NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

Nummer 25, oktober 1998

Issn: 09243038

Inhoudsopgave

 

Een terugblik op het BIEN Congres Amsterdam, 1998.

Werkgroep Basisinkomen Dordrecht

Volledige werkgelegenheid zonder armoede

Argumenten pro en contra een Groen basisinkomen

Basisinkomenpartij in België

Boeken

 

Een terugblik op het BIEN Congres Amsterdam, 1998.

Het congres en de Nederland-dag werden goed bezocht en de deelnemers waren over het algemeen tevreden over het congres. Het was vooral inspirerend om te horen en te zien hoe in andere landen allerlei groepen bezig zijn aandacht te vragen voor het basisinkomen en de discussie aan blijven zwengelen. De tevredenheid gold in mindere mate voor de behuizing in het gebouw "Felix Meritis" die nog steeds in een wat slordige, onaffe staat verkeerde.

Het is altijd weer vreemd om meer dan een jaar bezig te zijn met de voorbereidingen van een congres om vervolgens het congres zelf binnen drie dagen in sneltreinvaart aan je voorbij te zien trekken. Wij willen iedereen bedanken die dit congres mogelijk heeft gemaakt, de sprekers, de voorzitters, de deelnemers, het congresbureau van de Universiteit van Amsterdam dat uitstekend werk heeft geleverd onder andere door ervoor te zorgen dat iedereen onderdak kreeg op een moment dat alle kamers in de hele stad volgeboekt waren door het International Broadcasting Congress dat tegelijkertijd in de RAl werd gehouden en meer dan 10.000 deelnemers trok. Verder bedanken wij de sprekers, de subsidiegevers en iedereen die een bijdrage aan het slagen van het congres heeft geleverd.

In Ierland hebben vrijwel alle politieke partijen het basisinkomen in hun programma opgenomen. Dat was mogelijk omdat de Ieren een uitgebreid netwerk van actieve leden hebben die op ieder niveau in de samenleving met succes ijveren voor een basisinkomen.

Zoals bleek uit de Ierse, Oostenrijkse en Belgische presentaties moet iedere doelgroep een voordeel zien in het basisinkomen. De boodschap moet op de doelgroep afgestemd worden om enig succes te hebben. Het is ook van belang te weten dat iedere doelgroep een volle agenda heeft en dat de boodschap eenvoudig moet zijn.

Vivant wil de belasting op arbeid afschaffen voor de lage en middelhoge lonen. Daarmee denkt men in korte tijd honderdduizenden mensen aan het werk te krijgen en nieuwe welvaart te scheppen. De belasting op arbeid voor de hoge lonen blijft en er komt een verkoopbelasting op alle producten, met name op luxe-goederen. Bijvoorbeeld een glas bier dat nu 50 frank kost, blijft hetzelfde kosten alleen de opbouw van de prijs wordt anders. Van die 50 frank is nu 16,5 frank loonbelasting, 8,5 frank BTW en 25 frank aan grondstoffen en nettoloon, kortom reële kosten. In de nieuwe situatie komt er op de 25 frank een verkopbelasting van 25 frank. De nadruk verandert. Met deze inkomsten wil men iedereen vanaf 18 jaar een basisinkomen verstrekken. Meer over Vivant is te lezen in het artikel van Gosling Putto.

De Oostenrijkse politieke partij Liberales Forum had de volgende argumenten bedacht: rijkere mensen werden benaderd met het gegeven dat hoe groter de ongelijkheid hoe groter de onveiligheid. Rijke mensen hebben er in die optiek belang bij dat ieder mens voldoende heeft om van te leven. (Daarnaast moet iedereen natuurlijk ook een bepaald perspectief hebben om datgene te doen wat hij of zij het liefst doet met de mensen die men graag om zich heen heeft.)

Vakbondsleden hebben er belang bij om minder afhankelijk te worden van hun arbeid dan nu het geval is. De vaste baan is weliswaar een machtsmiddel waartegen eisen op het gebied van beloning, opleiding en arbeidsvoorwaarden kunnen worden afgedwongen, maar door ontslag kan dit machtsmiddel de vakbond sleden ook weer uit handen worden geslagen. Verder zijn steeds minder mensen lid van een vakbond omdat steeds meer vaste banen vervangen worden door een tijdelijk dienstverband. Mensen in tijdelijk dienstverband zijn veel moeilijker te organiseren. Ook met een basisinkomen blijft het belangrijk om mensen te organiseren. Alle ontvangers van een basisinkomen kunnen zich organiseren om ervoor te zorgen dat het niveau ervan in de toekomst blijft voldoen aan hetgeen men ervan verwacht.

