NIEUWSBRIEF
24
juni 1998
Nieuwbrief
van de Vereniging Basisinkomen
Nummer
24, ,juni 1998
ISSN:
09243038
Mededelingen
van de Vereniging Basisinkomen
-
Bestuurswisseling
-
Adreswijziging
-
Vereniging Basisinkomen en Nieuwsbrief op Internet
-
Financiële basis te smal
-
Contributies 1999
-
Huisvesting
Pieter
Kooistra overleden
De
verkiezingen: hoe nu verder?
Sollicitatieplicht
voor de rechter
Verslag
seminar financiering basisinkomen
Privatisering
sociale zekerheid
MEDEDELINGEN
VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN
Op de
algemene ledenvergadering van 16 mei jl. is Saar Boerlage afgetreden als
voorzitter van de Vereniging Basisinkomen. Saar is ruim 4 jaar voorzitter
geweest van de vereniging. Tijdens haar voorzitterschap heeft zij een
belangrijke bijdrage geleverd aan de discussie over de toekomst van de sociale
zekerheid en de mogelijkheden om een basisinkomen in te voeren in Nederland.
Een van de belangrijke evenementen tijdens haar voorzitterschap was het
2-daagse congres dat op 23 en 24 februari 1996 plaatsvond in Noordwijk.
lneke
van Dijk is voorgedragen en gekozen als nieuwe voorzitter van de Vereniging
Basisinkomen. Gosling Putto is herkozen als secretaris. Rob Steinbuch is
herkozen als penningmeester.
Ons
nieuwe e-mailadres is : basic.income@wxs.nl
Onze
nieuwe Website : http://home.wxs.nl/schafer/
Voortaan
kan iedereen die toegang heeft tot het internet de nieuwsbrieven ook op het
internet lezen en zelf uitprinten. Wij willen al onze leden die geen
nieuwsbrieven meer per post willen ontvangen verzoeken dat aan ons door te
geven. Dat scheelt porto en verzendkosten maar ook overbodig werk voor de
drukkerij, op ons kantoor en bij de posterijen. Uiteraard blijven wij de
nieuwsbrieven toesturen aan iedereen die dat wil.
De
Vereniging heeft dringend behoefte aan meer geld en aan meer, liefst actieve,
leden. Uit het financiële jaarverslag van 1997 blijkt dat de erfenis, die de
Vereniging Basisinkomen bij haar oprichting van de Werkgroep Basisinkomen heeft
gekregen, opgesoupeerd is. We worden geconfronteerd met de volgende problemen:
1) De
mogelijkheid om gratis gebruik te maken van het kantoor aan de Herman Heijermansweg
20 in Amsterdam eindigt vermoedelijk op 1 januari 1999 aangezien de FNV het
gebouw verkocht heeft. We moeten dus een ander kantoor vinden, maar dat kan
geld gaan kosten.
2) De
inkomsten zijn al enkele jaren lager dan de uitgaven. Dat kon omdat er een
erfenis was van de Werkgroep Basisinkomen. Inmiddels is er op deze erfenis
ingeteerd en heeft de Vereniging een negatief vermogen. Het tekort over 1997
bedroeg in totaal f. 7.292,-.
De
beste manier om de inkomsten te vergroten is het werven van meer leden. Wil de
Vereniging haar werk kunnen blijven doen dan is er een bredere basis nodig.
Daarom willen wij iedereen die dit leest oproepen voor dit jaar een extra
bijdrage over te maken. Degenen die nog niet betaald heboen (tot nu toe heeft
65% van de leden wel betaald) worden dringend opgeroepen alsnog de contributie
over te maken plus eventuele achterstallige contributies.
Verder
willen wij iedereen oproepen om mensen in uw omgeving lid te maken. In de
praktijk kent iedereen wel mensen die ook vinden dat een basisinkomen een goed
idee is dat in een moderne samenleving past. Praat erover en haal die mensen
over om ook lid te worden!
Wij
zijn ook nog steeds op zoek naar actieve leden en naar mensen die ideeën hebben
over hoe de Vereniging aan meer leden en publiciteit kan komen.
Het
laatste plan tenslotte is om de contributies te verhogen. Dat is een stap die
wij niet graag zetten maar helaas, de huidige omstandigheden dwingen ons ertoe.
De
ledenvergadering heeft in het licht van de structurele financiële problcmen de
contributie voor 1999 vastgesteld op f 50,- per jaar. Voor leden die dat niet
kunnen betalen is de contributie vastgesteld op f 15,-.
