NIEUWSBRIEF VAN DE VERENIGING BASISINKOMEN

NUMMER 32, NOVEMBER 2000

INHOUD

BIEN 8e Congres, Berlijn - Verslag van Peter Paul de Witte

BIEN 8e Congres, Berlijn - Verslag van Emiel Schäfer

Justitia et Pax

PARTICIPATIEVERZEKERING EN PARTICIPATIE-INKOMEN

Inleiding

I. De participatieverzekering

II. Het participatie-inkomen

III. Voor- en nadelen van belde voorstellen

IV. Conclusie

Referenties

 

Dit nummer verscheen later omdat we veel aandacht wilden besteden aan het BIEN-congres en aan het participatieinkomen dat op het BIEN-congres ter sprake kwam. Wij hopen dat Uw geduld de moeite waard was.

Bijeenkomst voor leden op vrijdag 5 november 2001:

 

BIEN 8e Congres, Berlijn - Verslag van Peter Paul de Witte

Sinds een tijdje ben ik penningmeester van de vereniging. Op ideologische en een aantal praktische gronden was en ben ik een groot voorstander van de invoering van een basisinkomen. Ik heb een algemene ledenvergadering en verschillende bestuursvergaderingen bijgewoond en daar is mij gebleken dat er al veel meer wordt gedaan en is gebeurd dan ik mij bewust was. Argumenten worden gestaafd met degelijk wetenschappelijk onderzoek uit verschillende disciplines.

Nu ben ik naar het BIEN-congres in Berlijn geweest. Daar werd duidelijk dat overal ter wereld groepen mensen zich met wisselend succes hard maken voor de goede zaak. Er waren mensen uit allerlei Europese landen, maar ook uit Canada, de Verenigde Staten, Brazilië, Zuid-Afrika en Japan. Zoals de Braziliaanse senator Suplicy zegt zou het dus eigenlijk niet Basic Income European Network maar Earth network moeten heten.

Ik was niet echt voorbereid op het gezelschap dat ik in Berlijn zou aantreffen; in mijn T-shirt stak ik nogal af tegen de wereldleiders (Europarlementariërs, ministers van Finland en Duitsland en een voormalig minister-president van Frankrijk), professoren (o.a. van Yale) en zelfs een Nobelprijswinnaar.

Het laat zich raden dat het intellectuele niveau hoog was. Het Engels van een aantal van de sprekers uit het overvolle programma liet echter te wensen over. Ik moest me bij vlagen dan ook erg concentreren om de draad niet kwijt te raken.

Het basisinkomen kent vele aspecten; sociologen, economen en politicologen hebben ieder hun eigen benadering. Mijn insteek is vooral een praktische: hoe verkoop je het product basisinkomen? Met wat voor voorstellen kom je, hoe onderbouw je die, hoe krijg je het op de agenda en met welke argumenten overtuig je anderen?

Veel aanwezigen dachten in de richting van een participatie-inkomen; een basisinkomen onder voorbehoud dat mensen iets 'nuttigs' voor de samenleving doen, bijvoorbeeld zorgtaken of vrijwilligerswerk. Anderen verwachten een groter draagvlak als je een bovengrens stelt aan het inkomen waarmee je voor voorzieningen in aanmerking komt.

Onderzoek van de macro-economische gevolgen, de benodigde belastinghervorming en te verwachten arbeidsparticipatie moet de haalbaarheid van je voorstellen aantonen.

Je moet de gelegenheid krijgen (c.q. scheppen) om je opvattingen bij beleidsmakers te verkondigen. In Ierland worden, na een intensieve lobby, kerkelijke organisaties die zich openlijk voor het basisinkomen uitspreken bij plannen over sociale hervorming als gesprekspartner serieus genomen. In België weet sinds het oprichten van de politieke partij VIVANT een aanzienlijk deel van de bevolking een stuk meer over de materie.

Dan de argumenten:

Wie biedt er meer?!

Het was een zeer inspirerend congres met begeesterende sprekers als Guy Standing en Philippe van Parijs. De gepresenteerde papers zijn te vinden op het web. Wilt U een uitgebreider verslag kom dan naar de bijeenkomst van 5 januari 2001!

Peter Paul de Witte

 

BIEN 8e Congres, Berlijn - Verslag van Emiel Schäfer

Het Congres vond plaats in het Wetenschaps Centrum Berlijn in een gebouw uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Massieve leeuwekoppen in steen uitgehouwen, versieren de hoofdingang. In de zaal waarin de plenaire zittingen werden gehouden werd gememoreerd aan het feit dat Bismarck in deze zelfde zaal, in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, een begin had gemaakt met voorstellen voor sociale zekerheid in Duitsland.

Ingrid Robeyns benaderde de problematiek van het basisinkomen vanuit het perspectief van de verdeling van inkomsten en zorg tussen mannen en vrouwen. Voor haar onderzoek maakte Robeyns onder andere gebruik van het rapport van de Koning Boudewijnstichting in België. Elders in deze nieuwsbrief is meer te lezen over de reacties op dit rapport. Robeynsj constateert onder andere dat mannen in de huishouding slechts meehelpen en dat vrouwen echt de verantwoordelijkheid nemen voor de meeste taken in een huishouden. Aan deze ongelijkheid in werkdruk en taakverdeling is ondanks de emancipatie minder veranderd dan vaak gedacht wordt. Aan deze ongelijkheid valt slechts langzaam een verandering te bespeuren.

De overheid kan volgens Robeyns echter wel meer doen op het gebied van financiële ongelijkheid. Om aan de financiële ongelijkheid iets te doen pleit zij voor een participatieinkomen. Een dergelijk inkomen stelt als eis dat iemand maatschappelijk actief is, d.w.z. zorgen voor een familielid of vrijwilligerswerk, studie en omscholing tellen naast ondernemerschap en het werk in een betaalde functie wel mee, maar op het strand liggen of handelen in drugs telt niet mee. Daarmee verschilt het participatieinkomen van het basisinkomen. Het basisinkomen stelt immers geen enkele eis. Een aantal sprekers benadrukte dat het participatieinkomen makkelijekr aan de buitenwereld te verkopen is. Een onvoorwaardelijk basisinkomen roept teveel verzet op en dat verzet blokkeert dan zelfs stapsgewijze voortgang, zo was de teneur van de voordrachten. Oud-politici als Michel Rocard pleitten er dan ook voor om te proberen in gesprek te blijven door de eisen aan te passen. Op die manier krijg je niet de volle 100 procent maar misschien 20, maar dat is een begin. Van daaruit zou men verder kunnen.

Na de plenaire zittingen vonden telkens 4 werkgroepen tegelijkertijd plaats. In elke werkgroep werden 2 tot 3 papers besproken. Op deze wijze kon in twee congresdagen aan 48 papers aandacht worden besteed.

Verschillende aspecten van het basisinkomen kwamen hierin aan de orde. Er waren werkgroepen met een sterk economische, statistische en econometrische component. Daarin was te vernemen hoe bepaalde maatregelen zoals negatieve inkomstenbelasting en subsidies invloed hadden op het inkomen van mensen in verschillende situaties. Daarbij werden ook totale kosten berekend en de invloed op bestedingen en werkgelegenheid. Een voorbeeld hiervan werd gepresenteerd door Francois Blais en Jean-Yves Duclos van de laval Universiteit uit Quebec, Canada.

Wat mij betreft was de meest interessante en voor onze vereniging meest relevante werkgroep "Basic Income and Social Cohesion in an integrating Europe. waarin Roland Duchatelet, Yannick Vandenborcht, Sean Healy en Brigid Reynolds vertelden wat ze gedaan hadden in België respectievelijk Ierland om het basisinkomen op de politieke agenda te krijgen.

In België ijverde Roland Duchatelet al een tijd lang voor het basisinkomen. Hij schreef daartoe onder andere het boek "België NV: bericht aan de aandeelhouders." In zijn boek concludeert Duchatelet dat arbeid te zwaar wordt belast, consumptie onvoldoende wordt belast en dat in de verschillen in belasting hoogte tussen deze zaken een van de oorzaken ligt van de hoge werkloosheid. Werknemers zijn te duur om in dienst te nemen vanwege de premies en belastingen die bovenop het netto loon komen. Verder zouden inkomsten uit een hoge btw op consumptie gebruikt kunnen worden om aan iedere ingezetene een basisinkomen te betalen. Zo'n basisinkomen zou vervolgens als smeerolie dienen voor het aannemen van werk door degenen die werkloos zijn, maar tevens een impuls voor werkgevers om mensen in dienst te nemen omdat de sociale lasten wegvallen voor iedere werknemer. De sociale lasten (en het basisinkomen) zitten voortaan verdisconteerd in de heffingen op consumptie. Deze heffingen worden niet hoger. In de prijs van een glas bier in het café zitten nu ook al de sociale lasten inbegrepen, btw en accijnzen. Duchatelet verlegt de nadruk. Dat gebeurt ook in het plan van Piet van Elswijk waarover op deze plaats ook al eens geschreven is. Niet zozeer de hoogte van de heffingen wordt anders maar de nadruk. Deze verandering maakt arbeid ten opzichte van produktiemiddelen en consumpties lager in prijs.

Duchatelet vond bij politici weinig gehoor voor zijn ideeën. Geen enkele politieke partij wilde zelfs maar nadenken over hervorming van het stelsel van belastingen, premies en sociale zekerheid laat staan over het basisinkomen. Om deze reden richtte Duchatelet in 1997 een politieke partij met de naam VIVANT op en stopte ruim twee en een half miljoen Euro in een publiciteitscampagne. VIVANT had slechts een onderwerp in het partijprogramma, het basisinkomen. Vlak voor de verkiezingen in mei 1999 wist 10 % van de bevolking wat een basisinkomen was en dat VIVANT een basisinkomen wilde invoeren. 2 % van de kiesgerechtigden stemden op VIVANT. Dat was te weinig voor zetels in Vlaanderen en Wallonië maar in het gewest Brussel ging een zetel naar VIVANT. Helaas voor VIVANT distantieerde de betreffende persoon zich vervolgens van VIVANT.

Volgens Duchatelet was het toch de moeite waard omdat veel meer mensen dan voorheen nu kennis hadden van het basisinkomen. Daarnaast zagen een aantal politieke partijen zich genoodzaakt een mening te vormen over het basisinkomen en de hervorming van het stelsel van sociale zekerheid.

Michel Rocard, ex-premier van Frankrijk, zat ook in de werkgroep en was van mening dat voorstanders van een basisinkomen voorzichtig moesten zijn om te voorkomen dat er onnodig verzet wordt uitgelokt. Dat was volgens hem ook het probleem met politieke partijen die slechts een onderwerp in hun partijprogramma hebben. Niet iedereen was het met Rocard eens. Immers, ook de socialistische partijen en de milieupartijen zijn ooit begonnen met een enkel onderwerp.

Ierland

Sean Healy en Brigid Reynolds toonden hoe hun organisatie CORI (Conference Of the Religious of Ireland) bovenop de ontwikkelingen zit op het gebied van hervormingen in de sociale zekerheid en het belastingstelsel. Hun grootste verdienste vind ik dat CORI serieus wordt genomen en onderdeel uitmaakt van het overleg tussen werkgevers, werknemers en overheid. Ook zij werden begin jaren negentig nog weggewuifd toen zij vroegen om deel te mogen nemen in dit overleg. Zij bleven erop hameren dat zij als vertegenwoordigers van jongeren, vrouwen, werklozen en vrijwilligers niet genegeerd mochten worden. Na een aantal jaren werden zij toegelaten tot de sociaal economische raad, vergelijkbaar met de SER in Nederland.

CORI ziet het basisinkomen niet als doel op zich maar als middel op weg naar een rechtvaardige samenleving die op flexibele wijze kan inspelen op de snelle ontwikkelingen op het gebied van economie, werkgelegenheid, vergrijzing, gezondheidszorg, onderwijs en dienstverlening. Zij adviseren voorstanders van een basisinkomen die vooruitgang willen, compromissen te sluiten teneinde betrokken te blijven in het politieke besluitvormingsproces. Ierland krijgt een nieuw belastingstelsel waarin opgenomen een belastingkrediet. Het is bij lange na geen basisinkomen. Toch hebben Healy en Reynolds de plannen van de regering omarmd. De volgende stap is het participatieinkomen. Iedereen in Ierland weet dat deze plannen uiteindelijk zullen leiden tot invoering van een basisinkomen. Iedere politieke partij heeft dankzij de inspanningen van CORI, een mening over het basisinkomen.

Een van de lessen was dat we er niet vanuit moeten gaan dat alle politici weten wat een basisinkomen is. Nog minder goed weten politici dat een basisinkomen te betalen is. Verder weten politici absoluut niet hoe een basisinkomen ingevoerd zou moeten worden. Deze onkunde is een belangrijke oorzaak voor de afwijzende houding zo leerden de ervaringen uit Ierland. Healy en Reynolds vonden voor veel tegenargumenten een uitweg. Wanneer het argument gebruikt wordt dat het onbetaalbaar is zoek dan mensen met verstand van zaken die kunnen aantonen dat het wel betaalbaar is.

Ga ervan uit dat er altijd andere onderwerpen van de agenda af moeten voordat er tijd en aandacht wordt vrijgemaakt voor onderzoek naar het basisinkomen. Met andere woorden: je moet altijd strijden om de aandacht. Blijf ten allen tijde bereid tot het compromis. Dan creëer je een positieve sfeer van samenwerken en samen denken.

Justitia et Pax

Justitia et Pax, de katholieke mensenrechtenorganisatie, organiseerde onlangs een bijeenkomst over armoede in Nederland. Mede naar aanleiding van de magere resultaten van de armoedeconferentie (evenveel mensen als vijf jaar geleden leven onder de armoedegrens en de hoogte van het sociaal minimum staat niet ter discussie ondanks dat blijkt dat met name mensen die hier langdurig van moeten rondkomen bijna altijd in de schulden raken) gaven zij een boekje uit dat als uitgangspunt diende voor de discussie. Onder de titel "Komen rijken in de hemel?" vroegen verschillende auteurs zich af of rijkdom de oorzaak is van armoede of slechts tegelijk bestaat en of er mechanismen in de samenleving zijn die rijken rijker en armen armer maken.

In de Bergkerk in Amersfoort kwamen vertegenwoordigers van kerkelijke organisaties. maar ook bijvoorbeeld van vakbonden en de vereniging basisinkomen, bijeen om te luisteren naar sprekers en aan de discussie deel te nemen. Na inleidingen door de voormalige voorzitter van Justitia Hans van Munster en de voorzitter van de armoedeconferentie mevrouw Doelman-Pell gingen de professoren Weijtenberg en Manenschijn en de gepromoveerde econome Van Staveren in op de inhoud van het boekje en gaven hun visie op de problematiek.

Vooral mevrouw Van Staveren stal de show met haar verhaal dat wat zij de zorgeconomie noemt, steeds meer onder druk staat van de markteconomie en dat daar een oplossing voor moet worden gezocht: al dan niet financiële herwaardering van arbeid. Een participatie-inkomen (wat door velen wordt gezien als een stap in de richting van een basisinkomen) is hier een mogelijk antwoord op.

In de discussie die volgde kwam ook het basisinkomen aan de orde. Naast Saar Boerlage, Ria Dijkstra en ondergetekende waren er nog een aantal andere pleitbezorgers aanwezig. De sprekers bleken echter moeilijk te overtuigen.

Wij zijn als bestuur van de vereniging bezig met een project om organisaties van levensbeschouwelijke aard en bijvoorbeeld het CDA voor onze opvattingen warm te maken. We bekijken de mogelijkheid om al dan niet in samenwerking met anderen een expert meeting te beleggen maar daarover meer in de volgende nieuwsbrief.

 

PARTICIPATIEVERZEKERING EN PARTICIPATIE-INKOMEN

Twee wegen naar de actieve welvaartsstaat in de geest van het rapport van de Commissie Arbeid en Niet-arbeid aan de Koning Boudewijnstichting mei 2000

Onderstaande nota werd door de redactie grotendeels letterlijk overgenomen maar is op enkele punten ingekort. Deze nota geeft een beeld over hoe er in België en het Verenigd Koninkrijk op dit moment gedacht wordt over de toekomst van de welvaartsstaat. In de berekeningen worden soms de euro gebruikt ( fl 2,20371) soms de belgische frank (fl 0,054629)

Door Yannick Vandenborcht

 

Inleiding

Van Anthony Giddens en Ulrich Beek, tot minister Aubry en kanselier Schössel, overal doet het begrip 'actieve welvaartsstaat' opgeld. Maar waarover heeft men het precies? Hopelijk niet over een bureaucratische mallemolen die met nooit eerder geziene ijver bange bijstandstrekkers méér betuttelt en ongeruster maakt dan de verzorgingsstaat ooit heeft durven doen. Hopelijk wel - althans in de beste versies - over een staat met instellingen en een beleid dat iedereen aanmoedigt tot een vorm van activiteit die nuttig is voor de anderen, waarin men zijn capaciteiten kan ontplooien en ook de erkenning krijgt die alleen een gewaardeerde activiteit kan schenken. Voor de aanhangers is de actieve welvaartsstaat het tegendeel van de passieve welvaartsstaat die diegenen die niet meteen op de markt een nuttige, voldoende betaalde activiteit kunnen uitoefenen, alleen maar in hun passiviteit doet vastroesten.

Maar welke activiteit moet er zo nodig worden gestimuleerd? Traditioneel kan het hier alleen om 'arbeid' gaan, dus om een baan, een job, bezoldigd werk gepresteerd door een loontrekkende of zelfstandige. Naarmate in de voorbije decennia méér vrouwen op de arbeidsmarkt zijn gekomen, is de aldus gedefinieerde arbeid inderdaad een toonaangevende plaats gaan innemen in het leven van een steeds groter deel van de bevolking dat men precies de 'actieve' of 'werkende' bevolking noemt, of de bevolking 'in de actieve leeftijd'. De bekommernis om iedereen minstens de mogelijkheid te geven dergelijke arbeid uit te oefenen, vormt het basisbestanddeel van elk project voor een actieve welvaartsstaat.

De laatste tijd zijn echter - om uiteenlopende redenen - diverse stemmen te horen geweest die de eenzijdige focus op arbeid in enge zin aanklagen en eisen dat men het pertinente begrip activiteit substantieel verruimt. Zo'n stem weerklonk onder meer in het rapport 'Arbeid en niet-arbeid' dat door de Koning Boudewijnstichting werd gepubliceerd. Volgens de auteurs van het rapport moet het doel van de welvaartsstaat worden verbreed: het komt er voortaan op aan om "iedereen de mogelijkheid te geven actief deel te nemen aan activiteiten in arbeid en in niet-arbeid". Alle maatschappelijk nuttige activiteiten moeten dus worden gevaloriseerd, niet alleen bezoldigde arbeid.

In dat perspectief worden in het rapport aanbevelingen geformuleerd die het idee van de actieve welvaartsstaat in die gewenste, ruimere zin concretere vorm geven. Een aantal voorstellen heeft een eerder beperkte impact, maar daarnàast werpt het rapport zich expliciet op als voorstander van een "radicale hervorming", van een "totaal ander systeem van maatschappelijke zekerheid" . Zo wordt voorgesteld om de werkloosheidsverzekering diepgaand te veranderen, en daarmee zijn we aanbeland bij wat ongetwijfeld de meest originele aanbeveling van het rapport is. De auteurs stellen voor om de huidige werkloosheidsverzekering te vervangen door een nieuwe 'participatieverzekering' die de nietarbeidsactiviteiten van de burger moet herwaarderen en aanmoedigen.

Hoe moet dat interessante begrip 'participatieverzekering' nu verder worden ingevuld? Hoe kan het voorstel zo krachtig en coherent mogelijk worden geformuleerd? Welk verband is er met dat andere voorstel dat er heel dicht bij aanleunt, met name het 'participatie-inkomen' van de Britse econoom Anthony Atkinson? Welke zijn de voor- en nadelen van die twee pogingen om het verruimde concept 'actieve welvaartsstaat' meer inhoud te geven? Dat zijn de twee vragen waarop onze nota zal trachten te antwoorden.

 

I. De participatieverzekering

De werkloosheidsvallen

Ons systeem van werkloosheidsverzekering, ontstaan in een context van aanhoudende groei en haast volledige werkgelegenheid, is sterk historisch bepaald. Door de massale werkloosheid is het duur en bijzonder weinig efficiënt geworden.

Vooral het verzekeringsaspect werd bijgeschaafd, waardoor het systeem, om het met de woorden van het rapport te stellen, "stilaan en haast ongemerkt een gewaarborgd inkomen is geworden" . Veel uitkeringsgerechtigden belanden in die val en lijken definitief van de gewone arbeidsmarkt te verdwijnen. Bovendien wordt hun bijna elke andere activiteit verboden, op straffe van sancties. Het rapport, dat sterke nadruk legt op het fundamentele belang van toegang tot activiteit, onderstreept de noodzaak om de werkloosheidsverzekering grondig te herzien. Dat leidt tot onderstaande aanbeveling.

Een verruimde werkloosheidsverzekering

De werkloosheidsverzekering zou worden vervangen door een 'participatieverzekering' die "niet langer een verzekering tegen het wegvallen van formele arbeid zou zijn", maar "alle vormen van participatie zou dekken, terwijl de maatschappelijke bijstand (bestaansminimum) de niet-participatie zou blijven dekken" . Om recht te hebben op een vorm van uitkering, zou men niet langer onvrijwillig werkloos moeten zijn; een sociaal nuttige en onbezoldigde activiteit uitoefenen zou reeds volstaan. Met andere woorden, wie zijn baan verliest en actief werk zoekt, zou zoals nu zijn recht op uitkering blijven behouden, maar actief werk zoeken zou maar één bepaalde vorm van participatie zijn die de in het rapport geschetste regeling wil stimuleren. Ook andere maatschappelijk nuttige activiteiten zouden recht geven op uitkering.

De participatievoorwaarde

De Commissie "wenst echter geen gedetailleerde beschrijving te geven van wat dit maatschappelijk nut allemaal zou kunnen inhouden". De definitie van wat maatschappelijk nuttig is, moet "het onderwerp worden van breed maatschappelijk overleg, van een brede maatschappelijke consensus". Uit een aantal passages blijkt echter wel vrij duidelijk wat de Commissie voor ogen staat als zij het over 'maatschappelijk nuttige activiteiten' heeft die niet onder de noemer betaalde arbeid vallen. Zo onderscheidt zij twee categorieën 'niet-arbeid'. De eerste verwijst naar "individuele niet-arbeidsactiviteten die vooral op individueel nut zijn gericht, zoals ontspanning, vrije tijd, consumptie". De tweede categorie "verwijst naar sociale niet-arbeidsactiviteiten. Deze streven niet, of niet louter, persoonlijk nut na, maar de samenleving als geheel vaart er wel bij" . De voorgestelde participatieverzekering zou alleen op die sociale niet-arbeid of participatie betrekking hebben.

Een zekere ambiguïteit

In de participatie-activiteiten kan men drie categorieën onderscheiden: vorming, familiale bezigheden en engagement tegenover de gemeenschap. De participatieverzekering die in het rapport wordt geschetst, lijkt soms op die drie vormen van sociaal nuttige activiteiten te slaan. Soms lijkt ze alleen op de derde categorie ten volle van toepassing te zijn: "Aan de personen die maatschappelijk nuttige niet-arbeid verrichten door zich in een vereniging te engageren, zou beslist een uitkering moeten worden toegekend als expliciete erkenning van de waarde van die activiteit" , Bij activiteiten met familiaal nut of bij vorming, zou het er vooral om gaan de sociale rechten, met name inzake pensioen en gezondheidszorg, te behouden, 'Wanneer er bij die [educatieve en familiale) nietarbeidsactiviteiten sprake is van een zekere vergoeding, lijkt het logisch dat deze van de vroegere werkgever zou komen of uit eigen middelen zou worden betaald (bijvoorbeeld in een systeem van uitgesteld verlof)".

De beknotte variante

Naar onze mening is die 'beknotte' of partiële variant van de participatie niet de meest coherente, noch de meest veelbelovende. Dat ingeval van familiale activiteiten of vorming de vorige werkgever de participatie-uitkerfng zou moeten dragen, zal de werkgevers zeker vroeg of laat aanmoedigen of zelfs dwingen om bij aanwervingen discriminerend op te treden tegenover personen die het meest waarschijnlijk een periode van dergelijke niet-arbeid zullen nemen, wat ongetwijfeld grotendeels vrouwen zullen zijn. Precies wegens de ongewenste effecten van dergelijke stimuli heeft men er bijvoorbeeld voor gekozen om het recht op betaald zwangerschapsverlof door de gemeenschap te financieren, wat aanvankelijk alleen ten laste van de werkgever viel. En financiering door de werknemer zelf zou neerkomen op helemaal geen financiering; er zou alleen een 'participatieverplichting' komen te rusten op de vakantie waarop de werknemer recht heeft, maar die hij niet meteen wenst op te nemen. Autofinanciering van familiale activiteit en vorming zou vanuit participatiehoek beschouwd een achteruitgang betekenen tegenover de regeling inzake loopbaanonderbreking - wat moeilijk te verenigen is met het doel dat het rapport zegt na te streven.

De radicale variante

Men zou een gedifferentieerd systeem van participatieverzekering kunnen overwegen, met hogere uitkeringen voor bepaalde vormen van sociaal nuttige niet-arbeid. Dat is wellicht ook de variante waar de auteurs van het rapport het meest achter staan. Echter, om het contrast tussen beide benaderingen die hier worden behandeld, zo helder mogelijk te doen uitkomen, onderzoeken wij hier de meeste algemene en meest radicale vorm van participatieverzekering: de formule die alle 'participanten' hetzelfde statuut geeft, ongeacht of zij nu actief zijn door een opleiding of vorming te volgen, voor gezin of familie te zorgen, of door aan vrijwilligerswerk te doen in het kader van een vereniging.

Modulering van het bedrag

Net zoals actief werk zoeken, zou de keuze voor een onbezoldigde participatie-activiteit recht geven op een uitkering als 'participanf. Het verzekerend aspect van de maatregel zou daardoor verzwakken. Men zou het bedrag van de uitkering kunnen moduleren, in dezelfde mate als de huidige werkloosheidsverzekering, op grond van de vroeger betaalde bijdragen. In de volgens ons beste interpretatie van de participatieverzekering zou de persoon die een bezoldigde baan verliest of vrijwillig verlaat om 'participant' te worden, recht hebben op een uitkering. Die uitkering zou gekoppeld worden aan het vroegere loon, met een sterk verband in het eerste jaar ,geleidelijke vermindering daarna, maar steeds binnen een vrij dicht bij elkaar liggend bodem- en plafondbedrag, net zoals dat momenteel voor de werkloosheidsuitkeringen geldt. De schoolverlater die zich als werkzoekende inschrijft of verkiest 'participant' te worden, zou alleen op de minimumuitkering recht hebben, maar zonder wachttijd. De uitkering zou dus gemoduleerd worden volgens het voorbije loopbaantraject en volgens de periode. Maar niet volgens de gezinssituatie, in overeenstemming met de wens om "rekening te houden met de individuele situatie van de werknemer, eerder dan met de gezinssituatie, om tot gelijkheid te komen op het gebied van sociale uitkeringen en belastingen"

Financiering

De meest logische manier om de participatieverzekering te financieren is de huidige financieringswijze van de werkloosheidsverzekering overnemen, dus financiering door middel van sociale bijdragen op bezoldigde arbeid, aangevuld met middelen afkomstig van de algemene (traditionele of 'alternatieve') fiscaliteit, om minstens een fractie te financieren van het deel van de uitkeringen dat de facto als gewaarborgd minimuminkomen fungeert. Daar men kan veronderstellen dat de auteurs van het rapport niet willen dat de lasten voor de uitbreiding van het begrip activiteit op de rug van de lage inkomens terechtkomen, veronderstellen wij dat de netto-kostprijs van de maatregel - ongeacht of daarbij nu via rechtstreekse of onrechtstreekse belastingen of via sociale bijdragen wordt gewerkt - in fine zal worden gedragen door inkomens die hoger zijn dan het minimumloon.

De voltijdse variante

In haar eenvoudigste vorm betekent de participatieverzekering gewoon dat het statuut van 'uitkeringsgerechtigde volledig werkloze' wordt uitgebreid tot het statuut van 'uitkeringsgerechtigde volledige participanf. Het feit bereid te zijn een voltijdse bezoldigde baan aan te nemen en actief werk te zoeken, wordt dan vervangen door de voorwaarde zich voltijds voor vrijwilligerswerk in te zetten, In de familiale sfeer of in het verenigingsleven. Het voordeel van die formule is vooral haar eenvoud. Zij vergt geen zware boekhouding noch delicate controles om na te gaan hoeveel percent van een voltijdse activiteit een ouder thuis bezig is of een vrijwilliger zich voor het Rode Kruis inzet. Maar dat statuut van uitkeringsgerechtigde volledige participant zou logischerwijs niet gecombineerd kunnen worden met enigerlei vorm of mate van bezoldigde activiteit als zelfstandige of als loontrekkende. Nu onderstrepen de auteurs van het verslag Arbeid en niet-arbeid dat zij met vele anderen de bekommernis delen om de 'financiële vallen' op te ruimen die de begunstigden van het sociale zekerheidssysteem net ontmoedigen om op de formele arbeidsmarkt te komen. "Dergelijke financiële vallen opruimen, of In ieder geval de impa<:t ervan neutraliseren, wordt één van onze hoofdbekommernissen". Dat betekent dus dat de voorgestelde maatregel de begunstigden niet voor altijd in een 'participatieval' mag houden. Maar, deze eerste variante van de participatIeverzekering ruimt de val van de niet-arbeid helemaal niet op, integendeel, zij breidt die val zelfs uit, maar maakt er wel een actievere val van.

De variabele variante

Er moet dus een andere invulling voor de participatieverzekering worden gezocht, waarbij het individu formele arbeid en participatie kan combineren, en zijn inkomen uit deeltijdse arbeid met een deeltijdse participatie-uitkering kan aanvullen. Een 'participanf die bijvoorbeeld voor een ouder of kind wil zorgen en geen baan vindt die méér opbrengt dan de volledige participatie-uitkering, zou zich toch niet helemaal uit de formele arbeid moeten terugtrekken. De aldus geschapen mogelijkheid om uitkering en beroepsinkomen te combineren, kan worden gezien'als een welkome veralgemening en vereenvoudiging van de mogelijkheid die onze huidige werkloosheidsverzekering reeds voorziet om onvrijwillig deeltijdse werknemers een uitkering gewaarborgd inkomen te bieden. De 'participanr die een deeltijdse baan aanvaardt of behoudt, zou een kleiner of groter deel van zijn participatie-uitkering kunnen behouden, op voorwaarde natuurlijk dat hij de activiteit die hem daar recht op geeft, ook deeltijds voortzet. In vergelijking met de eerste variante is het administratief beheer van deze maatregel natuurlijk heel wat complexer, omdat de uren dat men onbezoldigde, maatschappelijk nuttige arbeid presteert, nu eenmaal moeilijk precies te tellen zijn, wat nog moeilijker en zelfs absurd is als men 'de uren dat men als ouder werkf moet gaan registreren! Om de formule administratief haalbaar te maken, moet men er misschien van uitgaan dat de participatieactiviteit voltijds. is, behalve wanneer zij met een beroepsactiviteit wordt gecombineerd. Als die beroepsactiviteit als loontrekkende wordt uitgeoefend, kan de participatie-uitkering worden verminderd naar rato van het percentage deeltijdse arbeid dat men presteert. Bij arbeid als zelfstandige kan de uitkering verminderd worden met het percentage van het minimumloon waarmee het inkomen als zelfstandige overeenstemt. In tegenstelling met de eerste variante, blijft in deze tweede versie wel de financiële stimulans bestaan om van participatie naar bezoldigde arbeid over te stappen zodra het netto-uurloon hoger ligt dan het equivalent per uur van hét participatie-inkomen.

 

II. Het participatie-inkomen

Het Participation Income van Atkinson

Alvorens dieper in te gaan op de te verwachten effecten van beide varianten van de participatieverzekering, zouden we graag een ander voorstel bekijken dat eveneens uitgaat van de tweevoudige bekommernis, die ook in het rapport Arbeid en niet-arbeid aan bod komt, met name de bekommernis om d~ werkloosheidsval óp te ruimen en een grotere waarde toe te kennen aan sociaal nuttige activiteiten die geen bezoldigde arbeid zijn. Dat voorstel werd onder de naam DarticlDation income herhaaldelijk naar voren gebracht door Anthony Atkinson (1993a, 1993b, 1996,1998: 145-149), momenteel president van Nuffield College (Oxford) en voormalig hoogleraar politieke economie aan de London School of Economics en aan de universiteit van Cambridge, en auteur van economische analyses over ongelijkheid en armoede. Het voorstel werd weliswaar uiteindelijk verworpen, maar werd uitvoerig besproken in de Commission Jor Social Justice van de Britse Labour-partij waarvan Atkinson lid is (Borrie ed. 1994). Het voorstel heeft ook buiten Groot-Brittannië een zekere weerklank gekregen (zie bijvoorbeeld Ayala 1994, Schäfer 1997, Offe 1997, Vandenbroucke 1997, Goodin 2000).

Verwantschap met het verslag Arbeid en niet-arbeid

Volgens Atkinson lijden de voorzieningen voor sociale bijstand die momenteel in het Verenigd Koninkrijk en elders bestaan, aan een drievoudig euvel: (1)'zij straffen de persoonlijke inspanning af van wie momenteel geen baan heeft, omdat men het recht op uitkering verliest zodra men een bezoldigde baan aanneemt; (2) doordat men verplicht is een bewijs van behoeftigheid te. geven, maken velen geen gebruik van hun recht op uitkering; (3) en bovendien wordt de grootte van de uitkering meestal aan de gezinssituatie gekoppeld. Die tekortkomingen worden niet gecompenseerd doordat er andere voorzieningen op het vlak van sociale zekerheid bestaan (zoals de werkloosheidsverzekering), al is het maar omdat deze niet relevant zijn voor wie helemaal uit de boot van de formele arbeid is gevallen. Net als de Commissie Arbeid en Niet-arbeid, vindt Atkinson het jammer dat de sociale verzekering bij onvrijwillige werkloosheid "niet altijd de behoeften erkent van wie buiten de formele economie is beland, zoals degenen die zorgen voor verwanten die van hen afhankelijk zijn" (kinderen, ouderen, zieken...), "dat zij de mensen niet de mogelijkheid biedt om gedurende een bepaalde periode in hun leven uit de formele arbeid te stappen en op een andere manier te leven".

Structuur van de voorziening

Atkinson wil het participatie-inkomen invoeren om een einde te maken aan de ongewenste effecten van de bijstand met haar controle van de bestaansmiddelen, en om de beperkingen van verzekeringsmaatregelen op te heffen. Zijn participatie-inkomen is een universeel basisinkomen,los van de gezinssituatie en van de middelen waarover men beschikt, maar wel onderworpen aan één voorwaarde: participatie, gezien in ruime zin, met inbegrip van bezoldigde arbeid, maar ook van talrijke andere vormen van 'sociale inbreng'. In tegenstelling met de participatieverzekering wordt het participatie-inkomen integraal uitbetaald aan al wie werkt, en niet alleen aan de niet-werkenden (in de 'voltijdse' versie) of aan de deeltijds werkenden, in omgekeerde evenredigheid met hun participatie in de arbeidssfeer (in de 'variabele' versie). Ook in tegenstelling met de participatieverzekering, zou het participatie-inkomen de werkloosheidsverzekering niet vervangen: de onvrijwillig werklozen zouden daar bovenop hun participatie-inkomen recht blijven op hebben (met. aangepaste bedragen). En verder zou, net als bij de uitkeringen in de participatieverzekering, wie geen baan heeft of zoekt, er wel recht op hebben krachtens zijn vrijwillige deelname aan maatschappelijk nuttige activiteiten.

De participatievoorwaarde

In het precies afbakenen van de participatievoorwaarde is Atkinson amper minder karig met suggesties dan het rapport Arbeid en niet-arbeid. In diverse formuleringen somt hij een lijst op van alle modaliteiten om aan de voorwaarde te beantwoorden. We onderscheiden grosso modo de volgende mogelijkheden: (a) werken als werknemer of zelfstandige; (b) niet werken wegens ziekte, arbeidsongeval of invaliditeit; (c) werkloos zijn maar bereid zijn een baan aan te nemen; (d) de pensioenleeftijd bereikt hebben; (e) een studie- of opleidingsprogramma volgen; (f) zorgen voor kinderen, ouderen of zieken; (g) zich inzetten voor erkende vormen van vrijwilligerswerk. Het participatie-inkomen kan een basisinkomen met geringe voorwaardelijkheid worden genoemd: een inkomen waarop iedereen recht heeft zonder bijdrage, waarvan het bedrag voor iedereen gelijk is, ongeacht de gezinssituatie en de persoonlijke middelen, maar dat wel van een universele uitkering verschilt omdat het in de categorie van de personen die arbeidsgeschikt zijn en in de 'actieve' leeftijd verkeren, voorbehouden blijft aan wie daadwerkelijk erkende maatschappelijk nuttige arbeid verricht.

Forfaitair bedrag

Het participatie-inkomen als strikt individuele 'sokkel' voor elk ander inkomen, zou gevoelig lager liggen dan de huidige werkloosheidsuitkering als gezinshoofd en dus ook dan de daarmee overeenstemmende uitkering in bovengeschetst systeem van participatieverzekering. Om een idee te geven: het zou gaan om een 250 Euro per persoon en per maand (iets minder dan de helft van het bestaansminimum of van de minimumwerkloosheidsuitkering voor een alleenstaande).

Vermindering van de andere uitkeringen

Hoe dat participatieinkomen financieren? Volgens Atkinson alvast ten dele door het nettobedrag van bepaalde andere uitkeringen te verminderen. De werkloosheidsuitkeringen, de pensioenen en de sociale bijstand van meer dan 250 Euro voor een alleenstaande of 500 Euro voor een gezin, zouden net zoals nu worden uitgekeerd, maar (netto) verminderd met de 250 of 500 Euro dat het gezin als participatie-inkomen ontvangt. Ook de kinderbijslag en de studiebeurzen voor meerderjarige kinderen, evenals de fiscale aftrek voor meerderjarige kinderen ten laste, zouden - daar zij dat bedrag riooit overschrijden - worden afgeschaft en opgenomen in het participatie-inkomen.

Fiscale hervorming

De invoering van een participatie-inkomen zou echter noodzakelijkerwijs gepaard moeten gaan met een belangrijke hervorming van de personenbelasting. Het huwelijksquotiënt en de overdracht van het vrijgesteld bedrag - wat alleen de gegoede gezinnen meer dan 250 Euro opbrengt - zouden moeten worden vervangen door een participatieinkomen dat rechtstreeks aan de participerende echtgenoot wordt uitbetaald, dus niet als verminderde belasting op het inkomen van de partner. Het participatie-inkomen dat wordt uitbetaald aan wie een inkomen uit arbeid heeft, kan trouwens worden beschouwd als een terug te betalen belastingkrediet, wat een handig substituut zou zijn voor de vrijstelling '(an belasting op de laagste schijf en voor de relatief lage aanslagvoeten op de volgende schijven. Uit microsimulaties van analoge maatregelen in België (Gilain & Van Parijs 1995, Joyeux & Terraz 1998, Joyeux & Meulders 1999) is gebleken dat men de aanpassing zodanig zou kunnen kalibreren dat, in het geval van een alleenstaande, de substitutie neutraal zou zijn vanaf het niveau van het gewaarborgd minimumloon voor voltijdse arbeid (daar de verhoging van de aanslagvoeten op de laagste schijven gecompenseerd zou worden door de invoering van het participatie-inkomen). Het netto-inkomen van personen met een lager inkomen uit arbeid zou daarentegen wel stijgen. Maar naast die substitutie van bestaande uitkeringen of fiscale uitgaven, zou toch een zekere netto-financiering (een fractie van de bruto-kostprijs) nodig zijn om de verbeterde situatie van de huidige begunstigden van sociale uitkeringen of van fiscale uitgaven van minder dan 250 Euro te kunnen dekken. Daar Atkinson de inactiviteitsval wil opruimen, zonder ongelijkheid en armoede te doen toenemen, veronderstellen we dat die financiering uit een bescheiden verhoging van de aanslagvoeten op de hoogste inkomens zou komen.

 

III. Voor- en nadelen van beide voorstellen

Zijn er, bekeken vanuit de invalshoek van de doelstellingen die de Commissie beoogde en vanuit andere overwegingen waarvoor zij niet ongevoelig bleek, redenen om participatieverzekering boven het participatieinkomen te verkiezen of vice versa? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we de tegenstellingen tussen beide formules nader bekijken.

1. Waardering van participatie

Een eerste belangrijk verschil is het bedrag waarop participatie recht geeft. Daar het participatie-inkomen geen substituut wil zijn voor de verzekering tegen ongewilde werkloosheid, ligt het bedrag logischerwijs lager dan het huidige bedrag van de werkloosheidsuitkering, waarmee een participatie-uitkering wel wordt gelijkgesteld. Dat betekent dat de financiële waardering van participatie hoger ligt bij de participatieverzekering dan bij het participatie-inkomen. zeker als dat laatste zowel zou worden toegekend aan wie erkend vrijwilligerswerk doet als aan wie elders een bezoldigde activiteit uitoefent (in dat geval wordt het bij die bezoldiging gevoegd, zelfs als de betrokkene op geen enkele andere manier 'participeert'). Op voorwaarde dat de participatievoorwaarde in beide gevallen dezelfde is, zal de participatie aan maatschappelijk nuttige activiteiten sterker worden aangemoedigd door een participatieverzekering (in beide varianten) dan door een participatie-inkomen.

2. Controle

Daar het bedrag van de uitkering vrij hoog ligt, moet er aangepaste controle mogelijk zijn. Hoe hoger het bedrag, hoe duidelijker de overheid de aard en draagwijdte moet preciseren van de activiteiten die er recht op geven en hoe strenger er moet worden nagegaan of die activiteiten ook plaatsvinden. Als men (bijna) iedereen 250 Euro geeft, werkenden en niet-werkenden, kan men iets losser zijn dan wanneer men sommigen tot bijna 1000 Euro geeft om dingen te doen die anderen, zo goed en zo kwaad als het gaat, na hun werkuren doen en zonder daarvoor enige uitkering te krijgen. Om het basisinkomen van Atkinson te krijgen, zou men genoegen kunnen nemen met vermoedens of evidente bewijzen, zoals met minderjarige kinderen of ouderen onder hetzelfde dak wonen, ingeschreven zijn als student of werkzoekende, een arbeidscontract als loontrekkende, of een certificaat van deeltijds vrijwilligerswerk voor minstens één vierde kunnen voorleggen, enzovoort. Maar bij een veel vrijgeviger participatieverzekerIng zijn strengere voorwaarden en èontrole nodig, zowel om gerechtvaardigde wrevel tegenover 'profiteurs' te voorkomen, als om te vermijden dat de rangen der werkenden al te zeer worden uitgedund ten voordele van de 'vrijwilligers-participanten', wat de financlële leefbaarheid van het systeem zou kunnen bedreigen. Niet weinigen zullen ontmoedigd worden door de verplichting om controleprocedures te ondergaan - ook thuis' - en aan de gestelde criteria te voldoen. Het feit zelf een uitkering te moeten 'verdienen' die niet zo ver van het minimumloon atligt, doet een dynamiek van controle van de tijdsbesteding en productiviteit ontstaan die het verschil tussen vrijwilligerswerk en bezoldigd werk afzwakt. Die dynamiek zou bij een participatie-inkomen niet helemaal ontbreken - het bewijs van inschrijving voor een studieprogramma of van vrijwilligerswerk voor één vierde zou niet helemaal 'loos' mogen zijn - maar zou wel eens veel beperkter kunnen blijven.

