NIEUWSBRIEF van de VERENIGING BASISINKOMEN
Nummer 26, maart 1999
Issn: 09243038
Inhoudsopgave
Informatie over de Vereniging Basisinkomen
Nieuwsbrief op Internet
Huisvesting
De B.I.E.N. – papers deel I
Rechtvaardiging van het basisinkomen
Arbeidsmarkt en basisinkomen
Hoe krijgen we het bi op de politieke agenda?
Een wijsbegeerte van de politieke marginaliteit
Werk, werk en nog eens werk
Wie werkt er eigenlijk?
De gevolgen van bewustzijnsvernauwing
Informatie over de Vereniging Basisinkomen
Nieuwsbrief op Internet
Voortaan kan iedereen die toegang heeft tot het internet de nieuwsbrieven ook op het internet lezen en zelf uitprinten. De site wordt goed bezocht met zo'n 400 'hits' per maand. Oude nieuwsbrieven worden in artikelen opgesplitst en elk artikel is dan afzonderlijk op te halen. We bewaren de artikelen uit oude nieuwsbrieven voor zover de provider de omvang van ons bestand accepteert. Wij willen al onze leden die geen nieuwsbrieven meer per post willen ontvangen verzoeken dat aan ons door te geven. Desgewenst kunnen nieuwsbrieven ook per e-mail verstuurd worden. Dat scheelt porto en verzendkosten maar ook veel werk op ons kantoor en bij de posterijen. Uiteraard blijven wij de nieuwsbrieven toesturen aan iedereen die dat wil.
Ons e-mailadres is: basic.income@wxs.nl
Website: http://home.wxs.nl/~schafer/
Huisvesting
Het kantoor van de Vereniging basisinkomen aan de Herman Heijermansweg zal daar weg moeten na de verhuizing van de Voedingsbond FNV. Daarom zijn wij op zoek naar een nieuwe kantoorruimte in Amsterdam. Het is de bedoeling dat een nieuwe kantoorruimte gezien de financiële situatie waarin de vereniging verkeert zo goedkoop mogelijk is. We denken aan een ruimte van ongeveer 15 vierkante mcter. Wie iets weet gelieve contact op te nemen met Saar Boerlage, Ineke van Dijk of Emiel Schäfer (020-5731803 / 6769631).
De B.I.E.N. – papers deel I
Gosling Putto
Zoals gebruikelijk werd er tijdens het 7e BlEN-congres dat dit jaar in Amsterdam gehouden werd in parallelle sessies over diverse onderwerpen gediscussieerd aan de hand van artikelen die door de deelnemers waren ingezonden. Van een aantal hiervan wordt de inhoud hieronder kort weergegeven.
Rechtvaardiging van het basisinkomen
Enkele artikelen gingen in op de ethische bezwaren die voor velen bestaan tegen het ten laste van de gemeenschap toekennen van een inkomen aan mensen die daarvoor geen tegenprestatie leveren. Dergelijke bezwaren staan de acceptatie van een onvoorwaardelijk bi in de weg en gaan vaak samen met het idee dat er een arbeidsplicht moet zijn voor iedereen die geen inkomen heeft en gelet op leeftijd en gezondheid in staat zou moeten zijn om te werken.
Karl Widerquist (USA) behandelt het thema "wie niet werkt zal ook niet eten". Dit beginsel treft men niet alleen in de Bijbel aan, maar ook in de Russische grondwet van 1918. De Willebrord-vertaling van de desbetreffende passage uit het Nieuwe Testament luidt als volgt:
"6. Wij bevelen u, broeders, in de naam van de Heer Jezus Christus, iedcre broeder te mijden die arbeid schuwt en niet leeft volgens de overlevering die gij van ons hebt ontvangen. 7. Hoe gij ons moet navolgen, is u bekend: wij hebben bij u geen werk geschuwd 8 en niemands brood om niet gegeten. 9. Dag en nacht hehben wij gearbeid, met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn. Niet dat wij er geen recht toe hebben, maar wij wilden een voorbeeld geven ter navolging. 10 Ook toen wij bij u waren hielden wij u telkens deze regel voor: als iemand niet wil werken zal hij ook niet eten. 11 Wij hebben namelijk gehoord dat sommigen bij u werkloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar zich wel met alles bemoeien. 12 In de naam van de Heer Jezus Christus gebieden en vermanen wij zulke mensen dat zij regelmatig moeten werken en hun eigen kost verdienen."