De aanwezigheid van een aantal mensen uit Noord-Amerika leidde ertoe dat er gekeken zal worden naar mogelijkheden om een (Noord)Amerikaanse organisatie voor het basisinkomen op te richten. Hieronder leest u verslagen van voordrachten gehouden door Paul de Beer en Loek Groot. Verder een artikel van Gosling Putto over Vivant, de Belgische politieke partij die een basisinkomen wil invoeren. Vertegenwoordigers van Vivant waren aanwezig op het congres, evenals de Stichting UNO-inkomen voor alle mensen.

 

 

Werkgroep Basisinkomen Dordrecht

Op 14 oktober organiseerde de Werkgroep Basisinkomen Dordrecht workshops waarin Baan+, Earned Income Tax Credit, Basisinkomen, Sociale activering in Dordrecht en de Wet lnkomenvorming Kunstenaars tegen het licht werden gehouden. Van elk idee werd bekeken of het een bijdrage leverde aan het individuele welzijn, motivatie, inkomen maar ook werd gekeken of de bureaucratie om de verschillende projecten uit te voeren toe zou nemen of juist niet. Alle deelnemers werd gevraagd om e.e.a. op een formulier aan te geven. Zoals verwacht scoorde het basisinkomen het hoogst wanneer het ging om zaken als vergroting van de individuele vrijheid. Andere scores waren naar mijn mening onvoldoende bewezen en we moeten ons dan ook niet rijk rekenen. Naar mijn mening is het niet bewezen dat invoering van een basisinkomen bijvoorbeeld de werkgelegenheid stimuleert. Als we dat gaan claimen geven we tegenstanders alleen maar meer munitie tegen een basisinkomen. Het basisinkomen moet op zichzelf beoordeeld worden. De financiële vrijheid van het individu wordt ermee vergroot en iedereen krijgt het, werkenden en niet-werkenden. De bewering dat iedereen wil werken ook met een basisinkomen is missehien grotendeels waar maar het argument om een basisinkomen in te voeren moet niet van dergelijke aannames afhangen zolang er nog geen experimenten zijn uitgevoerd.

Veel belangrijker is het feit dat MENSEN baat hebben bij een basisinkomen. Iedereen kan voor zichzelf het voordeel zien van een maandelijks bedrag dat op de girorekening wordt gestort en waar geen tegenprestatie voor nodig is. We verliezen ons in ingewikkelde meningsverschillen zodra we niet meer kijken naar onszelf maar naar de ander. De tegenstander roept: "Die anderen zullen niet meer werken". Verschrikt roepen de voorstanders dan dat dat niet waar is, het wordt een welles nietes verhaal, een verschil van opvatting over de mens als goedaardig of kwaadaardig wezen. Ten eerste moeten mensen er dringend op gewezen worden eerst naar zichzelf te kijken alvorens aannames te maken over het gedrag van de medemens. Ten tweede moeten we durven toegeven dat er inderdaad mensen zullen zijn die niet of minder zullen gaan werken. Is dat erg? Dat willen we juist toch?

 

 

Volledige werkgelegenheid zonder armoede

Paul de Beer

Economen zijn dol op 'afruilen': als je iets meer van het een wilt, moet je iets van het andere opofferen. Ofwel, je kunt een cake niet hebben en hem opeten, zoals de Engelsen zeggen. Een 'afruil' die de laatste tijd veel aandacht krijgt is die tussen werkloosheid en armoede. Enigszins zwart-wit zou je kunnen stellen dat in de Verenigde Staten de werkloosheid is opgelost ten koste van een groot aantal armen (die vaak dus wel werk hebben), terwijl in Europa de armoede redelijk binnen de perken is gehouden, maar er sprake is van een omvangrijke en hardnekkige werkloosheid. Een van de drie hoofdthema' s van het BIEN-congres was de vraag of met het basisinkomen deze afruil kan worden doorbroken: is het basisinkomen een tweesnijdend zwaard waarmee zowel de werkloosheid als de armoede kan worden bestreden?

