Maart 2002 NR. 36
"A growing number of people consider that there is a better way to address the needs of our society and the people in it than cutting services and support: a way that values and supports people and encourages them to do and be their best. UBI, Universal Basic Income, is the name we use in New Zealand for this 'better way'. It involves giving all citizens, a basic level of income, as of right, with no means test, and regardless of age, gender, marital or work status."(UBINZ)
Een kerstnummer... schreven we op de vorige nieuwsbrief! Nu dat hebben we geweten: computer problemen, een inbraak op ons kantoor (gelukkig niets weg dus geen basisinkomen voor de inbrekers), het computersysteem op het postkantoor plat, etcetera. Het werd dus een nieuwjaarsnummer.
2002. Het jaar van de introductie van de euro. Helaas blijken de nieuwe acceptgirokaarten om uw contributie te voldoen vertraagd te zijn. Wij verzoeken u dan ook uw contributie c.q. donatie/abonnement voor 1 mei a.s. over te maken op gironummer 1890919 onder vermelding van uw naam en adres, en contributie/bijdrage 2002. De contributie bedraagt 25€ en voor degenen voor wie dit een probleem is 10€. Donaties zijn uiteraard altijd welkom. In 2001 hebben wij nogal wat leden gehad die niet hebben betaald. Dit kan niet voor een kleine vereniging als die van ons.
2002. Ook het jaar van veranderingen. Arbeidsbureau's blijken ineens CWI's te heten, uitvoeringsinstellingen UWV's en m.b.t. de WAO staan ons ook grote veranderingen te wachten. Vandaar dat wij in deze nieuwsbrief aandacht besteden aan onder andere de huidige WAO discussie. 2002 is ook het jaar van de verkiezingen. Loek Groot doet ver- slag van het partijcongres van GroenLinks m.b.t. hun standpunt inzake een basisinkomen. En zoals beloofd vindt u in deze nieuwsbrief het tweede Suplicy interview, namelijk met James Tobin.
Omdat er nogal wat klachten waren omtrent de leesbaarheid van de vorige nieuwsbrief hebben wij voor deze een ander lettertype en grootte gekozen. Wij hopen dat het nu voor heel veel mensen een verbetering is. Als dit niet het geval is, wilt u het ons dan laten weten.
Wij noemen deze nieuwsbrief geen lentenummer, ondanks de vroege lente. Op dit moment, terwijl we de nieuwsbrief aan het maken zijn, waaien de dakpannen ons bijna van het dak ( bij mij thuis letterlijk). Het schijnt een gevolg te zijn van het broeikaseffect. Voorlopig onze toekomst: voorjaarsstormen maar helaas nog geen basisinkomen dit jaar.
Bien congres.
Op 12-14 september wordt het negende BIEN congres in Genève gehouden. Het thema luidt: inkomenszekerheid als een recht (income security as a right).
Het programma ziet er, voorzover bekend, als volgt uit:
12 september: welkom.
13 september: basisinkomen als een recht; is inkomenszekerheid een mensenrecht; electronische inkomenstransfers.
14 september: politieke legitimatie van een basisinkomen; Calvijn, Rousseau en economische zekerheid.
15 september: boottocht of rondleiding bij de Verenigde Naties.
De deadline voor het indienen van paper voorstellen is 31 maart. Adres: BIEN, IFP/SES, International Labour Office; 4 route des Morillons; 1211 Geneve 22; Telf. +41227998893; < a href="mailto:bien@ilo.org">bien@ilo.org www.basicincome.org .
Indien u een paper op het BIEN congres wilt indienen wilt u het ons dan laten weten, en ons een kopie van de paper toezenden.
Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (S.U.W.I.).
1 januari 2002 betekende niet alleen invoering van de euro, maar ook een verandering in de uitvoeringsstructuur van de sociale zekerheid.
Centraal in deze structuur, Structuur Uitvoering Werk en Inkomen (SUWI), staat ‘Werk boven Inkomen' en "een hierop afgestemde klantgerichte dienstverlening, een doelmatige en rechtmatige uitvoering". (Bron: De Kleine Gids Voor De Nederlandse Sociale Zekerheid. 2002.1. Kluwer. P. 132).
Een van deze veranderingen was het opgaan van de bestaande arbeidsbureau's in de Centra voor Werk en Inkomen (CWI's). In totaal 131 stuks verspreid over Nederland. In deze nieuwsbrief vindt u een ervaring met de nieuwe structuur in vergelijking met de oude, en met de fictieve situatie van een basisinkomen op minimumniveau. Is een basisinkomen niet doelmatiger, en misschien wel goedkoper zelfs?
Een tweede verandering is de samenvoeging van de vijf uitvoeringsinstellingen tot een landelijk publiek instituut, Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). De meeste mensen zullen daar niet veel van merken behalve een naam verandering op het briefpapier.
Een derde verandering, die al enige tijd van kracht was volgens mij, is de privatisering van de reïntegratie. In deze nieuwsbrief hebben wij geen ruimte om op dit punt verder in te gaan maar in een volgende willen wij deze privatisering wel bespreken. Ook omdat er nogal wat kritiekpunten zijn zoals bevoordeling van de grote reïntegratiebureau's, het ‘verkopen van scholing' in plaats van werk, de ondeskundigheid ten opzichte van mensen met een arbeidshandicap, de dwang, etcetera. De ervaringen van mensen zijn nogal wisselend en onduidelijk blijft hoeveel mensen nu werkelijk naar tevredenheid betaald werk hebben gevonden. En wat gebeurt er met de mensen voor wie geen bevredigende oplossing wordt gevonden? In hoeverre is het motto ‘Werk boven Inkomen' niet voor velen een loze kreet wat een inkomen voor reïntegratiebureau's oplevert maar geen werk voor degenen die dat graag willen? Wordt het niet eens tijd om, in plaats van zinloos geld in dit soort projecten te stoppen, ‘Inkomen boven Werk' centraal te stellen?
In deze nieuwsbrief beperken wij ons echter tot een korte schets van de CWI's.
Wat zijn nu de taken van de CWI's in vergelijking met de vroegere situatie?
Een van de meest opvallende zaken is de centrering van de intake gesprekken voor bijstand/WW en de inschrijving voor werk op één plaats. Fysiek, want in de praktijk blijkt het om verschillende mensen te gaan en aldus om verschillende afspraken.
Toevallig moest ik per 5 januari een WW-uitkering aanvragen omdat de regeling m.b.t. een instroom/doorstroom baan bij de vereniging nog niet afgerond was. Ik had dus inderdaad ‘Werk boven Inkomen'. Probleem is dat een mens ‘Inkomen boven Werk' nodig heeft om te kunnen bestaan, c.q. te werken. Maar zo werkt de bureaucratie niet: ondanks mijn werk kreeg ik een stapel papier in handen gedrukt met de mededeling om dit eerst maar eens in te vullen. Nou dat heb ik maar braaf en stoïcijns gedaan waarna ik deze met een mevrouw mocht bespreken. Situatie uitgelegd, alle begrip, maar toch... de hele rimram afhandelen. Ondanks het feit dat al mijn gegevens al in de computer zaten. Nou ja, dan zijn ze weer eens bijgewerkt moet je maar denken.
Na deze intake bij het CWI zelf krijg je vervolgens een aparte afspraak voor de intake WW, plus een stapel formulieren om in te vullen, plus een boodschappenlijst met daarop alle papieren die je mee moet nemen. Ik kwam dus terug met een hele map vol, wat keurig voor mij gekopieerd werd. Terwijl al deze papieren al bij de uitvoeringsinstelling waren! Maar de mensen die de intake doen weten dit niet omdat zij niet van de uitvoeringsinstelling zijn en aldus niet in de computer kunnen kijken van de uitvoeringsinstelling. En hier hebben we dus gelijk twee knelpunten te pakken: de enorme bureaucratie en papierwinkel, en de afgenomen bereikbaarheid. Want de beslissing wordt uiteindelijk door de sociale dienst c.q. uitvoeringsinstelling genomen.
Heel veel werk, papierwerk, maar geen betaald werk. Tot mijn verbazing werd ik namelijk in fase drie ingedeeld, wat inhoudt dat het CWI geen inspanningen zal verrichten om werk voor mij te vinden. Ik had nl. nog geen beslissing WAO gehad en voor hen was ik dus arbeidsongeschikt. Tegelijkertijd was ik wel verplicht om te solliciteren terwijl ik in principe al werk had!
Als je lang werkloos bent gewesst weet je al precies hoe te handelen in dergelijke situaties, d.w.z. te overleven: arbeidsbureau's deden al nooit wat en zo'n brief schrijf je dan maar braaf eenmaal per week. Zonde van de postzegel en uiteraard ...volslagen belachelijk. Iedereen weet dat, en iedereen speelt vervolgens het spel.
Voldoen de CWI's nu aan hun doelstelling?
In mijn geval kan ik deze alleen maar met een ontkennend nee beantwoorden. Integendeel. Ik denk zelf dat het hele project meer kost dan het oplevert, theoretisch. Bureaucratie kost geld. Het invullen en bij elkaar zoeken van allerlei paperassen kost cliënten veel tijd en energie. Energie en tijd zijn uit te drukken in geld.
Interessant is echter dat het inkomen wat ik zo hard probeerde veilig te stellen waarschijnlijk net zo hoog is als een basisinkomen op minimumniveau zou zijn. In beide gevallen ‘geld van de overheid', ‘even hoog bedrag', en zeer waarschijnlijk ‘dezelfde activiteiten/werk' maar..... zonder de kosten van de bureaucratie. En zonder tijd en energie verspilling. In dit geval durf ik dus te beweren dat een basisinkomen niet kost maar oplevert.
Maar.... voor het eerst werd ik op het arbeidsbureau als mens behandeld en niet langer benaderd als weer zo'n ‘inferieur type' met de ‘verkeerde persoonlijkheid c.q. de studie', etcetera.
Ineens werd er zichtbaar gewerkt, vacatures waren up-to-date en er heerste een vrolijke, behulpzame, daadkrachtige sfeer. Geen uren meer wachten. En ook niets van de chaos die FNV bestuurster Agnes Jongerius verwachtte. (FNV Magazine 10 januari 2002)
Dus ondanks alles.... er zij licht in de duisternis! Werklozen en arbeidsgehandicapten zijn weer mensen! Nu nog een basisinkomen voor Zekerheid zonder Gezeur.
Grietje Lof
Lezing Paul de Beer.
Tijdens de nieuwsjaarsborrel op 25 januari hield Paul de Beer een lezing over zijn proefschrift ‘Over Werken in de Postindustriële Samenleving'.
Het proefschrift is te vinden op de website: www.scp.nl bij de juni 2001 publicaties. Er is echter ook een handelseditie uitgebracht voor 13,50€. De titel hiervan is: Werk, een uitgewerkt medicijn? Arbeidsparticipatie, welvaart en ongelijkheid in de postindustriële samenleving.
Paul begint zijn lezing met een schets van de geschiedenis van werk, arbeid, in Nederland over de afgelopen vijftig jaar.
De eerste periode, de vijftiger - zestiger jaren werden gekenmerkt door het geloof in de technologie. Door de technologische vooruitgang zou er minder werk door mensen verricht hoeven te worden en kwam er ruimte voor een vrijetijdssamenleving. Werken werd niet echt als leuk beschouwd.
Het is ook de periode waarin de verzorgingsstaat opgebouwd werd. Uitkeringen waren een recht en geen gunst.
Inderdaad nam het aantal uren betaald werken in een mensenleven af. In 1973 was dit nog 88.000 uur per persoon, in 1984 64.000 uur en in 2000 35.000 uur.
De tweede periode, de zeventiger - tachtiger jaren verliep echter heel anders. De hoeveelheid werk werd weliswaar kleiner maar dit werd vooral veroorzaakt door een tweedeling waarbij de ene groep even lang bleef werken en een andere groep helemaal geen werk had. Deze laatste groep groeide explosief. Door deze ontwikkeling kwam de nadruk op herverdeling van arbeid te liggen. Bovendien betreden halverwege de tachtiger jaren vrouwen massaal de arbeidsmarkt.
Dit is ook de periode waarin ideeën over een basisinkomen op komen.
De derde periode, de negentiger jaren staan in het teken van de uitspraak van Lubbers dat Nederland ziek is. Er wordt te weinig gewerkt, volgens hem. Een in die periode uitgebrachte rapport van de Wetenschappelijke Raad voor de Regering ‘Een werkend perspectief: arbeidsparticipatie in de jaren ‘90' stelt dat de arbeidsparticipatie laag is. Hoofddoel is meer banen creeëren en de totale werkgelegenheid in uren te verhogen. De ideologische onderbouwing luidt dat werk gelukkig maakt, werk is het draagvlak van de economie en werk is goed omdat het armoede en uitsluiting bestrijdt.
Deze ideologische onderbouwing wordt door het onderzoek van Paul ook bevestigd. De scheidslijn werk - niet werk loopt bijna parallel aan die van niet arm - arm. We moeten er echter rekening mee houden dat de economische positie van Nederland in de jaren tachtig daalde. Onder andere daarom lijkt het beleid van de jaren negentig heel succesvol. Maar wat is er nu eigenlijk gerealiseerd?
Op het gebied van welzijn en geluk blijft de geluk-score stabiel. De armoede is echter niet verminderd. In het begin van de jaren negentig was dit ongeveer 13 procent en aan het eind van de jaren negentig nog steeds 13 procent.
Het economisch draagvlak m.b.t. de economische groei was in de jaren tachtig zelfs hoger.
Interessant is de vraag, hoe het komt dat, ondanks de toegenomen arbeidsparticipatie, de geluk-score gelijk is gebleven. Paul somt een aantal mogelijke verklaringen op.
* ten eerste is de arbeidsparticipatie van vrouwen toegenomen. Huisvrouwen blijken echter even gelukkig te zijn als werkende vrouwen.
* de arbeidsdeelname van ouderen is gegroeid. Dit is de snelst gegroeide groep, ook in vergelijking met het buitenland. Vutters zijn echter gelukkiger dan werkenden. Het zogenaamde ‘Zwitsers leven gevoel'. Als de groep vutters afneemt omdat zij blijven werken, daalt de groep gelukkigen.
* de arbeidsparticipatie van jongeren neemt toe maar de geluk - score vertoont geen enkel verschil tussen werkende jongeren en studenten/scholieren.
* de groep werklozen en arbeidsongeschikten geven echter aan wel ongelukkig te zijn met hun situatie, en deze groep is in de negentiger jaren niet verminderd.
* de arbeidsparticipatie van niet armen is toegenomen (de tweeverdieners) waardoor de kloof tussen arm en rijk eveneens is toegenomen. Arm betekent in het onderzoek van Paul ‘een gezinsinkomen op een bepaald niveau'.
* de economische groei was in de jaren negentig niet veel groter maar de arbeidsparticipatie echter wel. De productiviteitsstijging bleef laag, zelfs een kwart lager. Dit had te maken met toegenomen arbeidsparticipatie in de dienstensector, een weinig productieve sector.
* bovendien kwam er in de jaren negentig veel onproductief werk aan de bovenkant bij, de management laag groeide enorm. Aan de onderkant daarentegen werd veel harder gewerkt. Een toegenomen productiviteit die door de ontwikkelingen aan de bovenkant weer teniet werden gedaan.
* de toegenomen groei aan de bovenkant heeft volgens Paul ook te maken met het toegenomen belang van status.
Paul beëindigt zijn lezing met de conclusie dat meer werk niet gelukkig maakt. Dat is nu wel duidelijk. Volgens hem is het veel belangrijker om de oude idealen nogmaals te bekijken.
‘Luiaards alle landen verenigt u.'
Grietje Lof
Op zaterdag 2 maart vond in het Circustheater in Scheveningen de publieksmanifestatie ‘Nieuwe Akkoorden' plaats. Op 18 tot 22 maart aanstaande is er in Mexico een topontmoeting ‘Financing for Development'. De publieksmanifestatie is bedoeld als ‘meedenker' voor deze topontmoeting.
Het doel van de top in Mexico is om "de beloftes waar te maken", d.w.z. "Geldstromen vrijmaken om de plechtige beloften uit de Millennium Verklaring te kunnen inlossen". (Bron: Boter bij de Vis. Ministerie van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
De Millennium Verklaring is een verklaring van de 189 VN lidstaten die zij in de negentiger jaren geformuleerd hebben met als doel de armoede in 2015 te halveren. De verklaring zelf bestaat uit zeven doelstellingen:
Vaak is het niet gemakkelijk om een dergelijke verklaring opgesteld te krijgen, maar nog veel moeilijker is het om deze uitgevoerd te krijgen. In de nieuwsbrief van Jubilee Nederland (nr. 23; februari 2002) wordt gewezen op het feit dat er " nooit harde afspraken zijn gemaakt over de financiering van de millennium doelstellingen". De top in Mexico moet deze stap vooruit te leveren zodat de verklaring niet de zoveelste mooie belofte op papier blijft. Jubilee schrijft: "het unieke is dat naast de VN ook de financiële machthebbers aan tafel zitten: de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldhandelsorganisatie (WTO). En voor het eerst staan alle financieringsstromen op de agenda. Hulp, handel, schuldverlichting, buitenlandse investeringen, nationale inkomsten en nieuwe ideeën als een belasting op valuta transacties: alles moet worden ingezet voor armoede bestrijding".
Het doel van de publieksmanifestatie was om vanuit een samenwerkingsverband tussen Nederlandse maatschappelijke organisaties en de minister van Ontwikkelingssamenwerking te bekijken wat de rol van Nederland kan zijn op de top: "hoe kan Nederland meedoen aan de nieuwe akkoorden? Moet de kwaliteit van de hulp verbeteren? Moeten er niet meer schulden worden kwijtgescholden? Hoe overtuigen we andere rijke landen om mee te doen."
De organisatie van deze dag was in handen van Jubilee Nederland, een coalitie van ruim honderd Nederlandse organisaties, maar ook in andere landen zijn Jubilee campagnes actief. (Zie: www.jubileenederland.nl )
De opzet van de dag was heel creatief. Akkoorden doet denken aan muziek. De opening vond dan ook plaats vanuit een muzikaal perspectief, de beginakkoorden. Deze creatieve noot zou de hele dag kenmerken en was een verademing in vergelijking met de eindeloos saaie debatten die je meestal van congressen gewend bent. Zo was er tijdens de lunch een ‘Brown Paper Brainstorm'. Een enorme wand van bruin pakpapier waar iedereen haar of zijn mening, inbreng, kritiek, etcetera, duidelijk kon maken. De compositie van een dergelijke boodschap naar de minister toe bleek in de praktijk voor velen moeilijker dan gedacht. Er moest diep nagedacht worden over de juiste tekst en er vonden levendige discussies plaats.
Zelf ben ik naar twee workshops geweest, een m.b.t. handel en een m.b.t. de Tobin tax.
Over de werkgroep handel kan ik heel kort zijn. Deze was leuk georganiseerd, een debat d.m.v. een rollenspel, en ik heb mij ook reuze geamuseerd. Maar wat het bijgedragen heeft aan de doelstellingen van de dag zelf is mij een raadsel.
Dat is trouwens ook mijn kritiek op de dag zelf: leuk maar weinig diepgaand. Ik denk niet dat de vele aanwezigen van het ministerie en Herfkens zelf hier nu echt iets mee kunnen naar Mexico toe. Laten we het meeste maar plaatsen in de categorie ‘bewustwording en voorlichting', iets wat uiteraard ook van belang is en blijft. In die zin is het geen mislukking geworden.
De werkgroep m.b.t. de Tobin tax was georganiseerd door Attac Nederland, een organisatie die zich ‘ten doel heeft gesteld om de wereldwijde kapitaalstromen zowel nationaal als internationaal aan banden te leggen'. (Zie: www.attac.nl )
Actiepunten zijn bijvoorbeeld: invoering van een Tobin tax; democratische zeggenschap over het nationale kapitaalverkeer; afschaffing van belasting privileges voor bedrijven; effectief hogere belasting op kapitaal winsten en hoofdelijke aansprakelijkheid van aandeelhouders/financiers en bedrijfsbestuurders.
De werkgroep m.b.t. de Tobin tax werd slecht bezocht, ongeveer twaalf mensen. Waarom dat was weet ik niet. Misschien omdat het woord ‘valuta-stromen' iets moeilijks, saai, grijs en stoffig impliceert, wat door toedoen van de inleider Willem Bos absoluut niet zo bleek te zijn.
Als uitgangspunt nam hij Artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten voor de Mens. Wat komt er van dit artikel terecht? Niet veel. 50 procent van de wereldbevolking moeten rondkomen van minder dan twee dollar per dag, en een kwart hiervan van minder dan een dollar per dag. De inkomensverschillen tussen de bovenste 20 procent en de laagste 20 procent is alleen maar gestegen. In 1968 was het verschil dertig maal zo groot, in 1995 82 maal!
Als we gedurende tien jaar een bedrag van 80 miljard dollar per jaar vrijmaken voor basisvoorzieningen zijn we een heel eind op weg. Dat is ongeveer 1/4 deel van de defensiebegroting van de Verenigde Staten per jaar.
Een van de doelstellingen van Attac Nederland is dat het veel essentiëler is om de mechanismen die armoede veroorzaken aan te pakken. Het aan banden leggen van de kapitaalstromen c.q. het stabiliseren van de valutamarkten is daarbij een stap. Een opstap naar een structurele aanpak, naast andere mogelijkheden. Per dag gaat er 3 á 4000 miljard dollar over de wereld. Flitskapitaal waarvan een gedeelte speculatiegeld m.b.t. valuta veranderingen. Door deze speculaties wordt de geldmarkt instabiel en kunnen nationale valuta ineenstorten. Dit heeft een desastreus effect op de positie van armen. Een groot deel van de groep armen bestaat uit vrouwen met kinderen, oudere alleenstaande vrouwen en gehandicapten. De positie van deze groep mensen lijkt mijlenver verwijderd van die van de monetaire stromen, maar hun situatie is daar wel degelijk rechtstreeks mee verbonden. Als je maar 1 dollar hebt om van te eten en die ene dollar blijkt ineens niets meer waard dan heeft dat een groter effect dan als je een miljoen dollar hebt die ineens nog maar tienduizend dollar waard blijkt. Voor armen betekent devaluatie van de valuta het verschil tussen net nog en niet meer kunnen overleven.
De discussie in de werkgroep richtte zich uiteindelijk op het verschil van mening of er nu sprake is van destabiliserende factoren die door de Tobin tax gestabiliseerd kunnen worden, of dat de geldmarkt in principe wel degelijk stabiel is. Een zichzelf in evenwicht houdend systeem wat juist door de Tobin tax instabiel zou worden. De Tobin tax is een lichte belasting op valuta transacties waardoor het profijt van geld speculatie te niet wordt gedaan. Ik ga hier niet dieper in op de Tobin tax omdat deze verder in de nieuwsbrief nog ter sprake komt.
Duidelijk werd wel in de discussie dat de Tobin tax geen middel is om geld bij elkaar te halen maar slechts een regulerend mechanisme om de uitwassen ten gevolge van speculatie te voorkomen. In die zin kan het dus niet beschouwd worden als een financieringsbron voor een basisinkomen. De financiële deskundige in de groep kon alleen maar concluderen dat het in die betekenis een fantastisch middel is wat eigenlijk al ingevoerd had moeten worden. Probleem is dat de Nederlandse overheid minder enthousiast is en de Tobin tax nog bij lange na niet wil ondersteunen. Daar kon ook onze werkgroep geen bijdrage aan leveren.
In die zin vond ik de manifestatie teleurstellend. Gelukkig scheen de zon en was het strand van Scheveningen vlakbij. Halverwege de middag verruilden dan ook veel mensen het debat voor een frisse wandeling.
Grietje Lof
Tegen de tijd dat u deze nieuwsbrief ontvangt ligt er waarschijnlijk een definitief advies van de SER (Sociaal-Economische Raad) inzake de WAO. Bovendien komen wij in deze nieuwsbrief nog uitgebreid terug op de huidige WAO discussie.
Op 4 maart was ik zelf als FNV lid bij de discussie over het SER-advies. De mening in de zaal was bijna unaniem tegen het SER-advies zoals dat er op dat moment lag. Met name de slechte positie van de categorie die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt wordt verklaard is ronduit onacceptabel. Maar ook het feit dat mensen die ziek zijn zelf met hun werkgever moeten onderhandelen over hun positie is onverteerbaar. Ik heb het zelf twee jaar geleden meegemaakt en hoor het ook aan alle kanten om mij heen: in de meeste gevallen is het alleen maar ziekmakend en sleep je er niets uit. Sommige mensen hebben echter wel goede ervaringen, maar dit is geen argument om al die anderen dan ook maar in de spreekwoordelijke leeuwenkuil te gooien. Een derde knelpunt was het feit dat er voor het tweede ziektejaar geen afspraken in de CAO mogen worden gemaakt inzake boventallige uitkeringen. Dit tast de vrije onderhandelingsruimte tussen vakbonden en werkgevers aan. Bovendien was het hele punt van preventie en reïntegratie uit het advies gevallen, terwijl dit juist de belangrijkste elementen zijn om instroom en doorstroom uit de WAO te stimuleren. Voorkomen is altijd beter dan genezen. De reden waarom mensen met een arbeidshandicap niet aan het werk komen ligt enerzijds bij de slechte begeleiding naar de arbeidsmarkt, maar toch voornamelijk bij de werkgevers die liever een gezond iemand willen, en kunnen krijgen. Deze groep mensen belandt nu in de WW en de bijstand, of is aangewezen op partner, moet huis of vermogen opeten, of is verplicht te solliciteren naar functies waar zij niets anders mee kunnen dan zichzelf frustreren. Deze groep mensen zal door het huidige SER-advies alleen maar toenemen. Het gaf mij dan ook een goed gevoel enige dagen later in de krant te lezen dat deze mening voor het merendeel van de leden van FNV Bondgenoten gold.
Helaas is het FNV zelf wel accoord gegaan met het SER-advies.
Grietje Lof
De Kleine Gids voor de Nederlandse Sociale Zekerheid. 2002.1.
Deventer: Kluwer. 2002. ISBN: 9031221260. 4,25€.
Een betaalbaar en zeer handig naslagwerkje m.b.t. sociale verzekeringen, ingedeeld naar:
UBINZ: Universal Basic Income New Zealand: http://users.iconz.co.nz/iwgordon/ubinz.htm
In Nieuw Zeeland wordt een basisinkomen een 'Universal Basic Income' (algemeen
basisinkomen) genoemd en zij verstaan hieronder: "It involves giving all citizens, a basic level
of income, as a right, with no means test, and regardless of age, gender, marital or
workstatus." (Het bevat een basis inkomensniveau voor alle burgers, als een recht, zonder
vermogenstoets en onafhandelijk van leeftijd, gender, huwelijkse of arbeidsstatus.)
Een basisinkomen staat inmiddels ook op de agenda van de Women's International League for
Peace and Freedom.
Citizen's Income: www.citizensincome.org
"A Citizen's Income is an unconditional, non-withdrawable income payable to each individual
as a right of citizenship." (Een burger inkomen is een onvoorwaardelijk, niet intrekbaar
inkomen die aan ieder individu betaald wordt als een burgerrecht.)
Iedere maand is er een ander discussiethema op hun website te vinden. Op 10 maart luidde
deze:
"Will the advent of the common European currency, and the imminent debate about it in this
country, encourage a parallel discussion about the integration of tax and benefits across
Europe? And, given the complexity of each country's tax and benefits systems, might such a
discussion lead to consideration of a European Citizen's Income?"
Of in het Nederlands: zal de komst van een Europese munt, en het op handende zijnde
nationale debat, een overeenkomstige discussie stimuleren m.b.t. de eenwording van
belastingen en uitkeringen in Europa? En, gegeven de complexiteit van de nationale belasting
en uitkeringssystemen, zou een dergelijke discussie ons kunnen leiden naar een beschouwing
van een burger inkomen?
Trouwens, wie weet er een goede discussiestelling voor onze website: www.basisinkomen.nl ?
Vivant: www.vivant.org
Vivant, een Vlaamse politieke partij die zich voornamelijk bezighoudt met een basisinkomen,
heeft op 10 maart jl. een manifestatie georganiseerd getiteld 'gelijke kansen voor iedereen'.
Ook op hun website: Het Vivantisch Manifest, fundamentele argumenten voor een
basisinkomen; en een petitie van Mats Höglund (Zweden) voor een gedeeltelijk basisinkomen.
Ook vindt u er een boekbespreking van 'What's wrong with a free lunch' (eerder als
themanummer van de Boston Review 25 (5) 2000 gepubliceerd: http://bostonreview.mit.edu
Er zijn ook een aantal websites en adressen van basisinkomensgroepen te vinden. Ik noem
hieronder een aantal:
BIEN Ireland: John.Baker@ucd.ie
Grundeinkommen Osterreich: www.vobs.at/asav/pax1.htm
Organisation advocating support income in Australia (OASIS): www.satcom.net.au/supportincome
Basic Income Canada: lerner@watserv1.uwaterloo.ca
South Africa: www.sane.org.za
Associación Renda Basic (AREBA) Spain: www.rentabasica.net
Association pour l'instauration d'un revenu d'existence (AIRE): Yoland.Bresson@wanadoo.fr
BIEN Brasil (Basic Income Earth Network): esuplicy@senador.senado.gov.br
Folkrorelsen for medborgarlon: www.go.to/basinkomst kicki.bobacka@mp.se
Joan Bardina Studies Center: www.chalaux.org
Citizens Dividend: www.progress.org/dividend/
USBIG: www.widerquist.com/usbig/program.html
Hier vindt u het programma en de samenvattingen van de lezingen die op het USBIG congres
van 8-9 maart jl. zijn gehouden.
Duitsland: www.existenzgeld.de
Op deze website een lijvig stuk over 'existenzgeld', de hoogte, de financiering, verschillende
modellen, etc.
Discussie Liberaal Vizier.
In Liberaal Vizier van januari 2002, speelde een discussie die volgens mij kenmerkend is voor de huidige verhouding tussen politici en uitkeringsgerechtigden. (Het stuk werd ons toegestuurd door mevrouw Kindervater met de vraag of wij er iets mee konden.)
Mevrouw Kindervater reageerde op een uitlating van Ton Hooijmaijers, VVD-wethouder Economische Zaken & Werkgelegenheid te Amsterdam. Volgens Hooijmaijers is iedereen in staat tot werk. Arbeid moet betaald worden, ook zorgarbeid, maar gesubsidieerde arbeid moet verdwijnen. Alle "uitkeringstrekkers" zouden op die manier "uit hun financieel benarde positie gered" worden. Aldus de inzet in Liberaal Vizier.
Mevrouw Kindervater was hooglijk verbaasd over "zoveel affectie van de VVD met uitkeringstrekkers" en vroeg om verduidelijking. Ton Hooijmaijers gaf in zijn reactie aan dat zijn standpunt genuanceerder was dan weergegeven. Wat hij bedoelde was dat gesubsidieerde arbeid zijn nut heeft bewezen en omgezet moet worden in normaal betaalde banen, die via de relevante geldstromen betaald moeten worden. Bijvoorbeeld tramconducteurs via het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Hooijmaijers houdt echter een flinke slag om de arm door te stellen: "Dat wil echter niet zeggen dat gesubsidieerde arbeid dan ook zomaar moet worden omgezet in ‘normale banen'." Gesubsidieerde arbeid blijft in zijn visie een voorportaal naar reguliere arbeid. Iets wat nu ook al het geval is. Volgens mij zegt Hooijmaijers hier niets nieuws. Het probleem is echter dat de doorstroom naar reguliere banen stokt en minder groot is dan verwacht.
Bovendien blijven de gesubsidieerde banen volgens het plan Hooijmaijers wel degelijk gesubsidieerd, alleen vanuit een ander potje en zij worden beter betaald. Daar kan niemand tegen zijn volgens mij. Alleen.... gaat het hier veelal om banen die in de jaren tachtig weggebezuinigd waren en uiteindelijk in de jaren negentig weer als Melkert-banen en dergelijke tevoorschijn kwamen in het kader van de campagne ‘werken, werken, werken...'.
Hooijmaijers doet geen uitspraken over deze ontwikkeling en de financiering hiervan. Dat is jammer. Wel vindt hij dat vrijwilligerswerk en zorg niet door de overheid, de belastingbetaler, betaald dienen te worden. Zijn plan is aldus minder ambitieus en vooruitstrevend dan het lijkt.
Integendeel. Ik citeer: "Amsterdam telt momenteel nog meer dan 40 duizend werklozen en ruim evenveel vacatures. (...) voor mensen die graag willen werken is er werk. En voor de mensen die een steuntje in de rug nodig hebben, is dat er ook. (...) En wie wel kan werken maar niet wil werken moet worden aangepakt. Want in een samenleving als de onze past het niet dat mensen weigeren hun eigen verantwoordelijkheden te nemen. "
Een van de kenmerkende punten in deze discussie is, volgens mij, het verschil in mensbeeld. Aan de ene kant worden mensen als objecten beschouwd: 40 duizend werklozen -40 duizend vacatures en alle problemen zijn opgelost! Habermas noemt dit verdinglijking: het gaat niet meer om mensen met gevoel, emoties, historie, wensen en behoeften, capaciteiten, maar om cijfers, abstracties. Wordt een vrachtwagenchauffeur bijvoorbeeld arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk dan kan hij altijd nog gastvrouw in een ziekenhuis worden. Gewoon een kwestie van een mantelpakje, pumps en goed scheren! (Dit schijnt een waar gebeurd advies van een arbeidsdeskundige geweest te zijn.)
Het is de economie die het leven, de leefwereld, van mensen gaat bepalen en in dit proces, wat Habermas kolonisatie van de leefwereld noemt, is er geen plaats voor mensen als voelende wezens. Viviane Forrester noemt het in haar essay de terreur van de economie. (Viviane Forrester: De terreur van de economie. Amsterdam: Ambo. 1998)
Toch is er ook kritiek mogelijk op dergelijke interpretaties omdat de economie als een systeem los van menselijk handelen, wordt beschouwd. Niets is echter minder waar: beurs transacties vinden plaats door mensen (en niet altijd op rationele/niet emotionele wijze), het beleid van de wereldhandelsorganisatie wordt ontwikkeld door mensen, etcetera. Dit zijn allemaal mensen die ‘s avonds van hun werk thuiskomen, eten, met hun kinderen spelen en voor de tv zakken. Mensen zoals iedereen, zoals politici en ook zoals uitkeringsgerechtigden.
Toch zien we een tweedeling waarbij de ene groep het recht op mens zijn voor zichzelf opeist terwijl de andere groep dit recht ontnomen wordt. Forrester beschrijft dit als een proces van legitimatie. Door mensen niet langer als mens te beschouwen maar als cijfers bijvoorbeeld, kunnen beleidsmakers of politici niet aangesproken worden op onmenselijk handelen. Aan het eind van de negentiende eeuw werden arbeiders bijvoorbeeld beschouwd als wellustig, lui en emotioneel. Zij waren niet in staat om te stemmen of om gekozen te worden. Daarvoor hadden zij de heersende elite nodig, althans in de visie van deze elite. Het is echter nog maar de vraag of verdinglijking een moderne versie is van deze oude opvattingen. Duidelijk is wel dat niemand echt iets opschiet met een dergelijke houding: uitkeringsgerechtigden worden hierdoor alleen maar gekwetst, vernederd, en nog verder gemarginaliseerd, en politici raken vervreemd van de samenleving en de mensen die zij horen te vertegenwoordigen.
Als ik de discussie in een Liberaal Vizier lees dan ben ik aan de ene kant blij dat er ruimte is voor die discussie. Aan de andere kant bekruipt mij het gevoel dat het blijft steken in heen en weer gepraat. Juist omdat dit verdinglijkingsproces en tussen in zit.
Uiteraard is dit mijn mening, mijn interpretatie en reactie op de ingezonden stukken.
Grietje Lof
Door het interview van de Braziliaanse politicus Suplici met de Amerikaanse econoom
Friedman - in Nieuwsbrief 35 van december 2001 - werd ik opnieuw herinnerd aan het al meer
dan 10 jaar bestaande - gedeeltelijke inderdaad - basisinkomen in de staat Alaska. Tijdens het
BIEN-congres 1998 in Amsterdam had een spreker hierover verteld en daarmee veel deelnemers aangenaam verrast.
Sindsdien heb ik er in onze kring weinig meer over gelezen.
In hetzelfde nummer 35 staat een congres over het basisinkomen in New York aangekondigd,
dus ik nam contact op met de coordinator Karl Widerquist. In een aantal emails werd duidelijk
dat het Alaska Fonds wel enigszins bekend is in New York, maar niet is bestudeerd door de
voorstanders van het basisinkomen. Grappig vond ik dat Widerquist dit als volgt motiveerde
"Het lijkt inderdaad een goed voorbeeld van een basisinkomen, maar in Alaska wordt het niet
als zodanig gezien". Op mijn advies om dan wat onderzoek te doen en op basis daarvan 'ons'
en de betrokkenen in Alaska te vertellen dat daar historie wordt geschreven voor de innovatie
van de sociale rechtvaardigheid - of niet, natuurlijk.
Na het congres van USBIG - leuke naam - in maart hoop ik meer van Widerquist te vernemen
en zal daarover aan onze leden berichten.
Ter info alvast, de opbrengst van de oliewinning mocht volgens de republikeinse gouverneur van Alaska niet in de staatskas stromen, want dat zou leiden tot wildgroei van ambtenaren en staatsbestedingen. Daarom volgde hij het advies van economen als Friedman op om het uit te betalen aan de burgers onder het motto "het land is van de burgers, de staat is slechts de huismeester, dus de opbrengst van de natuurlijke hulpbronnen behoort toe aan de burgers." Bovendien werd besloten dat ook de toekomstige burgers rechten hebben en dat daarom een groot deel van de opbrengst moet worden gespaard om ook te kunnen doorbetalen als de olie op is. Vandaar de naam Alaska Permanent Fund.
In het BIEN-congres in 1998 heb ik bepleit ditzelfde hier ook te doen met de opbrengst van
aardgas en van nieuwe heffingen op gebruik van de natuur, zoals de ecotax en veilingen van
telefoonfrequenties, kunnen op deze manier beter worden 'teruggesluisd' naar de burgers dan
op de nu toegepaste manieren.
Dit kan een belangrijke bijdrage leveren aan de financiering van een basisinkomen, die nu
eenmaal hèt struikelblok voor de invoering is. Zowel de politiek als het bestuur van de VBI en
van BIEN hebben nog niet hiervoor gekozen, maar zo gaat dat met nieuwe ideeen - dat weten
wij allemaal. Nu biedt het invoeren van de CO2-emissiehandel - waar door veilingen een
opbrengst kan worden verkregen uit deze nieuwe vorm van natuurgebruik - nieuwe kansen
voor een doorbraak naar het basisinkomen.
Voor geinteresseerde nieuwe leden van de VBI heb ik mijn artikel van 1998 nog beschikbaar.
Paul Metz - paul@metzweb.com
Tegen de tijd dat u deze nieuwsbrief ontvangt zijn de
gemeenteraadsverkiezingen achter de rug en zijn we nog maar enige
weken verwijderd van de Tweede Kamer verkiezingen. Daarom leek het
ons interessant om te bekijken wat de politieke partijen met een
basisinkomen willen.
Loek Groot is naar het partijcongres van GroenLinks geweest en geeft
hiervan een verslag.
Wij zullen ook een aantal verkiezingsprogramma's bekijken en op onze
website verslag doen.
Op vrijdag 11 en zaterdag 12 Januari vond het programcongres plaats van GroenLinks, tegelijk met de vakantiebeurs in Utrecht. In het verkiezingsprogramma van 1998 mocht het basisinkomen binnen GroenLinks nog op flinke steun rekenen. Bijvoorbeeld in de vormgeving van een faciliterende overheid, getuige het volgende citaat:
Maatregelen als een gedeeltelijk basisinkomen (voetinkomen), persoonsgebonden budgetten in de zorg en voor het zoeken naar werk, bonussen voor vrijwilligerswerk, zorgverlof en andere vormen van loopbaanonderbreking passen bij de meer faciliterende rol van de overheid.
Voorts bepleit GroenLinks dit voetinkomen omdat:
Invoering van een voetinkomen, een individuele maandelijkse uitkering in plaats van de huidige belastingvrije voet, brengt een aantal doelen tegelijk dichterbij. Het voetinkomen is een flinke stap naar economische zelfstandigheid, omdat het een financiële basis geeft die kan worden gecombineerd met een studiebeurs, een gedeeltelijke uitkering of inkomsten uit een deeltijdbaan of eigen bedrijfje. Het bevordert daardoor korter werken en lost meteen het probleem van de ‘armoedeval' op. Het maakt het tevens mogelijk om de omvang van betaald werk aan te passen aan de behoeften in verschillende fasen van het leven (ouderschapsverlof, zorgverlof, permanente educatie).
De concrete voornemens zoals geformuleerd in het verkiezingsprogramma 1998 luidde:
Er wordt een individueel en onbelast voetinkomen ingevoerd. Door de omzetting van de huidige belastingvrije voet in een zogenaamde negatieve inkomstenbelasting kan er begonnen worden met ƒ250 per maand. Vervolgens zal dit stapsgewijs verhoogd worden tot een niveau waarop dit inkomen in combinatie met een deeltijdbaan ook in laag beloonde arbeid tot economische zelfstandigheid leidt. In de komende vier jaar wordt een niveau van ƒ400 gehaald.
Inmiddels is er een algemene heffingskorting ter grootte van Euro 1576 (f3480) per jaar, wat neerkomt op bijna driehonderd gulden per maand. Daarnaast zijn er nog arbeids-, kinder-, combinatie-, en alleenstaande en ouderenkortingen. Het gebeurt niet vaak dat de oppositie, en zeker niet GroenLinks, op haar wenken wordt bediend. Het enige wat GroenLinks zou moeten doen om de lijn naar het basisinkomen door te trekken is bewerkstelligen dat de heffingskorting ook wordt uitgekeerd als er binnen het huishouden geen belastingverplichting bestaat (in feite komt dit neer op het individualiseren) en het geleidelijk verder verhogen.
Maar helaas. Alle amendementen op het gewraakte programmapunt 3.3.2.d van het conceptverkiezingsprogramma 2002 worden afgestemd. Dit punt luidt als volgt:
3.3.2. d. De algemene heffingskorting krijgt het karakter van een negatieve inkomstenbelasting. Voorts wordt de heffingskorting voor de niet-werkende partner alleen toegekend aan partners, indien geboren na 1960, als er zorg is voor kinderen jonger dan vier jaar.
Degenen geboren voor 1960 behoren blijkbaar nog tot de kostwinnergeneratie, en zij mogen van GroenLinks de overdraagbare belastingvrije som houden, in de vorm van de algemene heffingskorting. De partners geboren na 1960 verliezen in principe dit voordeel, ook als ze bijvoorbeeld kinderen hebben van 5, 7 en 9, of wanneer zij geen kinderen hebben en geen werk kunnen vinden, maar wel een werkende partner hebben, etc. Waarom niet vastgehouden aan de lijn die in 1998 is gekozen, dat van een individeel voetinkomen? Volgens Alexander de Roo haalt GroenLinks hier de VVD rechts in, die immers de algemene heffingskorting wel wil handhaven in de huidige vorm. Guido den Broeder deelt mij in de pauze van het congres mee dat hij overweegt zijn lidmaatschap van GroenLinks op te zeggen. Alleen bij de Groenen wordt het basisinkomen nog echt gesteund.
Loek Groot.
In de vorige nieuwsbrief stond een vertaling van het interview dat de
Braziliaanse senator, Eduardo Suplicy met Milton Friedman heeft
gehouden. Zoals beloofd plaatsen wij hier het interview van Suplicy met
James Tobin uit september 2001. De originele teksten zijn te vinden op
de website van BIEN (via links op www.basisinkomen.nl) en die van
USBIG (www.usbig.net).
Wie is James Tobin nu eigenlijk? Voor een aantal mensen zal hij meer
dan bekend zijn, voor een aantal totaal onbekend. Vandaar dat ik hier
begin met een korte biografische schets van James Tobin.
De Tobin tax, genoemd naar James Tobin, is op dit moment weer in het
nieuws met name m.b.t. de armoede en globaliseringsdiscussie. Na het
interview zal ik een kort overzicht geven van wat er nu precies bedoeld
wordt met een Tobin Tax, en wie zich er mee bezig houden.
Maandag 11 maart 2002 is James Tobin overleden op de leeftijd van 84 jaar. Als je bezig bent met het vertalen van iemands interview, begint zo'n iemand een beetje voor je te leven. Toen ik mij ging verdiepen in zijn leven ontdekte ik een boeiend, veelzijdig en betrokken persoon. Zijn heengaan zal dan ook een gemis zijn voor de economie, maar ook voor politici en beleidsmakers, en met name voor mensen aan de onderkant van de maatschappij wiens stem vaak niet gehoord wordt. James Tobin komt op mij over als iemand die probeerde naar die stem te luisteren en vanuit zijn kennis en ervaring naar een oplossing te zoeken.
James Tobin werd op 5 mei 1918 in Illinois geboren. Zijn vader was journalist en op de leeftijd van 6 jaar gaf de kleine Tobin ook al allerlei ‘krantjes' uit.
In zijn lezing op de Trinity University in Texas (San Antonio; 30 april 1985) beschrijft hij hoe hij als kind opgroeide in een academisch wereld, het universiteitsstadje Illinois, en naar een middelbare school van de universiteit ging. Vlak voor hij naar de universiteit zou gaan, in Illinois, kreeg hij een Conant Prize Fellowship voor de Harvard Universiteit. Zelf zegt hij hierover: "Dus James Bryant Conant (degene die de Conantprijs had ingesteld. G.L.), Louis Michael Tobin (zijn vader die hem voor de prijs opgegeven had), en de University High School veranderden mijn leven en carriere. Illinois was en is een goede universiteit maar ik betwijfel of het mij in de richting van de economische wetenschappen zou hebben geleid. Om diverse redenen gebeurde dit op Harvard wel." (Bron:James Tobin: Essays in Economics. Vol.1. National and International. London: MIT Press. 1996. pp.1-21) In die tijd was Harvard het economische centrum van Noord-Amerika, op de voet gevolgd door Columbia en Chicago.
In het begin was James Tobin geinteresseerd in sociale wetenschappen en wiskunde maar door toedoen van Spencer Pollard, een promovendus en docent, maakte Tobin kennis met het net verschenen werk van John Maynard Keynes: The General theory of employment, interest and money (1936). Tobin schrijft hier zelf over: "Pollard was geen aanhanger van de academische conventies en het feit dat ik slechts een economie-A student was betekende niets voor hem. Ik was te jong, en al te bereid om te accepteren dat docenten het het beste weten, om in te zien dat mijn kennis ontoereikend was om het boek te bestuderen." Op deze manier raakte Tobin betrokken bij het werk van Keynes, en in een in memoriam van het NRC Handelsblad (13 maart 2002) wordt hij beschreven als de meest invloedrijke Keyniaanse econoom van zijn tijd. Zelf zegt hij: "Dankzij Keynes bood economie mij het beste van twee werelden (wiskunde en sociale wetenschappen)."
Wat ook een rol speelde was dat dit de periode van de Grote Crisis was en de New Deal. De depressie van 1929 betekende ook in wezen het faillesement van de klassieke economische
theorieën omtrent de vrije markt van vraag en aanbod. Ik denk dat het ook niet voor niets is dat in de huidige periode van dominantie van het neo-klassieke of neo-liberale economische denken omtrent vrije markten, de ideeën van James Tobin weer opgang vinden, zoals m.b.t. de Tobin Tax.
In de periode 1947 tot 1950 was James Tobin junior fellow op Harvard onder o.a. Schumpeter. Een periode waarin hij zich met name bezig hield met consumptiepatronen van huishoudens en tevens zijn theorieën omtrent distributie (rationing) ontwikkelde.
Van 1950 tot 1988 zou hij verbonden blijven aan de Yale University, vanaf 1957 als hoogleraar. In 1958 ontwikkelde hij daar een specifieke analysemethode genaamd de Tobin Analysis waarbij, als ik het even heel grof simplificeer, zowel aan de positieve als negatieve response van geinterviewden een kwantitatieve betekenis wordt toegekend inzake consumptiegedrag.
In 1981 won James Tobin de nobelprijs voor de economie, met name voor zijn financiële en macro-economische analyses.
Maar hij heeft zich ook met andere zaken bezig gehouden zoals econometrie, belastingstelsels, loonsystemen, armoedevraagstukken, etc., etc. In het eerder genoemde boekwerk ‘Essays in Economics', wat uit vier delen bestaat, wordt een gedegen overzicht gegeven van zijn vele lezingen en artikelen. De meeste hiervan zijn weinig toegankelijk voor de leek maar anderen zijn juist weer zeer leesbaar voor iemand die weinig economisch onderlegd is.
De Yale econoom, Nobelprijswinnaar en grondlegger van het Tobin Tax voorstel, James Tobin behoorde tot de eerste academici die technische papers publiceerden over de negatieve inkomensbelasting in de tweede helft van de zestiger jaren. Hij zelf gaf de voorkeur aan een ‘non-means-tested', een niet op middelen getoetste variant van een negatieve inkomensbelasting, die hij ‘demogrant' noemde (een volksgift) en hij adviseerde George McGarin om dit in zijn verkiezingsprogramma voor de presidentsverkiezingen van 1972 op te nemen.
Eduardo Matarazzo Suplicy is een in de Verenigde Staten opgeleide econoom en prominent lid van de Braziliaanse linkse partij (PT), en al vele jaren senator van de staat Sao Paulo.
In 1991 presenteerde hij een wetsvoorstel die, indien aangenomen, een gegarandeerd inkomen voor alle Brazilianen zou hebben ingesteld in de vorm van een negatieve inkomensbelasting. Sindsdien is er veel geëxperimenteerd met bescheiden gegarandeerde inkomensmodellen op lokaal niveau door heel Brazilië, die nu enige federale ondersteuning krijgen.
Senator Suplicy bereidt momenteel een boek voor ("The Exit Through the Door. Towards a Citizen's Income") en in het kader hiervan schreef hij eerst aan Milton Friedman (zie hun briefwisseling in Bien Newsflash nr. 3 May 2000 en een vertaling hiervan in het afgelopen decembernummer van onze nieuwsbrief) en later aan James Tobin. De volledige tekst van Suplicy's vragen (11 augustus 2001) en Tobin's antwoorden (18 september 2001) worden hier weergegeven.
Suplicy:wanneer maakte u voor het eerst kennis met het idee van een gegarandeerd minimum inkomen, was dit in verband met een negatieve inkomensbelasting of een basisinkomen?
Tobin: ik raakte voor het eerst geinteresseerd in een basisin-komen of demogrant in 1965 toen ik een artikel schreef voor het tijdschrift Daedalus ‘On Improving the Economic Status of the Negro'. Dit was een nieuw onderwerp voor mij en ik probeerde een spreekbuis voor mezelf te ontwerpen zonder aan bestaande literatuur te refereren. Een van mijn verschillende voorstellen was een universele demogrant van driehonderd dollar voor iedereen, natuurlijk niet alleen voor zwarte mensen, en een negatieve inkomensbelasting van 33 procent. Ik maakte de nu bekende grafiek waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen gerelateerd wordt aan inkomen, rekening houdend met de demogrant als belastbaar inkomen en een reguliere inkomensbelasting. Ik wist niets af van dergelijke voorgaande voorstellen.
Ik was bezig een pragmatisch beleidsstuk te schrijven, geen wetenschappelijk artikel, en dit voorstel leek mij als vanzelfsprekend. Dit artikel werd gevolgd door een aantal papers waarin ik het voorstel verdedigde, nog steeds vanuit een pragmatische beleidsgeest. Op een zeker punt werd ik mij bewust van het voorstel van Friedman, maar ik dacht dat het beperkt was tot het tarief van een negatieve inkomensbelasting die gelijk was aan de laagste tariefsklasse van de inkomensbelasting en dit leek mij niet afdoende. Ik was niet op de hoogte van de voorstellen in andere landen.
Suplicy: door welke auteurs was u het meest beïnvloed toen u uw ideeën formuleerde m.b.t. een negatieve inkomensbelasting en een demogrant die aan elke Amerikaanse burger uitbetaald zou moeten worden? Hoe was het idee ontstaan?
Tobin: ik ben door niemand beïnvloed. Samen met mijn collega's Brainard, Watts, Mieskowski, Pechman, e.a. probeerde ik tegelijkertijd een voorstel te formuleren en te verkopen.
3.Suplicy: in welke mate hield u rekening met de kritische blik van klassieke economen als Adam Smith, David Ricardo, Thomas Malthus, en vanuit een ander perspectief Karl Marx, inzake de verschillende vormen die de Armenwetten aannamen? Neem bijvoorbeeld de observaties van David Ricardo in zijn hoofdstuk ‘On Wages' in zijn ‘On the Principles of Political Economy and Taxation (1817)':
" De duidelijke en directe tendens van de Armenwetten staat haaks op de duidelijke principes: het is niet, zoals de wetgevende macht welwillend pretendeert, om de positie van de armen te verbeteren maar om de situatie van zowel arm als rijk te verslechteren; in plaats van de armen rijker te maken, is berekend dat zij de rijken arm maken; en terwijl de huidige wetten van kracht zijn, is het geheel in overeenstemming met de natuurlijke gang van zaken dat het fonds voor het in stand houden van de armen progressief zal stijgen, tot dat het al de netto opbrengsten van het land opgeslokt heeft, of tenminste net zoveel als de staat ons wil laten, nadat het eerst zijn eigen nooit falende vragen uit de publieke sfeer heeft bevredigd. Als d.m.v. wetgeving ieder menselijk wezen die ondersteuning wil er zeker van kan zijn dat hij die krijgt, en op zodanige wijze dat het leven redelijk comfortabel is, dan zullen de theorieën ons leren dat alle andere belastingen licht zullen zijn in vergelijking met die enkele van de armen."
Tobin: in geen geval. Ik ben eerder een pragmaticus dan een wetenschapper. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat ik de dingen zelfstandig kon uitwerken. Natuurlijk begreep ik Ricardo's punt wel, zelfs al had ik mij zijn woorden niet meer herinnerd, maar dit was een empirische vraag en ik was niet zo pessimistisch.
4.Suplicy: in welke mate hield u rekening met de bijdragen van Augustin Cournot (1838), James Edward Meade (1935), Joan Robinson (1937), Abba Lerner (1944), Friedrich Von Hayek (1944), George Stigler (1944), Milton Friedman (1962) en anderen toen u uw ideeën m.b.t. een gegarandeerd inkomen ontwikkelde?
Tobin: zie boven.
5.Suplicy: in welke mate hield u rekening met de mogelijkheid van een brede politieke steun, toen u voorstelde om een gegarandeerd inkomen in te stellen?
Tobin: ik was bang dat het niet veel steun zou krijgen. De politiek actieve en machtige lagen zouden tegen zijn en zij zouden prevaleren. De mensen die ervan zouden profiteren zouden niet stemmen en de bourgeoisiewaarden van de beter af zijnden delen.
6.Suplicy: wie waren de voornaamste opstellers van het Voorjaar 1968 document dat het nationale congres opriep "om dit jaar een regeling voor inkomensgarantie en aanvullingen aan te nemen"? Kunt u in het kort iets van de geschiedenis van dit initiatief beschrijven?
Tobin: deze petitie werd geformuleerd en verspreid door een jonge MIT assistent professor, een vroegere student van mij op Yale. Op dit moment hier in mijn vakantiehuis kan ik niet meer op zijn naam komen. Noch het aantal economen die het ondertekenden. Ik dacht dat het succesvol was. Maar Friedman wilde niet meedoen. Dat was een teleurstelling en dempte de hoop dat dit voorstel een brede niet politieke en niet ideologische ondersteuning zou krijgen. Dit bevestigde ook mijn verdenking dat Friedman's ondersteuning van een negatieve inkomensbe-lasting halfslachtig was.
7.Suplicy: in welke mate heeft de Earned Income Tax Credit (EITC) bijgedragen aan de doelstelling om de armoede te verminderen en de werkgelegenheid te bevorderen in de Verenigde Staten?
Tobin: het was een anti-armoede maatregel, geformuleerd om de motieven, om niet te werken, te minimaliseren. Het publiek was wantrouwig en dacht dat een negatieve inkomensbelasting werken zou ontmoedigen en wilde hier geen geld aan spenderen. De experimenten m.b.t. een negatieve inkomensbelasting waren bedoeld om aan te tonen dat het aanbod van de factor arbeid per huishouden verminderd zou worden door demogrant. Dit effect was echter beperkt tot ondergeschikten en het was noch verrassend, noch groot. Maar het had een enorm nadelige invloed op een negatieve inkomensbelasting. De EITC was het resultaat.
8.Suplicy: heeft de EITC, met name sinds zijn expansie van 1993, bijgedragen aan de lage werkloosheidscijfers in de Verenigde Staten tot 2000? Waarom is het werkloosheidspercentage in 2001 gestegen?
Tobin: ik denk dat de EITC weinig effect heeft op het werkloosheidspercentage. De afname van de werkloosheid in de negentiger jaren was voornamelijk het gevolg van een juist macro-economisch beleid, met name door Greenspan, en geluk. Zie Blinder en Yellen ‘The Fabulous Decade'.
9.Suplicy: zou de volledige negatieve inkomensbelasting, zoals gespecificeerd in Nixon's Family Assistance Plan van 1969, efficiënter zijn in de bestrijding van armoede?
Tobin: volgens mij wel ja. Misschien niet m.b.t. het verminderen van werkloosheid, maar ik denk dat dat een macro-economisch vraagstuk is.
10.Suplicy: zou u mij kunnen vertellen hoe u en met wie het idee van een demogrant voor alle Amerikanen heeft ontwikkeld, toen George McGovern het in de nationale verkiezingen van 1972 voorstelde? Hoe hoog zal de waarde van het toen voorgestelde demogrant tegenwoordig zijn in dollars? Waarom werd het idee zo slecht geaccepteerd in die campagne?
Tobin: het McGovern campagne voorstel werd opgesteld door mij, Brainard, Watts, Bulow en Shoven. De econoom die de algemene leiding van het verkiezingsprogramma had was de latere Edwin Kuh. Ongelukkig genoeg was McGovern zelf geen deskundige m.b.t. cijfers, en zijn politieke adviseurs, die vanwege lange ervaringen een sterke band met de senator hadden, waren afgunstig op ons als economen en gaven geen prioriteit aan ons voorstel. Niemand die het voorstel begreep en zijn plaats in het budget, begeleidde de kandidaat op zijn verkiezingstoer. Het eindresultaat was dat McGovern in California een blunder beging toen hij geen antwoord had op de kritiek van zijn opponent, senator Humphrey, en schimpscheuten kreeg van de pers. Nixon viel hem toen in de eind campagne aan. Ironisch genoeg nam Nixon, toen hij gekozen was, het advies en het voorstel van Moynihan serieus welke in essentie gelijk was aan ons voorstel. Ook ironisch was het dat de Democraten het voorstel de nek omdraaiden onder invloed van sociale werkers en dergelijke die de voorkeur gaven aan een algemene kinderbijslag zonder enige vorm van negatieve inkomensbelasting, en vanwege het feit dat het zo kostbaar was, gedoemd was om te mislukken.
11.Suplicy: in welke mate was het voorstel van een demogrant in 1972 vergelijkbaar met dat van een basisinkomen zoals dat nu door Basic Income European Network en Philippe van Parijs wordt verdedigd bijvoorbeeld in ‘What's wrong with a free lunch?' (Beacon Press, 2001, met een voorwoord van Robert M. Solow)?
Tobin: dat weet ik niet.
12.Suplicy: welke betekenis geeft u aan het experiment van het Alaska Permanent Fund dat vanaf 1980 ieder jaar een gelijk dividend aan alle inwoners van Alaska heeft betaald, en in de aanstaande maand oktober meer dan 2000 United States dollars aan meer dan zeshonderdduizend inwoners zal betalen als een burgerrecht? Denkt u dat het een relevant experiment is om te bestuderen door alle staten en landen?
Tobin: ik ben niet bekend met Alaska. Ik denk dat deze ervaringen van landen met omvangrijk natuurlijk kapitaal om te delen, niet relevant zijn voor andere landen.
13.Suplicy: zouden we moeten beginnen met zeer bescheiden gegarandeerde inkomens programma's gerelateerd aan scholingsmogelijkheden, of Bolsa-Escola programma's, waarbij arme gezinnen recht hebben op een bescheiden aanvulling op hun inkomen zolang hun kinderen, in de schoolleeftijd, naar school gaan?
Tobin: ik weet het niet. Het klinkt alsof het het proberen waard is.
14.Suplicy: zou u ons in Brazilië aanraden om werkgelegenheidssubsidies toe te passen zoals gesuggereerd wordt door Edmond Phelps in ‘Rewarding Work' (1997)?
Tobin: dat denk ik niet. Ervaringen uit de negentiger jaren wijzen erop dat gezond macro-economisch beleid de werkloosheid laag kan houden. Phelps denkt, volgens mij, dat noninflatie werkloosheid niet lager is dan 6 of 7 procent.
15.Suplicy: of zouden we een negatief inkomensbelasting programma moeten installeren m.b.t. alle volwassen burgers om zodoende een gegarandeerd minimum inkomen voor iedereen te hebben?
Tobin: ik geef hier nog steeds de voorkeur aan.
16.Suplicy: er worden nu in Brazilië alternatieve programma's voor arme gezinnen overwogen: zoals de distributie van pakketten basisgoederen met name in de context van rampen zoals droogte en overstromingen; de instelling van een voedselbonnen programma; en de instelling van een gegarandeerd inkomensprogramma. Zou u over deze alternatieven uw mening willen geven in vergelijking met de Amerikaanse ervaringen? Zijn er sterke argumenten waarom we beter kunnen kiezen voor een voedselbonnen programma in plaats van een gegarandeerd inkomensprogramma?
Tobin: omdat (punt)15 erg duur en moeilijk is om politiek te verkopen, wordt een programma wat zich beperkt tot bepaalde noodzakelijke behoeften aantrekkelijk. Voedselbonnen waren in de Verenigde Staten gedurende een lange tijd een goede oplossing en kwamen dicht in de buurt van geld. Politiek was het voordelig in verband met de ondersteuning van agriculturele belangen. Gezondheidszorg verzekeringen zouden onderwerp moeten zijn van een negatieve inkomensbelasting. Ik stelde een programma voor wat garandeerde dat geen gezin meer hoefde te betalen dan tien procent van het inkomen om volledig verzekerd te zijn.
17.Suplicy: zou u Brazilië aanraden om zo snel als het kan een basisinkomen te introduceren voor alle 170 miljoen inwoners?
Tobin: ik ken Brazilië niet genoeg om mij aan een dergelijke uitspraak te wagen.
James Tobin wordt beschouwd als de grondlegger van de Tobin Tax. Een idee dat hij in een lezing in 1972 in Princeton lanceerde. De lezing zelf heb ik niet kunnen traceren.
Attac Nederland formuleert de Tobin Tax als volgt:
" een belastingheffing op internationale valutatransacties, met als doel de speculatieve kapitaalstromen in te dammen die uit sociaal en/of ecologisch oogpunt ongewenste, soms desastreuze affecten hebben." (Zie: www.attac.nl Of: www.attac.org) Technisch gezien is het echter onmogelijk om speciaal deze speculatieve acties te belasten. Vandaar dat de Tobin Tax voor alle internationale wisseltransacties geldt.
Volgens War on Wants ( www.waronwants.org ) gaat er dagelijks 1,5 triljoen dollars ($1.500.000.000.000) over de wereld heen en weer waarvan 95% vanuit speculatief oogpunt. Een belasting van 0,1 of 0,25% levert dan al gauw 1,5 miljard dollars per dag op. Belangrijker echter is dat het een rem op geldspeculaties is. Door de valutaspeculaties worden, soms met opzet, wisselkoersen uit balans gebracht. Een van de gevolgen hiervan was bijvoorbeeld de Azië-crisis in 1997-1999, die ook Rusland en Brazilië raakte. War on Wants schat dat in de eerste maanden van deze crisis 10 miljoen mensen werkloos werden.
De winstmarges op de speculatieve geldtransacties zijn weliswaar klein maar door de grootte van de bedragen zelf, uiteindelijk groot. Een kleine belasting doet deze winstmarges teniet terwijl het geen extra belasting is voor de handels- en investeringsstromen. Op deze manier zou er een stabielere situatie kunnen ontstaan.
De Tobin Tax lost echter niet alle problemen op dit gebied op. De handel in aandelen en obligaties valt bijvoorbeeld buiten haar bereik.
Ook is het niet zinvol om de Tobin Tax te gebruiken om een basisinkomen te financieren, of voor ontwikkelingshulp omdat deze dan afhankelijk worden van speculaties en de doelstelling hiermee in wezen weer onderuit halen.
Een ander probleem is de uitvoering van de Tobin Tax. De valutatransacties vinden grotendeels plaats in 9 landen en invoering van een Tobin Tax in deze landen zou in principe uitvoerbaar kunnen zijn, als deze landen hiermee accoord gaan. Bijvoorbeeld door middel van een internationale overeenkomst. Vanwege deze uitvoeringsproblematiek, onder andere, wijst de Nederlandse regering de Tobin Tax op dit moment nog af. In tegenstelling tot bijvoorbeeld België en Canada.
Op dit moment is de situatie zo dat verscheidene landen, de verenigde naties, ngo's (non-gouvernmental organisations zoals de novib bv), vakbonden, etc. de mogelijkheden van een Tobin Tax onderzoeken. Duidelijk is in ieder geval dat de Tobin Tax aan alle kanten leeft, ook al was James Tobin er zelf in zijn laatste jaren niet meer zo enthousiast over.
Voor meer informatie zou ik willen verwijzen naar de brochure ‘Tobin or not Tobin, 10 vragen over een voorstel om de financiële speculatie te remmen', van Attac Nederland. Adres: Keizersgracht 132, 1015 CW Amsterdam. Telefoon: 020-6279661.
Grietje Lof
Maandenlang wordt al geschreven over de WAO. Wat echter ontbreekt is
de inbreng van de betrokkenen zelf. En...de combinatie van WAO-basisinkomen.
Michiel van Hasselt heeft, op persoonlijke titel, een voorstel in die richting ontwikkeld. Het volledige stuk is zo'n 25 pagina's. Te groot voor deze nieuwsbrief. Indien u geïnteresseerd bent kunt u het opvragen: info@basisinkomen.nl. Het onderstaande is een zeer summiere samenvatting door onze redactie.
Tijdens de jaarvergadering op 27 april aanstaande zal Michiel zijn plannen verder toelichten.
De Werkgroep Onderzoek heeft het concept van Michiel besproken en naar aanleiding hiervan zal zij een open brief naar kamerleden en regering sturen waarin zij aandacht vraagt voor een publiek debat, ontschotting van de sociale zekerheid, (adequate) reïntegratie onder regie van de uitkeringsgerechtigde zelf, en een algemene inkomensdervingsverzekering naast een basisinkomen. Daarnaast wil zij een debat organiseren.
Daar de volgende nieuwsbrief pas weer in juni uitkomt raden wij u aan om geregeld onze website www.basisinkomen.nl te raadplegen om op de hoogte te blijven van het laatste nieuws en onze activiteiten. Gelukkig hebben wij nu wat meer tijd en zullen wij onze website actiever beheren.
Beschouwing naar aanleiding van de WAO-voorstellen van de cie Donner en de SER.
Michiel van Hasselt
In hoofdstuk I ‘Het dossier voorbij - op zoek naar visie' geeft Michiel aan dat de WAO discussie in feite het gehele stelsel van sociale zekerheid omvat. Bovendien wordt de discussie belemmerd door terminologie: sociale zekerheid betekent in werkelijkheid voor mensen die werkloos of arbeidsongeschikt worden ‘onzekerheid'. Hij pleit voor een publiek debat, waardevrij jargon, en een systeem waar mensen van op aan kunnen.
In het tweede hoofdstuk ‘Het WAO - decennium' schetst hij de ontwikkeling c.q. reductie van het sociale zekerheidsstelsel vanaf 1985 tot heden. De verzorgingsstaat werd onbetaalbaar geacht, de arbeidsparticipatie te laag, en Nederland was ziek. Michiel stelt daartegenover: "Je kunt echter beter zeggen dat de werkende burgers steeds minder bereid waren om de verzorgingsstaat te betalen of dat politici steeds minder bereid waren om de benodigde offers aan de werkende burgers te vragen."
De situatie anno 2002 wordt in het derde hoofdstuk beschreven. Eigenlijk is de WAO nu betaalbaar en vanuit dat oogpunt geen probleem. Het is, volgens Michiel, een probleem omdat politici niet ophouden met stellen dat het een probleem is. En omdat er een politieke cultuur heerst van ‘werken, werken, en nog eens werken'. Bij die cultuur hoort repressie op uitkeringsgerechtigden, het veelvuldig gebruik van termen als ‘prikkels' en een negatief mensbeeld. Alsof iedereen te lui is om te werken.
Michiel geeft aan dat deze repressie lijkt te werken maar in werkelijkheid contraproductief is, zoals bijvoorbeeld het verbod op bijverdienen.
Bovendien stelt hij: "De beleidspraktijk is veeleer dat een centraal overlegcircuit een compromis uitdoktert dat pas daarna aan de achterbannen wordt ‘verkocht'. Zo kan het gebeuren dat enerzijds de ervaringen van uitkeringsgerechtigden met bijvoorbeeld bureaucratie grotendeels genegeerd worden, terwijl anderzijds de overlegdeelnemers wel hun eigen arbeidsmoraal honoreren zonder zich rekenschap te geven van het feit dat arbeid, vrije tijd en zekerheid voor andere mensen in andere situaties een andere waarde kunnen hebben (...)."
Vervolgens worden in hoofdstuk IV de winstpunten en in V de tekortkomingen van het rapport Donner besproken.
Een winstpunt is in ieder geval dat het rapport Donner de mogelijkheid biedt voor een brede inhoudelijke discussie. Echter, Michiel concludeert dat er op zes punten een andere visie nodig is:
1. De optimale mate van arbeidsparticipatie.
De stelling dat de arbeidsparticipatie in Nederland te laag is wordt door de auteur ter discussie gesteld. Kijk je bijvoorbeeld naar het aantal werkenden personen in plaats van het aantal uren zoals de overheid doet, dan is er niets mis met onze participatie. Bovendien is kwaliteit van arbeid ook belangrijk.
2. Kijk op het ontstaan van arbeidsongeschiktheid.
Donner negeert dat veel ziekte-oorzaken gelegen zijn in stressvolle arbeidssituaties. Betere arbeidsverhoudingen en omstandigheden zijn belangrijker dan wat Michiel "poortwachterij" noemt.
3. De stem van de direct betrokkenen wordt in het rapport eveneens genegeerd.
4. Aard en omvang van de bureaucratie zijn zodanig dat er geen sprake meer is van sociale zekerheid. Ergo zelfs ziekmakend kan werken. Voorstellen houden geen rekening met mensen maar met zogenaamd objectief vaststelbare situaties. Ook Donner lost dit probleem niet op.
5. Aanpak reïntegratie. Nodig is een gedegen evaluatie van de huidige inspanningen op dit gebied, en met name de vraag waarom deze achterblijft. Donner stimuleert echter repressie, arbeidsdwang, in plaats van effectieve hulp.
6. Toedeling verantwoordelijkheden ‘overheid' - ‘sociale partners' naar draagvermogen.
Probleem is dat de verwachtingen van Donner inzake de samenwerking tussen werkgever en werknemer te hoog gegrepen zijn en de beperkingen veronachtzaamd worden.
Vervolgens wordt in het zesde hoofdstuk het SER-advies beschreven waarbij de vele schotten bekritiseerd worden.
In het zevende en laatste hoofdstuk doet Michiel een aantal beleidsaanbevelingen.
Centraal staat hier de ontschotting van de sociale zekerheid. In plaats van een diversiteit aan regelingen zou er één stelsel moeten komen: een algemene inkomensdervingsverzekering. Dat wil zeggen voor mensen die ongewild hun baan verliezen een onvoorwaardelijke basisuitkering iets boven bijstandsniveau: Wet Gevolgen Baanverlies (WGB).
Michiel: "Invoering van de WGB leidt per saldo niet tot meer overheidsuitgaven, wel tot meer uitkeringswelzijn en tot een beter functionerende arbeidsmarkt met een kwalitatief hoger banen-aanbod."
Daarnaast is reïntegratie van wezenlijk belang, maar onder regie van de uitkeringsgerechtigde zelf en directe en adequate reïntegratie op maat.
Preventie is eveneens essentieel. De kwaliteit van arbeid moet centraal staan in plaats van productiviteitsverhoging.
16 april a.s.
Debat: Op weg naar een ontspannen arbeidsbestel.
Met: Prof. Dr. Jacques van Hoof, Dr. Paul de Beer, Drs. Bert Feringa, en Dr. Loek Groot.
Plaats: SISWO; Plantage Muidergracht 4; Amsterdam.
Tijd: 20.00-22.00 uur. Toegang gratis.
Opgeven: 020-5270629 of per email: borghardt@siswo.uva.nl
30-31 mei 2002.
Tiende Sociaal-Wetenschappelijke Studiedagen: Armoede en Rijkdom.
Plaats: Vrije Universiteit; De Boelelaan 1105; Amsterdam.
Tijd: 30 mei aanvang 9.30 uur-17.00 uur; 31 mei 9.30 uur-17.30 uur. Toegang: 130 euro;
Opgeven: 020-5270624 of email: tiendestudiedagen@siswo.uva.nl
Uitnodiging voor de algemene ledenvergadering van de
Vereniging Basisinkomen d.d. zaterdag 27 april a.s. om
10.30 uur.
Plaats: Gebouw Landelijk Steunpunt Vrouwen en de Bijstand
Nieuwegracht 27a Utrecht.
Voor de vergadering kunnen personen voorgedragen worden voor benoeming in het bestuur.
Aftredende bestuursleden zijn: Guido den Broeder, Wil Eijben (niet herkiesbaar) en Gosling Putto (secretaris).
Agenda:
Ochtendgedeelte: 10.30-12.30 uur
1. Opening
2. Mededelingen
3. Overzicht Ingekomen en Uitgaande Post
4. Vaststelling Agenda
5. Notulen ledenvergadering 21 april 2001
6. Jaarverslag 2001
7. Financieel Verslag
A. Verslag kascontrolecommissie
B. Financieel Jaarverslag 2001
C. Benoeming kascontrolecommissie 2002
8. Werkplan 2002
A. Werkplan 2002
B. Begroting 2002
9. Bestuurssamenstelling 2002
10. Rondvraag
11. Sluiting
Middaggedeelte: 14.00-16.00 uur
Lezing Michiel van Hasselt: Civiele Sociale Zekerheid en aansluitend discussie.
Colofon.
Dit nummer is een uitgave van de Vereniging Basisinkomen.
Artikelen mogen worden overgenomen met vermelding van herkomst.
Aan dit nummer werkten mee: Saar Boerlage, Loek Groot, Michiel van Hasselt, Willem de Jonge, Grietje Lof, Paul Metz, Gosling Putto.
De nieuwsbrief van de Vereniging Basisinkomen verschijnt viermaal per jaar: maart, juni, september en december.
De deadline voor het inzenden van artikelen ed. voor het volgende nummer (nr.37) is 1 juni a.s.
Inzendingen kunnen o.v.v. redactie nieuwsbrief naar het onderstaande adres of email gestuurd worden.
Degenen die geen lid zijn maar wel onze nieuwsbrief willen lezen kunnen voor 25 euro per jaar een abonnement nemen. Voor wie dit bezwaarlijk is geldt een tarief van 10 euro. Opgave van nieuwe abonnementen kan door overmaking van het betreffende bedrag op girorekening 1890919 o.v.v. naam en adres en nieuwe abonnee.
Vereniging Basisinkomen
Elisabeth Wolffstraat 96b
1053 TX Amsterdam
Telf. 020-6852712
E-mail: info@basisinkomen.nl
Website: www.basisinkomen.nl
Giro: 1890919