NIEUWSBRIEF VAN DE WERKPLAATS BASISINKOMEN

 

Nummer 3, maart 1990

ISSN 0924-3038

 

Inhoudsopgave

 

Redactioneel

In memoriam Janneke van der Plaat

De Werkplaats twee jaar: Het reële ideaal

Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk (MZBW)

Boeken, boeken!

Gedeeltelijk basisinkomen: Tussenstap of eindstation?

Vakbond: Een gemiste kans voor de AbvaKabo

Alleenwonen niet méér emancipatorisch dan samenwonen

't Werkt, maar niet voor alleenstaanden

Buitenlandse taferelen: BIEN-conferentie nummer 3

Informatie over de Werkplaats Basisinkomen

 

 

Redactioneel

Kort voor het ter perse gaan van dit derde nummer van 't Werkt niet meer bereikte ons het droeve bericht dat Janneke van der Plaat, voorzitter van de Werkplaats Basisinkomen en tevens voorzitter van de redactieraad, is overleden. Haar inzet en inbreng zal de redactie van deze nieuwsbrief node missen. In een In Memoriam wordt teruggeblikt op Jannekes rol bij de totstandkoming van de Werkplaats.

John Toxopeus stond op de jaarvergadering eind '89 stil bij het feit dat de Werkplaats twee jaar bestaat. Met zijnfeestrede opent het nummer. Mary Hallebeek versloeg de discussiebijeenkomst op diezelfde jaarvergadering, die als thema het gedeeltelijk basisinkomen (G BI) had. Is het GBI een wolf in schaapskleren, of toch een andere diersoort? De AbvaKabo liet een discussiestuk samenstellen over het nut van een basisinkomen. De (negatieve) conclusie kunt u vernemen van Paul de Beer, die niet bijzonder overtuigd raakte van de argumenten van de bond.

In de discussie-rubriek ten slotte twee reacties op het thema alleenstaanden. Jola Klein bestrijdt de stelling van Judit Klappe in de vorige nieuwsbrief dat het basisinkomen traditionele samenlevingsvormen bevordert. Lenie de Zwaan van het Centrum Individu en Samenleving CISA levert vervolgens commentaar op het weerwoord van Klein. Lees en oordeel zelf. Wordt vervolgd!

 

In memoriam Janneke van der Plaat

17 januari jongstleden overleed Janneke van der Plaat. Met haar verliest de Werkplaats Basisinkomen niet slechts haar voorzitter, maar tevens een van haar grondleggers en jarenlang voorvechtster van de idee van een basisinkomen.

Ruim vier jaar geleden sprak ik Janneke voor het eerst. Samen met Bram van Ojik zocht zij contact met voorstanders van het basisinkomen in uiteenlopende maatschappelijke groeperingen. Had zij toen niet mij, maar een ander benaderd, dan zou ik de afgelopen jaren wellicht aanmerkelijk meer vrije tijd hebben gehad, maar bovenal veel boeiende, uitdagende en plezierige ervaringen hebben gemist - ervaringen waarin Janneke vaak een centrale plaats innam.

Het leek misschien een wat samengeraapt clubje: de voorzitter van een kleine radicale partij, een beleidsmedewerker van een vakbond, een dissident in een grote sociaal-democratische partij en twee medewerkers van uitkeringsgerechtigden-organisaties. Maar het klikte wonderwel; misschien omdat we ons - Janneke voorop - niet in de eerste plaats als vertegenwoordigers van uiteenlopende organisaties opstelden, maar als voorstanders van een basisinkomen met een gemeenschappelijk doel voor ogen.

Het eerste resultaat was de succesvolle manifestatie in Krasnapolsky van 19 april 1986. Anderhalf jaar later was de Werkplaats Basisinkomen een feit. De meesten van ons vonden toen het moment gekomen om ons weer wat meer op andere zaken te gaan richten. Janneke verkoos echter om de structuur en werkwijze van de Werkplaats, zoals we die op papier hadden uitgedokterd, ook zelf in praktijk te helpen vormgeven. Het was dan ook niet meer dan vanzelfsprekend dat Janneke tot voorzitter van de Werkplaats Basisinkomen werd gekozen. Een functie die zij, tot haar ziekte het haar onmogelijk maakte, met veel inzet en enthousiasme vervulde.

De laatste twee jaar volgde ik haar wat meer van een afstand, al bleven we elkaar regelmatig tegenkomen. Vaak leidde dat tot prikkelende discussies, zoals in de Werkgroep Standpunt bepaling, die op verzoek van het dagelijks bestuur een antwoord trachtte te formuleren op de vraag welke standpunten de Werkplaats Basisinkomen nu precies moest innemen. Niet zelden had Janneke moeite met de wat al te liberale opvattingen die ik verkondigde. Maar altijd ging zij de strijd met open vizier aan, nooit verschanste ze zich in een dogmatische stellingname.

Zo zal ik haar graag herinneren: als iemand die haar mening niet onder stoelen of banken stak maar integendeel met kracht verdedigde, maar tegelijkertijd open stond voor tegenargumenten en bereid was zich van haar ongelijk te laten overtuigen. Aan die discussies en de vele andere plezierige contacten is nu abrupt een einde gekomen.

Janneke van der Plaat stond aan de wieg van de Werkplaats Basisinkomen - heeft haar er in zekere zin zelfs in gelegd. Zij heeft de Werkplaats geleerd haar eerste stappen te doen. Nu zullen we zonder Janneke verder moeten.

Paul de Beer, januari 1990

 

De Werkplaats twee jaar: Het reële ideaal

Door John Toxopeus

De Werkplaats bestaat nu ruim twee jaar, reden voor een feestrede. John Toxopeus hemelfietste op de jaarvergadering van de Werkplaats Basisinkomen eind 1989 langs de resultaten. Over een gemeenschappelijke ideaal en de wil om dat te realiseren.