Het
kantoor van de Vereniging Basisinkomen aan de Herman Heijermansweg zal daar weg
moeten na de verhuizing van de Voedingsbond FNV. Helaas kunnen wij er niet van
uitgaan dat we mee kunnen verhuizen. Daarom zijn wij op zoek naar een nieuwe
kantoorruimte in Amsterdam. Het is de bedoeling dat een nieuwe kantoorruimte
gezien de financiële situatie waarin de vereniging verkeert zo goedkoop
mogelijk is. We denken aan een ruimte van ongeveer 15 vierkante meter. Wie iets
weet gelieve contact op te nemen met Saar Boerlage, Ineke van Dijk of Emiel
Schäfer (020-5731803, fax: 020-6713541).
Geheel
onverwacht overleed op 5 mei 1998 de kunstenaar Pieter Kooistra.
Pieter
Kooistra was oprichter van de Stichting UNO-Inkomen Voor Alle Mensen die
ijverde voor een basisinkomen op wereldniveau. Een extra wereldeconomie, geïnitieerd,
beheerd en gefinancierd door de Verenigde Naties, zou volgens hem een
gelijkwaardig basisinkomen voor alle mensen kunnen realiseren.
Waar
Pieter Kooistra oplossingen zocht door het creëren van een extra wereldeconomie
ter fmanciering van een basisinkomen, zoekt de Vereniging Basisinkomen de
oplossing in hervormingen van het belastingstelsel en de sociale zekerheid.
Tijdens ontmoetingen vonden we dat onze idealen elkaar beslist niet in de weg
stonden, maar juist goed naast elkaar konden bestaan.
Kooistra’s
sociaal creatieve belangstelling leidde er na 1955 toe, dat er een bloeiend
netwerk van kunstuitleendiensten ontstond. In zijn boek "Het ideale
eigenbelang" trachtte hij zoveel mogelijk facetten van economie,
zelfontplooiing en zelfbeperking naar nieuwe harmonieuzere levensinzichten te
integreren. Daarmee toonde hij dat hij zijn idealen bestuurlijk,
organisatorisch en economisch goed wilde onderbouwen. Hij was van mening dat
ieder, die gelooft dat de huidige economie onze redding is, een utopist genoemd
moet worden.
We
zullen zijn creatieve initiatieven missen.
DE
VERKIEZINGEN: HOE NU VERDER?
Kort
overzicht van een mondelinge bijdrage gegeven door Saar Boerlage op de
jaarvergadering van de Vereniging Basisinkomen dd 16 mei 1998.
De uitkomst
van het overleg in "Den Haag" schat ik (op 7 mei) als volgt in: er
komt een Paars II-regering. Dus een voortzetting van het gevoerde beleid
(poldermodel) met slechts marginale aanpassingen. Zelfs "het
belastingstelsel van de volgende eeuw" geeft weinig openingen naar een
ander beleid. De verkiezingsprogramma's en verkiezingsslogans van
"paars" illustreren de tevredenheid met het poldermodel:
P.v.d.A.: "Sterk en sociaal."
Bij een voortdurende gunstige economie wil men aandacht geven aan positieverbetering
van de zwakkeren. Voorts handhaving van het huidige sociale-zekerheids- en
belastingsysteem, zij het met aanpassingen. Gestreefd wordt naar het tegengaan
van onevenredige verrijking, de hypotheekrenteaftrek blijft.
D'66: Weinig afwijkend van de P.v.d.A.
Wat meer aandacht voor "zorg en onderwijs", maar ook daar geen aanzet
tot grote wijzigingen van beleid.
VVD: Meer privatisering,
stimulering bedrijfsleven, maar op het gebied van sociale zaken of belastingen
is het verschil niet groot. Hogere inkomens krijgen meer lastenverlichting,
maar ook Kok wil de middengroepen (met een inkomen van maximaal een ton per
jaar) sparen.
Er is
bij de regeringspartijen weinig animo voor het invoeren van (of het
discussiëren over) een basisinkomen. Vooral de heren Melkert en Kok zijn
daarvoor niet te porren. Men is tevreden over de economische situatie, en men
hoopt werkloosheid, armoede en verrijking door reparatiewetgeving, aanvullend
beleid en door mee te liften met de economische groei te bestrijden. De heer
Kok verschuilt zich verder achter de concurrentiepositie van Nederland ten
opzichte van onze buurlanden. Een basisinkomen kan alleen indien de andere EU
landen meedoen. Dat is een recept voor uitstel hoewel de vereniging uiteraard
geen bezwaren heeft tegen invoeren van een basisinkomen in Europa. Nederland
zou een voortrekkersrol kunnen spelen.
Enige
onrust is er wel. Voor de milieuproblematiek wil men komen tot een "groen
poldermodel" (overleg met de milieubeweging in al haar facetten). Voorts
is er het voorstel van Karin Adelmund om te komen tot een sociaal contract
tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, met de overheid in een
bemiddelende rol. Dit sociaal contract gaat over het beleid t.a.v. de
pensioenregeling van flexwerkers, het zorgverlof en de organisatie van de
sociale zekerheid van werknemers. Er is ook bij kerken, gemeentebestuurders,
uitkeringsgerechtigden-organisaties etc.onrust over armoede, werkloosheid e.d.