(Paulus. Tweede brief aan de Christenen van Thessaloniki, derde hoofdstuk.
Men ziet dat het hier eerder gaat om een beroep op goede wil dan om het verlangen om iemand voor straf te laten overlijden.
Widerquist gaat uit van het zogenoemde "reciprociteits-vereiste", dat inhoudt dat alle leden van een gemeenschap in het kader daarvan gelijke rechten en gelijke plichten dienen te hebben. Hij wijst er op dat in een samenleving waarin sommigen wel en anderen niet gedwongen worden om te kiezen tussen werken (= het verrichten van arbeid t.b.v. een inkomen) of honger lijden, op dit punt ongelijkheid heerst. En elke hedendaagse rechtsstaat laat nu eenmaal aan iedereen toe om niet te werken en toch te eten en overal treft men personen aan die toevallig over de wetelijk toelaatbare hulpbronnen beschikken die hen daartoe in staat stellen. Het aanhangen van de regel "werk of lijd honger" is dus, omdat die regel niet voor iedereen geldt, in strijd met het reciprociteitsvereiste. Een onvoorwaardelijk bi herstelt de schending van de reciprociteit die het gevolg is van het gegeven dat velen rechtmatig een arbeidsloos inkomen genieten.
De ongelijkheid in arbeidsplicht kan worden opgeheven door een bi, want daardoor verdwijnt die plicht. Daamaast kan die ongelijkheid worden opgeheven door invoering van een plicht voor iedereen. Dat kan bijvoorbeeld door het eigendomsrecht alleen aan de staat te gunnen, die dan geld en goederen toekent aan degenen die werken. Ook kan men gelijkheid scheppen door iedereen die niet wil werken een stukje grond te geven dat genoeg voedsel voor overleven opbrengt. In Engeland en Amerika is zoiets ooit serieus overwogen. Ook zou men rijkaards kunnen verplichten 40 uur per week ergens om te gaan werken. Het draconische karakter van al deze maatregelen laat zien dat een algemene arbeidsplicht niet in redelijkheid kan worden afgedwongen. Blijft over: het basisinkomen.
Over het bi wordt wel gezegd dat dit een arbeidsplicht vereist omdat anders de niet-werkenden de werkenden exploiteren. Immers, hun voedsel, kleding en onderdak., de infrastructuur, onderwijs, nutsvoorzieningen etc. komen door arbeid tot stand. Dit maakt evenwel het invoeren van verplichte inplaats van vrijwillige arbeid nog altijd niet noodzakelijk. Bijvoorbeeld in het geval er meer mensen zijn die een betaalde baan zoeken dan er banen zijn. Bovendien zou een bi zou betaald kunnen worden door belasting op andere zaken dan arbeid. Ook zou de plicht niet nodig zijn wanneer werkenden alles wat zij tot stand brengen zelf kunnen houden, of als de lonen even hoog zouden zijn als de waarde van de verrichte arbeid en er dus geen afdracht van werkenden aan niet-werkenden plaatsvindt. Een plicht is ook niet nodig, als alleen al de netto inkomsten van werkenden als gevolg van de invoering van een bi zouden stijgen, hetgeen zeker voor de minst verdienenden het geval zal zijn.
