NIEUWSBRIEF
VAN DE

Een basisinkomen
betekent Zekerheid
zonder Gezeur!
5 april 2003
LEDENDAG
met
ALGEMENE LEDENVERGADERING
DISCUSSIE LEVENSLOOP EN BASISINKOMEN
LEZING PROF. E. De GIER over SOCIALE ZEKERHEID
-
4 februari: Fiscalisering van de Armoedeval
-
22 januari: Een onzeker bestaan
-
17 januari: Nieuwjaarslezing Vivant
-
Het Vivant model, een gecorrigeerde samenvatting
-
Gosling Putto: Ierland en het basisinkomen
-
Grietje Lof: Basisinkomen als eerste pijler
Uitgave van de Vereniging Basisinkomen. Artikelen mogen
worden overgenomen met vermelding van de herkomst.
Redactie: Gosling Putto en Saar Boerlage
Aan dit nummer werkten mee: Jan Boerlage, Saar Boerlage,
Grietje Lof, Gosling Putto. Met dank aan Paul Nollen van Vivant.
De nieuwsbrief van de Vereniging Basisinkomen verschijnt
driemaal per jaar. Abonnementen minimaal 10 euro per jaar (liefst meer) storten
op giro 1890919 o.v.v. naam en adres.
ISSN 09243038
Vereniging Basisinkomen
Elisabeth Wolffstraat 96b
1053 TX Amsterdam
Telefoon: 020-6852712
E-mail:
info@basisinkomen.nl
Website:
www.basisinkomen.nl
Dit keer zal ik het kort houden. Alhoewel... half februari... deadline... een stralende zon... de bloemetjes komen al bovengronds en de bomen zijn een kerstplaatje. Nou vooruit maar.
Allereerst het in het decembernummer beloofde artikel van
Gosling Putto over de Green Paper in Ierland.
Eveneens een samenvatting van het model van Vivant. Een
aantal van u hebben dat al tijdens de nieuwjaarsborrel gekregen, maar inmiddels
zijn er een aantal bedragen geactualiseerd en heeft Paul Nollen mijn
samenvatting, van een Duitse versie, gecorrigeerd.
Ook in deze nieuwsbrief de ingekorte verslagen van de
nieuwjaarslezing van 17 januari, de bijeenkomst op 22 januari over sociale
zekerheid en de studiedag op 4 februari over fiscalisering van de armoedeval.
De uitgebreide verslagen komen op onze website. Daar kunt u
ook onze discussiestelling van de maand vinden alsmede ingezonden stukken.
Neemt gerust eens een kijkje en stuur uw reactie op.
En... in deze nieuwsbrief onze special over levensloop. We
vergelijken hier de zekerheden van een basisinkomen met het huidige systeem en
de gangbare levensloopmodellen. Deze special is tevens bedoeld als
discussiestuk voor de ledenvergadering op 5 april en zal 's morgens besproken
worden. Aan de hand van deze discussie willen wij dit jaar een nota uitbrengen
over onze visie op levensloop.
Wij zijn dus zeer geïnteresseerd in uw reactie en hopen u
allemaal op 5 april te zien.
In hoeverre spelen CAO-onderhandelingen een rol bij de lage
beloning van vrouwen? Vrouwen verdienen nog altijd 5 à 7 procent minder dan
mannen. De FNV onderzoekt de verschillen (www.fnv.nl/vrouwen).
Platform Vrouwenpensioenen opgericht (020- 581
6399)!
Veel vrouwen krijgen geen pensioen omdat zij in sectoren
werkten zonder pensioenregeling of hebben te maken met pensioenbreuk. Is dit op
u van toepassing neem dan contact op met het platform.
Voor meer nieuws kijk op onze website.
Agenda
5 april 2003: Ledendag
Op 5 april a.s. wordt weer de jaarlijkse ledendag gehouden.
Het ochtendgedeelte bestaat uit de ledenvergadering en een discussie over
levensloop en basisinkomen. Het middaggedeelte is ook voor belangstellenden.
Het adres is: Nieuwe Gracht 27 a, Utrecht.