Gezien de negatieve houding van de huidige (en waarschijnlijk ook toekomstige)
bewindvoerders is een voorzichtige aanpak vanuit onze invalshoek geboden.
Aansluitend
op hetgeen er voorgesteld is (door Kok) om te komen tot een milieuoverleg
zouden wij kunnen streven naar een vergelijkbaar sociaal poldermodel. Na enig
nadenken is dat door een kleine groep "DE NIEUWE FUNDERNG" genoemd.
Uiteraard
is onze inbreng in dit nastrevenswaardige denktank-model gericht op het
invoeren van een basisinkomen. Maar het vertrekpunt van de diverse deelnemers
zal verschillend zijn.
Over
een aantal onvolkomenheden is, zo bleek o.m. op de sociale conferenties, grote
overeenstemming:
1.
Uitkeringsgerechtigden hebben bij aanvaarding van een parttime-baan veelal geen
(of nauwelijks) financieel voordeel. Als men wel zou mogen
"bijverdienen" denkt men dat zoiets resulteert in een voor politici
onacceptabele situatie. Aan een benzinepomp zou werknemer A (een
uitkeringsgerechtigde met een deeltijdbaan) evenveel verdienen als werknemer B
(met een gewone CAO-baan en een 36-urige werkweek). Tot nu toe moet de politiek
in deze situatie kiezen uit twee kwaden: of men accepteert de ongelijkheid op
de werkvloer, waarbij werknemer B voor hetzelfde loon langer moet werken dan
werknemer A, of men kiest voor het voortduren van de perspectiefloze situatie
van de uitkeringsgerechtigde. De politiek kiest tot nu toe nog steeds voor dat
laatste.
2. Het
algemeen verhogen van de uitkering is in ons systeem niet mogelijk/wenselijk
omdat dan het verschil tussen het inkomen van de minimumloner en die van een
uitkeringsgerechtigde verdwijnt. Verhoging van de uitkeringen zou dan tot een
extra loonronde leiden.
3. Het
individu is (noodgedwongen) minder dan voorheen ingesteld op een vaste baan bij
een baas of in een beperkt aantal bedrijven. Ook andere aspecten van het leven
zoals zelfbeschikking, vrijheid en afwisseling krijgen meer de nadruk. De
huidige regelgeving loopt achter bij deze ontwikkelingen. Op het gebied van
deeltijdwerk, tijdelijk werk, zorgverlof, zwangerschapsverlof, studie, verlofjaren
(sabbatical leave) bestaan nog tal van knelpunten.
Problemen
in het belastingstelsel zijn:
1. Een
wijziging in de hypotheekrente-aftrek is in de verkiezingsstrijd afgebrand. Een
uitweg om alsnog deze ongewenste aftrek af te schaffen zou gevonden kunnen
worden in een compensatie (vereveningsbeleid).
2. De
verrijking van individuen via opties en beleggingsactiviteiten ondermijnt de
solidariteit die het poldermodel behoeft. Een solidariteitsheffing op
vermogensaanwaswinst zal nodig zijn, maar het rijk kan de opbrengst, omdat deze
jaarlijks sterk kan fluctueren, slechts voorzichtig inboeken.
Een
vergelijking met de milieuheffingen is zinvol. Beide heffingen hebben een doel,
dat niet in de eerste plaats op financiële opbrengst is gericht. Bij
milieuheffingen is dat gedragsverandering en bij de solidariteitsheffing gaat
het om grondslagverbreding voor de sociale zekerheid.
Natuurlijk
is het denkbaar, dat bovenstaande problemen zonder het invoeren van een
basisinkomen kunnen worden bestreden. Maar een BI van pakweg f 1000.- per maand
is haalbaar, en biedt voor driekwart van de uitkeringsgerechtigden (n.l. voor
diegenen die naast een BI een (parttime) baan kunnen nemen) perspectief. Andere
oplossingen zijn m.i. te marginaal, te betuttelend en te weinig structureel. De
eerste drie dilemma's zullen bij het invoeren van een BI grotendeels
verdwijnen. Verder kan men via negatieve inkomstenbelasting de
hypotheekrente-aftrek verrekenen. De opbrengst van punt 2 kan een onderdeel
zijn van de financiering van het basisinkomen.
(Overgenomen
uit ZOZ - 25 - mei/juni 1998)
Op 13
mei behandelde de bestuursrechter in Den Bosch de bodemprocedure die Marta
Resink aanspande tegen de gemeente Sint-Michielsgestel. Inzet: de
sollicitatieplicht.
Door
Martha Resink
Het is
inmiddels vijftien maanden geleden dat ik de gemeente Sint-Michielsgestel voor
de rechter daagde, wegens onrechtmatige stopzetting van mijn
bijstandsuitkering. De bestuursrechter zag toen geen aanleiding om een
'voorlopige voorziening' te treffen. De gemeente had naar zijn voorlopig (!)
oordeel niet onwettig gehandeld en hij achtte geen dringende redenen aanwezig
om mijn uitkering te herstellen. Ik had het behouden van mijn uitkering immers
zelf in de hand, door te gaan solliciteren. De rechter drong er bij de gemeente
op aan dat er een 'open gesprek' met mij moest komen om uit de impasse te
raken. Tenslotte gaf hij nog in overweging om voor Omslag alsnog een artikel
144-experiment aan te vragen (werken met behoud van uitkering, zonder
sollicitatieplicht).
Die
laatste aanbeveling bleek zinloos: de termijn voor het indienen van aanvragen
was al verstreken op het moment van de uitspraak. Het gesprek met de gemeente
is er wel gekomen. Resultaat: zes weken vrijstelling van sollicitatieplicht (om
voor Omslag subsidies aan te vragen) en vervolgens:... opnieuw drie maanden
geen uitkering, omdat ik zo brutaal was te stellen, dat ik niet zou
soIliciteren op banen die tegen mijn geweten of levensovertuiging indruisen.
Uiteindelijk werden mijn bezwaren tegen de tweede stopzetting gegrond
verklaard, omdat ik kon aantonen dat ik vanaf 1 april 1997 aan het solliciteren
was. Sollicitaties die tot op de dag van vandaag tot keurige afwijzingen leiden.
Maar: ik voldoe formeel aan mijn wettelijke verplichtng. Ik speel mee zolang
mij geen andere weg wordt geboden. Vrijstelling van de sollicitatieplicht
bijvoorbeeld.
Dat er
volop andere wegen zijn, is het afgelopen jaar alleen maar duidelijker
geworden. Meest in het oog springend is het beleid van de gemeente Utrecht, dat
inmiddels formeel door het ministerie van Sociale Zaken is gefiatteerd. Utrecht
gaat ervan uit dat voor een - weliswaar kleine - groep actieve baanlozen het
opleggen van de sollicitatieplicht geen enkele zin heeft. Die worden dan ook
vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Ook minstens 162 andere Nederlandse
gemeenten zijn een andere weg ingeslagen. Zij vroegen en kregen toestemming van
Sociale Zaken om te experimenteren met ander beleid, variërend van een premie
op de uitkering voor onbetaald actieven, tot (in de meeste gevallen) het
verlenen van vrijstelling van de sollicitatieplicht. Daarnaast is er in het
hele land sprake van informeel gedoogbeleid.
Uiteraard
grijp ik deze rechtszaak opnieuw aan om de landelijke publiciteit te zoeken, om
op die manier aandacht te vragen voor werkelijke oplossingen van het
werkloosheidsprobleem. Het heeft geen enkele zin om actieve mensen tegen hun
zin te pushen naar betaald werk; de sollicitatieplicht moet daarom worden
afgeschaft. Mensen die graag betaald willen werken doen daar echt hun best wel
voor. Het maatschappelijke en politieke debat zal veel meer moeten gaan over de
vraag: Wat is zinvol werk en wie bepaalt dat? Het begrip 'werk' zal een nieuwe
inhoud moeten krijgen. Nog steeds wordt met 'werk' alleen betaald werk bedoeld.
Onbetaald werk heeft een lage (financiële) status en wordt daardoor minder
serieus genomen. Terwijl onze samenleving daar voor een belangrijk deel op
draait. Maatschappelijke opwaardering van onbetaald werk, in combinatie met een
drastische verkorting van de werkweek en vrijheid van arbeidskeuze voor
iedereen, biedt werkelijke perspectieven voor ander beleid.
In het
jaar waarin we vijftig jaar Rechten van de Mens vieren en de Nederlandse
grondwet 150 jaar bestaat zal ik mij opnieuw beroepen op enkele artikelen uit
die documenten, bijvoorbeeld: het recht op zinvol werk, recht op
zelfbeschikking, vrijheid van geweten en van meningsuiting en het recht op
sociale zekerheid. Wanneer het wettelijk mogelijk blijkt mensen tegen hun wil,
en op straffe van onthouding van elke vorm van inkomen, te dwingen tot het
verrichten van iedere willekeurige vorm van werk, dan wordt het tijd om grote
vraagtekens te zetten bij de waarde van zulke verdragen. Uitspraak volgt rond
24 juni (red.).
VERSLAG
SEMINAR DUURZAME FINANCIERING
Op het
seminar duurzame financiering kwamen een aantal zaken voor het voetlicht: de
belastingfilosofie in Den Haag, een heffing toegevoegde waarde als grondslag
voor de sociale zekerheid en de milieuproblematiek versus het basisinkomen.