Er zijn genoeg mensen die wat wij doen waanzin vinden. Basisinkomen is hemelfietserij. Discussies daarover passen niet in een tijd waarin wij mensen en dingen benaderen met realiteit en zakelijkheid. Sommigen, zoals onlangs staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken in het FNV-magazine, bestempelen het basisinkomen als een denkbeeld van uiterst links. Ik durf de stelling aan dat wij in de Werkplaats Basisinkomen mensen en groepen mensen verzameld hebben (en nog steeds verzamelen) die je kunt kenmerken als realisten. Wel realisten met idealen, maar overigens niet onder één hoedje te vangen.

Wij hebben te maken met vrouwen in de bijstand, die dagelijks de realiteit ondervinden van de ongelijke verdeling van inkomens. Wij ontmoeten in onze Werkplaats werklozen, of beter, baanlozen, die de realiteit ondervinden van ongelijke verdeling van allerlei soorten arbeid die wij in deze samenleving tegenkomen. De Werkplaats organiseert ook andere groepen uitkeringsgerechtigden, zoals arbeidsongeschikten, die de realiteit ondervinden van een uitkeringsniveau waarmee zij als regel niet kunnen delen in de stijgende welvaart.

In de Werkplaats verenigen zich vrouwen en mannen die er op wijzen dat zorg voor gezin en huishouden niet minder waardevol is dan werk in fabrieken en kantoren.

Van de Werkplaats zijn lid politieke partijen, en onderdelen daarvan, die de realiteit van scheve verhoudingen in de samenleving onderkennen en werken aan vernieuwing.

Wij komen in de Werkplaats mensen tegen met een christelijke levensovertuiging die de realiteit van hun geloof ervaren als een appèl om elkaar de ruimte te geven en dus te delen; vooral ook als het gaat om werk en geld.

Participanten van de Werkplaats zijn vakbonden, die dagelijks geconfronteerd worden met de realiteit van enerzijds massa's overbelaste, soms ook nog slecht betaalde mensen, anderzijds werklozen die niet delen in werk en welvaart.

Gemeenschappelijk ideaal

Gezamenlijk proberen wij, via de Werkplaats, vorm te geven aan een gemeenschappelijk ideaal: het dichterbij brengen van een basisinkomen voor iedereen. En het stemt tot grote tevredenheid dat al deze vogels van diverse pluimage al enkele jaren, door de bank genomen in goede harmonie, gestaag door werken voor deze zaak en daar veel tijd en energie in steken. Het bestuur van de Werkplaats heeft zich, tezamen met de werkgroepen, het afgelopen jaar ingezet om beleid en strategie te ontwikkelen en via publikaties beïnvloedend en voorlichtend bezig te zijn. Dat gebeurt overigens, en u kunt dat ook lezen in het jaarverslag, met beperkte middelen en mankracht. Ik doe een dringend beroep op u om die middelen en mankracht te verruimen. Natuurlijk niet door meer te betalen dan uw financiële verplichtingen aangeven. Wel door andere maatschappelijke organisaties te bewegen tot ondersteuning en lidmaatschap van de Werkplaats. Een breed draagvlak met een gezonde financiële basis is noodzakelijk om het werk voort te kunnen zetten en uit te bouwen. Want, een ideaal waar je achter staat is natuurlijk mooi. Maar zorgen dat het de praktijk wordt is natuurlijk veel mooier.

Dat dat kan is zeker. Net zo goed als het ideaal van recht op vakantie enkele tientallen jaren geleden werkelijkheid is geworden; of het recht op pensioen, de AOW-uitkering. Wij leven in een tijd waarin het mogelijk is om met steeds minder mensen ons nationaal inkomen op peil te houden; en dat ook nog op een milieuvriendelijke manier. En dat is geen kwestie meer van kunnen, dat is een kwestie van willen.

Kwestie van willen

Invoering van een basisinkomen is eveneens een kwestie van willen; indien u wenst, van politieke wil. Economen die tegen een basisinkomen zijn, kunnen dat aan de hand van economische modellen aantonen. Economen die voor een basisinkomen zijn kunnen bewijzen dat zij het gelijk aan hun kant hebben. Dat laatste is belangrijk genoeg. Op z'n minst zo belangrijk is naar mijn smaak de kracht van argumenten die ontleend kan worden aan onze opvattingen over sociale rechtvaardigheid. en die argumenten zijn vaak overtuigend voor degenen die echt willen luisteren en zich niet bij voorbaat af laten schrikken door iets nieuws. Degenen die zeggen dat de invoering van een basisinkomen onze maatschappelijke orde aantast, hebben zich nooit echt in dit onderwerp verdiept.

Ik denk dat het voor de komende periode een belangrijke taak is om discussies te beïnvloeden. Een taak voor onze organisaties en een taak voor ons als personen. Discussies binnen vakbonden, binnen vrijwilligersorganisaties van belangengroepen, binnen kerkgenootschappen, vrouwenbewegingen. Die discussies zullen voorts vooral moeten doordringen in de politieke partijen; vooral de grote, CDA en PvdA. Immers, in de politiek ligt de sleutel voor wetgeving die een basisinkomen dichterbij moet brengen. Ik spreek de wens en verwachting uit dat de Werkplaats daar een coördinerende en stimulerende taak in kan blijven vervullen. U kunt ons daar ook het komende jaar op aanspreken.

John Toxopeus is plaatsvervangend voorzitter van de Werkplaats Basisinkomen

 

Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk (MZBW)

Het samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk (MZBW) is ontstaan door een fusie van de Bond Voor Mensen zonder betaald werk BVM en de Landelijke Vereniging Belangengroepen Mensen Zonder Werk.

