NIEUWSBRIEF BASISINKOMEN
Nummer 4, juni 1990
ISSN 0924-3038
Inhoudsopgave
Redactioneel
Emancipatie
Weinig voorstanders (gedeeltelijk) basisinkomen
Huishoudloon terug?
Nieuws uit de werkgroepen
Werkgroep onderzoek
Werkgroep Publiciteit
Werkgroep Internationale contacten
Redactieraad, bestuur
NBA tegen een gedeeltelijk basisinkomen
Ethiek
De rechtvaardiging van een basisinkomen
De libertijnse rechtvaardiging: Nozick en Paine
Het marxisme
Het utilisme
De liberale positie: Rawls en Dworkin
Alleenwonenden
Vrijheid
Gelijkheid
Zuster alleenwonende
Stichting Grondvest
Informatie over de Werkplaats Basisinkomen
Uit de pers...
Redactioneel
De eerste ingezonden brief mogen we begroeten in dit vierde nummer van 't Werkt niet meer. Dat is verheugend, want het bewijst dat deze nieuwsbrief inderdaad de forumfunctie vervult die zij ambieert. De NBA (Organisatie van mensen met een uitkering) geeft een kritische reactie op het idee van het gedeeltelijk basisinkomen.
In de jaren zeventig woedde enige tijd een discussie over het "huisvrouwenloon" . Komt dat weer terug of denkt Nederland eigenlijk toch meer in de richting van een basisinkomen voor iedereen, vraagt Paul de Beer zich af.
Twvee jaar na de oprichting van de Werkplaats Basisinkomen vroegen we ons af hoe de werkgroepen van de Werkplaats functioneren. Werp samen met Mary Hallebeek een blik in de keuken.
Het achtergrondartikel gaat deze keer o~r de ethische kanten van een basisinkomen. Eind vorigjaar werd over dit onderwerp een internationale conferentie gehouden in Leuven. TrudyDoornhein vond een van de daar behandelde stukken interessant genoeg om er een beschouwing aan te wijden.
De discussie over de LAT-relatie tussen basisinkomen en alleenwonenden blijft voortduren (zoals in elke goede relatie: altijd blijven praten). Ditmaal is het woord aan Saar Boerlage. Zij reageert op alle drie eerder gepubliceerde stukken.
Leest en zegt het voort!
Emancipatie
Door Paul de Beer
Neuzend in Opzij kwam Paul de Beer een intrigerende enquête tegen over het idee van een huishoudloon - maar ook over de wenselijkheid van een basisinkomen. De voorkeursstemmen variëren nogal (afhankelijk van de sekse van de ondervraagden) maar het basisinkomen kwam er niet echt goed af. Van de andere kant: onder basisinkomen verstond men in de enquête een qedeeltelijk basisinkomen. Misschien betekenen de resultaten wat anders dan je op het eerste gezicht zou denken.
In de jaren zeventig woedde er in de vrouwenbeweging enige tijd een felle discussie over het "huishoudloon" of "huisvrouwenloon" (zie ook "Basisinkomen géén huishoudloon" in 't Werkt niet meer nr. 2). Dat zou volgens de voorstanders een middel zijn om huisvrouwen die geen betaalde arbeid verrichten toch recht op een eigen inkomen te verschaffen als beloning voor hun huishoudelijke arbeid. Vrij snel werd de discussie beslecht in het voordeel van de tegenstanders van het huishoudloon. Het idee verdween uit de aandacht.
De discussie spitste zich vervolgens toe op een onderwerp waarover de tegenstanders van het huisvrouwenloon het onderling radicaal oneens waren: het basisinkomen. Veel vrouwen (en mannen) die het huishoudloon afwezen waren en zijn van mening dat vrouwen alleen via betaalde arbeid economische zelfstandigheid kunnen verwerven. Andere tegenstanders van het huishoudloon daarentegen vinden dat het recht op een eigen inkomen niet moet worden gekoppeld aan een specifiek soort arbeid (betaald of huishoudelijk werk), maar voor iedereen moet worden verwezenlijkt, ongeacht het soort activiteiten dat men ontplooit. Zij kiezen dan ook voor een basisinkomen.
Het huishoudloon mag dan uit de publieke discussie zijn verdwenen, het is blijkbaar toch een idee dat nog steeds (of opnieuw?) veel vrouwen aanspreekt. Dat kan worden opgemaakt uit een enquête van het maandblad Opzij onder een "representatieve steekproef" van de Nederlandse bevolking en van haar abonnees over het onderwerp "vrouwen & geld" (Opzij januari 1990).
Van de ondervraagde vrouwen blijkt 31 procent voorstander te zijn van een salaris dat de staat uitbetaalt aan huisvrouwen, door Opzij kortweg als "huisvrouwenloon" aangeduid. Slechts een kwart van de vrouwen is tegen een dergelijk huisvrouwenloon en 41 procent vindt, dat het zowel voor- als nadelen heeft. Mannen zien er overigens minder in: slechts 18 procent is er voor en bijna de helft (44 procent) is ronduit tegen. Opvallend is, dat vooral veel (maar liefst 41 %) Opzij-abonnees (doorgaans relatief goed opgeleide en vrij jonge vrouwen) voorstander zijn van het huisvrouwenloon; slechts 14% van deze groep is tegen.