Een ander bezwaar dat wel tegen het bi wordt ingebracht is het gevaar dat onze maatschappij zal verarmen omdat een meerderheid van de burgers arbeid zal afwijzen. Dit gaat om een aantal redenen niet op. Om te beginnen is het de realiteit dat de overgrote meerderheid van de mensen vrijwillig voor arbeid kiest, of dat nu betaalde of onbetaalde arbeid is. Voorts steunt de produktie van goederen en diensten steeds meer op kapitaal (land, machines, kennis, automatisering) en steeds minder op de fysieke inschakeling van personen. En een eventuele vermindering van het arbeidsaanbod zou tot loonsverhoging leiden, hetgeen werken aantrekkelijker maakt en het leven van een bi onaantrekkelijker. De marktwerking garandeert daardoor als vanouds het welvaartspeil. Een onvoorwaardelijk bi van voldoende hoogte zou de huidige leemte in de rechtvaardigheid van het kapitalistische systeem (met als gevolg werkende armen en onvrijwillig werklozen) kunnen opheffen en dientengevolge de bestaande maatregelen voor het herstellen van de gevolgen van die onrechtvaardigheid (voedselbonnen en sociale bijstand) overbodig kunnen maken.
Jurgen de Wispelaere construeert een recht op een basisinkomen ongeveer als volgt. Gesteld, dat een staat iedereen het recht toekent op het verwerven van een inkomen en heeft bepaald dat een inkomen alleen maar kan worden verkregen door werken. Dan volgt hieruit, dat iedereen recht heeft op werk. Het is dan de taak van de staat om voor de toedeling van werk aan alle burgers te zorgen. Gaat dat niet goed, dan heeft de staat aan sommigen het recht op werk ontnomen door het aan anderen toe te (laten) delen. In dat geval is de staat gehouden degenen die geen werk hebben schadeloos te stellen. Dit kan bijvoorbeeld door het toekennen van een inkomen. Aan de verstrekking van dit inkomen kan niet de voorwaarde verbonden worden dat men wil werken, want de reden van het toekennen ervan is nu juist dat er geen werk is. Anders gezegd: als in dit fictieve land alle arbeidsplaatsen waarvoor een geschikt iemand te vinden was, bezet zijn, hebben de mensen zonder baan er recht op een onvoorwaardelijk inkomen en zou er om die reden een bi kunnen worden ingevoerd.
Deze gedachtengang zou volgens de auteur geen genade vinden in de ogen van vele aanhangers van de reciprociteits-theorie. Die stellen dat het om niet iets geven zonder meer onjuist is, dan wel dat degenen die iets ontvangen daar hoe dan ook iets voor moeten doen, of tenminste, dat zij daarvoor iets behoren te willen doen. Het bezwaar hiertegen is, dat het eisen van een tegenprestatie van mensen die deze niet kunnen leveren onrechtvaardig is, en dat er onmogelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen mensen die geen baan kunnen vinden en die geen baan willen vinden. En zou dat laatste wel kunnen, dan zou dat de vreemde consequentie moeten hebben dat iemand met een sociale uitkering, die een deeltijdbaan van 50% van de normale werktijd zoekt, de helft van zijn uitkering kwijtraakt omdat hij de helft van de normale tijd niet wil werken.
De auteur meent dat er wel degelijk aanspraken van de burgers op werk en inkomen jegens de staat zijn. Men kan dat verdedigen door evenals Thomas Paine en Henry George aan te nemen dat de burgers mede-eigenaar van al het land zijn, of door hen te beschouwen als aandeelhouders van de staat. Deze gedachte zou tot nieuwe wetgeving moeten leiden, waarvan de invoering van basisinkomen deel uitmaakt.
Arbeidsmarkt en basisinkomen
Anton Hemmerijek schetst de ontwikkelingen in de Westerse wereld rond werkgelegenheid, arbeidsethos en burgerschap en gaat na welke sociale maatregelen hier hel beste bij passen.