In 1985 heeft de MZBW zich voorgenomen te streven naar een basisinkomen. Het basisinkomen past binnen de ideeën van het samenwerkingsverband over een rechtvaardig en leefbaar inkomen voor iedereen. Het basisinkomen is een antwoord op de snelle uitstoot van arbeid. Ook met een drastische herverdeling van arbeid blijven grote groepen mensen buiten de betaalde arbeid.

Wat dit betreft verwachten wij bij herstel van de economische groei geen afname van de werkloosheid. Economische groei gaat immers gepaard met armoede en schaarste. Werkloosheid is geen tijdelijk verschijnsel, maar hoort bij de alles voor zich opeisende kapitaalsaccumulatie. Niet voor niets moeten werklozen afhankelijk blijven van een sociale zekerheid die hen verplicht tot passiviteit.

Voor ons staat of valt niet alles met het wel of niet verrichten van betaalde arbeid. Volledige werkgelegenheid hoort tot het rijk der fabelen. Bestaanszekerheid voor iedereen moet behalve uit arbeid ook uit andere middelen gehaald worden. Het basisinkomen biedt mogelijkheden om de prijs van arbeid goedkoper te maken, is ongunstig voor bedrijven die in robots willen investeren en gunstig voor bedrijven die veel mensen in dienst hebben.

Bedrijven worden zo direct verantwoordelijk gemaakt voor hun beleid. De lastendruk komt behalve op de lonen ook te liggen op de winsten, automatisering en het afstoten van wat niet winstgevend is. Alleen op deze manier raakt de "verzorgingsklasse" van de "zorgzame samenleving" uit het slob.

Overigens, het voorkomen van de ergste armoede (uit eigenbelang) is een idee dat verankerd zit in ons liberale denken. Het basisinkomen kan dit welbegrepen eigenbelang helpen verwezenlijken.

 

Boeken, boeken!

Stefan Késenne, m.m.v. Patrick Van Durne, Basisinkomen en Arbeidsaanbod, 22 blz.; Walter Van Trier, Basisinkomen en Implementatie, 27 blz., Instituut voor Politieke Ekologie, Studiecentrum voor Economisch en Sociaal Onderzoek (SESO), Universiteit Antwerpen (UFSIA).

In opdracht van de Vlaamse groene partij Agalev (lid van de Werkplaats Basisinkomen) hebben enkele medewerkers van de Universiteit van Antwerpen onderzoek verricht naar enerzijds de invloed van een basisinkomen op het arbeidsaanbod en anderzijds de strategie die invoering van een basisinkomen mogelijk zou kunnen maken.

Het eerste deel van het onderzoeksrapport bevat de uiteenzetting van een theoretisch model van het arbeidsaanbod, een overzicht van resultaten van eerder onderzoek en de uitkomsten van een eigen onderzoekje. Het theoretische model is vooral interessant omdat daarin, anders dan gebruikelijk, een onderscheid wordt gemaakt tussen "boeiende jobs" en "routine jobs" en tussen informeel (onbetaald) werken en consumeren. Het model maakt dus meer keuzen mogelijk dan alleen tussen betaald werken en (onbetaalde) vrije tijd. Het blijkt dan, dat een willekeurige werknemer, als reactie op de invoering van een basisinkomen, minder betaald werk zal willen verrichten - hetzelfde resultaat als uit meer traditionele modellen volgt. Maar de extra "vrije tijd" die daarvan het gevolg is, blijkt voor een groot deel aan informeel, onbetaald werk te zullen worden besteed, zodat de totale tijdsbesteding aan arbeid nauwelijks vermindert. Verder blijkt de voorkeur van de werknemer te verschuiven van routine werk naar meer boeiende, maar slechter betaalde banen.

Het eigen empirische onderzoek is gebaseerd op een enquête onder gehuwde vrouwen in de Antwerpse regio. Als deze vrouwen een basisinkomen op sociaal minimum-niveau zouden krijgen, zouden zij gemiddeld 20 tot 27 procent korter willen gaan werken. Dit resultaat stemt vrij goed overeen met de uitkomsten van eerder empirisch onderzoek.

Het tweede deel van het onderzoeksrapport, "Basisinkomen en implementatie", behelst een onderwerp dat doorgaans maar weinig aandacht krijgt van voorstanders van een basisinkomen. Het gaat om de vraag hoe de concrete vorm waarin het basisinkomen, zijn uitvoering en de invoeringsstrategie worden gepresenteerd, de kansen op realisering van het basisinkomen kan beïnvloeden. De auteur, Walter Van Trier, behandelt achtereenvolgens de "statische" elementen van een concreet voorstel (zoals de hoogte, de fmancieringswijze en de organisatie), de implementatie strategie (hoe voer je een basisinkomen stap voor stap in?), de keuzeregels die zouden moeten worden gehanteerd bij het ontwerpen van een concreet voorstel en een aantal elementen voor een "instapscenario" voor de invoering van een basisinkomen. Hoewel Van Trier voornamelijk met bekende voorbeelden aankomt, is de manier waarop hij verschillende keuzemogelijkheden presenteert toch heel origineel. Het is dan ook een notitie die bij de strategiediscussie in Nederland de nodige aandacht verdient te krijgen.

Pieter Gransbergen,Arbeid in zicht. Vicieuze cirkels in het arbeidsbestel, Thieme, Zutphen, 143 blz., ISBN 90 03 61602 7, ƒ 27,50

Paul de Beer, Arbeidsmarkt in perspectief, Van Loghum Slaterus, Deventer, 217 blz., ISBN 90 36801672, f 42,50.

Recent zijn twee onderwijsboeken over de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt verschenen waarin aandacht aan het basisinkomen wordt besteed. Beide boeken zijn bedoeld voor gebruik in het hoger onderwijs, maar zij zijn ook geschikt voor andere geïnteresseerden.