Het programma ziet er als volgt uit:
1. 10.30-11.30 uur. Algemene ledenvergadering
Voor de vergadering kunnen personen voorgedragen worden voor
benoeming in het bestuur. Het bestuur draagt Willem de Jonge en Michiel van
Hasselt voor tot benoeming.
De stukken kunt u van tevoren op kantoor opvragen.
1. Opening
2. Mededelingen en Ingekomen Stukken
3. Notulen 27 april 2002; 21
september 2002
4. Jaarverslag 2002
5. Financieel verslag 2000/2001
6. Werkplan 2003
7. Begroting 2003
8. Bestuurssamenstelling
9. Rondvraag
2. 11.30-12.30 uur. Discussie Levensloop en Basisinkomen
Levensloop is op dit moment een actueel thema waardoor ook
de interesse voor een basisinkomen weer toeneemt. Deze belangstelling is
wederzijds. Een basisinkomen zou n.l. ook heel goed de eerste pijler van, het
meest gangbare model op dit moment, het driepijlermodel kunnen vormen.
Wij willen deze eerste discussie voeren vanuit het
cliëntperspectief, nl. zekerheden. Datgene waar mensen behoefte aan hebben.
3. 12.30-13.30 uur. Lunch. (Er wordt niet voor een lunch
gezorgd)
4. 13.30-15.30 uur. Lezing Prof. E. De Gier over de huidige
problematiek rond de sociale zekerheid en zijn visie hierop.
Prof. Erik de Gier is sinds 2000 hoogleraar sociale
zekerheid en sociaal beleid aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is hij
directeur van het SISWO, het instituut voor maatschappijwetenschappen.
Enige van zijn publicaties zijn:
- “Voor alle zekerheid : sociaal beleid in
maatschappelijk-cultureel perspectief”
- “De uitvoering van sociale zekerheidswetten; waardering of
kritiek? Studie naar het oordeel over de uitvoering van ABW, RWW, WW,
Ziektewet, WAO, Invaliditeitspensioen en enkele andere sociale
verzekeringswetten door cliënten en arbeidsorganisaties”
- “Sociale zekerheid in Europa: trends en perspectieven”
- “Arbeidsverhoudingen en kwaliteit in ondernemingen”
- “Pensioenen in de 21e eeuw”
- “Welzijn en bestaanszekerheid: de leefsituatie van de lage
inkomensgroepen 1980-1985”
- “Tussen verantwoordelijkheid en solidariteit : over de
noodzakelijke herijking van het sociale en culturele beleid”
Ter gelegenheid van onze special dit keer een aantal boeken
en websites m.b.t. levensloop. Zo zijn er een aantal publicaties die van
Internet gedownload kunnen worden:
http://www.scp.nl/boeken/titels/2002-7/nl/acrobat/zekerheden.pdf
S.J.M. Hoff en J.C. Vrooman: “Zelfbepaalde zekerheden:
individuele keuzevrijheid in de sociale verzekeringen: draagvlak, benutting en
determinanten”
http://cwis.kub.nl/~fsw_2/home/symp2001/2204nage.doc
A.G. Nagelkerke en A.C.J.M. Wilthagen: “De dynamiek van
arbeid en sociale zekerheid: naar een integraal concept van de arbeidsmarkt”
http://docs.szw.nl/pdf/35/2002/35_2002_3_2868.pdf
F. Leijnse, K. Goudswaard, J. Plantenga en J.P. van den
Toren: “Anders denken over zekerheid. Levenslopen, risico en
verantwoordelijkheid”
Hier kunt u meer informatie vinden over sociale zekerheid,
arbeid, en de levensloopdiscussie.
Op 4 februari jl. organiseerde Sjakuus een studiedag over
fiscalisering van de armoedeval.
In het bijbehorende boekje 'Trap niet in de val! Een
kritische beschouwing over de armoedeval' wordt nog eens duidelijk op een
rijtje gezet wat armoedeval betekent.
Het boekje is uitgegeven door Aanpak 2000, het
anti-armoede-project, een samenwerkingsverband van een groot aantal
organisaties en gecoördineerd door Sjakuus. Adres: Plompetorengracht 19, 3512
CB Utrecht, telefoon: 030- 231 4819, e-mail: info@sjakuus.nl, www.sjakuus.nl.
Armoedeval is, ik citeer:"het probleem dat ontstaat als
mensen vanuit een uitkering betaald werk aanvaarden, er in bruto inkomen op
vooruitgaan, maar netto minder in handen krijgen, omdat ze niet langer in
aanmerking komen voor inkomensafhankelijke regelingen." Het is niet
identiek aan uitkerings- of werkloosheidsval omdat het een veel bredere
categorie betreft.
De dag bestond uit twee inleidingen in de ochtend en een
werkgroep naar keuze in de middag. De eerste inleiding werd gehouden door
Margreet Schuit, FNV.
De armoedeval is geen nieuw probleem, zo stelde zij, maar is
toegenomen door o.a. het kwijtscheldingsbeleid. Dit proces wil men nu
terugdraaien waarbij het dilemma is dat de inkomensafhankelijke regelingen
armoede bestrijden en de bestrijding van de armoedeval door vermindering van
deze regels de armoede, en dus de behoefte aan inkomensafhankelijke regelingen
weer doen toenemen. Het verschil met de uitkeringsval is dat elke verdiende
euro weer afgeroomd wordt door verlaging van de uitkering. Vaak zijn de
inkomsten te laag om uit de uitkeringssituatie te raken.
Oplossingen zijn volgens haar: verhoging van de
minimum-uitkeringen en lonen, een getrapt systeem en een negatieve
inko-mensbelasting. Oplossingen voor de uitkeringsval zijn: niet iedere euro
korten op de uitkering en een basisuitkering. De meest koninklijke oplossing
vond zij een basisinkomen. In tegenstelling met deze laatste is een
basisuitkering arbeidsgerelateerd, wat kritiek uit de zaal opleverde, en
bedraagt 50% van het sociale minimum. Zie de FNV nota 'Bewegen in Zekerheid'
uit mei 2001.
De arbeidskorting, een maatregel van de overheid om de
armoedeval te bestrijden, werd ook door de volgende inleider, Evert Jan
Slootweg van het CNV, bekritiseerd. Het bevoordeelt hogere inkomensgroepen
terwijl mensen met een aanvullende bijstandsuitkering de korting moeten
inleveren.
Voor het middaggedeelte konden we kiezen uit de werkgroepen
wonen, ziektekosten en kinderopvang. Ik koos zelf voor ziektekosten maar
volgens Henk van der Velden van het FNV zit hier nu geen armoedeval omdat de
premies niet inkomensgerelateerd zijn. De armoede neemt daardoor wel weer toe.
Voor meer informatie: www.fnv.fa.nl.
Het uitgebreide verslag kunt u vinden op onze website bij
verslagen.
Op 22 januari jl. organiseerde het SISWO samen met de Burcht
een debat over sociale zekerheid. Aanleiding was het onlangs verschenen boekje
“Een onzeker bestaan” (Lisa Putman, Machteld Ooijens en Eric de Gier: “Een
onzeker bestaan. De sociale zekerheid op het breukvlak van twee eeuwen”, SISWO,
2002). Het uitgebreide verslag inclusief bespreking van het boekje vindt u op
onze website.
De eerste spreker was Paul Schnabel (S.C.P.) en hij was ook
de enige spreker die inging op het boekje.
Hij begon met een historische schets van ons
sociale-verzekeringsstelsel en gaf aan dat gezondheidszorg, ziekenfonds en
huursubsidie ook bij de sociale voorzieningen horen evenals vakantie en
arbeidstijd. Bij sociale voorzieningen gaat het niet puur om inkomen. Tevens
suggereerde hij, tot grote hilariteit, de Wet op de Huwelijks Ongeschiktheid
als vervanging van de bijstand waarbij hij ook wees op de zware taak van
eenoudergezinnen.