Wie tegelijkertijd armoede en werkloosheid wil bestrijden, stuit onvermijdelijk op een aantal moeilijke keuzen, om maar niet te zeggen dilemma' s:

De keuze tussen een algemeen (generiek) en een gericht (specifiek) beleid. Een specifiek beleid is op het eerste gezicht efficiënter, omdat je de beschikbare middelen veel doelgerichter kunt inzetten voor de groep die ze het hardst nodig heeft. Een voorbeeld daarvan is de bijzondere bijstand. Maar een specifiek beleid heeft ook grote nadelen: ze gaat vaak gepaard met een omvangrijke bureaucratie, een paternalistische opstelling tegenover de 'cliënten', het risico van fraude, oneigenlijk gebruik en moeilijke grensgevallen door de gedetailleerde en ingewikkelde regelgeving, en ze werkt ontmoedigend op mensen om hun eigen positie te verbeteren (de zogenaamde armoedeval). Een bij uitstek generiek instrument, het basisinkomen, heeft al deze nadelen niet, maar bij een gegeven budget levert het veel minder op voor de groep die het meest hulp nodig heeft.

De keuze tussen een aanbod- en een vraaggericht beleid. Het gaat dan om de vraag of (langdurige) werkloosheid een probleem is van te weinig banen of van te weinig prikkels om te gaan werken. In het eerste geval kan men het beste een vraaggericht beleid voeren, bijvoorbeeld door werkgevers een subsidie te geven voor de extra banen die zij scheppen (zoals de huidige SP AK.-regeling) of voor de langdurig werklozen die zij in dienst nemen (zoals de VL W-regeling). De afgelopen jaren zijn er echter al honderdduizenden banen bijgekomen, waarvan slechts een klein deel door werklozen is bezet. Volgens sommigen komt dat omdat mensen met een (werkloosheids-) uitkering te weinig in inkomen vooruitgaan als zij een laagbetaalde baan aannemen. Daarom zouden mensen met een laagbetaalde baan een extra belastingaftrek moeten krijgen, zoals die in de Verenigde Staten bestaat in de vorm van de EIC. Ook een basisinkomen geeft aan uitkeringsgerechtigden een financiële prikkel om te gaan werken, doordat bijverdiensten niet op het basisinkomen worden 'gekort'. Het effect van een basisinkomen op de vraag naar arbeid (het aantal banen) is echter omstreden. Aan de ene kant zou het minimumloon kunnen worden verlaagd of afgeschaft, waardoor meer laagbetaalde banen worden geschapen. Maar aan de andere kant zou de belastingverhoging die nodig is voor de financiering van het basisinkomen, arbeid duurder kunnen maken en daardoor de werkgelegenheid kunnen schaden.

De afweging tussen korte-termijneffecten en lange-termijneffecten. Een maatregel die op korte termijn heel doeltreffend is, kan op langere termijn in zijn tegendeel verkeren. En omgekeerd kan een maatregel die op korte termijn weinig positieve effecten heeft, op langere termijn veel gunstiger uitwerken. Een voorbeeld van het eerste zouden de Melkertbanen kunnen zijn. Dankzij de Melkertbanen zijn in de periode 1995-1998 zo'n 50 à 60 duizend werklozen aan het werk geholpen. Dat is op zichzelf een groot succes. Maar onduidelijk is hoe het op langere termijn verder moet met die banen. Komt er een permanent circuit van tweederangsbanen die nauwelijks kans op vooruitgang bieden? En hoe moet het als Nederland in een recessie terechtkomt en er weer honderdduizenden werklozen bijkomen? Een basisinkomen levert op korte termijn veel minder op: het zal nooit hoger (waarschijnlijk zelfs lager) zijn dan de huidige bijstandsuitkering en op korte termijn ontstaan er ook niet of nauwelijks nieuwe banen door. Maar op langere termijn zouden, door het verdwijnen van de armoedeval, met een basisinkomen wel eens meer uitkeringsgerechtigden in een (deeltijd-)baan aan de slag kunnen gaan cn in inkomen vooruitgaan dan met alle Melkert-l, -2 en -3 banenplannen tezamen.

De keuze tussen een beleid gericht op gezinnen en een beleid gericht op individuele personen. Tegenwoordig nemen de meeste sociale-zekerheidsregelingen het individu als uitgangspunt. Voor de bijstand geldt dit echter nog altijd niet. De bijstand gaat immers uit van het behoefteprincipe, en behoefte is een kenmerk van een gezin of huishouding en niet van een individu, zo luidt de redenering. Maar de consequentie daarvan is wel dat door werkloosheid van de ene partner in een gezin ook de andere partner in de armoedeval terecht kan komen. Want als in een traditioneel kostwinnersgezin de man werkloos wordt en uiteindelijk in de bijstand terechtkomt, worden eventuele bijverdiensten van zijn vrouw ook op de uitkering gekort. Een geïndividualiseerde uitkering, zoals een basisinkomen., heeft dit nadeel niet. Maar daar staat tegenover dat het veel emotionele bezwaren oproept als ook de spreekwoordelijke vrouw van de tandarts recht krijgt op een eigen uitkering. Dat geld kun je toch beter geven aan mensen die het ècht nodig hebben!?

Ten slotte is er de vraag of bet beleid zich uitsluitend op betaald werk moet nchten of ook op onbetaalde activiteiten. Is volwaardige maatschappelijke participatie of reïntegratie alleen mogelijk via betaald werk of kan ook onbetaald werk, bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, daaraan bijdragen? Terwijl voorstanders van een basisinkomen in het verleden vaak felle kritiek uitten op het traditionele 'arbeidsethos' (werken als een plicht), lijken velen van hen nu ook 'besmet' met het 'werk, werk en nog eens werk' virus. Betaald werk is nu eenmaal het beste middel tegen armoede, zo luidt het argument. Maar wat te doen met die honderdduizenden mensen voor wie betaald werk geen reëel perspectief meer is? Met een basisinkomen erkent men enerzijds dat betaald werk voor iedereen niet haalbaar is, maar anderzijds wordt het ook wel gezien als een afkoopsom waardoor men zich al te gemakkelijk af maakt van de plicht om voldoende werk te scheppen.

Hoewel bovenstaande keuzen en dilemma's op het BIEN-congres intensief werden bediscussieerd, resulteerde dat niet in eenduidige conclusies welke keuzen de beste zijn. Integendeel, in de meeste bijdragen werd vooral benadrukt hoe lastig een dergelijke keuze is.

Zo wees Kees Schuyt erop, dat er bij de meeste maatregelen sprake is van een 'afroming': binnen de doelgroep zijn het toch weer degenen met relatief de beste kansen die worden geholpen. De aller-kansarmsten vallen (ongewild) buiten de boot of worden zelfs expliciet uitgesloten (zoals illegalen of ex-gedetineerden). De vraag is of men hierop moet reageren door regelingen nog meer op de kansarmsten toe te spitsen, of dat men juist moet kiezen voor een zo algemeen mogelijke maatregel, waarvan iedereen kan profiteren (denk bijvoorbeeld aan de AOW, waarvan het "niet-gebruik' erg klein is).

Claudio Salinas en Philippe van Parijs merkten in hun presentatie op dat maatregelen die op het eerste gezicht totaal verschillend zijn (zoals een belastingkorting voor laagbetaalden en een basisinkomen), zó kunnen worden vormgegeven, dat hun inkomenseffecten nauwelijks van elkaar verschillen. Dat suggereert dat de tegenstellingen tussen verschillende benaderingen misschien toch minder groot zijn dan vaak wordt gedacht.

Diverse sprekers, waaronder Fritz Scharpf, pleitten voor een combinatie van verschillende maatregelen in plaats van alle heil te verwachten van één 'wondermiddel'. Toch dient men zich er wel bewust van te zijn dat de effecten van verschillende maatregelen elkaar niet altijd versterken, maar elkaar ook kunnen tegenwerken. Zo lijkt het op het eerste gezicht aantrekkelijk om een gedeeltelijk basisinkomen te combineren met aanvullende sociale uitkeringen om het sociaal minimum veilig te stellen. Maar de armoedeval zal dan wel grotendeels in stand blijven, terwijl toch veel extra geld nodig is om het gedeeltelijke basisinkomen ook aan personen zonder eigen inkomen uit te keren. Tot slot wees onder meer Joachim Mitschke erop, dat de politieke haalbaarheid van een maatregel niet alleen afhangt van de te verwachten effecten ervan. Zelfs als men overtuigend duidelijk zou kunnen maken dat een basisinkomen het beste instrument is om tegelijkertijd armoede en werkloosheid te bestrijden, kan het nog op sterke morele bezwaren stuiten. Als de meerderheid van de bevolking (of in ieder geval van de politieke partijen) het moreel onaanvaardbaar vindt om de band tussen werk en inkomen te verbreken, dan leggen al die praktische voordelen van een basisinkomen onvoldoende gewicht in de schaal. Dan komt het basisinkomen er gewoon niet.

 

 

Argumenten pro en contra een Groen basisinkomen

Loek Groot en Frauke van Iperen

Het begrip duurzame ontwikkeling is in brede kring vooral bekend geworden door het rapport van de Conunissie Brundtland Our Common Future van de World Conunission on Enviromnent and Development (WCED) uit 1987. Sinds het Eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) wordt dit streven naar duurzaamheid ook officieel door Nederland onderschreven. Echter, ondanks de verschijning van NMP-plus, NMP-2 en 3 en de Nota Milieu en Economie: op weg naar een duurzame economie is er nog geen sprake van een integraal milieubeleid. T.a.v. de vraag of een succesvol milieu-beleid flankerend dan wel integraal gevoerd moet worden concludeert Hafkamp in het RMB-rapport Naar een duurzame economie (1996):

"Er is een fundamentele beleidswijziging nodig, want bij het huidige tempo van de technologische vernieuwing blijft op enkele belangrijke terreinen (zoals energie) de efficiency winst achter bij de volumegroei. Nu is het economisch beleid gericht op economische groei en verbetering van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven en op volledige mededinging binnen de interne markt. Een toegevoegd milieubeleid achteraf moet de ongewenste neveneffècten hiervan binnen de perken houden. De scheiding van deze beleidsterreinen moet weggenomen worden".

Kortom, het kabinet moet komen tot een integraal beleid. Dit houdt in dat er niet enerzijds gestreefd wordt naar een zo hoog mogelijke economische groei en anderzijds een flankerend beleid wordt gevoerd om de schadelijke milieu-effecten van de groei te minimaliseren en repareren, zoals voornamelijk tot nog toe is gedaan. 'Integraal' betekent in dit verband dat de institutionele context waarbinnen het economische proces zich voltrekt 'automatisch' leidt tot selectieve economische groei.

De vraag die wij willen behandelen is of een basisinkomen (BI), deels gefinancierd uit milieu-heffmgen, deel zou moeten uitmaken van dit institutionele kader. Deze discussie kan, gezien de plannen van de invoering van een heffingskorting en hogere milieuheffmgen in het nieuwe bdastingstelsel voor de 21ste eeuw, in de naaste toekomst zeer actueel worden. Eerst zullen de voornaamste argumenten pro aan bod komen, vervolgens de argumenten contra. In de conclusies pogen we het een en ander te nuanceren.

De onderstaande tabel bevat schematisch de voornaamste argumenten pro en contra een Groen BI die in het vervolg kort zullen worden toegelicht.

Argumenten pro Groen Basisinkomen

Argumenten contra Groen Basisinkomen

Sociaal-ecologisch paradigma

Impliciete subsidiëring

Verlaging arbeidskosten onderkant

Alternatieven denkbaar

Groen Basisinkomen is rechtvaardig

OK

Basisinkomen compenseert denivellering milieuheffingen

BI grof instrument

Tweesnijdend zwaard

Afwezig

Ten eerste, door het BI wordt de band tussen produceren en inkomen (tot aan het minimumniveau) doorbroken, wat kan leiden tot een meer ontsparmen houding ten aanzien van de economie en vermindering van de dominantie van economische criteria op het arbeidsleven. Volgens Roebroek en Hogenboom (1990) zou een BI de ruimte kunnen scheppen die het burgers mogelijk maakt om te leven volgens een sociaal-ecologisch paradigma: een vorm van samenleven waarbij het behoud van de natuurlijke omgeving wordt gekoppeld aan de wens tot zelfontplooiing en autonomie. Ook Den Broeder en de Roo (1991) benadrukken dat met een BI er meer ruimte is voor persoonlijk initiatief, alternatieve economische activiteiten gericht op gebruiks- en niet op ruilwaarde en kleinschalig ondernemen waarbij het inkomensaspect niet meer de enige prioriteit hoeft te zijn. Deze gedeeltelijke ontkoppeling van arbeid en inkomen zou dan idealiter leiden tot een minder (materieel) consumptief leefpatroon, of, in de termen van het Brundtland-rapport, een verschuiving van steeds meer materiële groei naar steeds mooier (kwaliteitsgroei). Bij deze rooskleurige vergezichten moet echter wel de kanttekening worden gemaakt dat voorzover deze effecten inderdaad optreden. Degenen die op deze wijze van het BI 'profiteren' weliswaar bijdragen aan een beter milieu, maar dat dit gedrag desondanks wordt gesubsidieerd zolang deze groep minder belasting betalen dan zij in de vorm van een BI ontvangen. Alleen in het geval deze personen onder het huidige regime werkloos zouden zijn en een uitkering ontvangen terwijl ze met een groen BI een bescheiden, en milieu-vriendelijke, bijdrage aan de produktie leveren, is er sprake van zowel economische als milieu-winst.

Aansluitend wordt er door aanhangers van een 'groen BI' gesteld dat doordat de sociale zekerheid buiten de arbeidsmarkt om geregeld wordt de arbeidskosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt zullen dalen. Bij een gelijkblijvend netto inkomen zal de prijs van laagproduktieve arbeid dalen omdat bij de lagere inkomenstrekkers het BI relatief een groot deel van het totale netto inkomen vormt. Bovendien kan het minimumloon afgeschaft worden, waardoor ook de vraag naar arbeid aan de onderkant wordt gestimuleerd. Het is daarom niet ondenkbaar dat milieuvriendelijke activiteiten zoals reparatie en recycling van duurzame goederen in grotere mate dan nu het geval is rendabel worden, waardoor de vraag naar natuurlijke hulpbronnen zal afnemen. Ook dit argument is niet sterk, aangezien er vele alternatieven denkbaar zijn om de loonkosten aan de onderkant te verminderen (bijvoorbeeld de huidige SPAK; het zou echter, zeker vanuit milieu-oogpunt, veel beter zijn, i.p.v. een BI, een loonkostensubsidie in het leven te roepen speciaal voor milieuvriendelijke activiteiten).

In het huidige sociale zekerheidsstelsel worden de uitkeringen voornamelijk gefinancierd door heffingen op arbeid. Er is veel weerstand tegen een BI gefmancierd uit deze directe belasting. Het gevoel bestaat dat werkenden de belasting moeten opbrengen die anderen in staat stelt om af te zien van betaalde arbeid. Een BI gefmancierd uit milieuheffingen zou op een groter draagvlak kunnen rekenen. Het milieu is van iedereen, en als de beschikbare milieugebruiksruimte als zelfstandige, schaarse produktiefactor gaat optreden dan is het niet meer dan redelijk dat ieder een gelijk aandeel (in de opbrengst) krijgt toegekend.

Invoering van een BI heeft een inkomens-nivellerend effect wat mogelijk het denivellerende effect van milieuheffingen compenseert. In tegenstelling tot ons huidige progressieve belastingstelsel werken milieuheffmgen denivellerend. Gelijktijdige introductie van een BI met omvangrijke milieuheffingen zou daardoor de inkomensneutraliteit van het gehele pakket aan maatregelen ten goede komen. Bij verlaging van de huidige belastingtarieven op arbeid. gecombineerd met verhoging van milieuheffingen zullen lagere inkomenstrekkers er op achteruit gaan. Echter, doordat het BI bij lagere inkomens een groter gewicht in de schaal legt dan bij hogere inkomens kan dit denivellerende effect van milieuheffmgen worden gecompenseerd. Dit argument is op zich geldig, maar het zou echter zeer toevallig zijn als de compensatie exact voor ieder huishouden zo geldt. Daarbij is het zeer wel mogelijk om op andere manier dan het BI het denivellerende efIect van de verschuiving van directe naar indirecte belastingen ongedaan te maken, bijvoorbeeld door de introductie van 'belastingvrije sommen' bij milieuheffingen. Het BI is in dit licht een tamelijk grof instrument.

Het laatste argument pro de koppeling BI en milieu staat bekend als het tweesnijdend zwaard: verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op milieu wordt gezien als een manier waardoor zowel de werkgelegenheid toeneemt als de milieuvervuiling afneemt. Het probleem bij dit argument is dat het uiteindelijk toch de factor arbeid (de minst mobiele produktiefactor) is die het gelag betaald. De kern van de kritiek op het tweesnijdend zwaard is dat de verschuiving van directe naar indirecte lasten wel de samenstelling van de wig beïnvloedt, maar niet de hoogte. De wig, het verschil tussen bruto arbeidskosten voor de werkgever en de netto koopkracht voor de werknemer, wordt behalve door het niveau van de directc belastingtarieven ook bepaald door de indirecte BTW-en/of milieu-tarieven. Indien er geen neveneffecten optreden, is een verschuiving van direct naar indirecte belasting een louter cosmetische operatie.

Conclusie

Het legitimatie-argument ten gunste van de koppeling BI en milieu (het milieu is van iedereen) is intuïtief sterk, misschien zelfs zo sterk dat de overige argumenten er niet zoveel toe doen. De voorstanders van een groen BI moeten zich echter wel realiseren dat voor een significante bijdrage aan de financieringslast van een BI tamelijk rigoureuze milieu- en BTW -heffingen nodig zijn (ter indicatie: in 1996 is het totaal aan inkomsten uit wegenbelasting, accijnzen op benzine en de overige milieuheffingen 17 miljard; de totale uitgaven ten behoeve van het sociale zekerheidsstelsel bedragen ruim 100 miljard terwijl voor een BI van 1000 gulden per maand in totaal 144 miljard gulden nodig is). Hier staat tegenover dat het Grote Heffen nauwelijks is begonnen: milieu is nog grotendeels een ongeprijsd goed. Voorts is een inherent probleem aan milieuheffingen als financieringsinstrument dat wanneer het regulerende effect sterker is weliswaar de milieudoelstellingen dichterbij komen, maar dat de milieuheflingen in deze situatie minder opbrengen. Voor een substantieel BI is het te hopen dat de heffingen nauwelijks enig regulerend effect sorteren, terwijl dit voor een schoner milieu wel gewenst is.

 

 

Basisinkomenpartij in België

In België is onlangs een nieuwe politieke partij opgericht, die in 1999 aan de verkiezingen wil gaan deelnemen. De partij streeft naar een beter werkende arbeidsmarkt, meer sociale zekerheid en meer individuele vrijheid. Zij noemt zichzelf "Vivant". Centraal staan de invoering van een basisinkomen voor iedereen en afschaffing van de meeste belasting op arbeid. De loonbelasting moet plaats inruimen voor een variant op de BTW, de "verkoopbelasting". Het initiatief tot het oprichten van deze politieke partij is genomen door de auteur van het boek "NV België, verslag aan de aandeelhouders". De auteur is elektrotechnisch ingenieur, econoom en ondernemer Roland Duchâtelet. Dit boek verscheen in 1993 en bevatte een pleidooi voor een sociaaleconomisch model met behulp waarvan een einde gemaakt zou kunnen worden aan de werkloosheid en de problemen met de sociale zekerheid in West-Europa. Bestaande politieke partijen in België toonden geen interesse, waarop in 1997 het besluit werd genomen tot oprichting van een nieuwe politieke partij. De naam Vivant werd gekozen uit wel 500 voorgestelde namen. De partij telt inmiddels zo'n 1700 leden en heeft in vele plaatsen al een afdeling. Het partijorgaan heet begrijpelijkerwijze: "Bon Vivant".

De redenen waarom de nieuwe partij een basisisnkomen wil invoeren zijn dezelfde als waarom de vereniging basisinkomen dat wil, zoals: meer keuzevrijheid voor het individu (voor betaald of onbetaald werken of niet werken ), eliminering van de armoedeval, de bureaucratie en de stigmatisering uit het systeem van de sociale zekerheid, erkenning van de waarde van huishoudelijk werk, kortom onbetaalde activiteiten, verbetering van het ondernemersklimaat etcetera. Het gaat Vivant dan ook om de rationa1isering van de verzorgingsstaat.

