot een hogere marginale lastendruk (d.w.z. wat je moet afdragen over de 'laatste' gulden die je verdient). Een hoge marginale druk betekent, dat een stijging van het bruto inkomen met een gulden voor de werknemers minder oplevert dan wanneer deze gulden zou worden besteed aan een andere, onbelaste verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Daarbij valt te denken aan een verkorting van de arbeidstijd, verbetering van de pensioenregeling, verlof- of scholingsregelingen. Een stijging van de marginale lastendruk zal dus waarschijnlijk juist een matigend effect op de loonontwikkeling hebben (onderzoek van het Centraal Planbureau bevestigt dit). En dáárvan, zo wordt algemeen aangenomen, gaat weer een positief effect op de werkgelegenheid uit. Dit positieve werkgelegenheidseffect zou nog eens kunnen worden versterkt doordat een alternatieve aanwending van de beschikbare loonruimte in de vorm van arbeidstijdverkorting ofverloftegelingen kan bijdragen aan herverdeling van het werk.
Een tweede conclusie luidt, dat invoering van een basisinkomen tot gevolg heeft dat de marginale lastendruk op een gulden extra verdiend inkomen gelijkmatiger wordt gespreid. Aan de onderkant van de inkomensverdeling zal de effectieve marginale druk voor velen lager worden (echter niet voor personen zonder eigen inkomen), waardoor laag betaalde werkenden er in netto inkomen op vooruitgaan en het voor uitkeringsgerechtigden aantrekkelijker wordt een laagbetaalde baan te accepteren. Hogerop in de inkomensverdeling wordt de marginale druk groter, hetgeen een stimulans is voor een alternatieve aanwending van de beschikbare loonruimte, bv. in de vorm van arbeidstijdverkorting. De armoede wordt daardoor op korte tennijn kleiner, doordat de inkomensverschillen afnemen en doordat een deel van de uitkeringsgerechtigden extra (neven-)inkomsten zal verwerven. Verder is het aannemelijk dat een basisinkomen een gunstig effect heeft op de werkgelegenheidsontwikkeling, doordat aan de onderkant van de arbeidsmarkt meer ruimte ontstaat en het basisinkomen een stimulans vormt voor loonmatiging en herverdeling van werk. Vergeleken met een beleid van vergroting van inkomensverschillen zal een basisinkomen daardoor waarschijnlijk in een groter aantal werkenden resulteren.
Armoede- en werkgelegenheidseffecten op langere termijn
De gevolgen van een basisinkomen voor armoede en werkgelegenheid op langere termijn zijn het meest speculatief. Bovendien wordt op langere tennijn weer het onderscheid tussen een relatieve en een absolute armoedegrens van belang.
Over de gevolgen voor de relatieve armoede lijkt het gemakkelijkst overeenstemming te bereiken. Immers, veel voorstanders van een basisinkomen hopen, terwijl veel tegenstanders vrezen, dat een basisinkomen de inkomensverdeling in elkaar zal drukken. Zoals ik al aangaf is dat op korte termijn een gevolg van de hoge marginale belastingtarieven in combinatie met een vast basisinkomen. Op langere tennijn komt daar nog het effect bij, dat voor onaantrekkelijk laag betaalde werk waarschijnlijk onvoldoende arbeidskrachten zijn te vinden indien het werk niet aantrekkelijker wordt gemaakt of de beloning omhoog gaat. Er gaat van het basisinkomen dus een opwaartse druk op de lonen aan de onderkant uit. Naar alle waarschijnlijkheid zal de relatieve armoede dan afnemen. niet alleen in vergelijking met een beleid van vergroting van inkomensverschillen. maar ook in vergelijking met de huidige situatie.
Moeilijker is het om vast te stellen hoe de armoede in absolute zin zich zal ontwikkelen. Deze hangt mede afvan het effect van een basisinkomen op de economische groei. Als de relatieve armoede afneemt, maar de groei van het nationaal inkomen vertraagt, kan de absolute armoede toch groter zijn dan anders het geval was geweest. Dit zou met name het geval kunnen zijn als een basisinkomen remmend werkt op het investeringsniveau. Het gaat daarbij zowel om investeringen in fysieke kapitaalgoederen als in 'menselijk kapitaal' (scholing en opleiding).
De fysieke investeringen zouden negatief kunnen worden beïnvloed als de financieringslast van het basisinkomen voor een belangrijk deel terecht komt bij de werkgevers. Het rendement op kapitaal wordt dan lager, waardoor het minder aantrekkelijk wordt om te investeren. Of dit effect inderdaad zal optreden. is moeilijk vooraf te beoordelen.
Investeren in scholing wordt door een basisinkomen enerzijds minder aantrekkelijk, doordat een hoger bruto loon netto minder oplevert. Daar staat anderzijds tegenover dat scholing ook minder kost, doordat het inkomensverlies in de periode dat men de scholing volgt kleiner wordt. Het lijkt aannemelijk dat dit voordeel op korte tennijn voor veel (potentiële) studenten zwaarder weegt dan het nadeel op langere termijn. Een basisinkomen zou investeren in menselijk kapitaal dan juist stimuleren.
Op grond van het bovenstaande is er niet zoveel reden om te veronderstellen dat invoering van een basisinkomen een rem op het tempo van economische groei zal zetten. Als bovendien dankzij het basisinkomen de (relatieve) inkomensongelijkheid kleiner wordt, is het aannemelijk dat het aantal mensen onder een absolute annoedegrens kleiner zal zijn dan wanneer een beleid van grotere inkomensverschillen wordt gevolgd. Ook ten aanzien van de ontwikkeling van de werkgelegenheid is er niet veel reden om aan te nemen dat een basisinkomen op langere tennijn slechter scoort dan een beleid van vergroting van inkomensverschillen. Zelfs als de economische groei door een basisinkomen wordt vertraagd, hoeft dit nog niet tot minder werkgelegenheid te leiden, aangezien het aannemelijk is dat de productie dan arbeidsintensiever zal zijn.
De derde conclusie luidt, dat een basisinkomen op langere termijn, als een relatieve armoedegrens wordt gehanteerd, vrijwel zeker tot minder armoede leidt dan een beleid van grotere inkomensverschillen. Indien men van een absolute armoedegrens uitgaat is de uitkomst minder duidelijk, maar is er toch weinig reden om aan te nemen dat een basisinkomen slechter zal scoren dan bij vergroting van de inkomensverschillen. Ook het aantal werkenden zal op langere telmUn dankzij een basisinkomen waarschijnlijk groter zijn dan ten gevolge van het vergroten van inkomensverschillen, zelfs als de economische groei door een basisinkomen enigszins zou worden geremd.
Conclusie: is het basisinkomen een tweesnijdend zwaard?
Is het met een basisinkomen mogelijk om tegelijkertijd armoede en werkloosheid te bestrijden? Is het basisinkomen met andere woorden een tweesnijdend zwaard?
Als het gaat om het bestrijden van relatieve armoede scoort het basisinkomen zowel op korte als op langere termijn beter dan een beleid van vergroting van inkomensverschillen. Bij het gebruik van een absolute armoedegrens is de conclusie minder duidelijk. Op korte termijn heeft een basisinkomen dan weliswaar gunstiger effecten, maar op langere termijn staat dit niet vast, doordat een basisinkomen mogelijk een rem op de economische groei zou kunnen zetten.
Het werkgelegenheidseffect van een basisinkomen is op korte termijn ook gunstiger, al zullen wel veel van de nieuwe banen kleine banen zijn. Ook in dit geval is het resultaat op langere termijn minder zeker in verband met de onzekerheid over de economische groei. Maar zelfs bij een lagere groei zou het aantal werkzame personen bij een basisinkomen groter kunnen zijn, doordat de groei arbeidsintensiever en de gemiddelde arbeidsduur korter is.
Op de meeste punten komt een basisinkomen dus als overwinnaar uit de strijd. Maar daarmee kan het basisinkomen nog niet tot kampioen worden uitgeroepen. Er zijn immers nog andere kandidaten in de strijd. Een optie die de laatste tijd veel aandacht krijgt is het verlagen van de lasten aan de onderkant, zowel voor werkgevers (om laag betaalde arbeid goedkoper te maken) als voor werknemers (om een laag betaalde baan meer lonend te maken ten opzichte van een uitkering).
Een basisinkomen dat (voor sommigen) lager is dan het huidige minimum uitkeringsniveau, leidt op korte termijn tot meer armoede, doordat niet iedere uitkeringsgerechtigde onmiddelijk een bijverdienste kan vinden. Op dit punt lijkt een lastenverlichting aan de onderkant gunstiger resultaten af te werpen. Of dit op langere termijn ook het geval is, staat nog te bezien. Pas als ook deze strijd in het voordeel van het basisinkomen is beslecht, kan het basisinkomen werkelijk tot overwinnaar worden uitgeroepen.