Gransbergen beschrijft in Arbeid in zicht eerst een aantal belangrijke kenmerken en eigenaardigheden van het bestaande arbeidsbestel. Vervolgens behandelt hij een aantal ontwikkelingen en voorstellen die tot ingrijpende veranderingen in het arbeidsbestel zouden kunnen leiden. Het basisinkomen is daar een van.

De Beers Arbeidsmarkt in perspectief is een bewerking van het WBS-rapport Werkloos toezien? dat in de eerste Nieuwsbrief is gesignaleerd. In het eerste deel van het boek behandelt hij de te verwachten toekomstige ontwikkelingen aan de vraagzijde en de aanbodzijde van de arbeidsmarkt en de wisselwerking tussen beide. In het tweede deel worden drie mogelijke toekomst scenario's van de arbeidsmarkt gepresenteerd. In een daarvan, het "meerkeuzescenario", neemt het basisinkomen een centrale plaats in.

Arbeid en inkomen: een LAT-relatie, themanummer van het Tijdschrift voor Arbeid en Bewustzijn, jrg. 13, nr. 2, juni 1989, Uitgeverij Jan van Arkel, Postbus 13094,3507 LB Utrecht, ISSN 0166-6088 (losse nummers f12,50, abonnementsprijs f 30,- per jaar voor vier nummers).

Dit themanummer van het Tijdschrift voor Arbeid en Bewustzijn is voor een groot deel gewijd aan de relatie tussen arbeid en inkomen en dus - onvermijdelijk - aan het basisinkomen. Harry Coenen plaatst een aantal kritische kanttekeningen bij "het arbeidsbegrip van de vakbeweging" in een aardig maar niet erg diepgravend artikel. Nel van Dijk gaat in op de internationale (met name Europese) discussie over het basisinkomen. Henk van der Kolk herhaalt een aantal bekende argumenten voor het basisinkomen die samenhangen met de situatie op de arbeidsmarkt (ATV, flexibilisering).

Het belangrijkste stuk is een lang artikel van Ulrich Mückenberger, Claus Offe en Ilona Ostner, "Basisinkomen: haast is geboden". Deze drie hooggeleerde oosterburen maken impliciet duidelijk dat Nederland een voorhoederol vervult in de discussie over het basisinkomen. Hoewel hun artikel zeker het lezen waard is, zal iemand die de discussies en publikaties over het basisinkomen in Nederland gevolgd heeft, er namelijk geen nieuwe argumenten of gezichtspunten in ontdekken.

 

 

Gedeeltelijk basisinkomen: Tussenstap of eindstation?

Door Mary Hallebeek

Er zijn voor de vuist weg meer verschillen dan overeenkomsten te noemen tussen een gedeeltelijk basisinkomen (GBI) en een volledig basisinkomen (VBI). Dat was één van de conclusies van de middagdiscussie op de jaarvergadering van de Werkplaats Basisinkomen op 25 november van het verleden jaar. Mary Hallebeek was erbij en noteerde de pro's en contra's.

Met gejuich werd het gedeeltelijk basisinkomen op de jaarvergadering bepaald niet binnengehaald. Omdat het niet genoeg is om van te leven, worden allerlei positieve effecten van het volledig basisinkomen gemist. Maar evenmin werd het idee radicaal van de hand gewezen. Het bredere draagvlak dat voor het GBI bestaat, is nu eenmaal niet onaantrekkelijk.

Thssen deze twee uitersten ontspon zich een discussie over voor- en nadelen, strategie, effecten, voorwaarden en standpunten. Met als voorzichtige conclusie dat een gedeeltelijk basisinkomen onder bepaalde voorwaarden het overwegen waard is. Eén daarvan is dat het een stap moet zijn op weg naar een volledig basisinkomen.

De voor- en nadelen werden scherp uiteengezet door Paul de Beer van de Wiarda Beckman Stichting en Henk van der Kolk, voorheen economisch medewerker van de Voedingsbond FNv. Voorop werd gesteld dat de koppeling van verschillende maatregelen aan een gedeeltelijk basisinkomen - zoals het afschaffen of het verlagen van het minimum loon, het afschaffen van uitkeringen boven het sociale minimum en een toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt - niet automatisch hoeft plaats te vinden. Door een dergelijke koppeling bestaat de kans dat werknemers er bij invoering van een GBI eerder op achteruit dan op vooruit gaan. De machtsverhouding tussen werknemer en werkgever blijft immers gehandhaafd. De gewenste effecten van een basisinkomen - noem bijvoorbeeld de verdeling van werk en rijkdom, noem de mogelijkheid om tijdelijk te stoppen met een betaalde baan buitenshuis - worden gemist. Ook kan flexibilisering nadelige gevolgen hebben zoals het afschaffen van het minimumloon of verminderde ontslagbescherming. Zodoende wordt de werknemer speelbal en sluitpost.

Gunstig en ongunstig

Uitkeringsgerechtigden die samen met anderen een huishouden voeren, gaan erop vooruit in die zin dat voor het GBI geen partner toets geldt. Maar naast een GBI blijft een aanvulling tot het sociale minimum nodig. En voor deze aanvulling gelden onverkort alle voorwaarden die nu ook al voor een uitkering gelden: de partnertoets, de sollicitatieplicht en de beperkte mogelijkheden voor vrijwilligerswerk en scholing. Mensen die onbetaald werk doen en geen uitkering krijgen gaan er zonder meer op vooruit. Maar met 450,- per maand (dat zou bijvoorbeeld de hoogte van het GBI kunnen zijn) kan uiteraard geen sprake zijn van economische zelfstandigheid.