Het basisinkomen dat Vivant voor ogen staat bedraagt 20.000 Belgische frank (1.100 gulden) per maand. Mensen onder de 18 ontvangen daarvan 25% (uit te betalen aan de moeder), jongeren tot 26 ontvangen 50% van dit bedrag. Mensen ouder dan 65 ontvangen 30.000 frank (1.650 gulden) . Zodra het nationaal inkomen dat toelaat 1.31 het nonnale basisinkomen aan iedereen tussen 18 en 65 worden toegekend en moet het omhoog tot aan het bestaansminimum.

Vivant wil dc kosten van arbeid verlagen en daartoe de loonbelasting grotendeels afschaffen. Op looninkomsten tot 50.000 frank (2.750 gulden) zou geen belasting worden geheven. Daarboven zou een tarief van 50 % geheven worden. De vennootschapsbelasting gaat in de plannen van Vivant omlaag naar 15 %. Dit zou laag genoeg zijn om bedrijven van ontwijking van vennootschapsbelasting via biuitenlandse constructies afte doen zien. De bestaande vermogensbelasting wil men handhaven, evenals de belasting op erfenissen en schenkingen.

Daarnaast wil Vivant een transactiebelasting van 0,1% invoeren op bepaalde financiële transacties.

In plaats van loonbelasting wordt er een verkoopbelasting geheven, ook wel aangeduid als "sociale BTW". Deze zou ongeveer 50 % van de verkooprijs van goederen en diensten moeten uitmaken. Goederen en diensten zouden daardoor niet duurder worden omdat de verkoopbelasting in de plaats komt van de loonbelasting en de bestaande BTW, die tesamen ook nu al 50 % van de uiteindelijke prijs uitmaken.

Het aandeel van de arbeidskosten in de eindprijs verschilt van produkt tot produkt en van dienst tot dienst, zodat voor alle afzonderlijke goederen en diensten een afzonderlijke verkoopbelasting vastgesteld moet worden. Exporterende bedrijven zouden een basisinkomenbelasting moeten betalen, dan wel het basisinkomen voor hun werknemers voor eigen rekening moeten nemen. Want net als nu met de BTW het geval is, zullen zij ook vrijgesteld zijn van de verkoopbelasting.De meeeste andere belastingen en heffingen, evenals allerlei aftrekposten wil Vivant afschaffen, om een duidelijker en controleerbaarder belastingstructuur te verwezenlijken.

Bedrijven en particuliere ondernemers zullen een computerboekhouding moeten voeren en de controle hierop wordt versterkt. Betalingen zouden normaliterdoor controleerbare geautomatiseerde overschrijvingen moeten plaatsvinden en betalingen van meer dan f 1.000,- in contanten zouden, om zwarte verkoop tegen te gaan, niet rechtsgeldig behoren te zijn.

Voorlopig bepleit Vivant nog geen concrete uitvoering van de ideeën en is men volop bezig met uitbreiding van de organisatie. Men is er zich zeer van bewust dat België geen eiland is en dat men zich moet toeleggen op samenwerking met andere Europese landen. Het Vivant-model, zo vindt men, dient op Europees niveau toegepast te worden. Als het goed is, zullen we in de toekomst nog veel meer van deze partij vernemen.

Gosling Putto

 

Boeken

Tyranny of Kindness door Theresa Funiciello, Atlantic Press 1993

Op aangrijpende wijze beschrijft Theresa Funiciello de kwalijke kanten van het uitkeringssysteem, de uitkeringsindustrie in de Amerikaanse staat New York. Het meeste geld dat besteed wordt aan programma's om armoede te bestrijden en te zorgen voor huisvesting komt niet terecht bij de doelgroep maar komt in de zakken van de mensen die hun boterham verdienen in de uitvoeringsbureaucratie. De gouverneur van de staat New Y ork corrumpeerde zich met een huisvestingsproject door de bouwopdrachten naar het aannemingsbedrijf van zijn zoon door te spelen.

Om al deze tussenpersonen uit te schakelen en een eind te maken aan de incompetentie, belangenverstrengeling, bureaucratie en mensonterende controleapparaten, argumenteert Funiciello aan het eind van haar bock voor een 'Guaranteed Minimum Income' voor iedereen.