Weinig voorstanders (gedeeltelijk) basisinkomen
Een basisinkomen voor volwassenen van f400 per maand spreekt de meeste Nederlanders echter minder aan. 42 Procent van de vrouwen en 52 procent. van de mannen voelt niet voor een dergelijk basisinkomen. Het is overigens onduidelijk hoevelen van hen dit gedeeltelijk basisinkomen afwijzen omdat het te laag is. Slechts 19 procent van de vrouwen en 16 procent van de mannen is er voor. Opmerkelijk genoeg zien de lezers van Opzij er veel meer in: bijna de helft van hen (45 procent) is er voor en minder dan een op de zes (15 procent) is er tegen. Samenvattend: een grote' minderheid van de Nederlandse vrouwen voelt wel wat voor een huishoudloon, maar over het algemeen ziet men minder in een basisinkomen. Mannen zien minder in een huishoudloon of basisinkomen. Van de Opzij-abonnees is echter bijna de helft voor een huishoudloon of een basisinkomen, en dat is veel meer dan het aantal tegenstanders.
Huishoudloon terug?
Moeten we hier nu uit afleiden, dat het tijd wordt om het huishoudloon weer op de agenda te zetten? Dat lijkt wat te snel geconcludeerd. De "oude" bezwaren tegen het huishoudloon gelden immers nog steeds. Het heeft weinig zin om daarover opnieuw een discussie aan te zwengelen. Dat de meeste mensen als ze worden geënquêteerd zich niet onmiddellijk die bezwaren realiseren is begrijpelijk. Hun steun voor het huishoudloon moet misschien vooral worden gezien als een aanwijzing dat zij kritisch staan tegenover de vanzelfsprekende koppeling van inkomen aan betaalde arbeid. Dat de lezers van Opzij, die over het algemeen waarschijnlijk beter op de hoogte zijn van de discussie over dit onderwerp, méér in een basisinkomen zien dan in het huishoudloon, bevestigt deze indruk. Tot nu toe heeft Opzij het onderwerp basisinkomen voornamelijk links laten liggen. Het valt te hopen, dat de redactie van het blad in deze enquête aanleiding zal zien om in de toekomst wat vaker en serieuzer aandacht te schenken aan het basisinkomen.
Paul de Beer is medewerker van de Wiardi Beckman Stichting en lid van de werkgroep Onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen
Nieuws uit de werkgroepen
Door Mary Hallebeek
Geen organisatie zonder werkgroepen; zo ook de Werkplaats Basisinkomen. Al snel na de oprichting gingen werkgroepen op deelgebieden aan de slag. Mary Hallebeek deed de ronde en zet positief in.
Werkgroep onderzoek
Een van de actiefste werkgroepen is de werkgroep onderzoek. Deze werkgroep organiseert debatten, geeft aan welke onderwerpen in relatie tot het basisinkomen onderzocht moeten worden en probeert dit te stimuleren. Ook heeft de werkgroep gezorgd dat verschillende modellen ontwikkeld zijn, bijvoorbeeld voor de fmanciering van een volledig basisinkomen en de invoering ervan.
In 1989 organiseerde de werkgroep twee debatten. Het economendebat ging over de financiering van het basisinkomen en de arbeidsmarkteffecten vanuit de vraagkant (werkgevers). Zowel inhoudelijk als publicitair was het debat een succes. Het emancipatiedebat ging over het contrast tussen een basisinkomen en de individuele uitkering die afhankelijk gesteld wordt van de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Voor de komende maanden en jaren heeft de werkgroep tal van activiteiten op de agenda staan. Allereerst staat er een ethiek-debat in het najaar van 1990 op stapel. Dit debat gaat over de plaats en betekenis van arbeid en opvattingen over rechtvaardigheid. Dit alles aan de hand van de argumenten die voor- en tegenstanders van een basisinkomen hanteren.
Het volgende debat is een staatsdebat. Dit debat gaat in op vragen als: hoe veranker je een basisinkomen in de grondwet en welke positieve en negatieve effecten op de sturingsmogelijkheden van de staat zijn er te verwachten. Het basisinkomen is immers onvoorwaardelijk, terwijl nu menselijk gedrag gestuurd kan worden door subsidies en uitkeringen. Moet er bijgestuurd worden nadat het basisinkomen is ingevoerd en welke modellen kun je daarbij volgen?
Andere plannen zijn:
Werkgroep Publiciteit
De werkgroep publiciteit heeft tot taak de werkplaats en het basisinkomen onder de aandacht te brengen van een breder publiek. Een van de eerste activiteiten van de werkgroep is geweest een huisstijl te ontwikkelen en brochures en posters te maken. Vorig jaar werd een kant en klaar artikel over basisinkomen aan huis-aan-huisbladen aangeboden.
Voor dit jaar heeft de werkgroep nieuwe plannen. Er wordt een inleiding gemaakt die gebruikt kan worden voor groepen zoals partijafdelingen, vrouwengroepen en vakbondsscholen. Ook moet er een kleine campagne opgezet worden om die inleidingen - en inleiders aan te bieden. De brochure Vim heilsleer tot haarlemmerolie wordt in het Engels uitgebracht.
Voorts wil de werkgroep verschillende publikaties verzorgen, zoals artikelen in de bladen van aangesloten organisaties, een artikel over de Nederlandse werkplaats in het internationale biadBIEN (Basic Income European Network) en brochures over speciale onderwerpen zoals financiering en argumenten voor en tegen een basisinkomen. Ten slotte onderzoekt de werkgroep de mogelijkheid om audio-visueel materieel te ontwikkelen of bestaand materiaal bruikbaar te maken.
Werkgroep Internationale contacten
De werkgroep internationale contacten heeft tot taak te signaleren wat er met name op Europees gebied gebeurt met betrekking tot het basisinkomen. Contactpersoon is Alexander de Roo. Hij maakt deel uit van de Europese Regenboogfractie en heeft eerder bijdragen heeft geleverd aan deze Nieuwsbrief.
Redactieraad, bestuur
De redactieraad van de Nieuwsbrief bestaat nu ruim een jaar. De redactieraad zorgt voor onderwerpen en kopij. De raad functioneert goed maar worstelt op dit moment met het zorgwekkende vooruitzicht dat de eindredacteur zijn (onbetaalde) functie zal neerleggen.
Een van de activiteiten van het bestuur van de werkplaats is een lobbycampagne. Tot nu toe is dat een mengeling geweest van hoop en teleurstelling. Bij 'politieke partijen bestaat weinig bereidheid het onderwerp op de agenda te plaatsen. De discussie met de werkgevers is nog niet geopend. Ook bij vakbonden is nog veel terrein te winnen. Sommige bonden hebben zich voorstander verklaard en nemen actief deel in de werkplaats, maar veel bonden zijn ronduit tegen een basisinkomen. Een voorbeeld hiervan is de vakcentrale FNV.
Bij de Raad van Kerken is wel interesse. De Werkplaats hoopt samen met deze Raad dit najaar een studiedag te organiseren. Met de milieubeweging zijn eveneens contacten ontstaan. Met name de Actie Strohalm en het Landelijk Milieuoverleg tonen interesse. Sommige vrouwengroepen zijn al aangesloten bij de werkplaats of zijn geïnteresseerd. Via het tweede emancipatiedebat verwacht men ook andere, nog niet aangesloten vrouwengroepen bij de werkplaats te betrekken.
Ten slotte is er contact gelegd met het PLOA, het Platform Organisaties Alleenstaanden en het CISA, Stichting Centrum Individu en Samenleving. Tussen de aangesloten organisaties bestaan veel onderlinge verschil len. Het basisinkomen zou die verschillen wellicht kunnen overbruggen.
Mary Hallebeek is journalistiek medewerkster bij de Industrie- en voedingsbond CNV
NBA
tegen een gedeeltelijk basisinkomenWarmer, 27 april 1990
Dat betreft het gebeuren rond het basisinkomen en de ontwikkeling daarvan tot een goed gefundeerd plan volgen wij het een en ander aan de hand van jullie nieuwsbrieven en jaarverslagen. Wij nemen aan dat aan de hand daarvan voldoende informatie tot ons komt om ons een beeld te kunnen vormen over de gang van zaken. Welzijn wij er ons bewust van dat actief deelnemen aan het werk van de werkplaats beter geweest zou zijn wat betreft het geïnformeerd worden. Helaas is dit deelnemen, tot nu toe, voor ons geen mogelijkheid gebleken.
Als onze conclusie uit de verkregen informatie juist is dan zijn wij verontrust over de ontwikkelingen rond het basisinkomen. Wij zien de plannen duidelijk in de richting van een gedeeltelijk basisinkomen gaan. En daar zijn wij geen voorstander van!
Een gedeeltelijk basisinkomen zien wij als een andere naam voor een deel van de huidige uitkeringen. Er verandert namelijk weinig aan de nadelen die aan de huidige uitkeringen kleven terwijl een gedeeltelijk basisinkomen nauwelijks bijdraagt om te komen tot een andere maatschappijstructuur. Met dit laatste bedoelen wij op gelijke waardering van deeltijdwerk en ruime zelfstandigheid van werknemers wat betreft hun situatie in bedrijven.
De nadelen van een gedeeltelijk basisinkomen vinden wij overigens herhaaldelijk terug in de informatie die wij van jullie krijgen. Blijkbaar worden deze nadelen niet zwaar genoeg bevonden om afwijzend tegenover een gedeeltelijk basisinkomen te gaan staan. Althans onder de voorstanders daarvan binnen wat je zou kunnen noemen "de kring der aanhangers van een gedeeltelijk basisinkomen".
Verder valt ons op dat er weinig informatie is over het financiële plaatje van het geheel. Als je dan ergens leest dat er voldoende financiën zijn om het plan uit te voeren kan je je wel gerust voelen, maar zou informatie hoe zo'n fmanciering ervan in elkaar zit toch wel wenselijk zijn. Als bijvoorbeeld blijkt dat de financiering ervan voornamelijk uit de midden- en lagere inkomens zal moeten komen dan hebben wij onze bedenkingen. En dit zou tevens het geval kunnen zijn met de andere middelen die ter dekking van de kosten gebruikt zouden worden.
Overigens geeft de informatie veel gepraat weer zonder dat het tot een goed onderbouwd plan komt. Wij voelen ons teleurgesteld daar wij bij de start van de werkplaats van jullie de indruk meekregen dat het maken van een plan een punt van de eerste orde was.
Wat irritant komt op ons over de aarzeling tegenover de politiek. Als wij moeten blijven wachten tot deze geheel omgeturnd is dan is de toestand uitzichtloos. Kom met een plan, zoals wij hierboven al opmerkten, en bewerk daarna pas de politiek. Dit lijkt ons een betere methode dan het omgekeerde.
Tot slot willen wij ons standpunt van voorstander te zijn van een volledig basisinkomen hierbij nogmaals onderdrukken.