In Europa heerst "structurele inactiviteit", d. w.z. reeds geruime tijd heeft tussen de 20 en 30 procent van de volwassenen tot 65 jaar geen betaald werk. Dit "bedreigt de financiële, sociale, culturele en politieke fundamenten van de welvaartsstaat" . In Amerika doet zich dit probleem ook voor, maar is het beperkt tot 14% van de heroepsbevolking. Sociale uitkeringen komen daar in eerste instantie toe aan werkenden, in de vorm van de Earned Income Tax Credit, een premie die de regering toekent aan mensen met een laagbetaalde baan en die het verschil tussen het inkomen van werkenden en dat van niet werkenden flink vergroot. Mensen zonder werk zijn er aangewezen op een tijdelijke bijstandsuitkering, voedselbonnnen en liefdadigheid. Het Amerikaanse systeem, dat mede gekenmerkt wordt door lage beloning voor ongeschoolde arbeid en de onrechtvaardigheid van grote aantallen werkende armen, wordt in Europa niet gevolgd.
Bezien wordt of de oorzaken van de structurele inactiviteit in Europa wellicht zitten in een verminderde waardering voor de arbeid, of anders in ongewenste gevolgen van de sociale voorzieningen. In Nederland is nagegaan in hoeverre men vindt dat werken een zedelijke verplichting is en in hoeverre men vindt dat werken de belangrijkste levensvervulling is. In de periode tussen 1977 en 1985 werd het belang van de arheid als morele verplichting steeds flink lager dan daarvoor ingeschat, en tussen 1985 en 1990 daalde die waardering ook nog wel, maar minder. Dat arbeid het belangrijkste aspect van het leven is werd in de gehele periode tussen 1977 en 1990 door een grote meerderheid (68 %) onderschreven. In recentere jaren blijkt deze meerderheid nog groter te worden. Wel vinden ouderen steeds vaker, dat zij nu wel lang genoeg gewerkt hebben. De gemiddelde houding tegenover werk verklaart de inactiviteit dus geenszins.
Dat de sociale regelingen de werking van de arbeidsmarkt belemmeren wordt vaak verondersteld. Steeds minder werkenden zouden voor steeds meer uitkeringsgerechtigden moeten zorgen, arbeidsintensieve bedrijfstakken zouden verdwijnen, er zouden minder banen zijn voor vrouwen en ouderen. Wellicht is hiervan sprake in grote delen van Europa, maar in Nederland niet. Daar steeg de werkgelegenheid de laatste jaren vier maal zoveel als gemiddeld in Europa. Dit kan verklaard worden door twee factoren: door werknemers geaccepteerde loonmatiging (met als effect: groot concurrentievermogen met het buitenland en banengroei) en toeneming van deeltijdarbeid.
Wat te doen tegen de "inactiviteit"? Te denken valt aan een sterke koppeling van inkomen aan arbeid en aan het basisinkomen. Een vorm van het eerste is om sociale bijstand aan werklozen te koppelen aan de bereidheid tot omscholing. Maar het bezwaar van het onder druk zetten van werklozen is het element van het "straffen van de slachtoffers" en de hoge kosten van begeleiding. Invoering van een bi is niet haalbaar, omdat het geven van iets voor niets voor de overgrote meerderheid onacceptabel is. In 1994 bleek 65% van de Nederlanders tegen een bi te zijn. De oplossing is volgens de auteur: loonsubsidie. Die "is een belangrijke stap naar economische onafhankelijkheid, zelfrespect, en sociale integratie van laag opgeleide groepen".
Hoe krijgen we het bi op de politieke agenda?
Sean Healy en Brigid Reynolds zijn beiden directeur geweest van het Justice Office van de CORl (Conference of Religious of lreland), de organisatie die er mede door hun activiteiten in is geslaagd het bi in Ierland nadrukkelijk op de politieke agenda te krijgen. In 1999 zal de Ierse regering het bi officieel aan de orde stellen. De auteurs zetten uiteen hoe dergelijke successen bereikt kunnen worden.
Alvorens een groepering voor het bi campagne gaat voeren en lobbyen moet deze een gemeenschappelijk oordeel hebben over de actuele belastingstructuur en sociale wetgeving. Ook is er enige overeenstemming vereist over de veranderingen die deze dienen te ondergaan. Zonder dat is er geen succesvolle communicatie met het publiek mogelijk. Het oordeel over de huidige situatie dient te berusten op wetenschappelijke rapporten waarnaar verwezen wordt, niemand mag in staat zijn om op wetenschappelijke gronden de uitgangspunten van de groep te ondermijnen. De toekomstvisie die wordt uitgedragen hoeft niet al te gedetailleerd te zijn, maar mag aan duidelijkheid niets te wensen over laten.
Het is voorts van het grootste belang dat er eenstemmigheid komt over de kernboodschappen die men zal uitdragen. Niet alle details van de plannen zijn bruikbaar en men zal hierin een keuze moeten maken. Mededelingen zijn alleen effectief als ze duidelijk laten zien wat er aan de hand is en waarom dat zo is. De mededelingen dienen kort te zijn, eenvoudig, specifiek en gericht. Mededelingen zijn in drie gevallen nodig: als de groep zelf acties onderneemt, als zij reageert op relevante ontwikkelingen en in tijden van crisis. De eerste situatie biedt de meeste kans op zorgvuldige formulering van de mededelingen, dus van die kans dient altijd gebruik gemaakt te worden om ze in overeenstemming te krijgen met de lange- en korte-termijn-doelstellingen.
De inhoud van de berichtgeving dient afgestemd te zijn op de doelgroepen, die ook nauwkeurig vastgesteld moeten worden. BIEN zou zich bijvoorbeeld moeten richten op o.a. de Europese Commissie, het Europees Parlement, de EEG-ministerraad, Europese regeringen, Europese parlementen en parlementariërs, politieke partijen, nationale en internationale vakbonden en werkgeversorganisaties, Ngo's, derde-wereld-organisaties, kerken en overige internationale organisaties als OECD, IMF en Wereldbank. Niet alle aandacht moet op de nationale regering gericht worden en de mededelingen dienen steeds aangepast te worden aan de actualiteit.
Steeds moet een bewuste keuze gemaakt worden van de vorm van de mededelingen: gesprekken onder vier ogen, brieven, samenvattingen, wetenschappelijke rapporten, (inter)nationale media, lokale media, internet, nieuwsbrieven, inzendingen aan specifieke groepen, openbare bijeenkomsten, databases. Men dient er rekening mee te houden dat de doelgroepen nooit veel tijd hebben, niet teveel tegelijk aan kunnen en hun eigen programma's en prioriteiten hebben. De berichten dienen dus echt belangrijk te zijn. Mededelingen zijn daarnaast volslagen nutteloos wanneer zij onvoldoende dynamiek en creativiteit aan de dag leggen.
Aan al het bovenstaande heen de CORI nauwkeurig de hand gehouden; vandaar het succes van deze christelijke organisatie. Opmerking verdient daarbij dat de auteurs handhaving op religieuze gronden van de culturele status quo (bv. wie niet werkt zal niet eten) nadrukkelijk afwijzen. Volgens hen beloven religieuze functionarissen aan mensen in moeilijkheden vaak "pie in tbe sky when they die" en vertellen hen niet alleen dat zij de huidige situatie dienen te accepteren maar ook dat God hen dit heeft bevolen.
Sally Lerner lijkt het erg moeilijk om in haar land, Canada, of in de VS het bi op de politieke agenda te krijgen, ondanks dat de OECD het bi heeft aangeprezen als één van de denkbare methoden om flexibiliteit en sociale eenhcid in de toekomst te garanderen.
Politici en andere invloedrijke figuren wensen niet serieus over het bi te discussiëren, waarschijnlijk omdat het bi te maken heeft met vrijheid en macht. De macht om anderen te overheersen ondanks de wil van die anderen om hun eigen leven te bepalen is zo oud als de wereld. Het bi ondermijnt de bestaande machtstructuren van de loonarbeid door de werknemers grotere vrijheid te gunnen. Degenen die zich van de bereidheid van werknemers om tegen geringe beloning te werken, afhankelijk voelen, verzetten zich zelfs tegen het verstrekken van partieel bi. Maar voor de meeste mensen die zich ertegen uitspreken is het bi in werkelijkheid een stap naar "real freedom".
Het verzet tegen het idee van een bi valt onder andere te herleiden tot de angst voor de vrijheid die door Erich Fromm is beschreven. Volgens deze heeft vrijheid voor het individu twee kanten: zij geeft de mogelijkheid om ongehinderd door autoriteiten zijn gang te gaan, maar heeft ook de aspecten van isolatie, eenzaamheid en nutteloosheid. De Europese arbeidsethiek (die inhoudt dat arbeid, ongeacht de inhoud daarvan, op zich altijd goed is, terwijl degene die niet werkt nutteloos is) vindt haar oorsprong in het Calvinisme en Lutheranisme en is later naar Noord-Amerika overgewaaid. De angst voor vrijheid is de angst voor nutteloosheid. Werkenden offeren zich op en benijden de rijken, maar richten, omdat zij zelf ook rijk willen zijn, hun onlustgevoelens op werklozen en andere kwetsbare groepen. In de VS lijdt dit tevens tot rassenhaat.
Dit alles betekent dat het bi ontdaan moet worden van een zekere bedreigende werking. Aan mensen die alleen hulp aan behoeftigen goedkeuren moet worden uitgelegd, dat die een armoedeval met zich meebrengt. Aan mensen die alleen hulp aan werkwilligen goedkeuren moet worden uitgelegd, dat mensen die van een bi willen leven nuttig onbetaald werk kunnen doen en bovendien geen schaarse banen meer wegkapen. En voor iedereen moet duidelijk zijn dat een leven waarin betaald werk geen allesoverheersende rol meer speelt kan leiden tot meer conlact tussen ouders en kinderen en meer mogelijkheden biedt tot allerlei noodzakelijke, maar ook recreatieve sociale en culturele activiteiten, tot studie, ondernemerschap etc. Anders blijft men het bi verwerpen.
Een wijsbegeerte van de politieke marginaliteit
Theo de Mare
De beoefening van wijsbegeerte is voor mij een langdurige oefening in het streven naar wijsheid en levenswijsheid. Bestaat er een steen der wijsheid? Bestaan er wijzen? Hoe herken je die?
Er bestaan mensen, wijsgeren, die er in slagen daar hun broodwinning van te maken. Zijn zij wijze mensen? Ik weet het niet! Ik geloof niet dat gediplomeerde denkers allemaal wijze mensen zijn, zelfs niet de beroemde!
Ik behoor tot de mensen die leven voor de wijsbegeerte. Ik heb er voor geleerd. Is het erg om er niet beroepsmatig mee bezig te zijn? Of heeft het speciale voordelen om als pure liefhebber met de wijsbegeerte bezig te zijn? Biedt de afwezigheid van de plichten van een beroep als filosoof (meestal docent) ruimte om een andere, vrijere manier van filosofiebeoefening te formuleren? Bijvoorbeeld door me rechtstreeks te richten tot gemarginaliseerde mensen zonder een beroep zoals AOW’ers, W AO’ers, werklozen en andere uitkeringsgerechtigden?
Is er een dialoog, een praktijk mogelijk van zoeken en formuleren van (levens-)wijsheid met deze groep, voornamelijk maatschappelijk onzichtbare mensen?
Ons leven is gebaseerd op de vrijheid die de sociale verzekeringen zoals pensioenen en de sociale zekerheidswetten ons bieden. Hoe ziet die vrijheid er voor mij in de bijstand uit?
Ik ga zoveel mogelijk mijn eigen weg. Ik verdraag met wisselend succes het maandelijks nutteloze ritueel van de sollicitatieplicht. Het is geen eenvoudige zaak om een baan te veroveren als je de veertig gepasseerd bent, laat staan de vijftig. Mijn motivatie voor een hetaalde baan is na de zoveelste afwijzing gezakt tot een dieptepunt. Herscholing of omscholing is een prachtige zaak, als het lukt. Ik heb gemerkt dat je je, al is het maar voor enkele jaren, uit de bijstand kan vechten. Maar niet blijvend! Ik heb toen gemerkt dat er ook grote nadelen aan vastzitten: het belangrijkste voor mij was wel dat het werk zoveel energie van me vergde dat ik te moe was om nog tijd te vinden om intensief bezig te zijn met wijshegeerte.