Zijn kritiek op het boekje is dat het de relatie
bestaanszekerheid en bestaanskwaliteit niet meer benadrukt. Hij mist de
vergelijking tus-sen de vroegere en de huidige risico's. Omdat we nu meer
bezitten hebben we ook meer te verliezen. Een ander punt van kritiek is dat het
een te geïdealiseerd beeld schetst. Veel vrouwen zijn nog steeds huisvrouw. Hij
waarschuwt voor een te eenzijdig beeld en voor te weinig aandacht voor het
Europese perspectief. Bovendien komt de ingewikkeldheid van het sociale
zekerheidsstelsel voort uit weinig rationele overwegingen vanwege de behoefte
aan politieke consensus.
De tweede spreker was Eric de Gier (SISWO).
Hij gaf een vooruitblik naar de toekomst. Het
driepijlermodel is een overgangsstelsel van een moderne naar een postmoderne
samenleving. Van een maatschappij gebaseerd op verzekering,
massaproductie/consumptie, collectiviteit, compensatie inkomensderving, naar
een risico maatschappij met maatwerk, individu centraal en bijdragen aan
welzijn en geluk. Hij voorziet twee nieuwe sociale risico's namelijk
verscherping van de tweedeling Noord-Zuid en toename van informalisering.
De derde spreker was Gerard de Vries (SZW).
Hij ging in op het feit dat de overheid tweederde van haar
inkomsten besteedt aan herverdeling en dat er sprake is van een verzakelijking
waarbij individuen op hun prestatie afgerekend worden. Zijn kritiek op de
levensloopmodellen is dat het niet te betalen spaarregelingen zijn. Hij pleitte
voor bevordering van arbeidsparticipatie en om het bedrijfsleven meer te
belasten met de kosten van de WAO.
De vierde en laatste spreker was Reynoud Doesschot (Werk en
Inkomen).
Volgens hem hoeft de sociale zekerheid niet te veranderen
omdat er nu nieuwe risico's zouden zijn. Aanpassen van de sociale zekerheid is
een andere manier voor herverdeling, het verschuiven van de ene groep naar de
andere.
Bij het levensloopdebat heeft hij een aantal vragen, met
name naar de empirische onderbouwing en hij waarschuwt voor oplossingen zonder
analyse. Hij vergeleek het thema spitsuur met yuppen sociale zekerheid en wees
er op dat we nog steeds te maken hebben met oude risico's als armoede. Liever dit
eerst oplossen dan een sociaal zekerheidsstelsel voor tweeverdieners.
De discussie zelf vond ik tamelijk mat ook al zaten er
interessante punten bij. Er was echter te weinig tijd om dit verder uit te
diepen. Jammer.
Op 17 januari vertelden Peter en Michiel Bauwens iets over
Vivant.
Vivant werd in 1996 opgericht door Roland Duchatelet, die
vanuit zijn ervaring streefde naar de invoering van een basisinkomen. De weg
hiertoe was volgens hem een eigen politieke partij.
Voor een samenvatting van het programma van Vivant wil ik
naar het onderstaande artikel verwijzen. Een uitgebreid verslag zal op onze
website bij verslagen komen.
Kernpunten zijn dat we in een veranderende samenleving leven
en dat je mensen centraal moet stellen. Een basisinkomen is een recht omdat je
bestaat, waardoor arbeid eveneens een recht wordt. De belasting op arbeid wordt
vervangen door een consumptiebelasting (BTW), die verhoogd wordt. Producten
worden daardoor niet duurder maar arbeid wordt wel goedkoper.
Michiel gaf aan dat we in principe nu ook al voor een
basisinkomen betalen. Het basisinkomenssysteem zou dan alle andere uitkeringen
vervangen.
Een tweede pijler van Vivant is directe democratie. In
België kent men in tegenstelling tot Nederland een stemplicht maar desondanks
zijn mensen niet geïnteresseerd. Je brengt je stem uit en dat is het. Bij
directe democratie denken ze bijvoorbeeld aan het Zwitserse systeem van
referenda. Maar er is bij de regering een zekere angst voor het nieuwe en ook
om de binding te verliezen.
Daarna vertelden zij nog iets over hun huidige
verkiezingscampagne voor 22 mei a.s. (?). Zie ook hun website www.vivant.org.
Vivant is als organisatie niet vergelijkbaar met de
Nederlandse situatie en heeft bijvoorbeeld geen leden.
Er was nog een hele reeks vragen maar die kan ik hier niet
weergeven. Het was een heel boeiende voordracht die ook naar ons toe
stimulerend werkte. Blijkbaar is dat idee voor een basisinkomen zo gek nog
niet.
Artikelen
Het onderstaande model is een samenvatting van een
Duitstalige versie en gecorrigeerd door Paul Nollen van Vivant. Waarvoor onze
dank.
Programma 2003
Uitgangspunt is dat het de taak van de overheid is om de
noodzakelijke voorwaarden te verschaffen zodat ieder individu zich vrij kan
ontwikkelen. Op grond van dit uitgangspunt, en de "Verklaring van de
Rechten van de Mens", heeft Vivant een economisch en maatschappelijk
programma ontwikkeld waarvan de kernpunten zijn:
- levenslang onvoorwaardelijk en individueel basisinkomen
voor iedereen, ongeacht de andere inkomsten, voor iedereen die hier legaal
verblijft;
- afschaffing van de belasting op arbeid en de geleidelijke
afschaffing van belasting op diensten;
- invoering van een nieuw belastingsysteem op grond van consumptie;
- een vlakke inkomstenbelasting van 50 % op individuele
inkomsten hoger dan € 16200 / jaar (€
1350 / maand), basisinkomen inbegrepen.
- directe democratie.
Een maandelijks basisinkomen bedraagt naar leeftijdsgroep:
0-18 jaar: €
135
18-25 jaar: €
400
25-65 jaar: €
540
65 jaar en ouder: €
800
per maand, met het recht om onbeperkt bij te verdienen.
Een gezin met twee kinderen van 14 en 18 jaar heeft dan: €
540 + € 540 + € 135 + € 400 = € 1615 netto. Een eenoudergezin met twee
kinderen, jonger dan 18 jaar, heeft dan €
810 per maand netto. Een eenoudergezin met een kind van 18 jaar, heeft
dan € 940 per maand netto.
Een basisinkomen vervangt het "looncompenserend
deel" van alle andere sociale uitkeringen, behalve ziektewet en
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Onveranderd blijven ook de eventuele privé
verzekeringen die individuen afsluiten. Er wordt voorzien in een
overgangsregeling voor sommige uitkeringsgerechtigden die in het huidige
systeem meer zouden ontvangen.
Voordelen van een basisinkomen:
- menselijke waardigheid voor iedereen en het einde van
werkloosheid en afhankelijkheid van sociale verzekeringsinstellingen;
- vrijheid om wel of niet te arbeiden en geen
maatschappelijke uitsluiting meer op grond van arbeid of uitkering;
- een vrije markt voor arbeid doordat een kunstmatig
overaanbod vermeden wordt. De machtsverhoudingen tussen "werkgever"
en "werknemer", en dus ook de loononderhandeling, worden
evenwichtiger;
- de arbeidstijd kan vrijer ingevuld worden, een overgang
naar deeltijd of een baanwijziging is minder risicovol;
- vereenvoudiging van de administratieve afhandeling en
doorzichtigheid c.q. begrijpelijkheid van het bestuurlijk-administratieve
apparaat;
- een gegarandeerd inkomen werkt de economische stabiliteit
in de hand. Nu zal een economische terugval direct zijn weerslag hebben op het
consumptiepatroon, en dus ook op de werkgelegenheid van andere werknemers,
waardoor de terugval versterkt wordt. Met een basisinkomen zal deze tendens
verzwakken.
Waar komt het geld
vandaan?
1. Kostenbesparingen op een aantal organen zoals sociale
verzekeringen m.b.t. werkloosheid, bijstand, en arbeidsbelasting.
2. Invoering van een aangepaste sociale belasting op
consumptie.
3. