NIEUWSBRIEF
37
juni/juli
2002
De Vereniging
Basisinkomen
nodigt u uit voor de
Najaarsbijeenkomst
op zaterdag 21
september 2002 om 13.30 uur,
met vanaf 15.00
uur presentatie en discussie,
bij het Landelijk
Steunpunt Vrouwen en de Bijstand,
Nieuwegracht 27a
Utrecht
Nieuwbrief van de Vereniging Basisinkomen
Nummer 37, juni/juli 2002
ISSN: 09243038
Redactioneel
Agenda, Mededelingen en Nieuws
- Najaarsbijeenkomst
- Media
- CWI
- WAO-discussie
Interview
- Michiel van Hasselt
Vivant
- congres januari 2002
- bijdrage Roland Duchâtelet
Boeken en Internet
Verslagen
- debat 16 april: naar een ontspannen arbeidsbestel
- debat 29 mei: over de toekomst van ID-banen
- Sjakuus 6 juni: verbindingsdag regio west
Dit nummer is een uitgave van de Vereniging Basisinkomen.
Artikelen mogen worden overgenomen met vermelding van herkomst.
Aan dit nummer werkten mee: Aan dit nummer werkten mee: Saar Boerlage, Roland Duchâtelet, Bouke Elgersma*, Michiel van Hasselt, Willem de Jonge, Boudewijn Kat*, Grietje Lof*, Gosling Putto, Alexander de Roo*.
*: bijdragen zijn verplaatst naar de website i.v.m. ruimtegebrek.
De Nieuwsbrief van de Vereniging Basisinkomen verschijnt viermaal per jaar.
Vereniging Basisinkomen
Elisabeth Wolffstraat 96b
1053 TX Amsterdam
Telefoon: 020-6852712
E-mail: info@basisinkomen.nl
Website: www.basisinkomen.nl
NAJAARSBIJEENKOMST
Uitnodiging voor de najaarsbijeenkomst van de Vereniging Basisinkomen d.d. zaterdag 21 september aanstaande om 13.30 uur.
Vanaf 15.00 uur presentatie en discussie.
Plaats: Gebouw Landelijk Steunpunt Vrouwen en de Bijstand
Nieuwegracht 27a Utrecht.
Voor de vergadering kunnen personen voorgedragen worden voor benoeming in het bestuur.
Aftredend bestuurslid en niet herkiesbaar: Peter Paul de Witte (penningmeester).
Huishoudelijk gedeelte: 13.30-14.30 uur
1. Opening
2. Mededelingen en Ingekomen Stukken
3. Vaststelling Agenda
4. Verslag Kascontrolecommissie 2000 - 2001
5. Financieel Jaarverslag 2000 - 2001
6. Financieel overzicht 2002
7. Bestuurssamenstelling
8. Wat verder ter tafel komt
9. Rondvraag
10. Sluiting
Inhoudelijk gedeelte: 15.00-16.30 uur
Presentatie en discussie o.l.v. Saar Boerlage over Keer Het Tij en de deelname van de Vereniging Basisinkomen.
Keer Het Tij is een samenwerkingsverband van diverse groeperingen die het komende regeringsbeleid kritisch zullen volgen.
--
Een spook waart rond door Europa. Het spook van het basisinkomen. Aan universiteiten en in de vakbeweging, in politieke partijen en in fabrieken, in organisaties van wit, groen, blauw, rood, vrouwen, werklozen, artiesten: steeds meer mensen komen in beweging voor een basisinkomen, steeds meer mensen zien er de formidabele kracht van. En de logica.
(Vivant: Basisinkomen en Vrijheid.)
Het mag dan inmiddels wel zomer zijn, maar bij ons op kantoor merk je daar niet zoveel van. Met twee bouwcontainers voor de deur, een steiger, en nog zo van alles, is het bepaald geen idyllische plek op dit moment. Links, rechts, en achter ons (er is geen boven ons) wordt druk gerenoveerd wat niet alleen geluidsoverlast bezorgt. Onlangs kwam ook een stuk van het plafond naar beneden, gevolgd door een hoeveelheid water. Dweilen dus. En inmiddels werken we in een laag stof en tussen afdekplastic. Vandaar dat ons kantoor niet altijd bereikbaar is. Soms wordt het ons ook even teveel.
Maar... het gaat goed met de Vereniging Basisinkomen. Iedereen is druk bezig en alle bureaucratische perikelen lijken opgelost, of een oplossing in zicht.
Wij hebben inmiddels de voorjaarsledenvergadering gehad en zijn druk bezig met de voorbereiding voor de bijeenkomst in het najaar. De uitnodiging vindt u in deze nieuwsbrief.
Daarnaast zijn we nog steeds druk doende om een debat over de sociale zekerheid, met name de WAO, te organiseren. Waarschijnlijk wordt dit november en in samenwerking met het Siswo te Amsterdam.
Michiel van Hasselt heeft zijn ideeën inmiddels ook op de tiende sociaal-wetenschappelijke studiedagen gepresenteerd en voorzover de tijd dit toeliet leverde dit een vruchtbare discussie op.
Van VIVANT kregen wij een cd-rom met publicaties waarbij een aantal m.b.t. het congres dat zij afgelopen januari organiseerden. In deze nieuwsbrief wilden wij twee artikelen plaatsen. Een van Alexander de Roo waarin nog eens het waarom en de historie van een basisinkomen wordt beargumenteerd. En de afsluitende rede van Roland Duchâtelet die ons allen nog eens een hart onder de riem steekt, iets wat wij best wel kunnen gebruiken. Helaas... door ruimtegebrek is het artikel van Alexander de Roo 'gesneuveld'.
Bij deze tevens onze grote dank aan VIVANT.
De werkgroep publiciteit is druk doende met het ontwerpen van folders, een informatiepakket voor nieuwe leden, en een kleine brochure met daarin de meest voorkomende vragen omtrent een basisinkomen. Op de komende najaarsbijeenkomst kunt u o.a. de strooifolder bekijken en uw commentaar leveren. Als u deze gratis folders wilt verspreiden, kunt u deze bij ons bestellen.
Nog iets praktisch.
Verhuizen is een hectisch gebeuren, maar wilt u alstublieft uw nieuwe adres aan ons doorgegeven.
En, als u dan toch per se uw lidmaatschap wilt opzeggen, wilt u dit dan voor het nieuwe contributiejaar doen. Natuurlijk moet u helemaal niet opzeggen en juist andere mensen lid maken. Een basisinkomen is er voor iedereen, maar iedereen moet er ook achterstaan. Ook papieren leden zijn van belang. Het getal geeft ook een indicatie voor het draagvlak. En niet iedereen kan overal tegelijk actief zijn. Dat zouden wij wel willen, maar helaas...
12-14 september 2002.
In de vorige nieuwsbrief hebben we het al vermeld, maar nog even heel kort.
Het thema is 'Inkomenszekerheid als een Recht'.
Donderdag 12 september: welkom en inkomenszekerheid in Zwitserland.
Vrijdag 13 september: basisinkomen als een recht; is inkomenszekerheid een mensenrecht; selectiviteit en arbeid; electronische inkomenstransfers.
Zaterdag 14 september: Calvijn, Rousseau en economische zekerheid; politieke legitimatie van een basisinkomen; hoogtepunten en reflectie; BIEN General Assembly.
Zondag 15 september: boottrip of rondleiding door de burelen van de V.N.
Meer informatie: bien@ilo.org.
7-9 oktober
2002.
Conferentie ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Institute for Social Studies in Den Haag. Meer informatie: www.iss.nl/lustrum.
10 oktober 2002.
Derde Vlaams-Nederlandse arbeidsmarktcongres in Rotterdam.
Meer informatie: transit@siswo.uva.nl of: www.kuleuven.ac.be/stwav of: www.siswo.uva.nl
13 december 2002.
Balanceren tussen maakbaarheid en marktwerking. De roep om transformatie van het Nederlandse (polder)model
WESWA/TVA Congres te Amsterdam.
Meer informatie: nuys@siswo.uva.nl of: 020-5270621 www.siswo.uva.nl
Wij willen graag onze website toegankelijk maken voor mensen in het buitenland en zoeken naar vrijwilligers die teksten zouden willen vertalen in het Engels, of een samenvatting in het Engels willen maken.
Wij willen op onze website graag een uitgebreide bibliografie ontwikkelen van alle literatuur op de hele wereld over een basisinkomen, of relevante onderwerpen. Heeft u titels etc., zou u deze dan aan ons willen mailen of toezenden?
Heeft u iets interessants gelezen en wilt u daar wel een boekbespreking van maken, GRAAG.
Of een interessante website ontdekt. Of iets voor de agenda.
Uiteraard zijn reacties op onze artikelen, bijdragen, ed. voor de nieuwsbrief, of de website, altijd welkom.
Ook als u naar een interessante bijeenkomst gaat, en vooral mensen die naar het komende BIEN congres gaan, wilt u het ons dan laten weten want wij willen graag een verslag voor de nieuwsbrief.
De deadline voor de volgende nieuwsbrief is 1 september.
Tijdens de jaarvergadering werd geconcludeerd dat het basisinkomen bijna nooit meer in de krant komt. Alles lijkt te draaien om werken, werken, en nog een werken. Dat is niet erg, maar graag wel met een basisinkomen zodat wij ook af en toe zelf keuzes kunnen maken.
Guido den Broeder zal de actie 'Het Basisinkomen moet vaker in de Media' coördineren.
Wil een ieder die iets gelezen heeft over een basisinkomen, zelf iets schrijft, schrijven wil, of ergens op reageren, contact met hem opnemen.
U kunt het naar ons kantoor sturen of mailen onder vermelding van 'basisinkomen in de media' dan sturen wij het door.
CWI (2)
In de vorige nieuwsbrief beschreef ik mijn ervaringen met het CWI. Een van mijn klachten was de enorme hoeveelheid papier die ik moest invullen en die geproduceerd werd.
Gelukkig ben ik niet de enigste die deze ervaring heeft.
Op 20 februari jl. bezochten toenmalig minister Vermeend en staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het CWI Midden-Holland. Beiden lieten zich als 'Willem' en 'Juan' inschrijven. (UWV GAK info, april 2002, nr. 19.) Een van de reacties van Vermeend alias 'Willem' was, ik citeer: "Ik vind het buitengewoon plezierig dat we hier hebben gezien en aan den lijve hebben ondervonden dat wat wij in Den Haag hebben bedacht ook werkelijk professioneel en met verstand van zaken wordt uitgevoerd. Maar die papierwinkel.... dat kan gewoonweg niet. Dat is veel te veel. Dat moet eenvoudiger en sneller. Je moet samen met de klant gegevens kunnen invoeren (.....). Nu moet de klant het alleen doen, alle vragen doorlopen terwijl veel vragen op hem niet van toepassing zijn. (.......)"
Naar aanleiding van deze conclusie heb ik minister Vermeend een aantal schriftelijke vragen gesteld, in de hoop dat hij de tijd zou hebben om deze te beantwoorden. Maar helaas … zelfs bij sollicitaties krijg je nog wel eens een bevestiging van ontvangst of een afwijzing. Van de minister geen teken.
Vraag 1: op 20 februari heeft u samen met staatssecretaris Hoogervorst een bezoek gebracht aan het CWI Midden-Holland en de inschrijvingsprocedure persoonlijk doorlopen. Hoe heeft u dit ervaren, want dit is toch geen gebruikelijke procedure voor een bezoek van de minister? Wiens initiatief was dit, en zou u het andere leden van het kabinet en politici ook aanraden?
Vraag 2: een van de conclusies was de enorme hoeveelheid papier die u moest invullen. U stelde voor dat dit in de toekomst moet veranderen. Welke maatregelen denkt u, of uw opvolger, te nemen om dit knelpunt op te lossen, en op welke termijn? Kunt u aangeven wat op dit moment de kosten zijn van deze vorm van bureaucratie, en wat uw oplossing zal kosten?
Vraag 3: bent u bekend met de ideeën omtrent een basisinkomen, en zo ja wat is uw mening hierover?
Vraag 4: denkt u dat een basisinkomen een bijdrage kan leveren in de problematiek m.b.t. zorg (taken), sociale zekerheid, en de bureaucratie zoals deze bijvoorbeeld bij het CWI speelt? Invoering van een basisinkomen, bijvoorbeeld in de vorm van een onvoorwaardelijk inkomen op minimumniveau, kan betekenen dat de werkdruk bij sociale diensten, het CWI en ook uitvoeringsinstellingen vermindert. Hierdoor kan er meer tijd vrij komen voor begeleiding van mensen die dit ook echt willen werken en een goede begeleiding nodig hebben. Wat is uw mening hierover?
Tegen het strenger beleid en de dwang van uitkeringsgerechtigden naar (betaald) werk.
Tegen het huidige arbeidsethos.
Tegen de afbraak van de Bijstand en de WAO.
Voor.... onder andere een leefbaar basisinkomen.
Aan het eind van de zomer zullen de U-days gehouden worden. Bij het 'ter persen gaan' van deze nieuwsbrief waren data en inhoud nog niet bekend.
Achtergrond is de toenemende druk die op mensen met een uitkering wordt uitgeoefend, waarbij geen rekening met de mensen zelf, of hun situatie, wordt gehouden.
Voor wie mee wil doen of meer informatie wil:
e-mail:
peter@vrije-arbeidskeuze.nl of bel: 06-13532596.
Inmiddels zijn de verkiezingen weer achter de rug en laait de discussie over de WAO weer op. Althans de discussie over mensen met een WAO-uitkering, niet met hen.
In de vorige nieuwsbrief plaatsten wij een samenvatting van het paper 'Civiele Sociale Zekerheid' van Michiel van Hasselt. Naar aanleiding van dit paper heeft de Werkgroep Onderzoek van de Vereniging Basisinkomen de Tweede-Kamerfracties benaderd voor commentaar. Op onze e-mail brief van 11 april hebben wij amper reacties gehad. Vervolgens hebben wij de nieuwe Tweede Kamer op 22 mei benaderd met het verzoek om reacties.
Helaas......geen commentaar.
Wat is er toch mis met onze politiek? Vroeger kreeg je tenminste nog een nette brief terug. Die kregen wij nu alleen van het CDA.
Dat betekent echter niet dat wij nu somber in onze stoelen neergezonken zijn. Integendeel. Wij zijn in onderhandeling met het SISWO over het eventueel samen organiseren van een debat over de sociale zekerheid. Waarschijnlijk wordt dit een themamiddag in november en in Amsterdam. Zodra hier iets meer duidelijkheid over is zullen wij dat op onze website vermelden.
Intussen heeft Michiel van Hasselt op 27 april jl. bij de jaarvergadering een lezing gehouden. Het verslag hebben wij echter vanwege ruimtegebrek naar onze website moeten verplaatsen waar u het bij activiteiten, wao-discussie , kan vinden.
Voorts hebben wij hem een aantal verdere vragen gesteld naar aanleiding van zijn artikel. De vragen en de antwoorden vindt u in deze nieuwsbrief.
Op zijn artikel zijn inmiddels twee reacties binnengekomen, een van Boudewijn de Kat , en een van Grietje Lof . Ook deze reacties hebben wij naar de website moeten verplaatsen vanwege ruimtegebrek. Zie onder WAO-discussie aldaar.
Wij zijn ook druk bezig om binnenkort een literatuurlijst over de WAO op onze website te plaatsen. Indien u suggesties heeft of wilt reageren, wat uiteraard de bedoeling is, kunt u deze naar ons kantoor sturen of nog liever e-mailen.
Naar aanleiding van de paper 'Civiele Sociale Zekerheid' wilde ik een aantal schriftelijke vragen aan Michiel voorleggen, die hij gelukkig ook wilde beantwoorden.
Vraag 1.
In jouw artikel 'Civiele Sociale Zekerheid' pleit je voor een Wet Gevolgen Baanverlies (WGB) ter vervanging van de huidige WW en WAO uitkeringen. Een van de doelstellingen hierbij is dat mensen niet langer te maken hebben met een diversiteit aan regelingen en bureaucratie maar dat er als het ware één loket is. Wil je dit verder toelichten? En, een volgende vraag, hoe ga je dan om met de verschillen tussen werkloosheid en arbeidsongeschiktheid?
Michiel:
De Wet Gevolgen Baanverlies integreert WAO, WW en Bijstand voor zover het gaat om mensen die minimaal drie jaar gewerkt hebben. Daarbij ontstaan diverse veranderingen ten opzichte van die drie wetten. De belangrijkste, verplichte beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, maakt plaats voor RECHT OP REINTEGRATIEHULP. De oorzaak van het baanverlies doet niet terzake zolang de betrokkene zelf maar geen schuld heeft aan het baanverlies. Arbeidsongeschiktheid of faillissement maakt geen verschil.
Het voordeel van de WGB is niet alleen het ene loket, maar ook dat we verlost worden van veel uitvoeringskosten en van veel bureaucratisch gedoe rond de vraag of iemand in de ene dan wel de andere regeling valt. Bovendien wordt het stigma 'arbeidsongeschikt' vermeden wat op zich al meer kansen geeft op werkhervatting voor degenen die dat willen.
Vraag 2.
Kan jij een korte beschrijving geven van de WGB en hoe deze er in de praktijk uit komt te zien?
Michiel:
Wie werkloos wordt zal alvorens in de WGB geaccepteerd te worden getoetst worden op de vraag of het baanverlies niet door eigen toedoen ontstaan is en op de vraag of er drie jaar werkervaring is. Aangenomen wordt dat ieder die aan deze voorwaarden voldoet zelf kan beslissen of streven naar werkhervatting in zijn/haar geval zinvol is en zo ja of hulp hierbij gewenst is. Voor dit laatste wordt desgevraagd een persoonlijk reïntegratiebudget verleend, waarbij tevens voorlichting gegeven wordt over mogelijke besteding van dat budget door passende hulp in te kopen bij bepaalde reïntegratiebedrijven (goedgekeurd door een onafhankelijke certficerende instelling). Reïntegratiehulp is dan dus niet meer afhankelijk van de bureaucratische vaststelling of iemand fase 1, fase 2, fase 3 of fase 4 heeft bereikt.
De G in WGB slaat niet alleen op het zojuist aangegeven recht op reintegratiehulp, maar ook op een uitkering ter hoogte van een vast percentage van het Wettelijk Minimunmloon. Ik denk aan ruim 50%, waarbij geen partnertoets en geen vermogenstoets geldt en waarbij bijverdienen toegestaan is, zij het dat de bijverdiensten fiscaal in het hoogste tarief worden belast zolang de uitkering duurt.
Vraag 3.
Een van de grootste angsten van mensen die ziek worden en/of arbeidsongeschikt is, naast baanverlies, inkomensverlies. De meeste mensen hebben toch hun vaste lasten zoals een hypotheek. Daarnaast krijgen zij vanwege hun ziekte vaak te maken met extra kosten. Bovendien arbeidsongeschiktheid is nu niet bepaald iets wat iemand over zichzelf afroept. Stel dat jouw idee doorgang vindt, wat zijn dan de financiële gevolgen voor mensen?
Michiel:
Zie vraag 5.
Vraag 4.
Op blz. 22 van jouw artikel heb je het over 'financiële prikkels'. Kan je uitleggen wat je hiermee bedoelt en hoe je deze in jouw ideeën wilt inbouwen?
Waarom denk je trouwens dat mensen financiële prikkels nodig hebben? Er zijn nu toch ook heel veel mensen die arbeidsongeschikt zijn en juist heel graag aan het werk willen, maar vanwege hun handicap geen werk kunnen krijgen. Deze mensen zouden dan toch extra gestraft worden voor iets waar zij ook niets aan kunnen doen noch hier greep op hebben? Ik vraag mij af of jouw voorstel niet gewoon weer een zoveelste vorm van bureaucratische repressie oplevert?
En, in vervolg hierop, er zijn natuurlijk ook mensen die veel te graag willen werken en voor wie het juist beter is om het kalmer aan te doen. Ik kan mij voorstellen dat voor deze mensen de druk van financiële prikkels juist ziekmakend kan zijn. Hoe denk je dit op te lossen?
Michiel:
In onze samenleving vinden mensen - ook mensen zonder baan - het normaal dat baanlozen een lager inkomen hebben dan werkenden.
Mensen verschillen in de mate waarin ze zich door dit verschil laten prikkelen om werk te aanvaarden en vol te houden. In onze samenleving zijn er nog steeds veel banen die weinig intrinsieke voldoening opleveren en dan is veel te zeggen voor financiele prikkels. Anders krijg je noodzakelijk werk, zoals schoonmaak, niet voor elkaar.
Ik weet natuurlijk dat er nu veel mensen zijn - al dan niet arbeidsongeschikt - die niet aan de slag komen omdat werkgevers hen niet willen aannemen. Voor dat probleem biedt de WGB nauwelijks soelaas. Hooguit vindt een betere selectie van reïntegratiebedrijven plaats waardoor iets meer werkgevers overtuigd kunnen worden dat het aannemen van een baanloze loont.
Vraag 5.
Je stelt een basisuitkering op minimumniveau voor, aangevuld met een bovenminimale uitkering die bij CAO geregeld wordt. Wat gebeurt er met de mensen die niet onder een CAO vallen? Zij konden weleens te maken krijgen met een drastisch inkomensverlies als jouw voorstel aangenomen wordt?
Michiel:
Als de WGB plompverloren zou worden ingevoerd zouden de financiële gevolgen met name voor mensen zonder vermogen en zonder partner zeer negatief kunnen zijn. Maar ik stel een totaal andere invoering voor waarbij een subtiel samenspel tussen sociale partners en overheid ervoor moet zorgen dat in CAO's afspraken over aanvullende uitkeringen worden gemaakt. Voorzover dat niet lukt wil ik ten behoeve van schrijnende gevallen de mogelijkheid van individuele bijstand behouden, waarbij bureaucratische beoordeling van individuele situaties onvermijdelijk blijft. Extra medische kosten voor bepaalde arbeidsongeschikten kunnen hieruit gedekt worden ( en voor aanpassing van werksituaties blijven wat mij betreft REA-middelen beschikbaar).
Vraag 6.
In hoeverre is jouw voorstel voor een WGB toegankelijk voor mensen die niet in het betaalde arbeidsproces opgenomen zijn maar bijvoorbeeld wel onbetaalde arbeid verrichten zoals zorgtaken (huismannen/vrouwen, bijstandsvrouwen) of vrijwilligerswerk doen?
Michiel:
Als mensen 3 jaar gewerkt hebben, ook al was dat een tijd terug, en als ze kunnen aantonen dat hun huidige werkeloosheid ongewild is hebben ze recht op WGB. Onbetaalde arbeid daarnaast is prima.
Vraag 7.
In de huidige WAO zit eigenlijk een stukje sociale ongelijkheid. Wie bijvoorbeeld goed verdiend heeft krijgt vaak niet alleen een hogere uitkering maar ook sneller. Dit omdat de WAO gebaseerd is op de theoretische verdiencapaciteit en niet op de mate van arbeidsongeschiktheid. Jonge arbeidsongeschikten (Wajong) komen nooit meer boven het minimum uit. Dit is toch eigenlijk een merkwaardige situatie? Verandert er iets op dit gebied als jouw voorstel werkelijkheid zou worden?
Michiel:
De ongelijkheid in de huidige WAO vermindert in mijn voorstel alleen voor mensen met 3 jaar werkervaring, wat overigens in mijn ogen een niet te verwaarlozen vooruitgang is. Andere baanlozen, met name werkeloze schoolverlaters en de WAJONG categorie, heb ik gedacht in een ander wettelijk regime met gemiddeld dezelfde uitkeringshoogte waarbij de bureaucratie een bandbreedte heeft om op basis van individuele beoordeling werkeloze schoolverlaters te kunnen korten en jonge arbeidsongeschikten iets extraas te kunnen geven. Daarnaast blijft ook hier voor schrijnende gevallen de mogelijkheid van individuele bijstand bestaan.
Vraag 8.
Een van de problemen die mensen met een arbeidshandicap ervaren is de geslotenheid van de arbeidsmarkt, eigenlijk een soort discriminatie. Uitvoeringsinstellingen leveren wel een aantal theoretische functies, verwijzen naar reïntegratiebureau's, maar in werkelijkheid levert dit niet zoveel op aan daadwerkelijke arbeidsplaatsen. Hooguit een aantal trajecten, zoals sollicitatie cursussen, maar veel mensen raken teleurgesteld omdat dit uiteindelijk geen betaald werk oplevert. Bovendien, reïntegratie bij een nieuwe werkgever is vaak geen gemakkelijk proces. Reïntegratie gaat verder dan aanpassingen regelen en heeft ook te maken met acceptatie van onder andere collega's, met functie aanpassingen, en met de assertiviteit van de persoon zelf. Van degenen die wel betaald werk krijgen, blijken er ook veel weer te stoppen met dit werk onder andere vanwege bovengenoemde oorzaken. Welke maatregelen zijn hiervoor nodig?
Michiel:
Reïntegratie is inderdaad geen gemakkelijk proces; vandaar het recht op adequate hulp. Maar of reïntegratie bij een nieuwe werkgever extra moeilijk is zou ik in zijn algemeenheid niet willen beweren. De problemen waardoor iemand zijn baan verliest hangen vaak samen met de oude werksituatie en zijn niet altijd te verhelpen. Dan kan een nieuwe werkgever vaak meer betekenen.
Als reïntegratie bij de oude werkgever wel een goede optie is kan mijn voorstel voor geclausuleerde betermelding effectief zijn. Dan moet de werkgever de gevraagde aanpassingen in de werksituatie toestaan of zich verantwoorden.
Vraag 9.
Ook nu zijn er goede (wettelijke) regelingen inzake preventie en reïntegratie. Het probleem is dat deze in de praktijk niet nageleefd worden. Niet door werkgevers, arbodiensten (die vaak weinig mogelijkheden hebben om werkgevers te dwingen, bovendien zijn zij in dienst bij die werkgever), uitvoeringsinstellingen (die wel de sanctiemogelijkheden hebben maar ze niet gebruiken), arbeidsinspecties en ook door werknemers zelf. Wat denk je dat er nodig is om deze 'gedoogcultuur' te doorbreken? We hebben nu wel de Wet Poortwachter, maar het is toch simpel te omzeilen: een rapportje zegt niet zoveel? Bovendien heeft het midden- en kleinbedrijf al uitzonderingen bedongen. Aan de ene kant terecht, aan de andere kant is ook daar veel mis m.b.t. arbeidsomstandigheden.
Michiel:
Mijn voorstellen zijn erop gericht de positie van de zieke werknemer te versterken. Reïntegratie onder eigen regie. Geen haarlemmerolie, wel een duidelijke vooruitgang tegenover de nu bestaande bureaucratische (schijn-)oplossingen.
Vraag 10.
Er is een groep mensen die wel degelijk arbeidsongeschikt/gehandicapt zijn maar, om dat er nog weinig bekend is over hun aandoeningen en/of deze in de praktijk moeilijk te diagnostiseren zijn, geen WAO-uitkering krijgen of erkenning als arbeidsgehandicapte. Tegenwoordig heet dat niet meer 'zeuren' maar 'niet objectief vaststelbaar'. Wat zou hier moeten gebeuren volgens jou?
Michiel:
De politiek moet niet op de stoel van de medische wetenschap gaan zitten. Ziektes als ME worden medisch vastgesteld en dan moet de politiek niet zeuren dat dat niet objectief is.
Vraag 11.
Je hebt het in jouw artikel niet over een basisinkomen maar als ik zo naar het voorstel kijk dan is een basisinkomen toch veel simpeler? Waarom nu weer een nieuwe wet en regelingen? Het bovenminimale gedeelte zou dan via een particuliere of collectieve verzekering geregeld kunnen worden? Wat was jouw motivatie om niet voor een basisinkomen maar een WGB te kiezen?
Michiel:
Geen antwoord gegeven.
Vraag 12.
Invoering van een WGB. Wat gaat dat kosten, wie gaat dat betalen en wat levert het op in vergelijking met het huidige stelsel?
Michiel:
Moeilijk exact te bepalen zoals ook bij andere voorstellen en zelfs bij ongewijzigd beleid het geval is. Plausibel is in elk geval dat de uitvoeringskosten/transactiekosten aanzienlijk dalen, de gemiddelde verblijfsduur in de uitkering daalt, de gemiddelde uitkeringshoogte ongeveer gelijk blijft en het aantal uitkeringsgerechtigden misschien iets toeneemt. Per saldo zou het vermoedelijk afgezien van implementatiekosten budgettair neutraal ingevoerd kunnen worden.
De winst in vergelijking met het huidige stelsel is vooral immaterieel (minder stigma, meer uitkeringswelzijn, betere arbeidsmarkt).
Vraag 13.
Ik heb nu zelf als arbeidsgehandicapte een instroom/doorstroom-baan bij de Vereniging Basisinkomen, pijlsnel de REA vergoeding gekregen, en na een periode van reïntegratie gaat het nu redelijk goed. Voor mij is dit op dit moment de ideale situatie. Ik had het nooit gered in een reguliere baan. Er gaan nu echter allerlei stemmen op om de instroom/doorstroom-banen te vervangen door reguliere banen. In mijn geval zou dat bijvoorbeeld funest zijn geweest. Wat vind jij van de regeling instroom/doorstroom banen in het kader van reïntegratie van arbeidsgehandicapten?
Michiel:
Ik ben voor behoud van ID-banen, ook met het oog op reïntegratie van arbeidsgehandicapten. De overheid als werkgever moet wel gecontroleerd worden op misbruik van de regeling. Als omzetting van ID in regulier mogelijk is moet dat gebeuren.
Vraag 14.
Je stelt in jouw artikel ( pagina 24) dat met de WGB de uitvoeringsbureaucratie gehalveerd kan worden. Ik kan mij goed voorstellen dat mensen die werkzaam zijn in deze sector zich zorgen maken over jouw voorstel en hun arbeidsplaats op de tocht zien staan. Is dat terecht?
Michiel:
Ja en nee. Als je werk niet leuk is - en dat geldt voor veel uitkeringsgbeambten - biedt de WGB nieuwe kansen. Bijvoorbeeld bij reïntegratiebedrijven. Bij elke grotere maatschappelijke verandering zijn er bedreigingen maar ook nieuwe kansen. Weerstanden zijn er niet om voor terug te schrikken maar om te overwinnen.
Vraag 15.
Ten slotte, als ik jouw voorstel nog eens zo doorlees zie ik een gevaar van nieuwe regelingen en nieuwe bureaucratie, bijvoorbeeld de referte-eis is op pagina 24. Hoeveel eenvoudiger is jouw voorstel nu eigenlijk in vergelijking met het huidige stelsel?
Michiel:
Zie vraag 16.
Vraag 16.
Wat wil je zelf nog kwijt?
Michiel:
Een stuk eenvoudiger omdat met name de wat subjectievere beoordelingsmomenten worden teruggedrongen. Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, passende arbeid, mate van / duurzame arbeidsongeschiktheid en al die andere boterzachte zaken die ik in het artikel noem. Maar toegegeven, ook de WGB kan niet helemaal zonder bureaucratie. Basisinkomen zou nog mooier zijn. Maar wie weet is de WGB een tussenstation op weg naar het basisinkomen.
Pfff, mailde Michiel op het eind. Wij hebben je het ook niet gemakkelijk gemaakt.
Michiel, heel hartelijk bedankt voor jouw medewerking.
Op 5 januari 2002 hield Vivant haar nieuwsjaarscongres met het thema: Naar Nieuwe Maatschappelijke Verhoudingen? De invoering van het Basisinkomen in West-Europa.
Achtergrond voor dit thema is de veranderende sociaal-economische structuur rond arbeid. 'Vaste arbeid' wordt in toenemende mate vervangen door 'flexibele arbeid'. Maar ook de bestaande productieprocessen zijn veranderd. De financiële en de dienstensector zijn belangrijker geworden. Eigenlijk zitten we, volgens Vivant, al in een 'nieuwe' economie maar nog met 'verouderde' beloningsstructuren en sociale-zekerheidsstelsels. Zij stelt: "Om deze veranderingen het hoofd te bieden moeten we de fundamentele band tussen arbeid en loon doorsnijden en haar vervangen door een band tussen een universeel basisinkomen en een inkomen uit vrij bepaalde activiteit. Natuurlijk kunnen we alles bij het oude laten maar vroeg of laat zal deze scheefgroei dan onmogelijk worden. Met ofwel een groeiend aantal werkende 'armen' als we de markt zonder meer laten werken, ofwel met een sociale bescherming die steeds complexer en steeds duurder wordt en de economie verzwaart, haar minder doelmatig maakt en uitsluiting nog meer bevordert." (http://www.vivant.org:8080/Vivant/files/varia/congres/congresnl.html.)
Centraal tijdens de dag stonden dan ook punten als herdefiniëring van het begrip arbeid en een toenemende nadruk op het begrip 'menselijk kapitaal' en zorg voor handhaving van welvaarts- en welzijnsniveau.
Sprekers waren o.a. Prof. Yoland Bresson uit Frankrijk, Dr. Sean Healy uit Ierland, Mats Höglund en Kicki Bobacka uit Zweden, Alexander de Roo uit Nederland en Roland Duchâtelet uit België.
De laatste bijdrage wordt, met dank aan Vivant, in deze nieuwsbrief gepubliceerd. Van de eerste drie zal ik een korte samenvatting geven. De volledige lezingen zijn te vinden op de website van Vivant.
Prof. Yoland Bresson uit Frankrijk, prof. Economie aan de Saint-Maur Universiteit Parijs XII, decaan en medeoprichter van BIEN en AIRE (Association pour l'Instauration du Revenu d'Existence): Het bestaansinkomen in Frankrijk.
Bresson begint met een uitleg over de invulling van een bestaansinkomen en het huidige debat in Frankrijk.
De Vereniging voor het Invoeren van het Bestaansinkomen (AIRE) werd in 1984 opgericht door Bresson en Henri Guitton, collega economist, naar aanleiding van het boek van Bresson 'L'Après-Salariat (Na het loonstelsel)'.
Er circuleren twee versies m.b.t. de hoogte van een bestaansinkomen:
1. het bestaansinkomen van € 275 per maand "dat toegekend wordt omdat men bestaat en mogelijk deelneemt aan de economische uitwisseling in het land wordt berekend in functie van het Bruto Inlands Product van het land en volgt de evolutie ervan." De term 'bestaan' heeft hier dus betrekking op het simpele feit dat iemand bestaat en betekent niet automatisch dat iemand er van kan rondkomen.
2. De Afdoende Algemene Uitkering van € 610 per maand. Hier is "het bedrag meteen voldoende hoog (...) om een bestaan zonder werken mogelijk te maken." Het is, waarschijnlijk ook voor de Franse situatie, geen vetpot en er is discussie over wat voldoende is om minimaal van te kunnen bestaan.
Bresson zelf, is voorstander van een bestaansinkomen welke hij aan het eind van zijn lezing stelt op € 1000, iets wat mij onduidelijk is.
Een bestaansinkomen is echter niet identiek aan een negatieve belasting, zoals Milton Friedman dit ooit voorstelde. Tijdens dit experiment in de Verenigde Staten werd het inkomen onder het minimum aangevuld met een negatieve inkomensbelasting, die verviel zodra het inkomen uit arbeid steeg. Probleem was dat dit zwart werk stimuleerde.
Een bestaansinkomen is gelijk, onvoorwaardelijk en aanvulbaar, en wordt berekend naar de rijkdom van het land.
Bresson heeft het over een sociaal contract "opdat het niveau van het bestaansinkomen niet zou afnemen moeten de rechthebbenden ervoor zorgen dat de rijkdom van het land niet daalt en dus moeten zij werk zoeken om aan het bruto inlands product bij te dragen." Dit in tegenstelling tot de algemene uitkering die als basis de noden van de persoon heeft.
Een bestaansinkomen is een economisch verantwoord inkomen, d.w.z. dat deel van het inkomen (en in beloningssystemen, van het loon) dat niet bepaald wordt door iemands prestatie maar door het nationale inkomen van het land waarin men woont/verblijft. Hij vergelijkt een werknemer in Marokko en Frankrijk. De laatste zal voor hetzelfde werk meer verdienen omdat Frankrijk een rijker land is.
Dit bedrag is "de vrucht van het maatschappelijk en menselijk kapitaal", waarbij menselijk kapitaal staat voor creativiteit, scheppingsvermogen, en dergelijke. De geest in plaats van de materie. Waar vroeger de materie overheerste in het economisch proces, d.w.z. het produceren aan de hand van machines (en daarvoor met behulp van arbeidskracht), verschuift deze nu in onze informatiemaatschappij naar de factor menselijk kapitaal. Opleiding is nu belangrijker dan fysiek vermogen en om de machines te bedienen is een gedegen opleiding nodig.
Een dergelijke economische verschuiving heeft ook invloed op het loonstelsel en de arbeidsmarkt. Volgens Bresson is totale werkgelegenheid en een vaste baan voor het leven verleden tijd geworden. De economische markt wordt gekenmerkt door een proces van continue vernieuwing, reorganisatie en sterke concurrentie. Dit vereist dat werknemers flexibel inzetbaar zijn en zich permanent scholen.
Hij kritiseert deze ontwikkeling niet maar conformeert zich hieraan, volgens mij, en stelt dat in navolging hiervan het verband tussen werk en inkomen verbroken moet worden en vervangen door een bestaansinkomen en een beloning (of een onderlinge verzekering "om een hoge graad van sociale zekerheid te behouden").
Hij gebruik de term beloning in functie van bekwaamheid, welke identiek is aan afschrijving van het kapitaal. De mens is het kapitaal geworden. Wie in een snel evoluerende sector werkt, zal een korte termijn contract afsluiten voor veel geld omdat deze mens snel afgeschreven wordt. Daarnaast krijgt iemand een aandeel van de winst omdat deze persoon tot het kapitaal behoort.
Vanaf de geboorte krijgt iedereen een dergelijk bestaansinkomen waardoor deze bij het volwassen worden over een startkapitaal beschikt. Jongeren kunnen aldus kiezen voor studie, reizen, etcetera.
Bresson is zelf nogal optimistisch: "De hele samenleving komt in evenwicht, elk individu wordt zijn eigen baas en mag zijn eigen tijd beheren. In de tijd van de slavernij beschikten de meesters over de vrije tijd en de inkomens, de edelen waren nooit gedwongen tot werken. In het tijdperk van het loonstelsel verzamelden renteniers kapitalen en werknemers arbeidsuren. Vandaag wordt iedereen meester van de hem toegemeten tijd in dit leven. Dit wordt dus een nieuw tijdperk voor de mensheid."
Hij beëindigt zijn lezing met een pleidooi voor invoering van een bestaansinkomen op Europees niveau en een verwijzing naar het probleem bij de invoering van niet zozeer de politieke onwelwillendheid maar het uitelkaar halen van de kenmerken gelijkheid, onvoorwaardelijk en aanvullend: "Zij die zich pragmatisch en realistische noemen uitten hun bereidheid om genoegen te nemen met aanpassingen aan het huidige systeem (...). De idealisten onder ons zien het systeem binnen de kortste keren omgevormd."
Door een van de genoemde kenmerken los te laten zal het idee van het bestaansinkomen in dezelfde valkuil als van een negatieve inkomensbelasting belanden. Namelijk een systeem wat fraude en aldus strenge controle uitlokt. Bresson pleit dan ook voor een radicale invoering ineens in Europa op grond van onvoorwaardelijkheid, gelijkheid en aanvullendheid, evoluerend met het Bruto Inlands Product.
Dr. Sean Healy, CORI Justice Commission Ireland: Het basisinkomen in Ierland.
"Volgens onze begrippen is het basisinkomen een onvoorwaardelijk individueel inkomen uitbetaald aan iedereen zonder enig inkomensonderzoek of vereiste. In een basisinkomen systeem zou iedere persoon uit de schatkist een belastingvrije uitkering krijgen terwijl alle andere persoonlijke inkomsten op een vereenvoudigde wijze zouden belast worden. Bij een werkloze vervangt het basisinkomen de sociale uitkeringen en voor een werknemer vervangt het basisinkomen het belastingkrediet."
Na deze stelling schetst Healy de ontwikkeling van het empirisch onderzoek naar het basisinkomen in Ierland.
Al in de jaren zeventig werd er onderzoek gedaan naar onder andere een basisinkomen, wat echter niet veel invloed heeft gehad. In 1982 en 1986 werd in twee zeer oppervlakkige onderzoeken het idee voor een basisinkomen afgewezen.
Vanaf 1987 waren er twee visies die centraal stonden binnen de onderzoeken. De eerste was gebaseerd op "de belangrijkste elementen uit het bestaande belasting en uitgaven systeem". De tweede verruilde deze voor een basisinkomen. Probleem bij de eerste visie was de hoogte van de belastingvoet. Latere onderzoeken bouwen dan ook voort op de tweede versie. In beginsel negeerde de overheid echter beide modellen.
Maar, zo stelt Healy: "Door de economische groei van de laatste jaren in Ierland is de belastingdruk, noodzakelijk voor het invoeren van het basisinkomen voor iedereen, verminderd", waardoor de aandacht van de regering voor dit onderwerp toegenomen is.
Inmiddels is er een werkgroep door de overheid ingesteld en is er een paragraaf over basisinkomen in de overeenkomst tussen sociale partners en de overheid opgenomen. "Verdere onafhankelijke beoordeling van het concept van het invoeren van een basisinkomen voor alle burgers zal aangevat worden, rekening houdend met het onderzoek van de ESRI, CORI en de Expert Group on the Integration of Tax and Social Welfare, alsook internationaal onderzoek. Een stuurgroep met brede basis zal de studie opvolgen."
De studie die hier opvolgde, ESRI, concludeerde dat een basisinkomen "een substantiële impact zou hebben op de inkomstenverdeling in Ierland."
De regering van 1997 beloofde binnen twee jaar een Green paper te publiceren. De publicatie van deze is echter vertraagd en zal nu in 2002 plaatsvinden.
Al met al een positieve ontwikkeling waar wij in een volgende nieuwsbrief op terug willen komen.
Mats Höglund, uit Zweden: Het basisinkomen in Zweden.
Ook hier ontstond de discussie over een basisinkomen al in de jaren zeventig, en ook hier werd deze in eerste instantie door de overheid genegeerd. Höglund heeft echter een minder positief verhaal over de verdere ontwikkeling van de discussie over een basisinkomen.
De Groenen hebben weliswaar het onderwerp bestudeerd maar het als utopisch verworpen. Echter na publicatie van een boek van Lasse Ekstrand waarin deze voor een onvoorwaardelijk basisinkomen argumenteert hebben de Groenen het idee alsnog bestudeerd en in 2000 een rapport uitgebracht waarin zij een basisinkomen op ongeveer € 850 à 950 stellen voor volwassenen en op € 360 voor kinderen. Ook de Jong Liberalen en de Centrumpartij hebben een voorstel voor een gedeeltelijk basisinkomen ontwikkeld. Deze zou dan aangevuld moeten worden door de sociale verzekeringen. Daarnaast zijn er ideeën voor een modest inkomen aangevuld met een participatie inkomen.
Ondanks deze discussie wordt het idee voor een basisinkomen door de pers en overige media in felle bewoordingen afgewezen. Zodanig dat er een zekere angst bij politici is ontstaan om met een basisinkomen geassocieerd te worden. Het idee 'voor wat, hoort wat' leeft blijkbaar nog sterk evenals de vrees dat een basisinkomen de moraal en de solidariteit zou ondermijnen. Höglund zegt hierover: "Een basisinkomen verdedigen komt nagenoeg overeen met een politieke zelfmoord."
Desondanks blijft hij optimistisch en streeft naar invoering via 'kleine pasjes': "eerst een gedeeltelijk - dus modest - basisinkomen invoeren; dat daarna geleidelijk verhogen via financiëring door o.m. ecotaksen en door substitutie van andere uitkeringen, enz. ...".
Beste Vrienden,
Ik ben ervan overtuigd, dat velen onder u verbaasd waren
van onze eminente sprekers te horen dat het Basisinkomen geen uitvinding is van
Vivant, maar wel een concept dat in verscheidene landen brede ingang heeft
gevonden en dat het ook ernstig wordt genomen in andere Europese landen.
Vivant is dus geen zonderling, exotisch of geïsoleerd
verschijnsel.
Vivant is het resultaat van een bewustwording van dat deel
van de bevolking dat ook verder dan de dag van vandaag durft kijken, en ziet
dat over de grenzen heen, een nieuwe sociale evolutie nodig is om de huidige
bestaanszekerheid, werk en solidariteit te verzekeren en verder uit te bouwen.
Ik zal proberen om op drie verschillende manieren aan te
tonen waarom het Basisinkomen, dat vandaag het voorwerp was van de toespraken,
de hele wereldbevolking moet bekoren en toekomen. De eerste twee benaderingen
zijn economisch, een op Belgisch niveau, het andere op wereldniveau. De derde
benadering is filosofisch van aard.
De economische benadering is zeker belangrijk om de
ontwikkeling op wereldschaal te kunnen voorzien omdat het nu eenmaal zo is dat
de economie het militaire, culturele en politieke overwicht heeft bepaald van
de landen die geschiedenis maken.
1. De lokale economie (België)
In België incasseert de Staat de helft van de meerwaarde
die in het land door werk wordt gecreëerd. In het begin van de twintigste eeuw
was dat nog tien percent. Een groot deel van die staatsinkomsten wordt
herverdeeld in de vorm van pensioenen, werklozensteun, OCMW- toelagen, ziekte-
en invaliditeitsuitkeringen. Honderd jaar geleden was dat niet zo. De
koopkracht is nu dus wel sterk herverdeeld onder de bevolking, maar ook de eigen
werkingskosten van de Staat zijn aanzienlijk toegenomen.
Die eigen werkingskosten zijn nauw verbonden met de
ingewikkeldheid van de sociale wetgeving en van de structuren én met de
ongeremde productie van allerlei wetten, decreten en reglementen. Daarom werken
er nu vier keer zoveel mensen in de administratie van de Openbare Dienst als 50
jaar geleden. Toen moesten zij het nochtans rooien zonder pc, fax of Internet.
Ook het fotokopiëren stond in de kinderschoenen. Maar de
wetgeving was duidelijker, eenvoudiger en de taakverdeling binnenin de
Administratie was beter gestructureerd.
De 400.000 personen die zich administratief bezig houden
op staatsniveau kosten natuurlijk een bom geld aan de samenleving. Vroeg of
laat zal de bevolking overgaan tot een betaalstaking indien geen verandering
optreedt in die onnodige belasting. De vele ambtenaren die zich hebben
aangesloten bij Vivant zijn trouwens de bevoorrechte getuigen van het
"slechte beheer" van ons land.
Een halve eeuw later is niet alleen de ambtenarij toegenomen.
Ook de gemiddelde levensverwachting steeg. 50 jaar geleden lag die nog rond de
65 jaar. Dat de leeftijd om op pensioen gaan precies daarmee overeenkwam, kan
ons cynisch lijken. Hoe dan ook, er waren veel minder gepensioneerden, zowel in
aantal als in verhouding tot de bevolking. In die tijd wogen de pensioenen dus
niet zo zwaar op het staatsbudget.
Vandaag is de gemiddelde levensverwachting 80 jaar. Tot
nu toe komt daar om de tien jaar drie jaar bij. U weet ook dat de wetenschap
steeds sneller vooruitgaat op het vlak van gezondheidszorg en techniek. We
mogen dus rustig besluiten dat de stijging in de levensverwachting nog een
tijdje zal aanhouden.
En België beschikt over geen enkele reserve voor het
betalen van de pensioenen!
Integendeel, ze heeft wel een openbare schuld van €
25.000 / Belg (1.000.000 BEF).
Sinds tientallen jaren, ook in periodes van economische
bloei zoals in 2000, heeft de Staat het niet meer klaargespeeld om zijn
uitgaven kleiner te houden dan zijn inkomsten en wat te snoeien in zijn schuld
van meer dan 10.000 miljard BEF.
De inkomsten - uit belastingen - waren nochtans sterk
gegroeid.
De komende jaren zal onze maatschappij langer toekomen
met dezelfde mensen. Er zijn minder geboorten zijn en we leven langer. Men
noemt dat ietwat onheilspellend de toenemende vergrijzing, alsof ons langere
verblijf op aarde de overheid niet tot vreugde stemt. En inderdaad, de manier
waarop de staatskas wordt gespijsd is er niet op voorzien. Nu, de uitgaven voor
de pensioenen zùllen stijgen met de toenemende leeftijd van de bevolking.
Uiteindelijk zal de werkende minderheid oordelen dat er van haar netto inkomen
te weinig overblijft en uitwijken is dan geen gek idee.
Bericht uit het Nederlandse
"Netwerk"-tv-programma van begin december 2001:
Prof. Van Bon (?) raadt startende Nederlandse werknemers
aan naar andere oorden te vertrekken voor het jaar 2010, omdat de belastingen
dan 20% hoger zullen liggen (nota van R. Aerts).
Gevolgtrekking uit dit alles: de uitgaven van de Staat
moeten absoluut naar omlaag. Niemand denkt serieus dat de budgetten voor
onderwijs, politie of justitie te ruim zijn en dus zullen de administratieve
uitgaven moeten inkrimpen. Dat kan alleen door de sociale zekerheid, de sociale
wetgeving en de tewerkstellingsmaatregelen te vereenvoudigen. Daardoor worden
die veel doeltreffender, veel billijker, veel menselijker en socialer.
Wie zonder vooroordelen op zoek gaat naar dé oplossing van het probleem zal
merken dat alle wegen leiden naar een model waarin het basisinkomen zijn plaats
heeft. We hebben daarvan vandaag de bevestiging gehoord.
2. De wereldeconomie
De wereldeconomie werkt vandaag volgens de beginsels van
het kapitalisme.
Dat zet de bedrijven aan om steeds op zoek te zijn naar
middelen om de winst groter te maken. Dat kunnen bedrijven als zij geen
concurrentie van tel hebben op de markt, of als zij in een kleine groep
samenwerken om op die manier ongehinderd over de verkoopprijzen te kunnen
beslissen. Een andere belangrijke manier om de winst te verzekeren is de kosten
zo laag mogelijk te houden.
In die kosten spelen de loonkosten dikwijls een zeer
grote rol. Dat heeft al dikwijls aanleiding gegeven tot sluitingen in ons land.
Die bedrijven stoppen er niet mee, zij verhuizen naar landen waar de loonlasten
lager zijn. Dat proces is ook nu weer volop aan de gang. Het gemiddelde loon op
wereldvlak gaat daardoor achteruit en daarmee ook de koopkracht.
Nochtans, is het niet de werkende maatschappij die de
economie draaiende houdt?
Henry Ford had het toch al begrepen in het begin van
vorige eeuw toen hij het salaris van zijn arbeiders opdreef zodat ook zij een
wagen zouden kunnen kopen.
En nu? Zolang de economische ontwikkeling in China
verdergaat kan de kapitalistische wereldeconomie nog wat verder boeren. Zo denk
ik erover. De toestand zal volledig omslaan op de dag dat de wereldvraag naar
industriële producten niet meer groeit. Dan zullen de bedrijven nog sterker dan
nu hun kosten willen drukken. En de intentieverklaringen van de Afgevaardigde
Bestuurders van de multinationals volstaan niet om die dreiging af te wenden.
Ook diegenen die menen dat de Consumentenbewegingen het
kapitalisme kunnen intomen, vergissen zich. Na de sluiting van Renault is
Renault een bestseller gebleven en de Fransen eten nog evenveel Canzone als
vroeger. De geschiedenis puilt uit van de uitbuiting van de werkende klasse.
Wat een rem zou kunnen zetten op de ongebreidelde
vooruitgang van het kapitalisme is een overweldigende vloedgolf van
syndicalisering van de Derde Wereld. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk, zeker in
het licht van de achteruitgang van de vakbonden in onze Westerse landen.
Blijft dus nog één enkele oplossing om de bevolking te
beschermen tegen uitbuiting: de invoering van een basisinkomen in alle landen
van de wereld, basisinkomen dat aan eenieder het recht op een menswaardig
bestaan verzekert.
Dat zal de bevolking toelaten om werk tegen minder dan
bodemtarieven te weigeren, toch te overleven en hun kinderen een behoorlijke
opvoeding en onderricht te verstrekken. De plaatselijke economie zal zich dan
sneller ontwikkelen en dit laat dan weer toe vrij handel te voeren. Op
economisch vlak heeft vrijhandel ondertussen bewezen beter te werken dan het
communistische stelsel.
Het communisme van de zolder halen zou dus zeker geen
goeie oplossing zijn in verband met de mondialisatie. Een goeie tachtig jaar
lang heeft het merendeel van de wereldbevolking dit systeem kunnen uitproberen,
zonder economisch succes.
De wereld is rijk, rijk genoeg. De uitdaging voor de
samenleving ligt elders. De uitdaging ligt in het op poten zetten van een
economisch systeem dat een goed gebruik maakt van de beschikbare menselijke
arbeidskracht en tegelijk op een billijke wijze de vrucht van de arbeid
verdeelt. Dan spreek ik ook over de voorspoed die wetenschap, industrie en
automatisering voortbrengen.
De echt goeie oplossing voor het probleem van de
mondialisering bestaat erin, in alle landen van de wereld, liefst gelijktijdig,
een basisinkomen in te voeren. Het volstaat om even na te denken om de
juistheid van die gevolgtrekking in te zien : het basisinkomen is een
"must" voor de vrijhandelseconomie.
3. De filosofische benadering
Voor de bevolking van de rijke landen is nagenoeg aan
alle materiële behoeften voldaan; de volgende stap is dus ook voldoen aan de
niet-materiële noden.
De mens die in veiligheid leeft, die er zeker is van ook
morgen te zullen beschikken over eten, drinken en een dak boven zijn hoofd, die
nagenoeg alles kan aankopen wat hij zich wenst, kan beginnen denken aan
immateriële zaken.
Naast erkenning door de medemens, wat voor iedereen een
diepe behoefte is, zijn er levenskwaliteit, andere taken of bezigheden,
zelfontplooiing, sociale relaties met familie, vrienden, buren en collega's. Al
die zaken winnen sterk aan belang.
In tegenstelling met de materiële zaken, zoals een wagen,
een pc, een hifiketen of een digitale camera kunnen nieuwe waarden niet in
cijfers worden uitgedrukt worden en niet geldelijk gewaardeerd. Ze zijn ook
moeilijk als bruto binnenlands product in te schrijven in de staatsboekhouding.
Toch is de automatisering van de productie zover doorgedreven dat de waarde van de materiële producten almaar kleiner wordt tegenover die van de immateriële, zoals diensten. Een videocamera kost nu ongeveer 10 keer minder dan 15 jaar geleden. De kapper daarentegen heeft zijn prijs niet verlaagd en ook de dansles is duurder geworden. Zeker als er personeel en dus een loonkost mee gemoeid is. Daardoor is het leven in zijn geheel niet goedkoper geworden.
Meer en meer mensen zuchten dan ook onder de druk om
vooral geen risico's te nemen met hun inkomen. Daardoor is er weinig beweging
in de arbeidsmarkt en van de weeromstuit weinig keuze in jobs en werkschema's.
Daarentegen is er nogal wat angst om van job te veranderen of een poos te
stoppen met werken. Je weet nooit zeker wat de gevolgen zullen zijn voor je
inkomen en of je daar dan weer meteen wat aan zult kunnen doen.
De Westerse wereld heeft daarom nood aan een nieuwe
manier om die druk te verlichten en persoonlijke ontplooiing in de hand te
werken. Veranderen van werk moet kunnen zonder gevaar om, zelfs tijdelijk,
volledig zonder inkomen te vallen en zonder kommer om het latere pensioen. Dat
pensioen staat dus best volledig los van statuut of werkverleden. Hetzelfde
geldt voor het recht op gezondheidszorg en het recht op voldoende koopkracht
voor een menswaardig bestaan. Dat maakt een mens zelfstandig en onafhankelijk.
Er zijn geen elfendertig oplossingen voor het vraagstuk.
Het BASISINKOMEN is dé
oplossing omdat het een vrijheidsinkomen is. Het bezorgt de rechthebbende
vrijheid, keuzevrijheid en bewegingsvrijheid.
Daarenboven vormt het basisinkomen een algemene subsidie
voor de tewerkstelling. De kleinere loonkost maakt aanwerven makkelijker. Wie
wil werken zal daarom makkelijker een baan vinden en dus ook zijn of haar
plaats in de samenleving.
U hoorde net drie argumenten om het invoeren van een
Basisinkomen te verantwoorden en te bespoedigen : de administratieve kost van
het staatsbestel terugschroeven, de koopkracht van de werkende klasse weer op
peil brengen en, in de rijkere landen, voldoen aan de immateriële behoeften van
de bevolking met grotere persoonlijke vrijheid tot gevolg.
Zijn die redenen voldoende om het basisinkomen over de
hele wereld ingevoerd te zien? Neen. Want de Geschiedenis is rijk aan voorbeelden
waarbij onredelijk gedrag van volk en leiders de bovenhand heeft gehaald.
U bent dus erg nodig. Nu en hier, morgen bij u thuis en
in uw buurt. Ofwel slagen we erin om via het basisinkomen de arbeidsmarkt en de
billijke verdeling van de rijkdom van onze beschaving te organiseren, ofwel
zullen we later eerst nog het hoofd moeten bieden aan een serieuze
wereldcrisis.
De arme landen, die niet uitvoeren, zullen hun binnenlandse markt niet kunnen ontwikkelen. De rijke landen zullen de pensioenen van hun oudere bevolking niet kunnen betalen, en de economie zal ineenklappen. De meest fabelachtige producten mogen dan ontwikkeld worden, als er geen koopkracht is kun je ermee blijven zitten of ze weggeven, en hoelang kun je dat
volhouden? Onverbeterlijke optimisten zullen opmerken dat
het dan niet alleen gedaan is met vrijhandel, maar ook met louter winstbejag en
speculatie. Juist, maar de prijs van het zilveren randje aan de wolk is dan wel
hoog.
Het is onze taak, het is ook uw taak, om vrienden,
journalisten, vakbonden en politici te overtuigen van de dringende noodzaak aan
een andere ontwikkeling.
Landelijk Steunpunt Vrouwen en de Bijstand, FNV Vrouwenbond en Vrouwen Alliantie
Utrecht, 8 maart 2002
Bestellen: lsveb@xs4all.nl of: 030-2341841.
Tevens hier ook te bestellen het verslag van het Symposium Zorg Centraal d.d. 16-11-2001.
“De toekomst van het sociale”
Andre Bons en Raf Janssen
Utrecht: Sjakuus, december 2000
Bestellen: info@sjakuus.nl of: 030-2314819.
“Is er leven zonder werk? Over minder werken en sociale integratie op de drempel van de eenentwintigste eeuw”
Katrijn Vanderweijden
Leusden: Acco, 2002.
“Bankier voor de armen”
Muhammad
Yunus
Rainbow
Pocket nr. 614, 2002.
“De terreur van de globalisering”
Viviane
Forrester
Rainbow
Pocket nr. 581, 2001.
“Globalisering”
George
Soros
Amsterdam:
Contact, 2002.
“Demystifying
globalization”
Colin Hay
& David Marsh (eds.)
New York:
Palgrave, 2001.
“Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde”
Francine Mestrum
Berchem: Epo, 2002.
Verslag van een debat over genoemd boek vindt u op de website: www.attac.org/belgie/hvdn020526/hvdn020526-1.html.
Dit is de website van Attac België.
“Werkloosheid en armoede. De oplossing die werkt”
Hans Hulst en Auke Hulst m.m.v. Thomas Cool
Amsterdam: Thesis, 1998.
Stichting Grondvest (www.sdnl.nl)
Basisgedachte van de Stichting Grondvest is dat alle mensen recht hebben op een gelijk aandeel in alle natuurgaven. Meer hierover op genoemde website.
In de laatste nieuwsbrief o.a. een artikel van Wim Sweers 'Belasting Onttrokken Waarde en Basisinkomen', en 'Tien motieven voor een algemeen basisinkomen'. Bestellen: 026-3610689.
Stichting UNI-Inkomen (www.uno-inkomen.org)
Informatie over wat een UNO-inkomen is, artikelen, discussie en een bestelformulier vindt u op deze website.
Op de vernieuwde website vindt u informatie over "wie de Vrouwen Alliantie is, wat zij doet, en de beleidsthema's," alsmede een interactief discussieforum.
Vrouwenloonwijzer (www.vrouwenloonwijzer.nl)
Zowel mannen als vrouwen kunnen hier hun loon vergelijken met werknemers in andere bedrijven of sectoren.
Opportunity
in Bedrijf (OiB) (www.opportunity.nl)
Geeft eens per twee maanden een elektronische nieuwsbrief uit met informatie over de doorstroom van vrouwen naar topposities.
Redactie: Dr. E.V. Ivanova en Drs. L. Putman.
Met "actuele informatie over onderzoek, publicaties, congressen en organisaties op dit terrein."
In nummer vijf, 2002 onder andere: beleidskader Werk en Inkomen 2002, spreekuurwerk WAO, de Wet Poortwachter, literatuur, agenda, etcetera.
Promoting
gender equality at the workplace (www.eurofound.eu.int/publications/0164.pdf)
Onderzoek aan de hand van 21 case studies in zeven lidstaten van Europa.
Informatie: ste@eurofound.eu.int.
Siswo.
Amsterdam. 16 april 2002.
Het debat 'op weg naar een ontspannen arbeidsbestel' was georganiseerd door het SISWO naar aanleiding van het verschijnen van de publicatie 'Dan zullen we werken' (Cahiers Sociale Wetenschappen en Beleid. 2002. Siswo.). Het betreft hier een manifest van de SISWO-denktank arbeidspolitiek bestaande uit: Prof. Dr. J.J. van Hoof, Dr. P. de Beer, Prof. Dr. H.G. de Gier, Prof. Dr. F. Huijgen, Dr. G.E. van Vliet en Dr. C. Vos.
Het doel van deze denktank was om aan de hand van een evaluatie van de Nederlandse arbeidspolitiek een 'toekomstwens' te formuleren: een ontspannen arbeidsbestel. Deze wordt in de publicatie in 10 stellingen weergegeven:
1. Het spitsuur van het leven
De periode tussen ongeveer het 25ste en het 60ste levensjaar wordt hier het spitsuur van het leven genoemd, omdat in deze periode de combinatie van de verantwoordelijkheden op zowel economisch als sociaal vlak de meeste problemen opleveren. Als oorzaken worden genoemd: "te beperkte mogelijkheden om taken en activiteiten in verschillende levenssferen te combineren met baan en verouderde aspecten van het belastingstelsel en/of wet- en regelgeving op het vlak van sociale verzekeringen en voorzieningen". (p.9)
Doel is om de huidige, eenzijdig op het economische vlak gericht situatie te veranderen in een meer evenwichtige, en een balans te vinden tussen het economische gedeelte en de sociale kwaliteit van het leven. Dit vereist onder andere een flexibilisering van de combinatie werken, leren, verzorgen, rust en vrije tijd. Iets wat met name in de sociale zekerheid tot uitdrukking moet komen.
2. Werkdruk en kwaliteit van de arbeid
Grondgedachte is dat ieder individu een eigen arbeidsvermogen heeft en dat deze optimaal ontwikkeld moet worden en niet, zoals nu gebeurt, uitgeput. Een te hoge werkdruk veroorzaakt ziekte, evenals de discrepantie tussen de verwachtingen van de werknemer en dat wat het werk werkelijk te bieden heeft.
De denktank pleit voor een werkgeversbeleid gericht op "preventie, kwaliteit van de arbeid, employability, empowerment, en van opleidings- en leermogelijkheden tijdens het werk". (p.9)
3. Betaalde versus onbetaalde arbeid
Arbeid wordt momenteel uitsluitend geassocieerd met betaalde arbeid. De oorzaak hiervoor is het huidige overheidsbeleid waarbij verwacht wordt dat iedereen in het betaalde arbeidsproces participeert. Onbetaalde arbeid, zoals vrijwilligerswerk, komt hierdoor in het geding en wordt tevens ondergewaardeerd.
De denktank streeft naar een "brede invulling van het arbeidsbegrip" wat zowel betaalde als onbetaalde arbeid kan omvatten. (p.10)
4. Vergrijzing
Door de vergrijzing raakt de verhouding actieven/niet actieven verstoord waardoor de kosten voor de sociale zekerheid omhoog gaan.
In het manifest wordt gepleit om de arbeidsdeelname voor ouderen te verruimen via een combinatiescenario: "… de mogelijkheid om een reguliere baan op een prettige, weinig belastende manier te combineren met andere activiteiten". (p.11)
5. Een dreigende tweedeling
"De inkomensverschillen tussen huishoudens met tweeverdieners en huishoudens zonder arbeidsinkomen nemen toe." (p.12) Dit heeft te maken met de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen die in een tweeverdienerssituatie zitten. Alleenstaande moeders blijven echter uitgesloten. Een dergelijke situatie maakt een aanvullende inkomenspolitiek noodzakelijk.
6. Een tweedelig onder de werkenden
De kloof tussen de bovenkant van de arbeidsmarkt en de onderkant neemt toe, evenals de loonverschillen. In een ontspannen arbeidsbestel moet deze ongelijkheid bestreden worden door onder andere waardering van de sociale beroepen en instelling van minimum kwaliteitseisen aan de arbeidssituatie.
7. Sociale zekerheid als beleidsinstrument
Het publieke en private gedeelte van de sociale zekerheid moeten in elkaars verlengde liggen. In plaats van verkokering en scheiding van beleid, zou het stelsel omgevormd moeten naar een stelsel op basis van het levensloopperspectief. Dit betekent dat werkloosheid, ziekte, en dergelijke, alsmede scholing, en zorgverlof in één stelsel moeten worden geïntegreerd.
8. Tanende legitimiteit van de traditionele
arbeidsverhoudingen
"Het bedrijfsleven weet aanzienlijk sneller dan overheid en vakbonden de voordelen van mobiliteit en globalisering uit te buiten." (p.14)
De denktank pleit dan ook voor beteugeling van de neoliberale economische oriëntatie en versterking van de onderhandelingspositie van de werknemer. Maar ook voor een CAO à la Carte.
9. Duurzame arbeidsparticipatie
Duurzame arbeidsparticipatie impliceert dat deze een economische recessie kan doorstaan. Onder andere door een beleid gericht op behoud van werkgelegenheid, en het tegengaan van roofbouw op het arbeidsvermogen van individuen.
In de publicatie wordt ook voorgesteld om de inkomens van werknemers deels "mee te laten bewegen met het economisch succes of falen van ondernemingen. De overheid zou dit kunnen stimuleren door dergelijke resultaatafhankelijke beloning fiscaal te bevoordelen." (p.16)
10. Internationaal arbeidspolitiek
De laatste stelling heeft betrekking op een eerlijker verhouding tussen Noord-Zuid, Oost-West, de export van menswaardige leef- en werkomstandigheden, en de acceptatie van arbeidsmigratie.
Deze stellingen vormden de inzet van het debat op 16 april.
Erik de Gier, directeur van het SISWO, opende de bijeenkomst waarna hij het woord aan Jacques van Hoof gaf die het debat inleidde.
Van Hoof refereerde hierbij aan het huidige, gulzige arbeidsbestel wat haaks lijkt te staan op een ontspannen arbeidsbestel. Een ontspannen arbeidsbestel moet, volgens hem, niet op één lijn gezet worden met de vroegere ideeën over een basisinkomen, of als een aanval op de huidige gedachten m.b.t. arbeidsparticipatie. Integendeel: arbeidsparticipatie kan heel goed gekoppeld worden aan het levensloopperspectief. De visie waarbij activiteiten zoals werken, zorgen, leren, over de levensloop gespreid kunnen worden zonder dat dit problemen oplevert. Uiteraard moet er m.b.t. een dergelijk idee nog veel uitgewerkt worden.
Daarnaast pleitte hij voor meer aandacht voor de werkdruk en de kwaliteit van arbeid. In plaats van een korte termijn perspectief, iedereen zo snel mogelijk aan het werk, zou er een beleid moeten komen gericht op een duurzaam arbeidsperspectief, alsmede een verbreding van het begrip arbeid.
Na deze korte introductie konden de forumleden onder voorzitterschap van Wim van Gelder hun mening over de stellingen geven.
Piet Hazebosch van het CNV benadrukte dat de rol van de overheid in bovengenoemd proces beperkt is en dat er meer aandacht dient te komen voor wat er in het bedrijfsleven gebeurt. Bovendien zou een verbreding van het begrip arbeid ook zorgtaken moeten omvatten omdat vooral hier de problemen liggen.
Ronald de Ley, VNO-NCW, verwees naar het feit dat de samenleving nog steeds georiënteerd is op het ouderwetse traditionele patroon, terwijl deze in werkelijkheid niet meer bestaat. Wij hebben weliswaar nu allerlei regelingen m.b.t. zorgverlof maar als de werkgever zwaarwegende redenen kan aandragen, krijgt de werknemer/neemster geen verlof. We moeten ons niet richten op oplossingen die voor gisteren bedoeld zijn, maar op die voor morgen, zoals hij aangaf.
Pieter Stronk, die deelnam namens de overheid, vroeg zich in de eerste plaats af of het huidige arbeidsparticipatiebeleid wel zo goed functioneert. Allochtonen hebben amper toegang tot de arbeidsmarkt, veel vrouwen zijn hier helemaal niet in geïnteresseerd, en de kansen voor jongeren om een inkomen te verdienen waarmee zij ook kunnen wonen zijn ook niet bijster hoog. De arbeidsmarkt stelt hoge eisen terwijl tegelijkertijd, ondanks de kennis, nog geen beleid gevoerd wordt om de werknemers fysiek minder te belasten. Er zijn weliswaar allerlei middelen voor reïntegratie beschikbaar maar onbekend is of de methodologie op zich wel werkt. Bovendien, ondanks het huidige beleid, zijn er nog veel 'inactieven' en er blijft een bepaalde groep voor wie geen plek op de arbeidsmarkt is/zal zijn. Kortom, hij vindt het manifest te optimistisch.
Paul de Beer, WRR, gaf aan dat het streven naar welzijn naar de achtergrond verdrongen is door de eenzijdige nadruk op arbeidsparticipatie. We zouden verder moeten kijken dan getallen, kwantitatieve participatie. Het manifest is weliswaar op de overheid gericht, omdat deze de randvoorwaarden kan voorschrijven, maar deze moeten niet te gedetailleerd worden. Daarnaast is het ook verstandig om de kracht van de markt te relativeren en er niet van uit te gaan dat het allemaal van zelf wel komt. Er blijft een sturende rol voor de overheid.
Vervolgens ontstond er een discussie over de rol van de overheid in relatie met CAO's, het probleem dat er eigenlijk direct iets geregeld moet worden en deze regeling voor iedereen gelijk moet zijn of juist niet, over het probleem m.b.t. de roofbouw op werknemers, wat er wel/niet bij wet geregeld kan en dient te worden, of er sprake moet zijn van één enkele loondervingsregeling, waarborg van solidariteit, en de toekomst van de arbeidsmarkt.
Na de pauze hield Loek Groot een presentatie over het sociale gezicht van de politiek. Eveneens naar aanleiding van de publicatie 'Het sociale gezicht van de politiek' (Cahiers Sociale Wetenschappen en Beleid. Siswo. Amsterdam. 2002.)
In deze publicatie vergelijkt Loek "de verschillende standpunten over sociaal beleid van CDA, PvdA, VVD, D66 en GroenLinks aan de hand van de verkiezingsprogramma's 1998 en 2002." (p.5) Daarnaast worden in de bijlage de stemadviesprogramma's besproken.
Omdat de nadruk op de verschillen ligt "zijn alles zaken waarover consensus bestaat in deze analyse buiten beschouwing gelaten." (p.8)
Het thema sociaal beleid heeft hij opgedeeld in acht deelthema's met elk hun eigen issues:
1. Arbeidsmarktbeleid: algemeen verbindend verklaren van CAO's voor de hele sector; vrijstellingen van de sollicitatieplicht; de aanpak van de WAO; handhaving van het wettelijk minimumloon; bijverdiensten versus arbeid.
M.b.t. het arbeidsmarktbeleid is er volgens de spreker sprake van een verschuiving naar rechts, met name bij het CDA en de punten sollicitatieplicht en WAO. Uitgezonderd GroenLinks.
2. Gezondheidszorg: verkorten wachtlijsten in de zorg en voorrang bij wachtlijsten; eigen bijdrage; persoonsgebonden budgetten; algemene ziektekostenverzekering; alternatieve geneeswijzen.
Loek concludeert, heel voorzichtig, dat de polarisatie in het gezondheidszorgbeleid afgenomen lijkt: de partijen lijken meer naar elkaar toe te komen. (p.13)
3. Huisvesting: aftrek hypotheekrente; huurstijging; huursubsidie; verkoop sociale woningvoorraad; ontstaan achterstand buurten c.q. segregatie.
4. Asielbeleid: betaalde arbeid tijdens toelatingsprocedure; taal- en inburgeringscursus; generaal pardon; minderjarige asielzoekers; actief kiesrecht.
5. Milieubeleid: bio-industrie; Europese ecotax; Schiphol; duurzame energie; energiebelasting grootverbruik.
6. Onderwijs: openbaarheid kwaliteit scholen; externe financiering/ouderbijdrage; tegengaan tweedelig; voorschoolse opvang; studiefinanciering.
7. Sociale zekerheid: koppeling uitkeringen aan de loonontwikkeling; kinderbijslag; kosten kinderopvang; betaald ouderschap - en een zorgverlof; bijstandsfraude.
8. Financieel beleid: meevallers; reeël uitgaven kader; progressie inkomstenbelasting; vermogensbelasting; successiebelasting.
Na deze eerste fase en de hier gevonden data werden de partijen gepositioneerd waarbij VVD en Groen Links "programmatisch wat verder van het centrum zijn gesitueerd" dan CDA, PvdA en D66. (p.25) Het geheel lijkt echter licht naar rechts te verschuiven, in de richting van de VVD. Met name het CDA en in lichtere mate de PvdA.
Na bovenstaand betoog ging Loek nog kort in op de vraag over welk ontspannen arbeidsmarktbeleid wij eigenlijk praten.
Hebben we het over een sociaal-democratische visie: "Er komt een volksverzekering voor langdurig zorgverlof. Voor uitkeringsgerechtigden geldt een opschorting van de sollicitatieplicht indien zij deze zorg verlenen. De verzekering wordt gedekt door een omslagstelsel, waarvoor iedereen premie afdraagt."
Of over een corporatistisch beleid zoals het CDA nastreeft: "Het spreiden van aandachtsprioriteiten en inkomen over de levensloop (...)", of een liberale waarbij kinderopvang (bijvoorbeeld) "primair de verantwoordelijkheid van de ouders" is.
Ter afsluiting van deze boeiende lezing volgde een discussie waarvan ik slechts een aantal punten noem:
- het ministerie van Sociale Zaken is qua beleid nog in het beginstadium van het gedachtengoed van het manifest; de gedachte van een enkele verzekering spreekt haar wel aan;
- het lukt politieke partijen niet meer om met een goede en deskundige visie op de proppen te komen;
- het is de taak van de overheid om het initiatief te nemen voor een sociaal debat;
- het principe van een leven lang leren moet daadwerkelijk door de sociale partners opgepakt worden en niet slechts op de agenda gezet;
- de discussie 'wie, wat moet betalen' vormt een belemmering;
- werkgevers weten vaak niet of zij na een aantal jaren nog bestaan waardoor zij streven naar rendement op de korte termijn;
- individuen zijn in feite ondernemers van zichzelf;
- kritiek op het manifest: het mensbeeld van iemand die zichzelf wel redt gaat voorbij aan de groep die wel degelijk hulp nodig heeft.
Al met al een interessante avond. Voor wie meer wil weten raad ik de beschreven Cahiers aan die bij het SISWO te bestellen zijn voor € 5 exclusief portokosten, en het verslag van Femke Molenaar in Facta juni 2002: “De pret en kwel van de arbeid.”
Grietje Lof
In 1995 werd de regeling 'Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen' ingevoerd. Bij velen beter bekend als de banenpoolregeling, waarbij werknemers uitgeleend worden aan bedrijven onder andere door de Stichting Maatwerk, en de Melkert I en II banen, waarbij werknemers in dienst kwamen van de werkgever. De laatste ontvangt hiervoor subsidie. Bij beide vormen gaat het om toegevoegde arbeidsplaatsen die niet concurrerend mogen zijn voor reguliere arbeidsplaatsen. De beloning is op minimumniveau. De achterliggende motivatie was dat iedereen behoort werken voor zijn/haar inkomen en dat het de taak is van de overheid om de benodigde mogelijkheden hiervoor aan te bieden.
Veel van deze arbeidsplaatsen zijn in de culturele sector, sport en recreatie, en bij allerlei niet commerciële organisaties die gewoon niet genoeg geld hebben om een reguliere arbeidsplaats te bekostigen. Het betekent ook arbeidsplaatsen voor mensen die het niet in een reguliere functie 'zouden redden', of die al als vrijwilliger bij de betreffende organisatie actief was.
In 2000/2001 werden de Melkert I- en II-banen omgezet in instroom/doorstroom-banen, en de banenpoolers werden WIW'ers (Wet Intreding Werklozen). Tevens werden er aparte regelingen voor de onderwijs- en zorgsector ingevoerd. Werknemers met een instroom/doorstroom-baan die in dienst zijn bij een werkgever die onder een CAO valt, vallen eveneens onder de CAO en eventueel pensioenregelingen. De werkgever krijgt deze kosten volledig vergoed. Deze vergoeding komt van de overheid en wordt via de gemeenten of direct aan de werkgever, of via een aparte organisatie aan de werkgever voldaan. In Amsterdam heeft de gemeente deze taak uitbesteed aan NV Werk.
Om in aanmerking te komen voor de instroom/doorstroom-regeling moet iemand minimaal een jaar ingeschreven staan bij het arbeidsbureau (nu CWI) of arbeidsgehandicapt zijn. 10 procent van de instroom/doorstroom banen behoort namelijk gereserveerd te zijn voor arbeidsgehandicapten. In Amsterdam werd deze regeling verleden jaar nogal rigoureus toegepast: toen het aantal aanvragen van arbeidsgehandicapten boven de tien procent kwam werd deze mensen een baan geweigerd. Dit terwijl de tien procent regeling juist bedoeld is als een minimale reservering.
Een voordeel van de instroom/doorstroom-regeling is dat werknemers niet meer in dezelfde gemeente hoeven te wonen als waar de werkgever gevestigd is. Voor mensen die op het platteland wonen is dit een uitkomst omdat er amper dergelijke banen in kleine gemeenten zijn.
De laatste tijd lijken er steeds meer stemmen op te gaan die de gesubsidieerde arbeidsplaatsen willen vervangen door reguliere. Al deze kritieken, rapporten en adviezen waren aanleiding voor de Stichting STAP om op 29 mei jl. een debat te organiseren over het maatschappelijk belang van instroom/doorstroom-banen: "In de hoogdravende retoriek van politici in hun strijd om de kiezer staan openbare veiligheid, zorg en onderwijs hoog op de agenda. Juist in deze sectoren, en in andere sectoren als welzijn, sport en cultuur, zijn instroom/doorstroom-banen onmisbaar. Zij hebben de gaten opgevuld die twintig jaar bezuinigingen hebben geslagen in deze sectoren. Kan de politiek haar hoge maatschappelijke ambities wel bereiken zonder de instroom/doorstroom-banen?" (Bron: uitnodiging)
Het debat bestond uit vier ronden.
In de eerste ronde kwamen beleidsmakers en wetenschappers aan het woord.
Jan van Zijl, Raad voor Werk en Inkomen, schetste de doelstellingen van instroom/doorstroom-banen: aan de ene kant de reïntegratie en aan de andere kant het vervullen van maatschappelijk nuttig werk.
Op dit moment zitten er 20.000 mensen op een banenpoolplek (WIW) en zijn er 55.000 instroom/doorstroom plekken waarvan 48.000 vervuld zijn. In vergelijking hiermee bij de Wet Sociale Werkvoorziening werken 90.000 mensen. De meeste plaatsen zijn in de collectieve sector.
Jasper Faber van het Instituut Nyfer, heeft onderzoek gedaan naar de werking van instroom/doorstroom-banen. Zijn conclusie is dat de doelstellingen conflicterend zijn. Aan de ene kant staat het streven naar maximalisering van de kwaliteit van de dienstverlening en tegelijkertijd aan de andere kant de eis m.b.t. doorstroom. Dit betekent dat de kwaliteit van de dienstverlening in het gedrang komt.
Nederland neemt een unieke plaats in omdat de banen permanent zijn en niet tijdelijk. Vergelijking met het buitenland is daarom ook niet mogelijk.
Als arbeidsmarktinstrument is het echter wel waardevol en met name voor mensen die dit nodig hebben omdat zij anders geen werk zullen hebben. Ook als prikkel om mensen op te leiden en door te laten stromen functioneert het goed.
Paul Verheij van NV Werk gaf een overzicht van de in- en doorstroom van ID'ers in Amsterdam. Over de gehele periode zijn er 14.000 mensen uit de bijstand op een instroom/doorstroom-baan gekomen. 8000 personen hiervan zijn doorgestroomd naar een reguliere plaats. Slechts 8,8 procent van deze laatste groep kwam uiteindelijk weer in de bijstand terecht.
In het hierna volgende debat bleek dat door het aantrekken van de arbeidsmarkt de kwaliteit van de kandidaten afneemt. Daarnaast was er echter een groep die onder het kwalitatieve niveau werkte. Tevens werd er gediscussieerd over de stigmatiseringsproblematiek en de vraag of de beoogde doelgroepen bereikt zijn.
De tweede ronde was gereserveerd voor politici. Vanwege ziekte waren er hier maar twee deelnemers: Gerda Verburg van het CDA en Jet Bussemaker van de PvdA.
Het CDA was heel duidelijk over de toekomst van instroom/doorstroom-banen, namelijk opheffen! Investeren in nuttige functies is belangrijk maar dit kan op een andere wijze. Volgens hen zou er meer geïnvesteerd moeten worden in reguliere banen en er werd dan ook een vijf stappenplan voor de afbouw van instroom/doorstroom banen gepresenteerd.
1. Geen nieuwe instroom/doorstroom banen meer toestaan.
2. Bij uitstroom de bestaande banen niet meer opvullen.
3. Bestaande banen omzetten in gewone banen d.m.v. een driejarig/vierjarig instroom/doorstroom-budget.
4. Trajecten naar bedrijfsleven en marktsector ontwikkelen.
5. Uitbreiding van de sociale werkvoorziening.
Gelukkig was de PvdA rigoureus tegen de ideeën van het CDA en verwees zij naar het feit dat voor een aantal mensen een instroom/doorstroom-baan nu eenmaal een eindstation is. Bovendien is de werkloosheid nog allerminst opgelost en wordt er wel gepretendeerd dat er meer in de collectieve sector geïnvesteerd moet worden maar het geld is hiervoor niet aanwezig.
Tijdens het soms zeer felle debat bleek dat de Raad voor Werk en Inkomen zich achter het CDA-standpunt schaarde terwijl de zaal dit faliekant verwierp en betoogde dat veel organisaties nooit over de middelen zullen beschikken om bestaande banen om te zetten in reguliere. Dit betekent dat er heel veel werk dreigt weg te vallen en mensen weer in de bijstand komen.
In de derde ronde kwamen de werkgevers aan het woord: Raymond van Walraven van Rialto, Rena Kat van OSA (welzijnskoepel) en Harold van Axwijk van STIDA (Stichting Interculturele Dienstverlening Amsterdam).
In het welzijnswerk wordt voor 25 procent gebruik gemaakt van de instroom/doorstroom-regeling, zoals bijvoorbeeld in de kinderopvang. STIDA heeft 190 I/D'ers in dienst waaronder toezichthouders, en bij Rialto werken 14 mensen op een instroom/doorstroom-baan.
De uitstroom levert vaak problemen op omdat dan weer nieuwe mensen ingewerkt en opgeleid moeten worden, en zodra zij goed beginnen te functioneren vaak weer doorstromen.
Als de regeling op zou houden te bestaan zouden veel kinderopvangcentra gesloten moeten worden, zouden buurt- en clubhuizen minder vaak open kunnen zijn, etcetera. De term 'sterfhuisconstructie' werd gehanteerd: het is goedkoper om de regeling af te schaffen en mensen vanuit de bijstand te dwingen vrijwilligerswerk te doen. Afbouw is dan niet meer als een zoveelste bezuinigingsregeling die tot uitsluiting van bepaalde groepen zal leiden. Herplaatsing van deze groep in de sociale werkvoorziening zou juist extra stigmatiserend werken. Een voordeel van de huidige banen is dat mensen die uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt in verband met discriminatie, zich nu gewaardeerd voelen.
De vierde ronde was voor de zaal waar ook de eerdere debattanten aan deelnamen. Zo betoogden zowel Paul Verheij als Jasper Faber dat de doelstellingen m.b.t. instroom/doorstroom-banen uit elkaar gehaald moeten worden.
De eindconclusie was: alle medewerkers verdienen hun baan te behouden. Het gaat hier om gemotiveerde mensen die nuttig werk doen. Zonder al deze mensen zouden we niet verder kunnen.
Helaas was het CDA toen al vertrokken.
Gelukkig, concludeerde iemand, zijn er over vier jaar weer verkiezingen, maar... zo fluisterde mijn buurvrouw: in vier jaar kan er ook veel afgebroken worden!
Grietje Lof.
Mens, mens, mens ...
Op 6 juni jl. hield de Stichting Sjakuus in Amsterdam haar zevende Verbindingsdag.
Sjakuus is een samenwerkingsverband van diverse organisaties die zich bezighouden met sociale en economische rechtvaardigheid. Het anti-armoede project Aanpak ontstond in 2000 als een netwerk van lokale en provinciale groepen die zich inzetten voor armoede bestrijding. Aanpak maakt deel uit van de Sociale Alliantie die op haar beurt weer een landelijk netwerk vormt van meer dan dertig organisaties, die samenwerken in de bestrijding van armoede in Nederland.
Verbindingsdagen zijn regionale dagen waar de ervaring van mensen/groepen op lokaal en provinciaal niveau geïnventariseerd wordt en vertaald naar overleg met het kabinet.
De verbindingsdag waar Saar en ik zijn geweest was voor de regio West (Utrecht, Noord - en Zuid-Holland).
Het thema van deze verbindingsdag was "de mens die met de regelgeving in de sociale zekerheid van doen heeft". Doel was om in tegenstelling tot het beleid van de afgelopen twee kabinetten rond 'werk, werk, en nog eens werk' de mens centraal te stellen en niet de economie. "Achter de mens in armoede schuilt een verhaal. En dat verhaal, die historie van mensen sluit vaak niet aan bij de bestaande regelgeving en de overheidsinzet op enkel werk, werk, werk (lees: betaalde arbeid)." (Bron: programmaboekje.)
Wilma Kuiper, coördinatrice project Aanpak, demonstreerde dit thema op een zeer levendige wijze door het uitreiken van opscheplepels in diverse maten aan degenen met de grootste opschepverhalen.
Ook Peter Lankhorst, voorzitter van Sjakuus, wees op de tegenstelling tussen economische doelstellingen als betaalde arbeid en de doelstellingen van mensen zelf. Mensen uit de oude wijken blijven vaak anoniem. Er wordt gesproken over achterstandswijken maar niet over de mensen zelf. Het paarse kabinet sprak individuen niet aan, noch bood zij een perspectief m.b.t. armoede.
Wat betekent armoede voor het individu? Wat betekent armoede voor de samenleving? Sociaal beleid moet mensen aanspreken. Een perspectief geven. Mensen met elkaar verbinden. Nadenken over wat de consequenties kunnen zijn en voor wie.
Op dit moment wordt er hard gewerkt aan een sociaal manifest wat aan de voorzitter van de commissie Sociale Zekerheid van de Tweede Kamer aangeboden zal worden.
Er waren zes werkgroepen: de lokale politiek na de verkiezingen; de toekomst van de sociale beweging; intercultureel werken in de armoedebeweging; regels die blokkeren; alliantie voor sociale rechtvaardigheid; en doenpraten: praten met de handen.
Ik had mij aangemeld voor de werkgroep over sociale beweging. De reden hiervoor was dat ik, toen ik kennis maakte met de vereniging basisinkomen, het gevoel had (maar dat is helemaal persoonlijk) dat we op een soort dood punt zaten. Alles draaide om werken en een basisinkomen ho maar. Veel mensen hadden al jarenlang heel hard gewerkt in de vereniging en waren nu moe. Toen ik wat langer meeliep, ontdekte ik al meer barsten in dit beeld, en nu heb ik het idee dat de tijd wel eens rijp kon zijn voor een basisinkomen. Immers, worden we niet allemaal doodziek van het almaar werken, werken, en nog eens werken? Is het geen totaal verouderd paradigma in een snel veranderende, bewegende wereld? Er is helemaal niet genoeg werk voor iedereen en we willen ook zorgen! En we willen ook niet langer opbranden en uitgeput thuiskomen, maar ook nog sporten bijvoorbeeld.
Kortom ik heb, maar ja wie ben ik, het gevoel dat de veranderingen wel eens sneller kunnen gaan dan waar wij op voorbereid zijn. Bovendien ben ik enige jaren uit het 'circuit' geweest vanwege werken. Vandaar mijn keuze voor deze werkgroep.
Centraal in de werkgroep stond de stelling dat sociale bewegingen van uitkeringsgerechtigden een veranderingsproces doormaken: van belangenbehartiging naar cliëntenvertegenwoordiging, van oppositie naar gesprekspartner, en van actie naar samenwerking en netwerkvorming. Hoe kunnen wij als groep, als organisatie inspelen op dit veranderingsproces en wat is ons toekomstperspectief?
De inleider, wiens naam ik helaas vergeten ben, tekende een zeer helder schema in de vorm van een driehoek.
De bovenste punt is het bolwerk, de vaste groep zoals wij die vroeger kenden. In de rechterhoek onder tekende hij de huidige cliënten- en consumentenorganisaties die een steeds wisselende groep vormen. Vanuit het bolwerk, de vaste groep is er een beweging, een ontwikkeling, gaande naar de cliënten- en consumentenorganisaties. De linkerhoek onder wordt gevormd door de huidige netwerken, met name thematische netwerken zoals bijvoorbeeld m.b.t. armoede. Ook hier is er weer een beweging vanuit het bolwerk naar het netwerk toe. Maar ook tussen de netwerken en de cliënten- en consumentenorganisaties vindt een wisselwerking plaats.
Dit is momenteel het beeld van de sociale bewegingen en de problemen die zij tegenkomen als zij met elkaar willen samenwerken. Zo zijn er groeperingen die niet vanuit uitkeringsgerechtigden opgericht zijn maar door de politiek en die andere belangen en strategieën hanteren. Er is een spanningsveld m.b.t. participatie die van bovenaf geregeld wordt, en vaak ook gesubsidieerd, en ongesubsidieerde zelforganisaties. Hierdoor ontstaat verdeeldheid en versnippering en een soort 'ons kent ons' cultuur over de hoofden van uitkeringsgerechtigden heen.
En ander probleem is de individualisering die samenwerking verhindert. Er is een gebrek aan vrijwilligers. Mensen komen slechts om advies te halen maar niet om mee te werken. Tegelijkertijd worden mensen, die bijvoorbeeld een spreekuur runnen, geconfronteerd met tegenwerking van ambtenaren als zij informatie proberen te krijgen.
Tijdens het middaggedeelte deden wij een case-study rond de vraag: stel dat alle groepen opgeheven worden, wat ga je dan doen? Wat zijn je prioriteiten, hoe bouw je de beweging weer op, welke thema's, etcetera?
In ons kleine subgroepje vroegen we ons af of het een probleem was als er niets meer was. Mensen zoeken immers zelf wel naar een oplossing, bijvoorbeeld via bureau's voor rechtshulp. Toch kwamen wij weer uit op het idee van zelforganisaties vanuit de basis om met elkaar een vuist te kunnen maken en om ervaringen uit te wisselen. Om steun te hebben aan elkaar. Maar, dit zouden dan organisaties moeten zijn die niet op grond van uitkering maar op grond van specifieke problemen georganiseerd moeten zijn. Wij hadden echter geen tijd om dit idee verder uit te werken.
In een samenleving gedomineerd door de economie moet je aan het eind van de dag jezelf natuurlijk afvragen, wat heeft het mij opgeleverd?
Allereerst, en helaas, dat ik niet veel gemist heb de afgelopen jaren.
Dit is iets waar ik mij zorgen over maak: de onderlinge (menings)verschillen blijken nog steeds een probleem te zijn en bemoeilijken solidariteit. De diversiteit speelt niet alleen naar soort van uitkering, maar ook via generaties, man-vrouw verhoudingen, sociale achtergronden, etc.
Bijvoorbeeld, sommige ouderen hebben een leven van hard werken achter de rug in een tijd waarin hard werken de oplossing voor alles leek te zijn. Als je psychologische problemen had, moest je maar hard aan het werk gaan. Vanuit zo'n achtergrond is het moeilijk om geconfronteerd te worden met mensen die het arbeidsethos overboord werpen, juist omdat zij stellen dat hard werken nu geen oplossing meer is. Eerder ziekmakend.
Het gaat hier niet zomaar om communicatieproblemen.
Kern van het probleem is de diversiteit aan socialisatieprocessen: de omgeving, de tijd, het denken waarmee je opgegroeid bent, waar je je verdere leven mee ingevuld hebt en dat onlosmakelijk met jou als persoon verbonden is geraakt. Dat leg je niet zomaar af.
Ik heb ooit eens les gegeven op een hbo-school en in een multiculturele klas een rondje gedaan met de vraag 'hoe zij vanuit hun culturele en sociale achtergrond met homoseksualiteit waren geconfronteerd en hoe hen dat nu nog beïnvloedde'. De les ging over socialisatie en homoseksualiteit. Een onderwerp dat al eerder voor conflicten had gezorgd.
Een dergelijk rondje bleek, mits wij elkaars verwoording en beleving/ervaring respecteerden, heel verhelderend en we begonnen de onderlinge conflicten ook beter te begrijpen. Dat wil zeggen wij konden ons eigen denken beter plaatsen in onze maatschappelijke situaties en in plaats van verstrikt te raken in onze eigen emoties waren wij in staat hier over heen te reiken.
Misschien dat dit een idee is voor een volgende keer, een volgende verbindingsdag.
Grietje Lof