Guido
den Broeder opende het seminar door erop te wijzen dat ‘belastingkorting’
mogelijkheden biedt voor een beperkt basisinkomen.
In Den
Haag liggen op dit moment drie belastingvoorstellen op tafel. Deze drie
modellen variëren tussen meer of minder nivelleren tussen verschillende
inkomensgroepen. Om dit heikele thema in deze kabinetsperiode te vermijden is
een keuze tussen deze drie vooruitgeschoven naar de volgende kabinetsperiode.
Voor het basisinkomen is het tweede model het meest interessant. In dit model
wordt de belastingvrije som (vooral gunstig voor de hogere inkomens) vervangen
door een belastingkorting. Andere voorstellen betreffen: het afschaften van
aftrekposten, de wijze waarop belasting geheven wordt (verschuiving van directe
naar indirecte belastingen) en inkomsten uit vermogen, zoals rente, worden
afzonderlijk belast. Het verschuiven van directe belastingen zoals
loonbelastingen naar indirecte belastingen zoals B.T.W. is voor het
basisinkomen eveneens van belang.
De
'tax credit' of belastingkorting houdt in dat de belastingdienst de eerste 250
gulden (per maand) die uit een inkomen worden geheven niet int. Dit komt in de
plaats van de huidige belastingvrije som, waar iemand met een hoog inkomen
extra voordeel van heeft. Volgens het voorstel betaalt de belastingdienst de
eerste 250 gulden terug maar kapt dit bedrag naar beneden af; dit betekent dat
als er helemaal geen belasting betaald is (iemand heeft dus geen eigen inkomen
uit arbeid) de belastingdienst dit niet genoten krediet niet als een 'negatieve
belasting' op rekening van de burger stort: wordt dit wel gedaan dan is er een
klein bi gecreëerd. Voor de sociale diensten (een fraude-gevoelig en overbelast
uitkeringsorgaan) zou dit gunstig zijn., een deel van de sociale zekerheid
wordt dan overgeheveld en komt op schouders van de belastingdienst in een
minder fraudegevoelige vorm.
Er
zijn ook plannen om de vorm waarin de belastingen worden geheven te veranderen
of te verschuiven van directe naar indirecte heffingen. Economen en
belastingfilosofen doen anno 1998 nieuwe onderzoeken en halen oude onderzoeken
uit de kast die vroeger ui t de gratie waren. In zijn referaat illustreert
Guido hoever dit kan gaan ; in mei 1989 gaat een onderzoek onder de titel
"Alternatieve heffingsgrondslag voor de Sociale Zekerheid: micro-, meso-
en macro-economische effecten", uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van
Sociale Zaken in bijna zijn gehele oplage de papierversnipperaar in. Het
onderzoek bestaat niet meer en tegen derden wordt verteld dat de oplage is
uitverkocht. Het instituut dat dit onderzoek uitvoerde, het Nederlands
Economisch Instituut (N.E.I.) te Rotterdam zowel als de Stichting Economisch
Onderzoek Universiteit van Amsterdam, dat een parallel onderzoek deed, kregen
geen opdrachten meer van de Commisie Onderzoek Sociale Zekerheid. De
onderzoekers en de onderzoeksuitkomsten zijn 'non grata' verklaard.
Wat is
het voordeel van indirecte belastingen of andere vormen van belastingen en wat
heeft dit met een BI te maken?
Directe
belastingen drukken direct op productiefactoren. Als een productiefactor
zwaarder is belast dan een ander zal dit een verschuiving bewerkstelligen
tussen de productiefactoren. Een hoge belasting op menselijke arbeid tegenover
een lage belasting op machinale arbeid geeft deze laatste een voorsprong en zal
zorgen dat deze meer gebruikt gaat worden. Indirecte belastingen drukken op het
eindproduct. De 'belasting toegevoegde waarde' (BTW) is hier een voorbeeld van;
zij drukt niet op een productiefactor maar op alle productiefactoren
gezamenlijk die nodig zijn geweest om te komen tot het eindproduct. Andere
vormen van indirecte belastingen zijn heffingen die liggen op gebruik of
verbruik van bepaalde artikelen zoals benzine, wegen, alcoholische dranken etc.
en sinds een aantal jaren is daar de milieubelasting aan toegevoegd
Bekend
is dat een volledig BI duurder is dan het huidige sociale stelsel, met andere
woorden: er moet meer geld worden ingenomen c.q. worden herverdeeld. Hoeveel
meer is niet bekend omdat volgens Guido den Broeder de hoogte van een BI niet
geheel vrij kan worden gekozen maar afhankelijk is van de markt: een te hoog
basisinkomen dat te weinig werkzoekenden op de arbeidsmarkt achterlaat zal
werkgevers er toe nopen de lonen te verhogen waardoor de koopkracht van het BI
(door prijsstijgingen) navenant zal verminderen totdat er opnieuw genoeg mensen
de arbeidsmarkt betreden. Het nationaal inkomen of het nationaal product wordt
immers niet zomaar hoger. Dus: hoeveel hoger de lonen. zoveel minder blijft er
over om te verdelen via een BI en vice versa.
Guido
den Broeder heeft voor de herverdeling een nieuwe vorm van belasting voor ogen:
de Heffing Toegevoegde Waarde (HTW). Deze belasting zal binnen het huidige
stelsel nieuw zijn maar lijkt veel op de; huidige BTW. Een essentieel verschil
is echter dat HTW ook op de export wordt geheven. Een groot voordeel van HTW is
dat zij de productiefactor arbeid niet benadeelt en daarom een gunstige
uitwerking heeft op de arbeidsmarkt. De concurrentiepositie wordt niet verzwakt
omdat een opgelegde HTW wordt gecompenseerd door verlaging van directe
belastingen, bijvoorbeeld loonbelasting of door verlaging van de netto lonen
als het BI wordt ingevoerd. In 1985 is dit concept voorgelegd aan de Europese
Commissie. Dit orgaan binnen de EEG dat sturend optreedt in de economische
verhoudingen heeft bepaald dat HTW niet concurrentievervalsend werkt en derhalve
mag worden ingevoerd.
Is de
HTW een vorm van belasting die uitgaat van een "neutrale
heffingsgrondslag" (zij belast alle productiefactoren even zwaar), Paul
Metz, co-referent op dit seminar, pleit ervoor om nog een stap verder te
zetten.
Een
oud liberaal en sociaal-democratisch uitgangspunt is dat alle mensen op de
wereld vrij en gelijk zijn geboren en dat daarom de vrijheid van een ieder
ophoudt daar waar zij de vrijheid van een ander inperkt. Het gebruikersrecht en
de vruchtopbrengst van het milieu komt daarom gelijkelijk toe aan alle
inwoners. Een ander aspect dat Paul Metz in zijn referaat voor het voetlicht
brengt zijn zijn bevindingen in Brussel; daar speelt de conservatieve lobby het
politieke spel zonder een tegenkandidaat, oftewel het progressief blok is
versplinterd en onbetekenend.
Altijd
een belangrijk criterium in de uitvoerbaarheid van belastinggrondslagen is de
mobiliteit geweest, met andere woorden de bron waarover je de belasting gaat
heffen mag niet weg vluchten naar een belastingparadijs. Dit was altijd een van
de redenen dat arbeid hoog scoorde bij de belastingheffers. In een tijd van
globalisering is de arbeid een minder statisch gegeven dan zij van oudsher
altijd is geweest. Arbeid - niet de arbeider zelf, maar wel zijn baan - kan makkelijk
wegvluchten naar lage-lonen-landen. De factor kapitaal wordt als zeer mobiel
beschouwd, terwijl het milieugebruik nogal plaatsgebonden is, afgezien van de
verplaatsing van de effecten. Naast het genereren van inkomsten voor de
overheid zijn de belastingen een regulerend instrument. De belastinggrondslag
moet daarom voortdurend worden aangepast aan de maatschappelijke
ontwikkelingen. Dit kan goed helpen het prijsmechanisme beter te laten werken:
de belastingen moeten bij voorkeur worden geheven op ongewenste activiteiten,
die om een of andere reden niet eenvoudig kunnen worden verboden. De meeste
accijnzen doen dat en ook het milieugebruik kan geremd worden door het duurder
te maken, bijvoorbeeld met een ecotax die de externe kosten dekt. Betaalde arbeid
is juist gewenst en zou niet moeten worden belast, zeker zolang er onvoldoende
beschikbaar is. In de HTW wordt er nog steeds belasting geheven over de factor
arbeid terwijl 'waarde toevoegen' maatschappelijk zeer wenselijk is en niet
moet worden gestraft.
Deze
ecotax kan vervolgens worden gekoppeld aan een basisinkomen; de opbrengst van
deze belasting is immers een directe afgeleide van de vruchtopbrengst van een
gemeenschappelijk bezit: het milieu! Deze koppeling is niet geheel onomstreden.
Robert van der Veen stelde dat het model basisinkomen als instrument voor
evenredige verdeling van welvaart voor velen niet vanzelfsprekend is.
Ecotax
kan naast C02-uitstoot ook ruimte- of grondgebruik duurder maken. Deze
heffingsgrondslag is niet mobiel en kan worden gebaseerd op milieukundige
criteria als de mate van verstoring van de kringlopen van water en koolstof Er
is bijvoorbeeld een nultarief denkbaar voor tuinen en parken dat oploopt via
bebouwing voor huizen en kantoren naar hogere tarieven voor het meest vervuilende
of riskante grondgebruik voor startbanen, wegen en industrieterreinen. Naast
enkele tariefniveaus is een negatief tarief denkbaar voor natuur, bossen,
parken, begroeide daken, vijvers enzovoort. Op deze wijze wordt het
marktmechanisme in de ruimtelijke ordening versterkt en stuurt dit in een
gewenste richting, zoals compact en ondergronds bouwen. Babylonische tuinen
openen zich voor je geestesoog.
In
Brussel gaan beleidsmakers meestal niet over een nacht ijs. Een ander aspect
dat Paul Metz in zijn referaat voor het voetlicht brengt zijn enkele
bevindingen in Brussel: daar speelt de lobby van de grote multinationale
bedrijven - de European Round Table of Industrialists - het politieke spel in
feite zonder serieuze tegenspelers. De factoren arbeid en milieu zijn
versplinterd en onbetekenend, zodat hun toegang tot de machtscentra klein is.
Beleid maken is een zaak van lange adem en de werkgeversorganisaties hebben dit
goed begrepen. In Brussel zijn zij kind aan huis, vooral op de momenten dat het
beleid wordt gemaakt. Er ligt een groot terrein braak voor een verenigde lobby
van dc milieubeweging en organisaties voor andere maatschappelijke issues,
zoals vakbonden en de Europese Vereniging voor het Aarde Dividend. Ook merkt
Paul Metz op dat de naam en het imago van het begrip basisinkomen een bredere
acceptatie in de weg staan. Daarom is het van groot belang dat alle
maatschappijvernieuwende organisaties nauw samenwerken teneinde een beweging
van betekenis te zijn. Naar zijn mening gaan BI en ecotax niet alleen goed
samen. maar vullen zij elkaar goed aan.
Niet
volksvertegenwoordigers of burgers discussiëren met elkaar over de
privatisering van de sociale zekerheid, maar directies van verzekeraars,
uitvoeringsinstellingen, Sociale zaken en Financiën. Wat een debat lijkt over
technische uitvoeringskwesties is in werkelijkheid een debat over de
institutionalisering van de tweedeling tussen interessante en oninteressante
werknemers. Voor de eerste groep regelt de markt straks aantrekkelijke
verzekeringsarrangementen, de tweede groep wordt verwezen naar verschraalde
wettelijke voorzieningen.
Sociale
partners mochten niet langer de WAO misbruiken als een gouden handdruk voor Jan
Modaal. Voortaan moesten werkgevers de premies voor ziekte en
arbeidsongeschiktheid betalen. Premiedifferentiatie zou werkgevers met weinig
verzuim belonen en die met een hoog verzuim straffen. Werkgevers moesten ook
een arbodienst in de arm nemen. Verder werd de ziektewet geprivatiseerd. De
uitvoering van WW en WAO werd opgedragen aan uitvoeringsinstellingen die
onderling en met verzekeraars moesten gaan concurreren.
Discussie
over dit stelsel bleef echter uit evenals de samenwerking tussen sociale
diensten, uitvoeringsinstellingen en arbeidsvoorziening. Alle essentiële vragen
zijn nog open. Hoeveel centra komen er en wie hebben het er voor het zeggen?
Wat worden de taken?
Marktwerking
kwam er wel. Preventie, schadeontwikkeling en schadebeheersing zijn
opeenvolgende schakels in dezelfde keten. Verzekeraars zijn deel gaan nemen in
arbodiensten en zijn allianties aangegaan met uitvoeringsinstellingen en
uitzendorganisaties. Zo werkt het bank- en verzekeringsconcem Achmea samen met
het GAK. Rabobank: en diens verzekeraar werken samen met Cadans en GUO, de
bedrijfsverenigingen van de zorg- en landbouwsector, uitzendbureau Adecco. ING
en Nationale Nederlanden werken samen met het SFB. Deze conglomeraten kunnen
het hele palet van preventie via wachtlijstbemiddeling naar reïntegratie
aanbieden op voorwaarde dat al deze zaken worden ondergebracht bij het
conglomeraat.
Behalve
zorgvoorzieningen (ziektekosten-, ziektewet- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) gaat het ook om inkomensvoorzieningen
(ANW-gat en (pre-)pensioenverzekeringen) en individuele voorzieningen (auto-,
inboedel-. opstal- of reisverzekering, hypotheek of kinderopvang). Alles kan,
tenminste als de gegevens van de uitvoeringsinstellingen ook voor commerciële
doeleinden gebruikt mogen worden. Intussen wordt in de praktijk al volop met
dit soort pakketten geëxperimenteerd.
