VERENIGING BASISINKOMEN
NIEUWSBRIEF Nr. 35
December 2001
"EEN BASISINKOMEN IS EEN ONVOORWAARDELIJKE REGELMATIGE
BETALING DOOR DE OVERHEID AAN IEDERE INGEZETENE ONGEACHT
OF DEZE ARBEID VERRICHT OF VERRICHT HEEFT"
UITNODIGING NIEUWJAARSBORREL
VRIJDAG 25 JANUARI 2002 VANAF 16.00 UUR IN HET CREA-GEBOUW
ZAAL 204 Turfdraagsterspad 17 Amsterdam (voormalig
Binnengasthuisterrein).
Met een lezing van Paul de Beer over zijn proefschrift: Over werken in de
postindustriële samenleving.
INHOUD
Redactioneel
Misschien had u 't niet meer verwacht... een NIEUWSBRIEF. Maar net als de schildpad is de
Vereniging Basisinkomen niet voor één dieptepunt te vangen en hier is 'ie' dan, nummer 35.
Ons KERSTNUMMER.
Er hebben bij de vereniging een aantal veranderingen plaatsgevonden.
Emiel Schäfer heeft een andere baan gevonden. Gelukkig voor hem maar jammer voor ons,
omdat wij op zoek moesten naar iemand anders.
Emiel heeft heel veel voor de vereniging gedaan. In 1996 trad hij als opvolger van Erwin de
Wolf aan als beheerder van het kantoor van de Vereniging Basisinkomen, toen nog gevestigd
in het gebouw van de Voedingsbond FNV aan de Herman Heijermansweg 20 in Amsterdam.
Onder zijn hoede floreerde de Nieuwsbrief Basisinkomen als nooit tevoren, niet alleen door
zijn technische ingrepen, maar ook door een stroom van bijdragen van zijn hand, die sinds
1997 in het blad verscheen. De laatste bijdrage stond in het feestnummer van juni 2001,
uitgegeven ter ere van het 10-jarige bestaan van wat eigenlijk de 'Vereniging van Vriendinnen
en Vrienden van een Basisinkomen' heet, en bevat onder andere een kleurige impressie van
zijn belevenissen als basisinkomen-enthousiast. In zijn jaren bij de vereniging trad hij behalve
als beheerder, redacteur en auteur ook op als correspondent, interviewer, headhunter en
begeleider van vrijwilligers, lid van de werkgroep public relations, contactpersoon voor
B.I.E.N. en mede-organisator van het B.I.E.N.-congres in Amsterdam, en diverse keren heeft
hij lezingen gehouden over het basisinkomen.
We bedanken Emiel hierbij nogmaals van harte en wensen hem heel veel succes in zijn
nieuwe loopbaan.
Na het vertrek van Emiel raakten wij even in een dipje omdat Florie Barnhoorn weliswaar
enige taken kon overnemen maar ook al vrij snel een andere baan vond. Gelukkig voor haar
maar opnieuw jammer voor ons.
Momenteel loopt Grietje Lof mee op arbeidstherapeutische basis, want zij heeft RSI aan beide
handen. Zij hoopt binnenkort Florie op te kunnen volgen.
Wie is Grietje, zult u denken want zij is geen lid van de vereniging en ook nooit actief geweest binnen onze vereniging. Via Saar en Florie was zij echter wel op de hoogte van het
bestaan, en oh jee, ze heeft heel lang zo haar bedenkingen gehad over een basisinkomen. Zij
zal ons dus kritisch volgen en dat kan zij ook wel want ze is politicologe, jaren geleden
afgestudeerd op Geschiedenis van de Derde Wereld, en al enige jaren bezig met een proefschrift over het functioneren van een 'waarheidstrechter' in wetenschappelijke teksten die
'female headed households' als onderwerp hebben.
In het nieuwe jaar zal Grietje vijf ochtenden per week op ons kantoor aanwezig zijn en het
streven is dat wij in ieder geval van 10 uur tot 12 uur telefonisch bereikbaar zijn. Omdat de
aanpassingen nog niet geregeld zijn kan het echter voorkomen dat zij thuis moet werken en
dus niet aanwezig is. Zij moet namelijk met spraakherkenning werken. Uiteraard kunt u ook
nog altijd ons antwoordapparaat inspreken of een e-mail sturen.
Waar wij echter nog steeds heel grote behoefte aan hebben, dat zijn vrijwilligers. Niet alleen
voor allerlei algemene klussen maar ook mensen die wat voor de nieuwsbrief willen schrijven,
ons op de hoogte houden van nieuwtjes, literatuur, etcetera.
Zo zullen wij de komende tijd de website gaan vernieuwen en daar, net als bij de website van
BIEN, een database met literatuur en relevante informatie aanhangen. U begrijpt dat wij niet
alles zelf kunnen lezen en samenvatten.
Ook de nieuwsbrief zal een 'ietsie pietsie' veranderen. We willen bijvoorbeeld meer vaste
rubrieken zoals een agenda en dergelijke. Gosling Putto is inmiddels benoemd tot B.I.E.N.
correspondent. Maar wij kunnen altijd nog meer mensen gebruiken.
Met ingang van 2002 wordt het mogelijk om de nieuwsbrief per e-mail te ontvangen. Indien U
dit wenst wilt u ons dan een e-mail sturen met uw naam en e-mail adres, en wel naar:
info@basisinkomen.nl onder vermelding van 'e-mail nieuwsbrief'.
In deze nieuwsbrief vindt u een artikel van Paul de Beer naar aanleiding van zijn proefschrift:
'Over werken in de postindustriële samenleving'. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau.
2001. 424 pag.
Paul de Beer is econoom, momenteel werkzaam bij de Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid, na enige jaren voor het Sociaal Cultureel Planbureau gewerkt te hebben, en
daarvoor vele jaren bij de Wiardi Beckmanstichting. In zijn proefschrift onderzoekt hij de
ontwikkeling van de arbeidsmarkt in Nederland gedurende de laatste vijfentwintig jaar. Hij
richt zich met name op de vraag of de overgang naar een postindustriële arbeidsmarkt gepaard
ging met een verbetering van de kwaliteit van arbeid.
Hij constateert dat, alle beleidsvoorstellen ten spijt, het armoede risico voor zowel werkenden
als niet-werkenden onveranderd is gebleven. Voorts pleit hij voor een 'ontspannen arbeidsmodel'.
In deze nieuwsbrief presenteert hij een drietal stellingen met betrekking tot arbeid. Tijdens de
nieuwjaarsborrel zal hij een lezing houden.
Ook vindt u in deze nieuwsbrief een vertaling van het eerste Suplicy-Interview. De Braziliaanse senator Eduardo Matarazzo Suplicy heeft zowel Milton Friedman als James Tobin geinterviewd voor zijn toekomstige boek over het basisinkomen. Het interview met Friedman vindt u
in deze nieuwsbrief, het interview met Tobin in de volgende.
In de rubriek Agenda & Nieuws vindt u o.a. een verslag van het symposium 'Zorg Centraal'
zoals dat 16 november jl. in Utrecht werd gehouden, en van het debat 'Handelskansen voor
Armen' wat 21 november in Amsterdam plaatsvond.
Voor het jaar 2002 hebben wij de volgende deadlines voor het inleveren van kopij en het
verschijnen van de nieuwsbrief gepland:
Nummer 36: inleveren kopij tot 1 maart 2002-----------verschijnt maart 2002
Nummer 37: inleveren kopij tot 1 juni 2002-------------verschijnt juni 2002
Nummer 38: inleveren kopij tot 1 september 2002-----verschijnt september 2002
Nummer 39: inleveren kopij tot 1 december 2002------verschijnt december 2002
Noteer deze data alvast in uw nieuwe agenda en aarzel niet om ons tijdig en zo mogelijk per
e-mail de gedachten, bevindingen en kritieken die u in de Nieuwsbrief wilt plaatsen, toe te
sturen.
Agenda & Nieuws
25 januari 2002
Op vrijdag 25 januari 2002 om 16.00 uur organiseren wij weer de jaarlijkse nieuwjaarsborrel
in het Crea gebouw (voormalig binnengasthuisterrein), Turfdraagsterspad 17 te Amsterdam,
met een lezing van Paul de Beer naar aanleiding van zijn proefschrift van het afgelopen jaar.
In deze nieuwsbrief vindt u tevens een artikel van hem.
Bij deze wordt iedereen van harte uitgenodigd voor de lezing en de borrel.
8-9 maart 2002
Op 8-9 maart 2002 organiseert het 'United States Basic Income Guarantee Network' (USBIG)
haar eerste congres in New York (VS).
USBIG werd in de herfst van 1999 opgericht door Fred Block (University of California-Davis), Charles M.A. Clark (St. John's University), Pamela Donovan (City University of New
York), Michael Lewis (State University of New York-Stoney Brook), Eri Noguchi (Columbia
University) en Karl Widerquist (Levy Institute/Educational Priorities Panel). Doel is om een
publieke discussie in de Verenigde Staten te stimuleren rond een gegarandeerd inkomen,
d.w.z. de garantie van de federale overheid dat, om wat voor reden dan ook, het inkomen van
burgers niet onder het minimumniveau zal komen. Burgers zullen een onvoorwaardelijk
basisinkomen op individuele basis ontvangen. Om dit doel te bereiken organiseert USBIG
viermaal per jaar een seminar en geeft zij een elektronische nieuwsbrief uit.
Op 8-9 maart aanstaande organiseert zij haar eerste congres met als doelstelling een diversiteit
aan belangstellenden en betrokkenen bij elkaar te brengen zoals politici, wetenschappers,
activisten, etcetera om met elkaar van gedachten te wisselen over een gegarandeerd basisinkomen (BIG).
Er staan een groot aantal onderwerpen op de agenda zoals negatieve inkomensbelasting, de
ethiek van een basisinkomen, een basisinkomen en maritale relaties, huiselijk geweld en de
armoede van kinderen, arbeidsmarkteffecten, maatschappelijke invloed van een basisinkomen,
etcetera.
Voor meer informatie: http://www.usbig.net of e-mail Karl Widerquist: karl@widerquist.com
12-14 september 2002
Op 12-14 september 2002 wordt in Genève (Zwitserland) het negende BIEN congres georganiseerd. Bij het 'ter perse gaan' van deze nieuwsbrief was het programma nog niet bekend.
Wij komen in de volgende nieuwsbrief hierop terug.
Tinbergen Chair on Economic Reform
Unoviteiten april 2001 meldt dat er een voorbereidingscommissie gevormd is met de stichting
UNO-inkomen, Strohalm, Oikos, en de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie van de VU te Amsterdam om een bijzondere leerstoel in te stellen: 'Tinbergen Chair on
Economic Reform'. Inhoudelijk zal deze zich richten op, ik citeer: "fundamentele veranderingen in de wijze waarop onze huidige economie is geordend en wordt geleid (door overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers). Er zal zowel aandacht gegeven
worden aan actuele ontwikkelingen als aan baanbrekende ideeën voor de toekomst".
Het plan is om de leerstoel voor vier jaar in te stellen waarbij ieder jaar een andere gasthoogleraar wordt uitgenodigd om een tiental lezingen te verzorgen die na afloop gebundeld en
gepubliceerd zullen worden. Het streven is om begin 2002 voldoende financiële middelen bij
elkaar te hebben en daadwerkelijk van start te gaan.
Debat Handelskansen voor Armen
Globalisering is 'in'. Op 22 juni 2001 organiseerde het Landelijk Overleg Vrouwenstudies in
de Antropologie een studiedag over 'Gender en Globalisering'. 21 November werd in Felix
Meritis (Amsterdam) het debat Handelskansen voor Armen gehouden, op 14 december
werden in de Balie Amsterdam een aantal presentaties gehouden onder de noemer 'Globalisering komt uit de kraan' en op 19 december promoveerde Robert Went op een proefschrift
getiteld 'Essays on globalization. A Journey to a Possibly NewStage of Captitalism'.
In de paper 'Globalisering en gender: een verkenning van het debat' concluderen Gerdien
Steenbeek & Annelou Ypey dat het begrip globalisering een containerbegrip dreigt te worden
waarmee gemakshalve alle veranderingen van de laatste tijd worden geduid: "In essentie gaat
het over het feit dat mensen en geografische plekken steeds meer en nauwer met elkaar
verbonden geraken als gevolg van de transnationale stromen van kapitaal, goederen, informatie, ideeën en mensen." (Studiemap: 'Gender & Globalisering'. L.O.V.A. 2001. p.2.). Tine
Davids en Francien van Driel onderscheidden aan de hand van de 'taxonomie van Schuurman'
in hun lezing negen visies op globalisering:
- De echte globalisten die er vanuit gaan dat er een nieuw tijdperk aangebroken is.
- De cyberspace globalisten, de futurologen.
- De meer bekende neoliberale globalisten in wiens denken een vrije markteconomie
centraal staat.
- Een culturalistisch georiënteerde visie die zich beziggehouden met de aspecten van
culturele homogenisering en consumentenkapitalisme.
- De hybridiseringsvisie die globalisering beschouwen als deel van een dialectisch proces.
- Het neo-marxistische perspectief maar globalisering gezien wordt als een doorbraak van
het kapitalisme.
- Een historische visie die stelt dat globalisering helemaal niet iets nieuws is maar al
eeuwenlang ingebed in de samenleving.
- De non-globalisten, de 'ongelovigen' die regionalisering centraal stellen in plaats van
mondialisering.
- De 'einde der tijden' denkers die en vanuit gaan dat globalisering op haar einde loopt en
in crisis en chaos ontaardt.
Het debat 'Handelskansen voor Armen', georganiseerd door het Ministerie van Buitenlandse
Zaken/Ontwikkelingssamenwerking, had als doelstelling om een inhoudelijke discussie te
voeren over het belang van vrijhandel voor ontwikkelingslanden. In die zin past het thema in
de neoliberale traditie van het vrije marktdenken. De centrale vraagstelling luidde dan ook:
hoe kunnen ontwikkelingslanden profiteren van voortgaande globalisering en vrijhandel? Kan
globalisering zo gestuurd worden dat ook de allerarmsten landen hiervan profiteren? Is
integratie van deze landen in de wereldmarkt wenselijk en zo ja: hoe dan? Welke internationale afspraken zijn nodig? Wat is de rol van de publieke sector?
In het kader van dit debat vond er ook op internet een debat plaats (www.handelskansenvoorarmen.nl) waar ook het laatste nieuws te vinden was omtrent de Wereldhandelsconferentie
(W.T.O.) die van 9 tot 13 november in Qatar plaatsvond. Eveline Herfkens, minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, schrijft zelf over dit debat op internet: dat er een onoverbrugbare kloof tussen de antiglobalisten en globalisten lijkt te bestaan terwijl, volgens haar, er
minstens één wezenlijk uitgangspunt is waar bij beide groepen overeenstemming over is
namelijk "het streven om het lot van de ruim 1 miljard mensen die onder de armoedegrens
leven te verbeteren." Met het debat wilde zij de mogelijkheden ontdekken om 'bruggen te
slaan'.
Interessant is dan ook de vraag of er op 21 november daadwerkelijk bruggen geslagen werden
of, volgens mij, even belangrijk, de intentie hiervoor aanwezig was. Persoonlijk denk ik dat
Evelien Herfkens deze intentie wel degelijk heeft evenals de overige deelnemers, Noreena
Hertz (Universiteit van Cambridge en schrijfster van het boek 'The Silent Takeover') en
Mansoob Murshed (Institute of Social Studies Den Haag). Een minister is echter gebonden
aan een politiek systeem in tegenstelling tot beide wetenschappers.
Het debat begon met de impressies van Peter Brusse, journalist, over de W.T.O.-top in Qatar:
"In Doha kon de luxe niet op, ideaal om te praten over de armen van deze wereld."
Inderdaad een wereld van verschil en een zeer treffende schets maar toch had ik het gevoel
alsof de tijd was blijven stilstaan toen Brusse refereerde aan het wantrouwen van de Derde
Wereld landen ten opzichte van Europa en de alles overheersende rol van de Verenigde
Staten. Misschien is het mijn historisch perspectief maar ik had graag willen vragen 'wat had
je dan verwacht na jarenlang kolonialisme, imperialisme en dominantie van de westerse
markten waarbij traditionele structuren en samenlevingen ontwricht zijn met alle gevolgen
van dien zoals in Rwanda. (Jos de Beus & Veneranda Nzambazamariya: Rwanda, five years
after the genocide: challenges for gender-sensitive changes. http://www.antenna.nl/ubuntu/english/docs/REFUGEES-Conference.htm
Desondanks denk ik dat Herfkens toch wat te optimistisch was over de WTO top, mede naar
aanleiding van de opmerking van Hertz dat de Trips-overeenkomst m.b.t. goedkope medicijnen geen grote stap voorwaarts was. Integendeel. Volgens Hertz was er sprake van intimidatie
door de Amerikaanse delegatie tijdens de onderhandelingen en uitsluiting, al dan niet direct,
van ontwikkelingslanden. Ook Murshed beaamde deze hiërarchische verhouding. Het vrije
markt principe beperkt zich volgens hem tot wat de westerse landen goed uitkomt. Herfkens
erkende deze problemen maar verwees naar vroegere situaties waarbij dit nog veel erger was.
Zij gaf aan geen neoliberale politiek 'tout court' na te streven en dat westerse markten toegankelijk horen te zijn voor de producten van Derde Wereld landen.
Vervolgens spitste het debat zich toe op het aspect van kinderarbeid en de vraag wel of geen
boycot, en ontstond er een discussie over de vraag of de vakbeweging nu wel of niet aan
protectionisme doet als zij de arbeidsuitbuiting in Derde Wereldlanden aan de orde stelt. Hertz
stelde dat er minimale internationale regels omtrent veiligheid, rechten en gezondheid nodig
zijn en dat de WTO een tegenkracht nodig heeft in de vorm van een World Social Organisation. De ILO moet meer tanden krijgen repliceerde Herfkens haar.
Hertz had zich ook gestoord aan de opmerking van Herfkens dat armoede bestrijding belangrijker is dan die tegen ongelijkheid: "Ongelijkheid dood: in de Verenigde Staten ligt het aantal
gezondheidsgerelateerde doden veel hoger dan, in pakweg, Griekenland, waar het gemiddelde
inkomen weer lager ligt." Privatisering zorgt voor een toename van ongelijkheid zo stelde zij,
omdat de prijzen zo hard stijgen dat een aantal essentiële zaken zoals drinkwater niet meer te
betalen zijn voor armen.
Duidelijk werd in ieder geval wel uit het debat dat een eenzijdige neoliberale politiek een
ongekend aantal problemen oplevert die met name armen treffen en dat een tegenbeweging,
een tegenmacht, nodig is om deze mensen te beschermen tegen verdere ontwrichting van hun
toch al penibele situatie. Wat ik zelf interessant vindt is in hoeverre de sociale grondrechten
zoals bijvoorbeeld op een inkomen, die nu uitsluitend papieren grondrechten zijn, een tegenkracht zouden kunnen gaan vormen als zij dezelfde positie kregen als de klassieke grondrechten zoals vrijheid van pers en dergelijke. Op dat moment komt namelijk ook het recht op een
basisinkomen in zicht. Dit soort zaken kwam echter niet ter sprake op het debat en eigenlijk
past dat in de neoliberale politiek die toch de avond overheerste, ondanks de kanttekeningen
die Herfkens zelf maakte.
Grietje.
Symposium 'Zorg Centraal'
Op 16 november organiseerden Het Landelijk Steunpunt Vrouwen En De Bijstand, Vrouwen
Alliantie Voor Economische Zelfstandigheid En Herverdeling Van Arbeid, en de FNV Vrouwenbond in Utrecht een symposium over Zorg, getiteld 'Zorg Centraal'.
Aanleiding voor dit symposium was het op 16 november 1990 georganiseerde Tribunaal tegen
de Staat waar "de onrechtvaardige en discriminerende wet en regelgeving waardoor vrouwen
belemmerd worden een werkelijk economisch en juridisch zelfstandig bestaan op te bouwen"
aan de kaak gesteld werd. Op 16 november 2000 werd er een onderzoek gestart rond de vraag
of er in de wet en regelgeving in tien jaar tijd iets veranderd is: "hebben de wijzigingen
verbetering gebracht in de positie van vrouwen?" Bij dit onderzoek is niet alleen gekeken naar
de wetgeving maar ook en met name naar de beleving daarvan door de vrouwen zelf. (Zie
extra editie Landelijke Bijstandskrant vrijdag 16 november 2001) Uit dit onderzoek komt naar
voren dat de meeste regels positief werken voor tweeverdieners maar juist negatief voor
eenoudergezinnen. Zo hebben bijstandsvrouwen met kinderen ouder dan vijf jaar een sollicitatieplicht gekregen terwijl daar onvoldoende kinderopvang, betaalde banen en geen aandacht
voor de dubbele belasting tegenover staan. Dit betekent dat de druk op deze groep vrouwen
verhoogd is zonder dat de armoede afgenomen is. Als vrouwen betaalde arbeid vinden dan is
het laagbetaalde arbeid, onder slechte arbeidsomstandigheden, parttime werk waarbij een
aanvullende uitkering nodig is en krijgen zij te maken met de armoedeval. Deze gegevens
corresponderen met die van Engbersen, Vrooman en Snel 'armoede-jaarrapport 2000' en van
Prof. Bea Cantillon zoals die tijdens de SISWO workshop 'De Europese Armoedelijn' op 22
september 2000 werden gepresenteerd. De kreet dat werk de oplossing is voor armoede blijkt
een loze kreet te zijn.
Op 16 november 2001 was het de bedoeling om "alle visies en ideeën rond zorg vanuit de
invalshoeken van ervaringsdeskundigen, wetenschappers, beleidsmakers en degenen die het
beleid uitvoeren bij elkaar te brengen; keuzes te maken ten aanzien van de toekomstige plaats
van zorg in de maatschappij; en strategieën te ontwikkelen om die keuzes in de praktijk te
realiseren". Zorg staat centraal omdat de vrouwen zelf dit als de essentie van het probleem
beschouwen: het gaat om de erkenning van de zorgtaken en in het geval van bijstandsvrouwen
de dubbele zorgtaken.
Er waren twee publieksdebatten en drie expertmeetings georganiseerd. Zelf heb ik de twee
publieksdebatten bijgewoond.
Het eerste debat 'Zorg Met Recht' had betrekking op de vraag waar de wet en regelgeving
rond zorg en verzorgers niet goed aansluit bij de praktijk en welke wijzigingen daarom
noodzakelijk zijn? In het panel zaten de volgende personen: Maria Dijkstra van het Landelijk
Steunpunt Vrouwen en de Bijstand, Miny Abbink van de Stichting MinPlus Enschede, Lenie
Eissen van het Comite Bijstandsvrouwen Limburg, Albertine Veldman verbonden aan de
Rechtenfaculteit van de Universiteit van Utrecht en Patricia Collette voorzitter VrouwenAlliantie en voorzitster van het panel.
Maria Dijkstra gaf aan dat het hele verhaal over een vrije keuze voor vrouwen een maskerade
is. Zo is leeftijd een groot probleem m.b.t. toetreding op de arbeidsmarkt, blijkt de kennis en
ervaring van vrouwen niets waard te zijn en kost een betaalde baan eigenlijk alleen maar extra
geld, bijvoorbeeld reiskosten, kinderopvang, kleding, etcetera. Wat we nodig hebben is een
goed gefaciliteerde vrouwenbeweging waarbij de doelstelling moet zijn om een stabiele
financiële basis voor vrouwen op te bouwen. Miny Abbink schetste een aantal kernpunten
naar aanleiding van de conferentie 'Vrouwen in de Knel': de druk die vrouwen ervaren om
zorg en arbeid te combineren zonder dat er sprake is van een vrije keuze zoals bij tweeverdieners; de psychologische problemen van vrouwen die voortkomen uit de stress van een uitkerings -en armoede situatie; de gevolgen voor vrouwen m.b.t. echtscheiding, pensioen en
AOW; de nog steeds lagere betaling van vrouwen en lagere waardering van arbeid welke door
veel vrouwen wordt verricht. Uit de ervaringsverhalen blijkt dat vrouwen streven naar het
betalen van vrijwilligerswerk, een vrije keuze willen op welke wijze arbeid en zorg te combineren, een zorgloon en economische onafhankelijkheid. Lenie Eissen stelde dat vrouwen nu
gedwongen worden om te kiezen voor arbeid en tegen de verantwoordelijkheid van de zorg
voor kinderen. Iets wat regelrecht ingaat tegen het VN verdrag. Een verdeling van zorgtaken is
alleen mogelijk als er twee zorgende partners zijn. Dit is iets wat door de overheid genegeerd
wordt. Zij adviseerde om de belangen van het kind voorop te stellen en van daaruit een wet en
regelgeving op te stellen. Albertine Veldman gaf een summiere uitleg van de verandering van
het sociaal model van een kostwinnaarsmodel naar een individueel model waar zorg niet meer
aan de orde is. Als oplossingen schetste zij:
A) een basisinkomensmodel via de belastingen, of als een alternatief ten opzichte van de
sociale zekerheid; iets wat zij op pragmatische gronden verwierp omdat het politiek en
financieel, volgens haar, niet haalbaar zou zijn.
B) Een combinatiemodel van arbeid en zorg waarbij zorg een integraal onderdeel van betaalde
arbeid vormt d.m.v. bijvoorbeeld arbeidsverloven en dergelijke. Er zou een nieuwe Europese
richtlijn nodig zijn m.b.t. arbeid en zorg, de sociale grondrechten zijn helaas papieren rechtenwaar geen aanspraak op gemaakt kan worden. De groep eenoudergezinnen zou als een aparte
doelgroep in de wet Arbeid en Zorg opgenomen moeten worden. Zorg moet ook breder zijn
dan met betrekking tot kinderen want vrouwen hebben ook te maken met de opvang van
ouders en gehandicapten in de familie of kennissenkring. De kinderallimentatie zou niet van
de bijstand afgetrokken moeten worden en de kosten van zorginstellingen zouden opgenomen
moeten worden in het algemene kostenplaatje.
Het tweede debat ' Economische Waarde Van Zorg' was bedoeld om een nieuw economisch
model te ontwikkelen waarin onbetaalde arbeid een waarde heeft. Hiertoe waren uitgenodigd
Fia Wunderink van de TU te Delft, Hettie Pott-Buter Economische Wetenschappen Universiteit van Amsterdam en Paul de Beer WRR.
Wat verstaan wij onder zorgarbeid, luidde de eerste vraag. Uit de discussie kwam naar voren
dat zorg als het ware uitgehold wordt ten gunste van de markteconomie. De intrinsieke waarde
van zorg is niet meetbaar en wordt dus niet opgenomen in nationale berekeningen. Veel vrije
tijd is eigenlijk ook geen vrije tijd in verband met zorgtaken, zo luidde de conclusie.
Er werd ook heel kort ingegaan op de relatie zorgarbeid en vrouwen en de verhouding tussen
betaalde en onbetaalde arbeid. Vrouwen besteden duidelijk meer tijd aan onbetaalde arbeid
dan mannen. In de periode 1985 - 1995 gaan mensen meer betaald werken en neemt het
vrijwilligerswerk af wat weer gevolgen heeft op het terrein van zorg voor ouderen en gehandicapten. Een van de conclusies was dat de economische groei ten koste gaat van zorgarbeid en
er daardoor sprake is van minder welvaart. Door onbetaalde arbeid te belonen is er ook sprake
van een vorm van waardering van het werk door vrouwen.
De economen waren het erover eens dat zorgarbeid niet in het bruto nationaal product
opgenomen moet worden omdat het niets aan de situatie zou veranderen. De zaal was het hier
niet mee eens en vond dat opname in het bruto nationaal product het beleid ten aanzien van
vrouwen, en met name de arbeidsdruk ten opzichte van bijstandsvrouwen, kan beïnvloeden.
Zorg wordt dan zichtbaar. Er werd ook gefilosofeerd over andere vormen van een economie
en een collectieve zorgverzekering.
Tijdens de plenaire afronding werd verslag gedaan van de expertmeetings:
Herstelbetaling voor Zorg: waar een strategie ontwikkeld werd om voor oudere vrouwen
zonder pensioenrechten (in verband met zorgtaken) een extra inkomen te realiseren. Er
werden vier groepen onderscheiden: vrouwen die enige tijd niet in Nederland hebben gewoond en daardoor een AOW-gat hebben; vrouwen die geen pensioenopbouw kennen;
gescheiden vrouwen zonder recht op pensioen en vrouwen zonder kinderen die echter wel
gezorgd hebben voor bijvoorbeeld ouders. Een discussiepunt was of er één strategie moet
komen voor de hele groep of per groep een deelstrategie.
Zorg in Uitvoering: hier was de doelstelling om een oplossing te vinden voor de problemen
waarmee vrouwen geconfronteerd worden die onbetaalde arbeid verrichten. Oplossingen
waren onder andere een persoonsgebonden budget, uitbreiding van de buitenschoolse opvang,
erkenning van zorg door het ontwikkelen van objectieve normen en studie mogelijkheden.
Zorgen Verzekerd: centraal stond hier de strategie om een zorgverlofverzekering op de
politieke agenda te krijgen.
Tijdens het slotdebat werd geconcludeerd dat het veel belangrijker is om goede banen voor
vrouwen te creeëren in plaats van vrijwilligerswerk.
Het symposium werd afgesloten met een muzikale omlijsting van Vocalease en bij de uitgang
kregen alle deelnemers een bloemetje uitgereikt onder het motto dat vrouwen nu wel eens een
bloemetje verdiend hebben.
Grietje.
Suplicy Interviews Milton Friedman
Op de 'newsflashes' van de website van BIEN vond Gosling Putto de volgende interviews die
de Braziliaanse senator, en BIEN lid, Eduardo Suplicy met Milton Friedman en James Tobin
heeft gehouden. Het interview met Milton Friedman dateert uit mei 2000 en met James Tobin
uit september 2001.
Het volgende is een vrije vertaling van Grietje Lof. De originele tekst is te vinden op de
website van BIEN alsmede op de website van USBIG.
Milton Friedman, econoom, Chicago, nobelprijswinnaar en grondlegger van het monetarisme,
wordt vaak gezien als degene die voor het eerst het idee van een negatieve inkomensbelasting
lanceerde. Soms wordt hij ook wel beschouwd als de rechtse interpretatie van een onvoorwaardelijk basisinkomen. De term 'negatieve belasting' is echter veel ouder: in 1838 verzonnen door de Franse econoom Augustin Cournot (Recherches sur les principes mathématiques
de la théorie des richesses, 1838) en in haar huidige betekenis gebruikt door de Britse econoom Abba Lerner in een boek 'Economics of Control' (Macmillan 1944), welke door
Friedman in 1947 gerecenseerd werd (Journal of Political Economy). Toch is het onmiskenbaar Friedman die het meest heeft bijgedragen aan de popularisering van het idee van een
wereldwijde negatieve inkomensbelasting.
Eduardo Matarazzo Suplicy is een in de Verenigde Staten opgeleide econoom, prominent lid
van de Braziliaanse Linkse Partij (PT) en momenteel herkozen als senator van de staat São
Paulo met meer dan drie miljoen stemmen. In 1991 presenteerde hij een wetsontwerp die,
indien aan genomen, een inkomen garandeerde voor alle Brazilianen in de vorm van een
negatieve inkomensbelasting. Het wetsontwerp werd bijna unaniem goedgekeurd door de
Senaat maar niet door het Huis van Afgevaardigden. Echter, op meer lokaal niveau zijn er
door heel Brazilië een flink aantal bescheiden gegarandeerde inkomensmodellen uitgeprobeerd. Senator Suplicy voert een campagne om federale ruggensteun te krijgen voor uitbreiding en radicalisering van deze experimenten naar een nationale negatieve inkomensbelasting,
wat hij beschouwt als een te realiseren volgende fase naar een onvervalst basisinkomen voor
alle Brazilianen. Onderdeel van deze campagne is de voorbereiding van een boek getiteld
'Towards a Citizen's Income' waarvoor hij Milton Friedman, ondanks het feit dat dit een
tamelijk ongebruikelijke keuze is voor een linkse politicus, een aantal schriftelijke vragen
stelde (29 maart 2000). Friedman beantwoordde deze vragen zeer nauwkeurig (11 april 2000).
Hieronder volgt de volledige tekst van Suplicy's vragen en de antwoorden van Friedman.
1.
Suplicy: u en mevrouw Rose Friedman zijn bevriend met George Stigler, zoals u beschrijft in
'Two people of luck, Memoirs'. In welke mate had er een uitwisseling van ideeën plaats
tussen u en George Stigler m.b.t. de publicatie van zijn artikel 'The Economics of Minimum
Wage Legislation' in de American Economic Review van juni 1946 (pp. 358-365)? In uw
memoires heeft u het wel over uw beider uitwisseling inzake prijs - en rentelimieten, maar
niet over het voorstel voor een negatieve inkomensbelasting zoals geformuleerd in het betreffende artikel evenals in uw werk 'Capitalism and Freedom' uit 1962.
Friedman: ik kan mij niet herinneren of we ooit met George Stigler dit onderwerp besproken
hebben, waar hij het in zijn 'Economics of Minimum Wage Legislation' over heeft. Omdat we
goed bevriend waren verwacht ik dat we dat wel gedaan hebben, maar ik kan het mij niet
herinneren. Het is in ieder geval wel duidelijk, wat blijkt uit zijn stellingname evenals uit de
mijne, dat het idee op dat moment leefde en verre van fictief was.
2.
Suplicy: toen u de negatieve inkomensbelasting voorstelde als een rationeel en efficiënt
instrument om de armoede op te lossen, in hoeverre hield u toen rekening met de kritieken van
de Klassieke Economen als Adam Smith, David Ricardo en Thomas Malthus, en, een ander
perspectief, Karl Marx en de verschillende vormen die de armenwetten vanaf de zestiende
eeuw, waaronder de Speenhamland Act, hadden?
Friedman: tegen de tijd dat ik 'Capitalism and Freedom' schreef had ik de Klassieke Economen gelezen waar u aan refereert en was op de hoogte van de invulling van de armenwetten.
Hoe dan ook, ik kan mij niet herinneren dat mijn standpunten op de een of andere specifieke
wijze door deze waren beïnvloed. Hun ideeën waren deel van de context van waaruit ik
werkte maar hadden geen speciale betekenis m.b.t. dit onderwerp.
3.
Suplicy: in hoeverre hield u toen rekening met het voorstel van Augustin Cournot m.b.t. een
negatieve inkomensbelasting (Recherches sur les Principes Mathématiques de la Théorie des
Richesses. Paris: Libraire Hachette 1838. New Edition: Paris: Marcel Riviere. 1938)?
Friedman: ik kan mij niet herinneren rekening gehouden te hebben met Cournot.
4.
Suplicy: toen u voorstelde om een gegarandeerd inkomen te institutionaliseren d.m.v. een
negatieve inkomensbelasting, in welke mate hield u er toen rekening mee dan dit voorstel een
brede politieke ondersteuning zou krijgen?
Friedman: in mijn boek 'Capitalism and Freedom' en de daaraan verbonden serie lezingen,
probeerde ik iets te presenteren zonder veel aandacht aan de politieke haalbaarheid te besteden. Vanuit die betekenis heb ik weinig aandacht besteed aan de steun die het voorstel kon
krijgen. Maar, in mijn latere stukken die ik over een negatieve inkomensbelasting heb geschreven, (ik sluit een lijst van referenties in), was ik mij er onmiskenbaar van bewust dat het
idee een brede ondersteuning kon krijgen. Degene die Kennedy aanwees om de discessie
m.b.t. inkomensdistributie te leiden, bleek een negatieve inkomensbelasting te ondersteunen,
en zoals u waarschijnlijk bekend is uit zijn memoires, probeerde ook president Nixon zich die
richting op te bewegen, maar zonder veel succes.
5.
Suplicy: voorjaar 1968 ondertekenden James Tobin, Paul Samuelson, John Kenneth Galbraith, Robert Lampman, Harold Watts en nog twaalfhonderd economen een document waarin
het Nationale Congres opgeroepen werd om nog "dit jaar een systeem van inkomensgaranties
en -supplementen in te voeren". Waarom gaf u er toen de voorkeur aan om hier niet aan deel te
nemen, ondanks het feit dat u hiertoe uitgenodigd was?
Friedman: nu, meer dan drie decaden later, heb ik geen specifieke herinnering meer wat mijn
beweegreden was om een zeker document niet te ondertekenen. In het algemeen ben ik altijd
al onwillig om mee te doen met handtekeningacties. Ik geef er de voorkeur aan voor mezelf te
spreken en te schrijven. Het kan ook wel zo zijn geweest dat ik een andere mening had over
sommige delen in de tekst.
6.
Suplicy: ondanks dat de 'Earned Income Tax Credit', in maart 1975 ingevoerd, deels een
vorm van een negatieve inkomensbelasting is, kan ik in uw memoires hier niets over terug
vinden. Vandaar dat ik het op prijs zou stellen als u mij kan vertellen of:
a) U denkt dat de EITC een efficiënt middel is geweest om de armoede in de Verenigde Staten
te reduceren?
b) Of we kunnen stellen dat de EITC. Zoals u deze heeft verbreid sinds 1993, een bijdrage
heeft geleverd aan de economie in de Verenigde Staten in de vorm van de laagste werkloosheidscijfers in de afgelopen 30 jaar (ca. 4,2%)?
c) Zou een volledig negatieve inkomensbelastingplan, zoals door u voorgesteld in 'Capitalism
and Freedom', of zoals geschetst in President Nixon's 'Family Assistance Plan' een efficiënter plan zijn om armoede te reduceren?
Friedman:
a) De EITC heeft bijgedragen aan het reduceren van armoede in de Verenigde Staten. Ik
geloof niet dat het een extreem efficiënt middel is in verband met de specifieke wijze waarop
het in de inkomensbelasting geïntegreerd is. Het is vatbaar voor misbruik.
b) Ik geloof niet dat de EITC een belangrijke factor is m.b.t. de vermindering van werkloosheid. Het kan een kleine invloed hebben gehad maar het belangrijkste is de ongekend hoge en
stabiele groei van de economie over de afgelopen tien jaar.
c) Ik twijfel er niet aan dat het volledige negatieve inkomensbelasting model dat ik in 'Capitalism and Freedom' voorstelde, een efficiënter middel zou zijn geweest om armoede te bestrijden. M.b.t. 'Family Assistance Plan', zijn er inmiddels zoveel versies in omloop dat het
moeilijk is om de juiste versie te identificeren.
7.
Suplicy: bent u bekend met de beweging voor een basisinkomen zoals bijvoorbeeld BIEN
(Basic Income European Network), een organisatie die in 1986 werd opgericht om te bewerkstelligen dat iedereen, ongeacht afkomst, 'race', sekse, leeftijd, burgerlijke of sociaal-economische situatie, het recht krijgt op een onvoorwaardelijk en bescheiden inkomen wat voldoende is om in haar/zijn levensbehoeften te voorzien, en dat dit recht een grondrecht wordt? Bent
u bekend met het werk van de oprichters zoals Philippe van Parijs (Secretaris-Generaal) en
Guy Standing (President), en waarmee recentelijk ook Herbert A. Simon en James Tobin zich
verbonden hebben, of met de boeken over James Edward Meade's 'Agathotopia'?
Friedman: de beweging waar u aan refereert is mij niet bekend.
8.
Suplicy: wat vindt u van het voorstel voor een basis- of ingezetene-inkomen in vergelijking
met het alternatief van een negatieve inkomensbelasting?
Friedman: een basisinkomen is geen alternatief voor een negatieve inkomensbelasting. Het is
gewoon een andere manier om een negatieve inkomensbelasting te introduceren in combinatie
met een positieve inkomensbelasting zonder vrije voet. Een basisinkomen van 1000 eenheden
met een ratio van 20 procent op verdiend inkomen is het equivalent van een negatieve inkomensbelasting met een vrijstelling van 5000 eenheden en een ratio van 20 procent onder en
boven de 5000 eenheden.
9.
Suplicy: het Alaska Permanent Fund wordt al twintig jaar in de vorm van een divident uitgekeerd aan alle burgers die langer dan een jaar in Alaska wonen. Volgens verschillende studies
heeft het bijgedragen aan de gestadige economische groei van Alaska, waarbij iedereen een
basis recht heeft om te participeren in de rijkdom van de staat. Het is een praktijk voorbeeld
van het feit dat een basisinkomen kan werken. In 1999, ontvingen de zeshonderdduizend
bewoners elk 1679, 84 VS dollars. In 1995 bezocht ik Alaska en bemerkte dat de bevolking
heel enthousiast was over het systeem. Ik ben geen mensen tegen gekomen die vanwege het
dividend niet werkten. Ik zag daar de toepassing van een overeenkomstig voorstel van Thomas Paine zoals in zijn in 1795 geschreven werk 'Agrarian Justice'. In de autobiografie van
Jay Hammond (de gouverneur die het plan in het begin van de jaren tachtig ontwierp) staat dat
u hem eens heeft gesuggereerd om de totale olie baten van het Alaska Permanent Fund onder
de bevolking te verdelen. Hij gaf er echter de voorkeur aan om niet uitsluitend aan die generatie te denken maar ook aan de toekomstige generaties. Wat is uw mening over het experiment
van het Alaska Permanent Fund dividend? Zou u andere landen aanbevelen om elk een eigen
fonds te creeëren welke gebaseerd is op de rijkdommen van de staat en op deze wijze en
inkomen voor alle burgers te garanderen?
Friedman: ik geloof dat het Alaska Permanent Fund goed functioneert, maar volgens mij is het
moeilijk om het te generaliseren naar andere staten. De situatie in Alaska is heel speciaal. Het
probleem ontstond toen het duidelijk werd dat Alaska een zeer hoog tijdelijk inkomen zou
krijgen. Nu komt de vermindering van dat inkomen naar voren en het probleem wat aan te
vangen met het Permanent Income Fund wordt nijpend. Indertijd was het vraagstuk of het
inkomen jaarlijks onder de mensen verdeeld moest worden, of doen wat zij normaal deden
wat in hield dat een aanzienlijk deel gebruikt zou worden voor overheidsuitgaven en de rest
via een fonds laten accumuleren met een dividend voor ieder individu. Op dit moment is het
voor mij nog niet duidelijk wat het beste zou zijn geweest. Ik twijfel er niet aan dat de wijze
waarop het in Alaska gebeurd, meer leiding nodig had.
10.
Suplicy: wist u dat in april 1991 een Braziliaanse senator een wetsontwerp heeft ingediend om
een gegarandeerd minimum inkomen in te voeren d.m.v. een negatieve inkomensbelasting die
aan een ieder ouder dan vijfentwintig jaar en met een inkomen lager dan een equivalent van
ongeveer honderdvijftig VS dollars per maand, zou moeten worden uitbetaald? Wist u dat dit
voorstel door de Braziliaanse Senaat was aangenomen op 16 december 1991 waarbij alle
partijen het voorstel steunden ondanks het feit dat het initiatief afkomstige was van een
senator van de Worker's Party, de oppositie? En dat dit initiatief sinds 1992 op goedkeuring
wacht van de Kamer van Afgevaardigden en inmiddels een gunstige beoordeling heeft gekregen van het Financiële Comité?
Friedman: ik weet niets van de feiten die u noemt.
11.
Suplicy: bent u bekend met de Braziliaanse ontwikkeling van dit wetsvoorstel gedurende de
negentiger jaren? Er waren veel lokale initiatieven die een aanvullend inkomen boden aan
arme gezinnen zodat hun kinderen naar school konden in plaats van op heel jonge leeftijd te
moeten werken. Op grond van de positieve resultaten van deze ervaringen - Minimum Income
Programs Related to Education or Scholarship Programs (Bolsa-Escola) -, werd er in 1997 een
nieuwe wet aangenomen die de federale overheid machtigde om 50 procent van de kosten te
financieren die gemeenten maken om dergelijke programma's met bescheiden middelen in te
stellen. Kunt u factoren aandragen die het mogelijk maken om deze procedure te evalueren in
vergelijking met het alternatief van een basisinkomen over negatieve inkomensbelasting?
Friedman: ik ben niet op de hoogte van de ontwikkeling van dit wetsvoorstel uit de negentiger
jaren in Brazilië. Met alle respect voor de plaatselijke initiatieven waar u aan refereert, een
overeenkomstig programma werd ingesteld in Mexico voor een specifieke regio waar de
regering gezinnen een aanvulling op het inkomen betaalde als de kinderen naar school gingen
in plaats van werkten. Een basisinkomen of een negatieve inkomensbelasting is een breder
middel om een basis levensniveau te garanderen. Hoe dan ook, het verschijnsel van fondsen
waarmee de educatie van kinderen gesubsidieerd wordt heeft meer precedenten in het huidige
gedrag van de verschillende landen. Ik denk dat Brazilië inmiddels ook scholing financieert en
dat dit als onderdeel hiervan gezien kan worden. Zoals u bekend is uit mijn boek 'Capiltalism
and Freedom' ben ik niet alleen een voorstander van een negatieve inkomensbelasting; ik ben
er ook voorstander van dat overheidsfinanciëring van scholing gebeurt door middel van een
'voucher' aan ouders in plaats van via de scholen.
De laatste jaren heb ik geen onderzoek meer gedaan naar, of geschreven over, een negatieve
inkomensbelasting waardoor ik niet op de hoogte ben van de laatste ontwikkelingen. Ik hoop
dat u iets kan met mijn bijdrage.
Drie stellingen over werken in de postindustriële samenleving
Paul de Beer
1. Werken aan de onderkant
Wie geen betaald werk doet loopt ongeveer vier maal zoveel risico om arm te zijn als wie wel
een betaalde baan heeft. Sinds bestrijding van armoede in het midden van de jaren negentig
op de politieke agenda is terechtgekomen, geldt werkgelegenheidsbeleid dan ook als het
belangrijkste wapen tegen armoede. Toch blijkt werkgelegenheidsgroei niet vanzelf in minder
armoede te resulteren. Dat komt in de eerste plaats doordat de meeste banen die er in de jaren negentig zijn bijgekomen niet bij uitkeringsgerechtigden terecht zijn gekomen. Om te
bevorderen dat uitkeringsontvangers meer profiteren van de banengroei, is een uitgebreid
pakket aan maatregelen ingevoerd. Zo kennen we inmiddels de ID-banen, de WIW-banen en
de SPAK. Gezamenlijk kosten die zo'n 5 miljard gulden per jaar. Naar schatting zijn daardoor
echter nog geen 100.000 uitkeringsontvangers extra aan het werk geholpen, die bovendien
lang niet allemaal arm waren. Een tweede probleem is, dat niet iedere arme die werk vindt,
daarmee ook uit de armoede ontsnapt. Het gaat immers vaak om laagbetaald werk. Om werk
voor uitkeringsgerechtigden financieel aantrekkelijker te maken en de kans te verkleinen dat
werkenden onder de armoedegrens blijven steken, is in de jaren negentig de arbeidskorting in
de loon- en inkomstenbelasting fors verhoogd, tot ruim 2.000 gulden per werkende per jaar.
Dat kost de fiscus jaarlijks een slordige 10 miljard aan inkomsten. Niettemin is het aantal
'working poor', het aantal werkenden dat zich onder de armoedegrens bevindt, in Nederland in
de jaren negentig met bijna 100.000 toegenomen (van 180.000 in 1990 naar 266.000 in 1998,
ofwel van 5% naar 7% van de 'actieve huishoudens').
Omdat werk is uitgeroepen tot belangrijkste middel tegen armoede, maar meer werk niet
vanzelf in minder armoede resulteert, geven we per jaar in Nederland dus zo'n 15 miljard uit
om te bevorderen dat werk wel tot minder armoede leidt. Het effect daarvan is tot nu toe
echter mager. Zouden we dit geld niet nuttiger kunnen besteden? Laat ik, hoewel dit geheel
ingaat tegen de heersende consensus, eens een simpel rekensommetje maken. Stel dat we de
15 miljard die we nu besteden ter ondersteuning van het werkgelegenheidsbeleid hadden
gebruikt om de inkomenspositie van de armen te verbeteren. Aangezien circa 900.000 huishoudens zich onder de armoedegrens bevinden, hadden we elk van die huishoudens ieder jaar
zo'n 17.000 gulden extra kunnen geven! Nederland had daarmee het eerste land ter wereld
kunnen zijn dat de financiële armoede vrijwel volledig had uitgebannen ...
Vandaar mijn stelling:
Hoewel een betaalde baan voor individuele personen het beste middel is tegen armoede en
sociale uitsluiting, is werkgelegenheidsbeleid geen effectief instrument om armoede te bestrijden.
2. Het geheim van het poldermodel
Volgend jaar vieren we het eerste lustrum van het poldermodel. Althans van de term 'poldermodel', die in 1997 voor het eerst in de media opdook. Maar volgens velen viert het poldermodel volgend jaar eigenlijk zijn 20e verjaardag. In 1982 sloten Wim Kok en Chris van Veen
immers het historische Akkoord van Wassenaar dat, zo luidt de communis opinio, de basis
legde voor het huidige succes. Van die twintig jaar wordt echter pas de laatste vijf jaar in positieve termen over het Nederlandse model gesproken. Voor die tijd had men het
over Dutch disease, over een schoolvoorbeeld van falend werkgelegenheidsbeleid (Therborn),
over een verstarde economie en een stroperig overlegmodel.
Waarom duurde het zo lang voor het poldermodel een succes werd - of althans voor het
succes ervan algemeen werd onderkend? Het antwoord op die vraag is tevens de reden waarom het poldermodel zolang stand heeft kunnen houden. In Nederland reageren de lonen met
enige vertraging op veranderingen in de werkloosheid. Dat komt niet door het Akkoord van
Wassenaar, want dit gold ook al in de jaren zestig en zeventig. De explosieve stijging van de
werkloosheid na de tweede oliecrisis in 1979, had dan ook al in 1980 - twee jaar vóór Wassenaar - tot gevolg dat de lonen achterbleven bij de prijsstijging. Vanaf 1984 begon dankzij deze
reële loondaling de werkgelegenheid weer te groeien. Maar juist op dat moment begaven de
Nederlandse vrouwen, die zich lang tevreden hadden gesteld met hun rol als huisvrouw, zich
massaal op de arbeidsmarkt. En wat niemand had voorzienze bleken daar nog uitermate
succesvol te zijn ook, want van de nieuwe banen die er bijkwamen wisten zij bijna tweederde
'in te pikken'. De keerzijde van deze ontwikkeling was echter dat de werkloosheid hoog bleef
en in tien jaar tijd per saldo nauwelijks daalde. Daarom werd het poldermodel lange tijd
allerminst als een succes gezien. Maar daarom heeft het proces van loonmatiging zich ook zo
lang voortgezet.
Nu de werkloosheid de laatste vijf jaar eindelijk sterk is teruggelopen, wordt tegelijkertijd de
kwetsbaarheid van het poldermodel zichtbaar. De lonen beginnen weer fors op te lopen, juist
op een moment dat de economie op een recessie afstevent. Sommigen pleiten daarom al weer
voor een nieuw 'Wassenaar'. Maar het paradoxale van het poldermodel is, dat, wil dit iets opleveren, de werkloosheid eerst fors zal moeten oplopen.
Mijn stelling luidt daarom:
Het geheim van het poldermodel, de loonmatiging, was niet het resultaat van het Akkoord van
Wassenaar in 1982, maar van de massale toestroom van vrouwen naar de arbeidsmarkt.
3. Werken als panacee of placebo?
Vroeger was het simpel. Werken was niet leuk en daarom moesten we ervoor betaald worden.
Tegenwoordig ligt het niet meer zo eenvoudig. Werken is nu namelijk wel leuk, of in ieder
geval horen we het leuk te vinden. Werken is een middel tot zelfverwerkelijking en persoonlijke ontplooiing, tot economische zelfstandigheid en geluk, het is een bron van maatschappelijke integratie en sociale cohesie. Een ware panacee voor al uw persoonlijke leed en menig
sociale kwaal.
Helaas is nog niet iedereen voldoende van de heilzame werking van werk doordrongen. Er
zijn nog teveel langdurig werklozen, overspannen WAO'ers, traditionele huisvrouwen en
uitgewerkte vutters die niet of niet meer aan het arbeidsproces deelnemen. Dat is niet alleen
kostbaar voor de samenleving (als gevolg van de te verstrekken uitkeringen en gederfde
inkomsten), maar ook schadelijk voor hen zelf. Daarom is in de jaren negentig onder het
motto 'werk, werk en nog eens werk' intensief campagne gevoerd om ieder van het belang van
werk te overtuigen. Dat is te meer noodzakelijk omdat het niet voor al deze groepen vanzelf
spreekt dat zij van een betaalde baan zoveel beter worden. Zo wees ik er al op dat werk lang
niet altijd een effectief middel is om uit de armoede te ontsnappen. Ook het feit dat veel
werkenden klagen over hun hoge werkdruk, dubbele belasting, stress, enz., helpt er niet echt
aan mee. Toch lijkt de boodschap in ieder geval bij werklozen en arbeidsongeschikten te zijn
overgekomen. Zij antwoorden in enquêtes desgevraagd heel gedwee dat zij niet gelukkig zijn
met hun situatie - en dat is precies wat we van hen willen horen. Zelfs degenen die een weinig aantrekkelijke, laagbetaalde baan aan de onderkant van de arbeidsmarkt bezetten, scoren
aanzienlijk hoger op de geluksschaal. We mogen dan ook concluderen dat werk op z'n minst
een effectieve placebowerking heeft zelfs al verbetert de objectieve conditie van werklozen of
arbeidsongeschikten niet veel als zij aan het werk gaan, zij voelen zich dan in ieder geval een stuk beter.
Bij huisvrouwen en vutters is de campagne minder aangeslagen. Vrouwen en ouderen mogen
de afgelopen jaren dan massaal aan het werk zijn gegaan, de resterende huisvrouwen en
vutters lijken met hun situatie zonder betaalde baan toch heel content te zijn. En dat kunnen
we, zeker gezien de dreigende grijze wolk die boven ons hangt, nu net niet hebben. De campagne om het belang van werk te benadrukken moet dan ook worden voortgezet tot ook zij
aan het werk zijn gegaan - of in ieder geval tot zij ervan doordrongen zijn dat het geen pas
geeft om met hun baanloze bestaan zoveel tevredenheid uit te stralen. Pas dan zal het participatiebeleid werkelijk zijn geslaagd. Kort samengevat:
Het belang van betaald werk is in onze samenleving vooral gelegen in het feit dat het zo
belangrijk wordt gevonden.
Groet,
Paul de Beer
Colofon
Dit nummer is een uitgave van de vereniging basisinkomen.
Artikelen mogen worden overgenomen met vermelding van herkomst.
Aan dit nummer werkten mee: Paul de Beer, Saar Boerlage, Grietje Lof, Gosling Putto.
Vereniging Basisinkomen
Elisabeth Wolffstraat 96b
1053 TX Amsterdam
Telf. 020-6852712
E-mail: info@basisinkomen.nl
Website: http://www.basisinkomen.nl