3. Oneerlijke concurrentie

Tenzij het sociaal nuttig vrijwilligerswerk dat de participatieverzekering of -Inkomen wil valoriseren (en dus subsidiëren) tot het bevallen van een baby (en dan nog!) wordt beperkt, is het onmogelijk om het terrein zo af te bakenen dat het geen enkele dienst omvat die niet soms tegen betaling door werkenden in de openbare of private sector wordt verstrekt. Maar de impact op de dienstenmarkt is wel heel verschillend naargelang het gaat om een participatieverzekerIng dan wel om een participatie-inkomen. Als verenigingen plots een beroep kunnen doen op massaal door participatieverzekeringen gesubsidieerde werkkrachten om de tuin van gehandicapte personen te onderhouden of de straten schoon te vegen, is het te begrijpen dat degenen wiens klanten of baan daardoor worden bedreigd, de oneerlijke concurrentie hardop zullen aanklagen. Dat geldt veel minder voor het participatie-inkomen. Ten eerste is de indruk van onpartijdigheid veel groter, want het wordt zonder onderscheid net zo goed uitbetaald aan werkenden uit de privé- en de openbare sector als aan vrijwilligers, ook al zijn het aan de einde van de rit de 'echte' werkenden die de steun aan de werkenden in de informele sector betalen. Ten tweede fungeert het participatie-inkomen, in tegenstelling met de participatieverzekering, ook als subsidie voor laagbetaalde activiteiten. En ten slotte is de impact van de steun aan vrijwilligerswerk ook minder omdat het participatie-inkomen een stuk lager ligt dan een participatieverzekerIng.

4. Individualisering: (a) gezinshoofd en alleenstaande

De modulering van de werkloosheidsverzekering volgens de gezinssituatie is momenteel tweeledig. Ten eerste trekt een gezinshoofd méér dan een alleenstaande (een minimum van 30.628 BEF in plaats van 21.918, ongeacht de periode). Die modulering is nodig, omdat een gezinshoofd dat zijn baan verliest, tegelijk ook het fiscale voordeel van belastingsaftrek en -verminderingen verliest voor zichzelf en (via het huwelijksquotiënt en de overdracht van het vrijgesteld bedrag) voor zijn of haar niet-actieve partner en kinderen ten laste. De werkloosheidsverzekering moet daarmee rekening houden, om te voorkomen dat gezinnen in de armoede belanden wanneer de kostwinner zijn werk verliest. Maar als de fiscaal gunstige maatregelen voor lage lonen en éénverdieners vervangen worden door een participatie-inkomen, is dat onderscheid niet meer nodig. Het huidige verschil tussen de uitkering voor een gezinshoofd en een alleenstaande is inderdaad ongeveer gelijk aan wat de partner zonder inkomen als participatie-Inkomen zou ontvangen. Als men ervan uitgaat dat de partner van een werkloos gezinshoofd aan de participatievoorwaarde voldoet en dus een eigen Inkomen heeft, is dat niet anders bij een strikt Individuele participatieverzekerIng, behalve dat het bedrag van de participatie-uitkerlng hoger is en het supplement voor het gezinshoofd dus nog minder gerechtvaardigd is. Niet alleen zijn participatieverzekerIng en participatie-inkomen strikt individueel, zij ontkrachten één van de twee fundamentele redenen voor de huidige niet-individualisering.

5. Individualisering: (b) alleenstaanden en samenwonenden

Dat gaat niet op voor de tweede reden - schaalvoordeel door de grootte van het gezin - voor de huidige modulering van de werkloosheidsuitkeringen volgens de gezinssituatie: een alleenstaand werkzoekende krijgt niet alleen minder dan een werkzoekende die gezinshoofd is, hij krijgt ook meer dan een werkzoekende die samenwoont (een minimum van 21.918 BEF tegenover 17.472, ongeacht de periode). Als men in het kader van de participatieverzekering het grootste deel van de momenteel 'niet-actieve' volwassenen het statuut van participant zou toekennen, zou dat reeds tot een aanmerkelijke netto meerkost leiden als men het huidige peil van de uitkering voor samenwonenden handhaaft. Als men de grootte van de uitkering op het peil van deze van de alleenstaanden zou brengen, zou die kost nog toenemen. Het zou dan ook wel eens erg moeilijk kunnen zijn om te weerstaan aan de druk om dat peil te verlagen, met behoud van die tweede vorm van modulering volgens de gezinssituatie: een lager bedrag toekennen aan degenen die, door hun gezinssituatie, niet zoveel 'nodig' hebben als de anderen. Als men voorts de uitkering voor een alleenstaande werkzoekende niet wil verminderen, zou het wel erg moeilijk kunnen worden om een algemene participatieverzekering in te voeren die, zoals de Commissie dat wenst, "alleen rekening houdt met de individuele situatie van de werknemer, eerder dan met de gezinssituatie" . De combinatie van een participatieinkomen en een aanvullende werkloosheidsverzekering - beide strikt individueel van aard - zou een analoog probleem opleveren, doch slechts ten dele. Als men het totale inkomen van een samenwonende werkloze optrekt tot dat van een alleenstaande werkloze, zonder dat laatste te verlagen, creëert men natuurlijk een aanzienlijke netto-meerkost. Maar die kost zou duidelijk lager kunnen blijven dan de kost bij een participatieverzekering daar hij geen betrekking heeft op alle participanten, maar alleen op de werkzoekende samenwonenden. Dat is een in principe voorlopig statuut, dat - realistisch beschouwd - nog voorlopiger zou worden door de 'bevrijding' uit de werkloosheidsval die men van het participatie-inkomen verwacht. De druk om dEt modulering volgens de gezinssituatie te behouden, zal dus minder sterk zijn. Men kan de invoering van een individueel basisinkomen - zoals het participatie-inkomen - zien als een realistische aanzet om de sociale zekerheid volledig te individualiseren vooral de werkloosheidsverzekering, daar de resterende sociale bijstand aan controle van de middelen van bestaan gekoppeld zou blijven, met behoud van de dimensie gezinssituatie.

6. Heen-en-weer tussen participatie en werk

Door de hogere uitkering zou de overgang van een werksituatie naar een voltijdse of deeltijdse participatiesituatie bij de invoering van een participatieverzekering duidelijk minder kosten en dus aantrekkelijker worden voor de werknemer dan dit bij een participatie-inkomen het geval zou zijn. Maar men zou nog altijd een procedure moeten blijven volgen zoals dat nu voor de werkloosheidsverzekering het geval is. Wie meent aan de gestelde voorwaarden te voldoen, zou zich tot het 'participatiebureau' kunnen wenden met de vereiste bewijzen, en zou dat bureau op de hoogte moeten brengen van alle veranderingen In zijn situatie (bijvoorbeeld, een wijziging van het aantal uren betaalde arbeid) zodat de uitkering kan worden aangepast. Bij een participatie-inkomen daarentegen, zouden dergelijke formaliteiten uitzonderlijk zijn doordat bijna iedereen, werkenden, onvrijwillig werklozen, studenten, vrijwilligers, enzovoort, de uitkering krijgen. Er zouden alleen administratieve stappen moeten worden gezet bij de overgang (in de ene of de andere richting) van een of ander statuut dat aan de voorwaarde tot participatie beantwoordt, naar een statuut van volkomen niet-participatie. Bij een participatie-inkomen zou het onnodig zijn een verandering in het aantal gepresteerde uren mee te delen.

7. Verdelende impact op de vrijwilligers

Op degenen die nu reeds sociaal nuttig vrijwilligerswerk doen zal de participatie-verzekering, met haar in vergelijking hogere uitkeringen (ook de laagste), een sterker gelijkschakelende impact hebben dan het participatie-inkomen, vooral als men vindt dat de ongelijkheden tegelijk strikt individueel en synchroon moeten worden beoordeeld. Zo'n verzekering zou immers de inkomens van de (min of meer tijdelijke) moeders aan de haard - een individueel arme categoriemassaal optrekken, zowel voltijds als deeltijds. Die stelling, over de sterker egaliserende invloed van de particIpatieverzekering, moet worden genuanceerd als men de gelijkheid in de loop van het levenstraject bekijkt. Wie ooit een hoger inkomen uit arbeid heeft gehad, zij het tijdelijk, heeft recht op een hogere participatie-uitkering, terwijl het participatie-inkomen forfaitair blijft. Die stelling moet ook worden genuanceerd als men de gezinsdimensie van de spreiding niet wil uitschakelen, vooral als zou blijken dat de voltijdse, vrijwillige participanten vooral echtgenoten van goed betaalde personen zouden blijken te zijn. Die nuances verliezen wel hun belang zodra men de zaken niet meer louter statisch bekijkt en rekening houdt met de gedragsaanpassingen die zullen optreden. Invoering van een partIcipatieverzekering, en trouwens ook van een partlcipatie-Inkomen, zal Immers precies voor gevolg hebben dat minder gegoeden de kans krijgen om hun baan in te ruilen voor erkende participatie, in plaats van een onmogelijk druk leven te moeten leiden of om onvrijwillige werkloosheid te moeten voorwenden als men overtuigd voor gezinsactiviteiten kiest.

8. Verdelende impact op de lage lonen

Als de voltijdse variante van de particIpatieverzekering buiten beschouwing wordt gelaten, zijn het echter niet alleen de viijwilligers wiens inkomen door de beoogde maatregelen zal veranderen. In de variabele variante van de participatieverzekering en bij een participatie-inkomen, krijgen ook de deeltijds werkenden een deel van de uitkering. Bij een variabele participatieverzekering wordt het bedrag gemoduleerd volgens het vroegere inkomen. Bij een gelijk inkomen uit arbeid, zal een werkende met een hoger uurloon gemakkelijker een hogere uitkering krijgen. Niet alleen omdat hij naar verhouding méér tijd beschikbaar zal hebben voor vrijwillige participatie, maar ook omdat het bedrag van de uitkering aan het vroegere inkomen is gekoppeld, dat wellicht hoger ligt. Het participatie-Inkomen daarentegen is voor iedereen gelijk en komt dus twee personen met een gelijk Inkomen uit arbeid even sterk ten goede. Dat betekent nog niet dat het participatie-Inkomen een sterker egalitaire invloed heeft. De participatieverzekering waarborgt immers een hoger inkomen dan het participatie-inkomen, en het netto-voordeel voor de lagere uurlonen zou dus bij een participatieverzekering groter zijn dan bij een participatie-inkomen, op voorwaarde nochtans dat Iedereen op dézelfde manier toegang heeft tot de participatie-activiteiten.

9. Het begrip maatschappelijk nuttige activiteit

In beide perspectieven moeten er één of meerdere criteria worden gevonden om het onderscheid te maken tussen activiteiten die recht geven op een uitkering en bezigheden die louter privé zijn. Wat is een 'maatschappelijk nuttige activiteif? Wat betekent dat precies, 'vormen van erkend vrijwlmgerswerk'? Is een afbakening niet altijd tot op zekere hoogte willekeurig? Heeft iemand die In een filatelieclub actief is evenveel recht op een uitkering als wie zich voor een politieke partij inzet? Heeft de lange jacht evenveel 'maatschappelijk nut' als het minivoetbal van jongeren in een volkswijk, het Vlaams Blok evenveel als ATD Vierde Wereld? Volstaat het om actief lid van een vereniging te zijn opdat de prestaties in aanmerking komen voor een uitkering, of moet men er een zekere verantwoordelijkheid hebben? Heeft iemand die, naar ieders mening, zijn vrijwilligerswerk met veel 'beroepszin' uitoefent, recht op hetzelfde bedrag als degene die het niet zo nauw neemt? Hoe groter het bedrag van de uitkering (om 'niet-arbeid' echt waarde toe te kennen), hoe ruimer de perimeter van de activiteiten die in aanmerking komen (om iedereen echt toegang tot 'participatie' te geven), en hoe minder strikt de controle (om te voorkomen dat vrijwilligerswerk een bureaucratie wordt en het huishouden een atelier), hoe meer de voorziening zich blootstelt aan het verwijt van grove onbillijkheid tussen toegewijde vrijwilligers en plantrekkers, en tussen werkenden en 'participanten'.

 

IV. Conclusie

Zijn participatieverzekering en/of participatie-inkomen een aantrekkelijke manier om het project 'actieve welvaartsstaaf te verruimen? Deze nota had niet tot doel daarop een antwoord te geven, maar wel om een verhelderend licht op de kwestie te laten schijnen door beide voorzieningen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, met name de uitbreiding van de verzekering tegen onvrijwillige werkloosheid zodat zij ook vrijwillige participatie aan sociaal nuttige maar onbezoldigde activiteiten dekt, en de toekenning van een basisinkomen aan elke volwassene die een betaalde activiteit of een sociaal nuttige, onbetaalde activiteit uitoefent.

Om de impact van het voorstel te kunnen Inschatten moet in beide gevallen worden verduidelijkt welke de aard, omvang en controle zullen zijn op activiteiten die erkend kunnen worden, met name wegens hun grote toegankelijkheid voor uiteenlopende personen, en om de globale kostprijs van de maatregel en zijn spreidend effect te kunnen inschatten. In het geval van de participatIeverzekering moet men ook duidelijkheid brengen over de mate waarin de toegekende uitkeringen combineerbaar zijn met deeltijdse arbeid (de keuze tussen de voltijdse en de deeltijdse variante), en over de mate waarin het bedrag van de uitkering afhankelijk wordt gemaakt van de vroegere bezoldigingen (duur van de 'eerste periode', verschil tussen de uitkering in de eerste en de tweede periode, aantal jaren bezoldigde. arbeid die vereist zijn om voor de eerste periode in aanmerking te komen).

De evaluatie van belde maatregelen hangt sterk van de specificatie van die parameters af, maar ook van de bedragen en financieringswijze. Wat hun beider voordelen betreft, springt het volgende contrast in het oog. De participatieverzekering, met haar hogere uitkeringen die alleen worden toegekend aan ziJ die het bewijs van erkende 'niet-arbeid' kunnen leveren, houdt een sterke re waardering en duidelijker erkenning van onbezoldigde arbeid in. Als de uitkeringen bovendien 'variaber zijn volgens de geïnvesteerde tijd, wordt de werkloosheidsval niet vergroot maar afgebouwd. De achilleshiel is wel de delicate keuze tussen een strenge Interpretatie van de partieipatievoorwaarden - met het gevaar dat de regeling discriminerend is tegenover de annsten en tot omgekeerde herverdeling leidt - en een lakse interpretatie die dreigt te ontaarden in zeer hoge marginale aanslagvoeten en veel wrevel kan scheppen. Nadeel van het participatie-inkomen is dat het een zwakkere en minder duidelijker waardering van 'niet-arbeid' inhoudt. Voordelen zijn dat het beter beschermt tegen het gevaar van exploderende marginale aanslagvoeten op de middelgrote inkomens, dat het een soepele overgang tussen onbezoldigde participatie en arbeid mogelijk maakt en dat het een belangrijke aanzet is tot de individualisering van de sociale rechten.

Benadrukking van al deze verschillen is een essentiële etappe in de zoektocht om de actieve welvaartstaat op één van beide manieren te verruimen. Maar uiteindelijk is het van het grootste belang dat men een keuze maakt zonder dat de verruiming van de actieve welvaartsstaat. of de actieve welvaartsstaat op zich, ook in de meest redelijke betekenis, een doel sn sich wordt. Als men tussen beide - en trouwens eventueel andere - mogelijkheden kiest, moet dat altijd gebeuren vanuit een omvattender visie op wat een rechtvaardige samenleving is, op welke de beste manieren zijn om dergelijke maatschappij gestalte te geven, zonder dat de situatie van de meest kwetsbaren vandaag verslechtert, maar integendeel beetje bij beetje verbetert.

 

Referenties