Namens de NBA (Niet Beroepsmatig Aktief), Organisatie van mensen met een uitkering
J. Halewijn, secretaris
H. Mensink, lid projectraad
Ethiek
Door Trudy Doornhein
Op 1-2 september 1989 werd in de katholieke universiteit van Leuven een internationale conferentie gehouden onder de titel Liberty. equality. ecologv around the ethical foundations of basic income. Een van de daar behandelde stukken kwam van filosoof Philippe van Parijs. Trudy Doornhein vond het boeiend genoeg om er eens goed voor te gaan zitten. Van haar hand een globale weergave van Van Parijs' artikel, genaamd "On the ethical foundations of basic income".
De rechtvaardiging van een basisinkomen
In zijn artikel benadrukt Van Parijs het belang van een systematische ethische rechtvaardiging van het basisinkomen. Wil het basisinkomen politiek haalbaar worden, dan is de levensvatbaarheid van zo'n ethische rechtvaardiging een sleutelvoorwaarde. Zelf geeft Van Parijs deze rechtvaardiging niet; hij beperkt zich tot een kritisch overzicht van de voornaamste rechtvaardigingen die in achtereenvolgens het utilisme, het marxisme, het liberalisme en bij de libertijnen te vinden zijn. Hij vraagt deze politieke ideologieën naar de rechtvaardiging van een universele uitkering en onderzoekt de gehanteerde vooronderstellingen. Van Parijs wil geen antwoord geven op de vraag of een basisinkomen legitiem. is, maar wil bepalen welke theorie bruikbaar is als men ervan uitgaat dat een basisinkomen legitiem is.
De libertijnse rechtvaardiging: Nozick en Paine
Als criterium voor de juiste verdeling van schenkingen geldt in de libertijnse traditie dat er sprake moet zijn van een vrijwillige transactie. R. Nozick is van mening dat iedereen recht heeft op compensatie tot een welvaartsniveau dat hij/zij in een natuurstaat zou hebben. Hij rechtvaardigt niet een universele uitkering, wel een recht op compensatie, ervan uitgaand dat wij de aarde gemeenschappelijk bezitten. Niemand kan van haar/zijn deel van de aarde worden uitgesloten, ook niet als hij/zij dat deel onmogelijk kan gebruiken. Wanneer bijvoorbeeld appels uit jouw tuin worden gestolen lijkt het niet voldoende dat de dief alleen de appels vergoedt en ze toch zelf opeet. De winst die door de verkoop van appels gemaakt zou kunnen worden, gaat dan mooi aan je neus voorbij.
De vaagheid die Van Parijs bij Nozick aantreft, verdwijnt bij T. Paines interpretatie van de implicaties van het gezamenlijk bezit van de aarde. Paine is van mening dat niet de aarde, maar het gecultiveerde land individueel eigendom is. De eigenaar van het gecultiveerde land is aan de gemeenschap een grondrente verschuldigd, waaruit gelijkelijk verdeeld aan iedereen een onvoorwaardelijke uitkering kan worden betaald. Volgens Van Parijs is deze interpretatie van het gezamenlijk bezit van de aarde een rationele stap vooruit naar een universele uitkering. Al met al wordt in de libertijnse traditie niet meer dan een extreem magere universele uitkering gerechtvaardigd, die bovendien gekoppeld is aan het gebruik van natuurlijke bronnen. Er blijven nog genoeg vragen over. Hoe is de waarde van het ruwe land of van de natuurlijke bronnen te bepalen? Blijft men het recht houden op een uitkering ook wanneer deze bronnen uitgeput raken?
Het marxisme
Biedt het marxisme een speciaal argument voor een universele uitkering? Socialisme, gedefinieerd als het idee van gezamenlijk eigendom van de produktie door de werkende klasse, zal volgens Van Parijs elke universele uitkering als uitbuiting zien en veroordelen. J. Roemer geeft een deftnitie van uitbuiting die beter overeenstemt met het idee van een universele uitkering: uitbuiting als ongelijkheid in materiële welvaart, afkomstig van een ongelijkheid in goederen. Afschaffmg van uitbuiting zou dan zijn: ieder een gelijke hoeveelheid van de beschikbare goederen toekennen. Dit is echter - volgens Van Parijs - nog niet hetzelfde als iedereen een gelijke uitkering geven.
In het communisme wordt men beloond naar behoefte en niet naar bijdrage. Dit zou een vorm van universele uitkering kunnen zijn, maar volgens Van Parijs zou deze weg tot een economische ramp leiden. De economische bedrijvigheid zou teruglopen. Accumulatie van kapitaal is een vereiste om een adequate hoeveelheid werk te verschaffen. Bij gebrek aan kapitaal zou de optimale hoogte van de universele uitkering nul zijn. Daar komt bij dat de teleologische benadering (na het kapitalisme komt het "rijk der vrijheid") de opoffering van een aantal generaties legitimeert.
Het utilisme
Het utilisme gaat uit van maximalisering van de totale welvaart. Onvoorwaardelijke uitkeringen zijn volgens utilistische schrijvers onmogelijk te bekostigen. Verder zouden de baanhebbende belastingbetalers door de hoge bedragen ontmoedigd worden en niet meer tot sparen en investeren komen.
Met de Groenen zegt Van Parijs dat het utilisme de maximale groei niet kan garanderen. Wat het wel garandeert is verwaarlozing van het milieu, waardoor de welvaart van komende generaties in de knel komt. Het belasten van milieuschadelijke produktie en consumptie zou de ontwikkeling van milieubehoudende activiteiten ten goede komen. Bij de afwezigheid van een basisinkomen - dat volgens utilisten dus onmogelijk is - zou een grote groep mensen uitgesloten zijn van belangrijke sociale participatie.