Tegenover dit negatieve beeld staan enkele gunstige effecten. Met een gedeeltelijk basisinkomen is het makkelijker iets minder te gaan werken. Dat resulteert in herverdeling van werk, zij het op zeer bescheiden schaal. Ook betekent het GBI een steuntje in de rug van startende ondernemers. Met een GBI zullen meer mensen het aandurven een eigen bedrijfje te starten en meer zullen er in slagen het vol te houden. Ook op het gebied van de sociale zekerheid zijn voordelen te noemen. Met een zekere financiële basis hoeven minder mensen een beroep te doen op de bijstandswet.

Bovendien kan de toeslagenwet worden afgeschaft. Volgens deze wet krijgen mensen een toeslag als het inkomen van de partner onder het sociale minimum zakt. Door het GBI wordt de toeslag overbodig en kan de wet vervallen. En daarmee wordt het totale systeem wat eenvoudiger.

Draagvlak vergroten

Veel aandacht werd besteed aan de vraag of het juist is water bij de wijn te doen door het GBI te accepteren en daarmee het draagvlak voor het basisinkomen te vergroten. Enerzijds bestaat het gevaar dat een GBI de vrije werking van het marktmechanisme vergroot. Dat betekent dat alles boven het basisinkomen wordt overgelaten aan de vrije krachten (afschaffing minimumloon, verlaging uitkeringen werknemersverzekeringen, verzwakking ontslagrecht en dergelijke). Om die redenen zijn veel liberalen voorstander van GBI.

Dit grotere draagvlak is te danken aan het feit dat de invoering van een GBI, in tegenstelling tot een VBI, geen cultuurbreuk met zich meebrengt. De relatie arbeid-inkomen blijft bestaan. Wie werkloos is moet beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt. Kortom: de morele arbeidsplicht blijft bestaan. Daarbij komt dat een GBI eerder betaalbaar is dan een VBI, het haalt minder overhoop en wekt daarom minder weerstand.

Vraag blijft in hoeverre een GBI een tussenstap is en niet een eindstation. Een VBI bereiken via een GBI, zo meende men, is een kwestie van vertrouwen in de eigen krachten. En het stellen van een aantal voorwaarden. Deze werden op een rijtje gezet.

En het einddoel is en blijft de invoering van het volledige basisinkomen.

Mary Hallebeek is journalistiek medewerker bij de Industrie- en Voedingsbond CNV

 

Vakbond: Een gemiste kans voor de AbvaKabo

Door Paul de Beer

Het aantal vakbonden dat zich achter het streven naar een basisinkomen schaart, is nog steeds gering. Alleen de Voedingsbond FNV en de Industrie- en Voedingsbond CNV zijn lid van de Werkplaats Basisinkomen. Wel wordt er regelmatig in andere bonden over het basisinkomen gediscussieerd. Zo verdiepte het afgelopen jaar een werkgroep van de AbvaKabo, de FNV-bond van ambtenaren en trendvolgers, zich in de voors en tegens van een basisinkomen. Conclusie: nee, liever niet. Paul de Beer weegt de argumenten.

Zoals wel vaker kwam het initiatief om aandacht aan het basisinkomen te besteden van de basis. In februari 1988 gaf de bondsraad van de AbvaKabo opdracht aan het bondsbestuur om een werkgroep in te stellen die zich over het idee van een basisinkomen moest buigen. Deze werkgroep middellange termijn beleid (MLTB) schakelde vervolgens het onderzoekbureau Research voor Beleid in om achtergrondinformatie voor de discussie aan te dragen, hetgeen het rapport "Betaald werk, onbetaald werk, bestaansminimum ... en een basisinkomen?" opleverde. Dit achtergronddocument bevat een gedegen inventarisatie van voorstellen en ideeën met betrekking tot het basisinkomen en vooral ook met betrekking tot de relatie tussen het basisinkomen en doelstellingen als herstel van volledige werkgelegenheid en individualisering van de sociale zekerheid. De onderzoekers van Research voor Beleid hadden niet de opdracht om een standpunt voor of tegen het basisinkomen te formuleren. Wel geven zij aan het einde van hun rapport aan voor welke keuzen men staat: wil men op betrekkelijk korte termijn belangrijke resultaten boeken (zoals bijvoorbeeld een 25-urige werkweek in 1994 en een omvangrijke herverdeling van betaald en onbetaald werk), dan kan invoering van een basisinkomen daaraan een welkome en misschien wel onmisbare bijdrage leveren. Kiest men daarentegen voor een beleid van kleine stappen (bijvoorbeeld langs de weg van een geleidelijke arbeidsduurverkorting), dan kunnen op wat langere termijn dezelfde resultaten worden bereikt zonder dat daarvoor een ingrijpende maatregel als een basisinkomen nodig of wenselijk is.

Economische zelfstandigheid zonder basisinkomen: minstens een halve eeuw

In het eindrapport van de werkgroep MLTB, Basisinkomen, economische zelfstandigheid en betaald en onbetaald werk, is van de genuanceerde afwegingen in het achtergronddocument van Research voor Beleid maar weinig terug te vinden. Het wordt dan ook niet helemaal duidelijk waarom de werkgroep invoering van een basisinkomen meent te moeten afwijzen. Twee redenen lijken doorslaggevend; het is vooral de combinatie van beide redenen die de invoering van een basisinkomen onnodig en zelfs onwenselijk maakt in de ogen van de AbvaKabo.

Ten eerste wordt al bij de uitgangspunten gesteld, dat het verrichten van betaalde arbeid het aangewezen middel is om economische zelfstandigheid en maatschappelijke invloed te verwerven. Ten tweede heeft men er vertrouwen in, dat min of meer "traditionele" instrumenten als geleidelijke arbeidsduurverkorting en het scheppen van banen in de collectieve sector op middellange termijn de verwezenlijking van de doelstellingen van volledige en volwaardige werkgelegenheid en economische zelfstandigheid binnen bereik zullen brengen.

Het is jammer dat het eerste standpunt nauwelijks wordt beargumenteerd. Door voorstanders van een basisinkomen is er al vaak op gewezen, dat de vermeende voordelen van betaald werk (zoals ontplooiingsmogelijkheden, maatschappelijke invloed en sociale contacten) voor veel banen lang niet zo vanzelfsprekend zijn als dikwijls wordt gesuggereerd, terwijl vrijwilligerswerk soms aanmerkelijk meer perspectieven biedt. Deze argumenten lijken echter niet tot de werkgroep van de AbvaKabo te zijn doorgedrongen.

Dat men ook langs de weg van geleidelijke stappen op middellange termijn de belangrijkste doelstellingen van de AbvaKabo kan realiseren, werd ook al in het achtergronddocument gesteld. Noch Research voor Beleid, noch de werkgroep MLTB staaft deze stelling echter met overtuigende argumenten. Het zal geen eenvoudige opgave zijn om de geregistreerde werkloosheid tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen - het kabinet-LubberslKok zal daar ongetwijfeld een zware dobber aan hebben. De AbvaKabo wil echter nog verder gaan, want ook voor alle vrouwen (van wie een groot deel niet als werkzoekende geregistreerd staat) moet er volwaardig werk komen. Verder moet de sociale zekerheid geïndividualiseerd worden, zodat iedereen, ongeacht samenlevingsvorm of partnerinkomen, recht heeft op een eigen uitkering. Dat wil men "cohortsgewijs" invoeren, dat wil zeggen dat iedereen die na een bepaald jaar is geboren onder het nieuwe geïndividualiseerde stelsel valt. Hoewel men ook aan oudere vrouwen de mogelijkheid wil bieden om te kiezen voor geïndividualiseerde uitkeringsaanspraken, zal een cohortsgewijze invoering toch haast onvermijdelijk betekenen, dat het bijna een halve eeuw zal duren voordat voor iedereen economische zelfstandigheid is gerealiseerd!

Op een later moment?

De werkgroep MLTB concludeert uiteindelijk, dat "de introductie van een basisinkomen dat voldoende is om in het levensonderhoud te voorzien op dit moment in elk geval niet noodzakelijk en niet gewenst is". Deze conclusie is inmiddels door de bondsraad overgenomen en daarmee tot het officiële standpunt van de AbvaKabo geworden. De formulering "op dit moment" lijkt nog ruimte te laten voor een heroverweging van dit standpunt op een later tijdstip, bijvoorbeeld wanneer de door de AbvaKabo bepleite instrumenten niet de gewenste resultaten zouden blijken op te leveren. Xander den Uyl, secretaris van de werkgroep MLTB, verwacht evenwel dat met dit rapport de discussie over het basisinkomen in de AbvaKabo tot een einde is gekomen. Gezien de weinig overtuigende argumentatie waarop de negatieve conclusie is gebaseerd, kan dit niet anders dan een gemiste kans worden genoemd.

Paul de Beer is medewerker van de Wiardi Beckman Stichting en lid van de werkgroep onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen

 

Alleenwonen niet méér emancipatorisch dan samenwonen

Door Jola Klein

"Invoering van een basisinkomen werkt nadelig uit voor alleenstaanden. Samenwonenden die samen twee maal het basisinkomen krijgen, zullen er namelijk veel meer op vooruit gaan dan alleenstaanden. En dat waren juist degenen die individualisering zelf gerealiseerd hebben. " Dat beweerde Judit Klappe in de vorige Nieuwsbrief. In deze aflevering van discussie wordt de handschoen opgepakt door Jola Klein, maar ook in het artikel hierna door Lenie de Zwaan.

Het basisinkomen werkt maatschappelijke individualisering tegen en bevordert traditionele samenlevingsvormen - luidt de conclusie van Klappe. Dit bezwaar berust in mijn ogen op een misvatting over individualisering. Individualisering is namelijk niet exclusief voorbehouden aan alleenwonenden. Alleenwonen is op zich niet meer emancipatorisch dan samenwonen. Wat echter aan bepaalde vormen van samenwonen mankeert, is de financiële afhankelijkheid van de partner. Invoering van het basisinkomen biedt alle samenwonenden financiële ruimte en, niet minder belangrijk, de legitimatie zich los te maken van de ondergeschiktheid aan het samenlevingsverband.

Inzet van het basisinkomen is de realisatie van het recht van iedere burger op een individueel inkomen, dat hoog genoeg is om van te leven. Daarmee wordt een eind gemaakt aan de economische afuankelijkheid van niet-(betaald)-werkende partners. Dit geïndividualiseerde inkomen maakt het mogelijk dat de individuele keuzes van de samenwonende in levensstijl (sociale leven, eten, hobby's, huisinrichting) gerealiseerd worden. In de huidige situatie zijn de wensen van niet-werkende partners vaak ondergeschikt aan het belang van de samenlevingsvorm. Dat de gezinslevensstijl zo eenvormig (en dus zo goedkoop is) kan gezien worden als een uitdrukking van deze ondergeschiktheid.

Waar Klappe vanuit gaat is de huidige situatie, waarin binnen samenlevingsverbanden geen ruimte voor individuele keuzes bestaat. Het valt haar op, dat de gezinslevensstijl goedkoper is, maar ze beseft niet dat die tot stand komt ten koste van niet-werkende partners. Als we individualisering binnen het gezin serieus willen nemen, moeten we niet kijken naar de huidige levensstijl van gezinnen maar deze vergelijken met twee alleenstaanden. Het geïndividualiseerde basisinkomen moet het individu financiële ruimte geven om ook binnen de samenlevingsvorm eigen keuzes te kunnen maken, onafuankelijk van de partner.

Bij basisinkomen lagere vastrechttarieven noodzakelijk

Het tweede, financiële argument dat Klappe in haar artikel hanteert, snijdt mijns inziens meer hout. Ze slaat de spijker op de kop waar ze stelt dat invoering van een basisinkomen vergezeld hoort te gaan van een verandering van vaste-lasten tarieven (bijvoorbeeld het vastrechtbedrag bij energie- en telefoonbetaling). Niet alleen omdat deze tarieven zoals ze nu zijn alleenwonenden duperen, zoals Klappe schrijft, maar ook omdat deze een belangrijke belemmering vormen voor individualisering binnen samenlevingsverbanden. Het huidige tarievenstelsel is gebaseerd op het traditionele gezinsleven, die weinig ruimte laat voor individuele keuzes van gezinsleden. Uitgangspunt van een alternatief systeem moet zijn: een lager vastrechtbedrag en hogere verbruikskosten.

Daarnaast moet men zich in het woningbouwbeleid meer laten leiden door de individuele woonbehoeften binnen samenlevingsverbanden.

Het individu in een samenlevingsverband moet ook de mogelijkheid hebben om te beschikken over een eigen ruimte. Deze individualisering van woonruimte in samenlevingsverbanden zal de situatie van samenwonenden en alleenwonenden dichter bij elkaar brengen. Ook in fmancieel opzicht, omdat individualisering van woonruimte voor samenwonenden haar weerslag zal hebben in de woonkosten.

Het is niet in de eerste plaats mijn bedoeling Klappe ervan te overtuigen dat in de praktijk samenwonenden fmancieel niet beter af zullen zijn dan alleenwonenden. Het lijkt me voor de hand liggen, dat twee samenwonenden niet twee wasmachines aanschaffen maar samen één. Deze voordelen kunnen echter niet als een structurele onrechtvaardigheid gezien worden. Met je buren kun je ook op een aantal punten tot samenwerking komen. Ofwil Klappe een strafkorting invoeren voor een eetclubje of het delen van de krant?

Individualisering is iets anders dan verplicht zijn alles in je eentje te doen. Het basisinkomen biedt je echter wel de mogelijkheid om die keuze te maken.

Jola Klein is filosofe.

 

 

't Werkt, maar niet voor alleenstaanden

Door Lenie de Zwaan

In dit derde discussie-artikel in successie beschuldigt Lenie de Zwaan Jola Klein van inconsequent redeneren. De Zwaan legt uit dat het basisinkomen in de huidige opzet beslist nadelig is voor alleenstaanden - zij zullen merendeels de kost (basisinkomen) moeten opbrengen voor samenwonenden. Spijtig genoeg weinig verschil met de huidige situatie, concludeert De Zwaan.

In weerwil van het veelvuldig gebruik van de term "individualisering", staat ook in de discussie over het basisinkomen stilzwijgend het samenleefverband centraal. Dat leidt nogal eens tot inconsequente redeneringen. Een mooi voorbeeld daarvan levert Jola Klein in het artikel hiervoor.

Zij verklaart het niet eens te zijn met de opvatting van Judit Klappe in de vorige Nieuwsbrief Basisinkomen dat individueel levenden - "Ilevo's" noem ik ze hier verder; mijns inziens een betere term voor alleenstaanden - zélf voor zich individualisering en economische zelfstandigheid hebben gerealiseerd. In één adem voegt Klein daaraan toe dat invoering van het basisinkomen alle samenwonenden financiële ruimte biedt en de legitimatie zich los te maken van de ondergeschiktheid aan het samenleefverband. In haar ogen zijn samenwonenden blijkbaar toch niet zo geëmancipeerd.

Het verschil met individueel levenden is nu juist dat dezen, in een tijd dat zij geacht werden economisch (én sociaal) afhankelijk te zijn van ouders of familie, zich zelf onafhankelijkheid verwierven. Dat gold vooral de ongehuwde vrouwen, ook wanneer zij samenwoonden. Tegen alle vooroordelen ten aanzien van werkende vrouwen in een mannenmaatschappij in, gingen zij hun eigen brood verdienen en namen zij de vele maatschappelijke ongemakken daarbij voor lief. De beste legitimatie zich los te maken van het samenleefverband is in eigen onderhoud te voorzien en alle plichten en rechten te accepteren, die individueel levenden daarbij ook op zich (moeten) nemen.

Basisinkomen nadelig voor Ilevo's

Ik ben van mening dat invoering van een basisinkomen onder handhaving van de manier, waarop onze samenleving is ingericht, wel degelijk nadelig is voor de Ilevo's. Ik zal voor deze stelling een aantal argumenten noemen. De (macro )economische aspecten laat ik daarbij buiten beschouwing.

Voor de duidelijkheid zal ik het eerder gebruikte voorbeeld volgen van een basisinkomen van f1. 200 netto per maand voor iedere volwassene. Twee samenwoners zullen over tweemaal het inkomen gaan beschikken van dat van een alleenwoner. Het relatieve inkomensverlies voor de laatste wordt bij lange na niet goed gemaakt door bepaalde vaste tarieven (zoals onroerend-goedbelasting en vastrechttarieven) voor hem of haar te verlagen. Daarnaast kunnen de woonlasten nooit zodanig worden geïndividualiseerd, dat deze voor alleenwonenden de helft bedragen van die voor samenwonenden. Hetzelfde geldt voor andere consumptieve bestedingen. Kortom, Ilevo's blijven aanzienlijke zogenaamde schaalnadelen behouden. Dat betekent dat samenwonenden over meer dan tweemaal het besteedbaar inkomen beschikken dan alleenwonenden te besteden hebben. Door hun relatief hoge vaste (woon)lasten, het ontbreken van schaalvoordelen bij de huishoudelijke consumptie en het missen van voordeeltarieven bij openbaar vervoer, vakanties en dergelijke, beschikken zij over aanzienlijk minder koopkracht dan de helft van het twee-inkomen.