Het
paarse kabinet bood (markt-)partijen alle ruimte, maar ontwikkelde geen helder
kader voor de uitvoeringspraktijk. Het gevolg is dat het initiatief nu geheel
bij de markt ligt en de politiek stelselmatig verrast wordt. In dit vacuum
ontstaat een aantal grote risico' s:
- De
markt brengt eigenhandig de beoogde marktwerking om zeep. In plaats van een
groot aantal verschillende aanbieders, ontstaat er een pseudomarkt met drie
spelers die het veld verdelen. Dat dat gebeurt, bleek toen onlangs het concept
van een brief uit een overleg van de gezamenlijke marktpartijen (!) aan
minister Melkert en staatssecretaris De Grave via de Volkskrant uitlekte.
-
Werkgevers mogen financieel verantwoordelijk zijn, zij zullen, de zeer groten
uitgezonderd, geen partij zijn voor deze conglomeraten waaraan zij gebonden
zullen zijn.
-
Onafhankelijkheid van de claimbeoordeling voor bijvoorbeeld de WAO is niet
gewaarborgd als het oordeel geveld wordt door organisaties die financieel
belang hebben bij de uitkomst. Dat is in het ziektejaar de arbodienst, die in
de eerste plaats zijn broodheer, de werkgever, zal behagen.
- De
discussie rond voorrang voor werknemers laat zien dat ook de gezondheidszorg
onder druk komt. Gezondheid is ieders persoonlijk eigendom. De financiële
noodzaak van snelle reïntegratie legt druk op herstel van de zieke werknemer.
Hersteltijd wordt werktijd hetgeen de behandeling zal beïnvloeden (operatie
versus rust als de beste therapie) en zal leiden tot overconsumptie van zorg.
In Amerika kan de werkgever de werknemer zelfs vertellen waar hij zich voor
zijn ziekte moet laten behandelen op straffe van het weigeren van de vergoeding
van de behandelkosten.
-
Tenslotte werkt een op commerciële leest geschoeide uitvoering oneigenlijke
selectie in de hand. Het belang van de werkgevers en verzekeraars strekt niet
verder dan de te verwachten PEMBA-periode (Premiedifferentiatie en Marktwerking
Bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen). Daarna valt de werknemer immers terug
op de oude WAO, die volgens een algemene omslagpremie wordt betaald. De
reïntegratiekosten zullen worden afgemeten aan de te verwachten schade in die
periode en aan de waarde van een bepaalde werknemer voor diens werkgever. Valt
deze rekensom negatief uit voor de werknemer, dan zullen
reïntegratie-inspanningen tot een administratief minimum worden beperkt.
Op
deze wijze leidt de reorganisatie van de uitvoering van de sociale zekerheid
vanzelf naar een verscherping van de tweedeling. Werknemers met een goede
arbeidsmarktpositie zullen goede zekerheidsarrangementen krijgen van hun
werkgever. Werknemers met een zwakke arbeidsmarktpositie zullen aangewezen zijn
op de minimale wettelijke arrangementen.
Op die
manier komt het ministelsel dichterbij. Daarin neemt de markt de goede risico'
s over. De 'slechte' risico's van langdurige uitkeringsafhankelijkheid
(werkloosheid, arbeidsongeschiktheid) en chronische uitkeringsafhankelijkheid
(flexwerkers) komen voor rekening van de overheid. Door deze risicoverdeling
worden de overheidsregelingen uitgehold. Zo levert een marktmodel voor de
uitvoering vanzelf een nieuw stelsel op zonder dat daarover een publieke
discussie heeft plaatsgehad.
In
plaats van in te grijpen, wachten de bewindslieden van Sociale Zaken af.
Daardoor krijgt het oprukkende marktcorporatisme alle kans een situatie te
scheppen die straks onomkeerbaar is. Wie eerst de uitvoering regelt en daarna
pas bedenkt welk stelsel er uitgevoerd moet worden, krijgt een stelsel dat
niemand wenst.
verschijnt vier keer per
jaar en is een uitgave van:
Vereniging Basisinkomen
Herman Heijermansweg 20
1077 WL Amsterdam
Telefoon: 020-5731803
Fax: 020-6713541
E-mail: basic.income@wxs.nl
Website: http://www.wxs.nl/~schafer
Giro: 1890919
COLOFON
Eindredactie/lay-out: Emiel
Schäfer
Medewerkenden aan dit
nummer: Saar Boerlage, Ineke van Dijk, Martha Resink, Marnix Stolper
Redactie: Paul Andela, Saar
Boerlage, Emiel Schäfer, Marnix Stolper
Druk: Voedingsbond FNV
Utrecht
Lidmaatschap/Contributie
Aanmelding kan schriftelijk,
telefonisch of per e-mail. Het lidmaatschap gaat in na overmaking van f 25,- (f
50,- in 1999!). Wie onvoldoende middelen heeft mag ook f 15,- per jaar
overmaken.