Nu is er binnen het utilisme wel een variant die door Van Parijs de "communitaire" variant wordt genoemd. Deze gaat ervan uit dat uitsluiting van een flink deel van de samenleving diepgaande effecten heeft op de totale welvaart, vanwege het lijden dat het toebrengt aan degenen die uitgesloten worden of (indirect) door het klimaat van spanning en onzekerheid dat de hele samenleving doordringt. Deze variant bekritiseert dus het al te eenvoudige utilistische maximalisenngsprmclpe.
De liberale positie: Rawls en Dworkin
De liberale denkwijze combineert een blanco startpositie voor ieder met gelijke mogelijkheden. Vanuit deze positie kan ieder individu zijn/haar invulling van een goed leven ontwikkelen.
In J. Rawls' theorie over rechtvaardigheid als eerlijkheid is het meest uitgewerkte voorbeeld van zo'n theorie te vinden. Hij stelt dat de voorstelling van een denkbeeldige "originele startpositie" een hulpmiddel is om tot principes te komen die het bestaan voor iedereen leefbaar moeten maken. Deze principes betreffen de belangrijkste sociale regelingen: fundamentele vrijheden, gelijke kansen en het verdelen van sociaal-economische voordelen. Wat dit laatste principe betreft: de verdeling vindt plaats volgens het zogenaamde "maximinprincipe", dat wil zeggen: de minst bedeelde moet zoveel mogelijk bevoordeeld worden. Dat komt dicht in de buurt van een universele uitkering op het hoogste ondersteunende niveau. Echter, de verdeling volgens het maximin-principe helpt niet iedereen om haar of zijn capaciteiten te ontwikkelen. Van Parijs geeft dit aan met het "Crazy en Lazy"-voorbeeld.
Twee personen hebben een identieke aanleg, Crazy is echter carrièregericht terwijl Lazy gelukkig is met een uitkering. Wordt Crazy gediscrimineerd doordat zij indirect de uitkering van Lazy bekostigt? Zij mag - gezien haar invulling van een goed leven - meer inkomen hebben dan Lazy, zolang haar verdiensten Lazy's inkomen verhogen. De moeilijkheid schuilt - zoals hierboven al is aangegeven - in het idee dat iedereen dezelfde kansen heeft. Op grond hiervan kan Crazy de uitkering van Lazy onnodig vinden. Het omgekeerde is lastiger. Lazy kan Crazy niet uitnodigen om zijn levensstijl over te nemen, omdat zijn uitkering zonder de verdiensten van Crazy zou wegvallen. Hieruit blijkt dat de liberale benadering ongeschikt is om een neutraal punt te kiezen dat niet discrimineert.
Hoe zit het nu met de verdeling van de externe middelen, zeg een stuk land. Crazy zal het gelijkelijk toebedeelde land van Lazy in beslag willen nemen. Lazy zal in ruil daarvoor een deel van de produktie opeisen. Dit wekt de suggestie dat het niveau van de uitkering op een niet-willekeurige manier bepaald wordt door de waarde van de externe' middelen. De Crazy's die zich deze middelen toeëigenen moeten de uitkering financieren.
Wat komt nu als extern middel in aanmerking? Men zou alle giften en legaten voor 100% kunnen belasten en de opbrengst hiervan volgens de maximin-methode verdelen. Ook hier duikt weer dezelfde moeilijkheid op. Van Crazy's inkomen meer aftrekken dan de waarde van de externe middelen zou neerkomen op een ongelijke verdeling.
Nog een probleem van verdeling ligt op het terrein van de technologie. De idee dat technologie in principe voor iedereen beschikbaar is en door iedereen gebruikt kan worden gaat niet op. Zelfs in een wereld van gelijke talenten zijn technologieën niet voor iedereen beschikbaar; maar ook al wil je geen gebruik maken van de technologie (of het stuk land), dan nog heb je recht op een deel van de produktie. De Crazy's blijven daarom belasting betalen en een onafhankelijke waardering van de technologie is uitgesloten.
Tot dusver is er uitgegaan van identieke talenten; in werkelijkheid echter bestaan die niet. Rawls probeert deze ongelijkheid te corrigeren door zijn voorstel dat alle posities in principe voor iedereen toegankelijk moeten zijn en dat voordelen uit deze posities op maximin-wijze moeten worden verdeeld. Dit brengt volgens Van Parijs discriminatie met zich mee. Getalenteerden zwaarder belasten omdat zij meer (interne) mogelijkheden hebben, is niet de meest geschikte interpretatie van gelijkheid. In de hele discussie is Dworkins behandeling van gelijke talenten bruikbaar om mee te beginnen. Desalniettemin gaat hij er ook van uit dat degene met aanleg een goed betaalde baan moet accepteren, dat bescheidenheid in ambitie niet beloond wordt en dat lucratieve talenten boven niet-lucratieve talenten staan. Van Parijs vindt dit onrechtvaardig.
Van Parijs concludeert dat het liberale standpunt wel een universele uitkering rechtvaardigt, maar dat de hoogte in niets lijkt op dat wat het tot een adequaat basisinkomen zou maken.
Trudy Doornhein is medewerkster van het Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk
Alleenwonenden
Niet-feministisch en onsolidair? Over vrijheid, gelijkheid en zusterschap
Door Saar Boerlage
De positie van alleenwonenden onder het regime van een basisinkomen blijft de gemoederen verhitten. Al weer als vierde in de serie reageert Saar Boerlage in deze DISCUSSIE rubriek op de eerdere uitlatingen van Judit Klappe van het wetenschappelijk Bureau PSP ('t Werkt niet meer nr. 2), filosofe Jola Klein (nr. 3), en Lenie de Zwaan van het CISA (eveneens nr. 3). Zij zet de voordelen van individualisering uiteen en geeft enkele mogelijkheden om de woonlasten van alleenwonenden te verlagen.