Het seminar van 23 januari 1998
Paul de Beer zette met zijn lezing de toon. Kees Tamboer was gevraagd om bij te dragen aan een zinvolle dialoog tussen voorstanders van het basisinkomen (BI) en zij die er niet in geloven. Met deze opponent heeft de vereniging niet de minste in huis gehaald; Kees Tamboer is co-auteur van het boek 'De verwording van de Economie', was werkzaam voor de Haagse Courant en is tegenwoordig journalist van Amsterdamse dagblad"Het Parool".
Paul de Beer opende het seminar met de constatering dat voor- en tegenstanders van het BI vaak een verschillende taal spreken. Voorstanders beroepen zich op rechtvaardigheid, gelijkheid en een hele reeks van ideologisch getinte argumenten; tegenstanders van het BI gebruiken economisch-rationele argumenten om hun positie te staven; daarmee eindigt vaak de discussie in een wederzijds onbegrip. Paul de Beer, econoom van huis uit neemt zich voor met dit pleidooi op het voetbalveld te blijven; 'de economie' ; daar waar de argumenten van de tegenstanders van het BI het meeste hout lijken te snijden.
Hoewel het tot op zekere hoogte koffiedikkijken blijft, wanneer we willen voorspellen hoe economische verhoudingen zich zullen ontwikkelen op lange termijn hebben wij dit toch nodig om het basisinkomen langs de meetlat te leggen samen met de meer traditionele opvattingen over bestrijding van werkloosheid en armoede. Hoe scoren beide modellen op het gebied van werkgelegenheid, de verdeling van werkgelegenheid, de welvaart van een land in zijn geheel en de verdeling van welvaart (armoedebestrijding) ; dit alles op de korte, middenlange en lange termijn? Een excercitie en een pleidooi voor het BI.
Kees Tamboer krijgt het woord. In 1974 schreef hij een lang stuk over werkloosheid en het opportunisme van hen met wie het goed gaat. De doelstellingen van het BI zijn hem dan ook sympathiek; armoedebestrijding en het creëren van werkgelegenheid zijn zaken die al te makkelijk aan elkaar worden geschreven. Het poldermodel heeft furore gemaakt en het amerikaanse model (nco-klassiek) heeft zijn aantrekkingskracht verloren; toch zoek ook hij een derde-weg naar een effectieve verdeling van geld en middelen.
Zijn eerste opmerkingen raken de armoede bestrijding: een basisinkomen van 1000 gulden veroorzaakt in eerste instantie een achteruitgang van hen die wij nou juist willen ontzien. Ook op lange termijn lijkt de absolute annoede in een samenleving niet af te nemen; een basisinkomen op het sociaalminimum dat de loonontwikkeling niet volgt zet ook hen op een achterstand die om de een of andere reden niet in staat zijn een bijbaantje te vinden: dat aantrekkelijke bijbaanûe die tot een bredere arbeidsparticipatie zou leiden en velen boven de armoedegrens zou uit tillen.
Als ook de absolute armoede niet afheemt en het daaraan gekoppelde bestedingspatroon achterblijft heeft dit effect op de gehele economie; een klassieke theorie die wat hem betreft ten onrechte naar de schroothoop van de geschiedenis is gewezen. Daar komt nog bij dat bij een teruglopende economie het BI verlaagd zou kunnen worden en daarmee is zij dan verworden tot een doekje voor het bloeden.
Andere maatregelen zouden effectiever zijn; verlaging van de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt, heffmgskortingen en het veiligstellen van de uitkeringen worden genoemd. Duidelijk werd dat er vele struikelblokken te nemen zijn en dat met de invoering van het BI niet een ht:meJ op aarde wordt gecreeerd.
Uit de zaal kwam nog kritiek over de gehanteerde economische modellen zonder dat daar een duidelijk alternatief voor gegeven werd.
Mededelingen
Het volgende seminar zal zijn op vrijdag 6 maart 1998, 15.00-17.00 uur. Plaats: Ronde Zaal, Oudezijds Achterburgwal237, 1012 DL Amsterdam.
Loek Groot zal een referaat houden over 'duurzame financiering van een basisinkomen' .