Gedurende mijn tweede langdurige werkloosheidsperiode heb ik geleerd mijn situatie als positief te ervaren. Ik denk dat een groot deel van mijn werkloosheidsproblematiek te maken heen met negatieve ervaringen door de werklozen en door de maatschappij, de werkenden, die de belastingen moeten opbrengen om de sociale zekerheid in de vorm van uitkeringen te financieren. Beiden zijn nauw met elkaar vervlochten, maar er zijn belangrijke verschillen.
De eersten hebben vaak negatieve ervaringen met hun zelfbeeld, met zinloosheidservaringen en met een relatief zwakke financiële positie. De tweede dominante groep, laten we zeggen de groep van de werkenden, ziet vaak alleen de financiële kant.
Bekeken vanuit de marginale positie van de eerste groep vind ik dat veel werk zonder problemen door computers en robots overgenomen kan worden. Veel bestaand betaald werk is een verkapte vorm van werkverschaffing. Ik vind het niet zo'n probleem meer dat de samenleving mij de ruimte heeft gegeven tot een marginaal bestaan zonder betaald werk. Vrij van betaald werk zijn heeft zijn nadelen zoals betaald werk dat ook heeft.
Toch heb ik grote bezwaren tegen de huidige oplossing van de structurele werkloosheid. De structurele werkloosheid als gevolg van technologische vernieuwingen is niet creatief doordacht. Het probleem van de werkloosheid wordt teveel geformuleerd als een individueel falen van de werklozen. Er bestaan globaal twee oplossingen voor structurele werkloosheid: de liberale oplossing via verlaging of afschaffing van het minimumloon. Anderen denken dat dit geen oplossing is, o.a. omdat veel beschikhaar werk niet gedaan kan worden door een groot deel van de werklozen omdat hun scholing ontoereikend is. En omdat de maatschappelijke tendens is dat eenvoudige arbeid in mensuren gemeten alleen nog maar zal afnemen.
De tweede oplossing is te vinden hij de voorstanders van het hasisinkomen. Het aantrekkelijke van deze oplossing is, dat de structurele werkloosheid als gevolg van de moderne efficiëntere produetiemethoden een herbezinning mogelijk maakt op traditionele waarden als het arbeidsethos. Het basisinkomen is geen cadeautje, maar een waardevol politiek instrument om alle mensen in staat te stellen in hun levensonderhoud te ' voorzien. Omdat er structureel te weining banen voor alle werklozen zijn.
Stel bijvoorheeld dat iedereen f 1.000,- per maand krijgt om van te leven, aangevuld met een individuele huursubsidie als je een hoge huur hebt. Als je meer wilt hebben, dan zoek je een parttime of fulltime baan. Er is geen sollicitatieplicht meer nodig. En mensen die f. 1.000,- per maand genoeg vinden, kunnen zonder belemmeringen hun eigen leven leiden.
Mensen die hier niet van kunnen leven en die door psychische of andere gezondheidsproblemen geen bijbaantje aankunnen, zouden met een aanvulling op hun uitkering geholpen kunnen worden. Alle andere werkJozen zullen veel meer gemotiveerd worden een bijbaan te zoeken, omdat de bijverdiensten niet, zoals nu, grotendeels of geheel gekort worden. Belangrijker nog is de afschaffing van de vernederende betutteling door de bureaucratie van de staat, bedrijfsverenigingen of arbodiensten.
Een wijsbegeerte van de politieke marginaliteit is een wijsbegeerte die uitgaat van wat ons tot mensen maakt
Andere zaken als status, familiekapitaal, auto, eigen huis, betaalde baan zijn secundair voor ons menszijn. Dat is primair dat wij de zorg voor onszelf zonder onnodige bevoogding door anderen met eigen hersenen in eigen handen kunnen nemen. Want wij ervaren allemaal in meerdere of mindere mate onze eigen verantwoordleijkheid voor ons leven.
De huidige inrichting van onze samenleving is hier niet op gericht, omdat niet de ouderwetse handambachtelijke technologie domineert, maar de moderne efficiënte industriële informatietechnologie, waar een volledige werkgelegenheid niet mee samengaat.
Theo de Mare is werkzaam als redacteur bij KWERK, tijdschrift uitgegeven door Mensen Zonder betaald Werk en is lid van de Vereniging Basisinkomen
Werk, werk en nog eens werk
Willem de Jonge
Wie werkt er eigenlijk?
Werk, werk en nog eens werk. Dat is het devies van het paarse kabinet en van vele Europese regeringen. En niet zonder reden. Want wie voor langere tijd werkloos is geweest, weet hoezeer ons bestaan wordt bepaald door ons beroep. De strijd tegen werkloosheid is dan ook een strijd tegen menselijke minderwaardigheid. Helaas blijkt werkloosheid een weerbarstige materie. Juist de maatregelen ten gunste van de kwetsbaarste groepen zoals banenpools, Melkertbanen, sollicitatiecursussen, bijscholingen, hebben iets van lapwerk, symptoombestrijding, dweilen met de kraan open. Het lijkt te schorten aan een brede verkenning van het probleem. Pas na zo'n verkenning kunnen we op zoek naar structurele oorzaken, om vandaaruit duurzame oplossingen aan te dragen.
Wat is eigenlijk werk? Wie de maatregelen en inspanningen tot werkverruiming bekijkt, kan niet aan de indruk ontkomen, dat men zich grotendeds beperkt tot betaalde arbeid in dienstverband of vrij ondernemerschap. Om de maatschappelijke behoefte aan werk in kaart te brengen en daarmee de zin en noodzaak ervan vast te stellen is heel wat meer nodig. Laten we een brede inventarisatie maken van maatschappelijk relevant werk. Dat wil zeggen: activiteiten die ook anderen dan de verrichter ze!f ten goede komen.
We zouden de volgende rubricering kunnen maken
De gevolgen van bewustzijnsvernauwing
Als we dit brede overzicht van werksoorten overzien en op zijn maatschappelijke waarde schatten, dan wordt duidelijk wat de gevolgen zijn van een enge benadering, die alleen in de eerste twee bovengenoemde categorieën werk geinteresseerd is. Werkzoekenden en andere uitkeringsgerechtigden worden verplicht zich van elke maatschappelijk nuttige activiteit te onthouden. Zouden zij hun bestaan zin geven in een van de categorieën 3 tot en met 6, dan worden ze van fraude verdacht of van onwil mee te werken aan het vinden van gangbaar werk. Zo worden zij gedwongen nietsnutten.
Elke creatieve bezigheid, die enige vergoeding oplevert, wordt ofwel verboden, omdat daarmee de officiële arbeidsmarkt zou worden ondermijnd, ofwel ontmoedigd door elke verdienste in mindering op de uitkering te brengen. De blindheid voor de vele nuances van werk leidt tot tweedeling, mensen met een beroep en mensen zonder beroep. Die tweede groep zou er niet moeten zijn. Daarmee wordt het aanzien van miljoenen mensen ondermijnd, zonder wie onze samenleving volkomen ontwricht zou zijn. Wat overblijft is een samenleving waarin werk en vrije tijd strikt gescheiden zijn, waarin mensen tijdens hun werk niet gestoord mogen worden en in hun vrije tijd niet gestoord wensen te worden. Een samenleving waarin politieke betrokkenheid, sociale participatie, spontane zorg aan medemensen, kleine hand- en spandiensten, zorg voor gezin en opvoeding enzovoorts niet ten koste mogen gaan van de tijd en aandacht, die het beroep opeist. En dat, terwijl wij de grootste moeite hebben voor iedereen een passende werkkring te vinden.
Dat moet toch anders kunnen.
Willem de Jonge is lid van de Vereniging basisinkomen waarvoor hij ondere andere vrijwilligerswerk verricht.