Tegenstanders van het invoeren van basisinkomen kijken vaak naar de huidige situatie van alleenwonenden. Die gaan er volgens Judit Klappe en Lenie de Zwaan bij het invoeren van een basisinkomen voor ieder individu financieel sterk op achteruit. En daarom wijst Judit het basisinkomen af en is Lenie slechts bereid positief tegenover invoering van een BI te staan als de manier waarop de samenleving functioneert drastisch veranderd is. Jola Klein heeft in 't Werkt niet meer nr. 3 mijns inziens heel duidelijk aangegeven dat bij samenwonenden het individu (dat niet de helft is van een stel) vaak geen ruimte heeft voor het maken van eigen keuzen.
Judit, en gedeeltelijk ook Lenie, leggen de nadruk sterk op de positie van menige alleenwonende: een hard werkend persoon met weinig vrije tijd die ook financieel sterk beknot wordt. Bij het invoeren van een basisinkomen zouden deze mensen nog meer benadeeld worden. Gevreesd wordt voor nog hogere belastingverplichtingen. En een alleenwonende die geen betaald werk heeft zou in de toekomst moeten rondkomen van de helft van het inkomen dat een tweepersoonshuishouden krijgt. Dat zou onrechtvaardig zijn omdat een aantal uitgaven per huishouden wordt gemaakt. Aan bovenstaande discussie is nog veel toe te voegen. Daartoe doe ik in deze bijdrage een poging. Het gaat mij daarbij in de eerste plaats om de voordelen van individualisering.
Vrijheid
Een debat over individualisering kan gevoerd worden geheel los van de vraag of het invoeren van een basisinkomen gewenst is. Dat blijkt ook in de praktijk. Voorstanders van individualisering vindt men niet alleen bij de leden van de Werkplaats Basisinkomen, en tegenstanders van een dergelijk systeem zijn soms voor een basisinkomen naar "draagkracht", waarbij de verrekening door de fiscus zou moeten plaatsvinden.
Het debat over individualisering is nog niet zo lang geleden door staatssecretaris Ter Veld van Sociale Zaken op een bijeenkomst van het "Breed Platform voor Economische Zelfstandigheid" weer eens aangescherpt. Ter Veld wil niets weten van de individualisering, niet in ons belastingstelsel, maar ook niet bij het recht op een uitkering. Zij hanteert het argument dat daarvan mensen die een partner hebben met een hoog inkomen profiteren. En omdat uiteindelijk de uitkering door de belastingbetaler (onder wie mensen met een laag inkomen) wordt betaald, moet er dan een te groot beroep op solidariteit worden gedaan. Deze redenering is mijns inziens niet feministisch en juist onsolidair. Immers, niet-betaald werkenden (veelal vrouwen) blijven zo afhankelijk van een ander individu. We gaan, als we niet oppassen, terug naar af. Immers, analoog geredeneerd zou de AOW dan ook alleen moeten worden uitbetaald aan mensen met een laag inkomen, die niet door familie ondersteund kunnen worden... Dat zou nog meer controle betekenen of er bij familie en (ex- )partner iets te halen valt! Het aantal mensen dat snakt naar het afschaffen van de betutteling van familie en huisgenoten en van het gegluur van sociale controleurs zou dan drastisch stijgen. Feministische solidariteit houdt in dat we juist achter de vrouwen gaan staan die het recht op privacy en economische zelfstandigheid opeisen.
Gelijkheid
Onlangs las ik het boek De andere stad: achter de façade van de nieuwe stedelijke vitaliteit, geschreven door onder meer enige Amsterdamse sociologen. Wat mij opviel was de vanzelfsprekendheid waarmee werd vastgesteld dat de mentaliteit van de stedeling veranderd is. Was in de jaren vijftig en zestig bijna iedereen eerlijk, thans denken we over het (doen) verrichten van zwarte werkzaamheden, het overtreden van verkeersregels en het "soepel" invullen van belastingformulieren heel genuanceerd. Alleen sommigen lopen tegen de lamp of kunnen of willen niet meedoen aan het gesjoemel. Er is mede daardoor sprake van ongelijkheid. Sommigen verdienen legaal, anderen verdienen er ongestraft illegaal wat bij en nog anderen worden betutteld, gecontroleerd of gestraft.
Voor mij is een van de zeer positieve aspecten van het invoeren van een basisinkomen dat de controle op de leefwijze van alle mensen in gelijke mate wordt verricht (en dat die controle ook sterk vermindert). Alleen datgene wat zinvol is, blijft aan controle onderhevig. Een belastingdienst zal blijven bestaan en maatregelen ten behoeve van een gezond milieu of van veiligheid op straat zullen ook vanuit de overheid worden begeleid...
Zuster alleenwonende
Maar de alleenwonenden? Blijven die dan niet de dupe? Judit, Jola en Lenie stipten het al in de eerder genoemde stukken aan. Er zijn maatregelen te bedenken, die de extra hoge vaste lasten van alleenwonenden kunnen indammen. Ik heb daarover eerder geschreven: het wonen in kleine woningen is relatief (berekend per oppervlaktemaat) duur en de energierekening is voor een kleingebruiker extra hoog. Het omgekeerde zou het geval moeten zijn. Dat zou een zuinig gebruik van de ruimte en van energie bevorderen. Maar er is veel meer te bedenken. Als het openbaar vervoer gratis toegankelijk wordt is het neveneffect dat de gezinskorting verdwijnt.
Judit betwijfelt of dergelijke maatregelen een voldoende effect kunnen hebben. Zij onderschat mijns inziens de mogelijkheden om met name de woonlasten van kleine huishoudens te verlagen.
Een deel van de kosten. kan, omdat ons huidige systeem duur is, bestreden worden uit de macro-effecten. Velen gaan (of blijven) alleen wonen vanwege de voordeurdelersregelingen. Het effect van individualisering is, dat (hoe vreemd dat ook klinkt) meer mensen gaan samenwonen of in een woongroep trachten te komen. Dat is prima, het kost ons minder nieuwbouw aan de rand van de stad, waardoor onder meer ons milieu minder in asfalt wordt omgezet.
Van groot belang is voorts, dat alleenwonenden zichzelf niet langer als zielig beschouwen. Vele alleenwonenden hebben zich een redelijk goede baan bevochten. Zij zijn degenen, die het wel erg druk hebben, maar de vrijheid hebben zelf hun leven in te richten. Deze vrijheid die, zoals Lenie aangeeft, met veel strijd is veroverd, komt nu hopelijk ook voor anderen boven de horizon.
Dat geldt dan in de eerste plaats voor de andere kategorie alleenwonenden: de vrouwen met een uitkering, die nu zo kort gehouden en gecontroleerd worden. Daarnaast kunnen de zelfstandige alleenwonenden een voorhoedefunctie vervullen ten aanzien van nog vele zusters die thuis weinig gelegenheid hebben zich te ontplooien.
Saar Boerlage is werkzaam aan het Sociologisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam en is lid van de werkgroep Onderzoek van de Werkplaats Basisinkomen
Stichting Grondvest
BASISINKOMEN ALS GRONDRECHT
Waarom wordt er gevraagd naar een basisinkomen (BI)? Wat is er mis in onze maatschappij waardoor wij ons best gaan doen voor een BI? We hebben toch een "verzorgingsstaat" tot-en-met verankerd in onze "sociale wetgeving"! Als wij ons nu eens goed realiseren wat we eigenlijk precies aan het doen zijn met onze sociale wetgeving, dan moeten wij bekennen dat wij helpen waar dat nodig is: ww, WAO, AOW, Bijstand enzovoorts. Is dat niet goed genoeg? Een georganiseerde bedeling, waarvan men de mensonterende schande bedekken wil met de schone term: sociale verzorging.
Nee. Realiseer u dat dit helpen is waar het nodig is. Maar waarom is het nodig? Wat mankeert er aan, dat er hulp nodig is. Oftewel: wat is de "oorzaak". Wij kunnen nu wel komen aandragen met het idee van een BI, maar vergeten te onderzoeken waarom dat nodig is.
Vergun mij een vergelijking. Een kind in een gezin hééft een BI – in natura - volledig verzorgd door pa en ma. Op het niveau van de welstand van het gezin. Dit duurt totdat het kind zelfstandig wordt en wordt losgelaten "in de kille maatschappij". Moeten we er dan weer andere mensen zijn om verder voor dit kindje te zorgen? Of: als de volwassene dan volwassen voor zichzelf wil zorgen, waarom is onze maatschappij dan zodanig dat dit in vele gevallen tot de onmogelijkheden behoort? Waar vind ik in de literatuur een onderzoek naar een antwoord op deze vraag? Laat staan een fundamenteel rechtzetten van de grondslag van onze samenleving, zodat de oorzaken van de narigheden weggenomen worden? Waarom uitsluitend aandacht voor bedeling en bijstand, met een BI voor de telkens weer falende sociale "verzorging"? "Het vangnet van de sociale zekerheid begint scheuren te vertonen" schreef de Voedingsbond FNV tien jaar geleden reeds in het tussenrapport Met z'n allen roepen in de woestijn (beantwoord met de Grondvest Documentatie nr. 11, juni 1981: Persoonlijk grondrecht sociaal dividend). Duidelijker kan het niet: de gedachten zitten bij een vangnet, de gedachten zitten niet in de hoek van het zoeken naar de oorzaak van de narigheid.
De bijdrage van Grondvest betreft echter het aanwijzen en wegnemen van de oorzaak van de ellende. Grondvest wijst er op dat de levensmogelijkheid van de mens afhangt van dak en voedsel, van het gebruikmaken van de natuur, van grond en grondstoffen. Die zijn echter verdeeld in handen van "eigenaren". Daarmee is het leven van alle medemensen van hen "afhankelijk". In onze hoogst ingewikkelde maatschappij is dit inzicht maar moeizaam terug te vinden, maar het is en blijft de fout in het fundament waarop al het andere dat daarop gebouwd is telkens weer "scheuren begint te vertonen". Daar ligt de fundamentele oorzaak van loonstrijd, prijsstijging, inflatie, werkloosheid, enzovoorts, zoals bewezen wordt op plaatsen waar een begin gemaakt is met de waarde van de natuurgaven aan de gemeenschap ten goede te laten komen. Zie de statistieken en de successen in tijdschriften als Progress en Incentive taxation.
De oplossing is heel eenvoudig. Grond en grondstoffen zijn in de natuur "gegeven". Bijvoorbeeld Nederland is 33.000 km2 (nat en droog). Een gegeven dat altijd blijft. Maar hoe komt het dat de grond "waarde" heeft? Dat komt omdat mensen grond "nodig" hebben, om te wonen en te werken. Die waarde ontstaat in onze maatschappij en voor die waarde moet dus áán die maatschappij betaald worden. Waar voor je geld, en betaald aan degenen die de grond van waarde gemaakt hebben.
Aangezien de waarde van grond voortdurend verandert, dient jaarlijks voor de jaarwaarde te worden betaald (ongeveer zoals wij dat bij erfpacht gewend zijn). Dit bedrag, over heel Nederland bij elkaar, gedeeld door h~t aantal inwoners, is een ieders natuurrecht (of grondrecht), vergelijkbaar met wat een kind ten deel valt in een gezin. Dit is de garantie en het niveau van het leven. Dit is geen fooi van de bedeling, met hoe mooie woorden ook genoemd, maar een volkomen natuurlijk recht van de levenden op de waarde van onze aarde. Het is precies andersom dan boven dit artikel staat, want het gaat om ons grondrecht als basisinkomen.
Hoe? Er zijn verschillende wegen waarlangs dit doel elders reeds bereikt is - zie de betreffende literatuur. Van de huidige gang van zaken kan men zeggen 't Werkt niet meer. Maar doe dan toch wat, doe wat elders allang gebeurt, want dan werkt het weer!
Jan J. Pot, wetenschappelijk medewerker van de Stichting Grondvest
Informatie over de Werkplaats Basisinkomen
De Werkplaats Basisinkomen wil door voorlichting, bewustmaking en studie de invoering van een basisinkomen dichterbij brengen. De visie van de Werkplaats staat verwoord in de brochure Heilsleer of haarlemmerolie ? Waarom de werkplaats een basisinkomen wil, verkrijgbaar bij het secretariaat, Herman Heijermansweg 20, 1077 WL Amsterdam.
De Werkplaats ontplooit talloze activiteiten. Ze:
Lidorganisaties
Randvoorwaarden
De WBI is van mening dat de fmancieringsbronnen voor het basisinkomen zo gekozen moeten worden dat aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan:
Leden van de Raad van Advies
Uit de pers...
PvdA-ondernemers zien wel wat in een basisinkomen, Bron: Voorwaarts 15-02-90 en 15-03-90, Auteur: Mirjam Elias
In een serie interviews onder de titel "Links zijn & zaken doen" wordt "progressieve ondernemers" naar hun mening gevraagd.
Eckart Wintzen, president directeur van softwarehouse BSO stelt: "Iedereen, inclusief mijn eigen partij, pakt het (...) verkeerd aan. Alleen in de zogenaamd progressieve linkse hoek gaan stemmen op voor het basisloon wat mij bijzonder aanspreekt. In feite bestaat het al want er is toch een bron van inkomsten voor iedereen? Alleen hebben wij een hele rare maatschappij gecreëerd met 'dropouts' en de mensen met de hoofdletters die-het-voor-ons-verdienen. Geef je iedereen een basisloon dan snijdt het mes aan twee kanten de 'dropouts' kunnen zich nuttig weten en hun arbeid wordt betaalbaar."
Hoe staat Max Albrecht, lid van de Raad van Bestuur van Hoogovens en vice-voorzitter van het verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), tegenover het basisloon?
"Ik denk dat daar nogal wat uitvoeringsproblemen aan verbonden zijn al is de gedachte op zich wel rationeel. De neiging vervelende klussen te kunnen ontlopen lijkt mij met een gegarandeerd minimum betrekkelijk groot. Ik vrees dat het basisloon zich als een grote stimulans voor het zwarte circuit zal ontpoppen. Je hoeft slechts weinig bij te verdienen om toch een redelijk inkomen te vergaren.
Wij leven in een krankzinnig soort samenleving die tegen zo'n vierhonderdduizend man en vrouw zegt: 'op straffe van verlies van je inkomen zult gij niet werken.' Wanneer het basisloon daarvoor een oplossing zou zijn... ben ik ervoor. Maar het is nog nooit ergens uitgeprobeerd. Wie weet hoe de samenleving erop reageert?"
Tussen droom en daad, Bron: TROUW 16-03-90, Auteur: prof. dr. J. Theeuwes
In zijn column in Trouw betreurt de Leidse hoogleraar dat de zogenaamde vereenvoudiging van het sociale-zekerheidssysteem en het belastingstelsel niet tot een wezenlijke herziening heeft geleid. "Waarom konden we dat niet in een keer goed doen? Het had gekund, denk ik soms, met een eenvoudig systeem waarover al sinds de jaren zestig door talloze sociale wetenschappers wordt nagedacht en geschreven, namelijk het negatieve inkomstenbelastingstelsel. Zo genoemd omdat het een belastingsysteem is waarbij de belastingdienst niet alleen belasting ontvangt maar ook uitbetaalt.
Met dat stelsel zou de haast eindeloze variatie van sociale verzekeringen en voorzieningen kunnen worden afgeschaft. Valt men zonder inkomen door ziekte, werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of wat voor reden dan ook, dan wordt door de belastingdienst een basisinkomen uitgekeerd. Verdient men wel iets maar niet genoeg, dan wordt er op dat basisinkomen gekort, maar de korting is minder dan wat men heeft verdiend. Van werken en verdienen wordt men dus altijd beter. Boven een bepaald inkomensniveau valt de uitgekeerde 'negatieve' belasting weg en betaalt men 'positieve' belastingen. Het is een verbluffend eenvoudig systeem dat tot een grondige herziening van het sociale-zekerheidsstelsel had geleid (het had zelfs gecombineerd kunnen worden met de belastingvereenvoudiging) en toch gebeurt zoiets niet."