Daarnaast wordt de keuzevrijheid van de Ilevo's ingeperkt. Leden van meerpersoonshuishoudens kunnen het zich veroorloven zich - al dan niet gedeeltelijk - van de arbeidsmarkt terug te trekken, zonder op een minimaal bestaan terug te vallen. Vooral mensen met eentonig, onaangenaam werk zullen van die gelegenheid gebruik maken. Wanneer een Ilevo meer wil dan een minimaal bestaan, zal deze beroepsarbeid moeten verrichten, ook al betreft het onaangenaam werk.

U zult mij tegenwerpen, dat hij of zij dan een deeltijdbaan kan nemen en daardoor de arbeidstijd kan verkorten. Alles goed en wel, maar een basisinkomen voor iedereen blaast wel de lastendruk boven het niveau van dat basisinkomen op. Met andere woorden, de marginale druk zal ster k stijgen. Dat kan betekenen dat voor hetzelfde netto loon of salaris van nu aanzienlijk langer zal moeten worden gewerkt.

Basisinkomen: géén individuele keuze

Invoering van een basisinkomen op de manier zoals van verschillende zijde wordt bepleit, beperkt de keuzemogelijkheden in leefstijl voor alleenwonenden. Er ontstaat zowel een zeer scheve verdeling in inkomenspositie als in vrije tijd.

Dat zou te accepteren zijn, indien deze verschillen het gevolg waren van individuele keuzen. Bij invoering van een basisinkomen is dat echter niet het geval. Zo'n inkomen waar geen arbeidsprestatie tegenover staat, moet uit de collectieve middelen (bijvoorbeeld belastingen) worden opgebracht. De lasten daarvoor zullen min of meer eenzijdig drukken op degenen, die in principe genoodzaakt zijn via beroepsarbeid hun inkomen aan te vullen.

Voor elke gulden zullen zij bovendien langer moeten werken dan thans, omdat de lastendruk op elke verdiende gulden zeer hoog zal zijn. Voor een individueel welvaartsniveau dat - zowel voor Ilevo's als voor samenwonenden - gemiddeld ongeveer gelijk is aan dat van thans, zal een Ilevo in vergelijking met samenwonenden nog meer tijd in beroepsarbeid moeten investeren dan nu het geval is.

In feite moet de conclusie luiden, dat - als groep bezien - de Ilevo's hun eigen basisinkomen zullen moeten verdienen. Daarnaast zullen zij het merendeel van de lasten moeten opbrengen voor het basisinkomen van samenwoners. Deze groep kan zich immers in beginsel een geringere arbeidsparticipatie veroorloven.

Veel verschil met de huidige bevoorrechte positie van de zogenaamde alleenverdieners ("kostwinners") kan ik niet ontwaren.

Schrijver dezes staat in wezen niet principieel negatief ten opzichte van een basisinkomen. Er kunnen voordelen aan zijn verbonden, maar dan moet eerst de samenleving, zowel in sociale zin (het primaat van de gezinsstructuur) als in economische zin totaal anders worden ingericht. Misschien krijg ik nog eens de gelegenheid mijn ideeën daarover in dit blad te ventileren.

Lenie de Zwaan is sociaal-psychologe en voorzitter van stichting CISA, Centrum Individu en Samenleving te Den Haag.

 

 

Buitenlandse taferelen: BIEN-conferentie nummer 3

 

De derde conferentie van BIEN (Basic Income European Network) wordt gehouden van woensdag 19 tot en met vrijdag 21 september 1990 aan het European University Institute in Firenze, Italië. Er zijn vier thema's: 1. Competingjustification for citizenship income 2. Citizenship income in alternative models of society 3. Moments of historical transition. Mist opportunities for citizenship income. 4. Towards a European citizenship income 1992. The social charter and beyond.

Wie meer wil weten of iets wil bijdragen, kan contact opnemen met Edwin Morley-Fletcher, Lega Nazionale delle Cooperative eMutue, Via A. Guattini 9, 1-00161 Roma, Italie. In het Nederlands inlichtingen bij Walter van Trier, Dep. Econ. Wetenschap UFSIA, Prinsstraat 13, B-2000 Antwerpen, o.v.v. "BIEN-conferentie 1990".

Bijstandsconferentie

Eind vorig jaar was er in Engeland een conferentie van de Europese Commissie ter verheldering van het begrip "bijstand" en wat bijstand betekent voor de minimuminkomens-systemen in Europa. Uiteraard werd ook het basisinkomen besproken. Chantal Euzby uit Grenoble vond basisinkomen onrealistisch en utopisch. Bernd Schulte (München), Hermione Parker (Basic Income Research Group, Groot-Brittannië) en Maria Garcia Gianichedda verdedigden het basisinkomen tegen de achtergrond van de onoplosbare tegenstellingen in de minimuminkomens-systemen. Basisinkomen kan een gemeenschappelijk doel van de lidstaten zijn, op voorwaarde dat de economische situatie goed genoeg is om een recht op basisinkomen toe te kunnen kennen.

Inlichtingen bij Graham Room, University of Bath, BA 27 AY Great Britain, telefoonnummer 09/45/225

Alexander de Roo

 

 

Informatie over de Werkplaats Basisinkomen

De Werkplaats Basisinkomen wil door voorlichting, bewustmaking en studie de invoering van een basisinkomen dichterbij brengen. De visie van de Werkplaats staat verwoord in de brochure Heilsleer of haarlemmerolie? Waarom de werkplaats een basisinkomen wil, verkrijgbaar bij het secretariaat, Herman Heijermansweg 20, i077 WL Amsterdam.

De Werkplaats ontplooit talloze activiteiten. Ze: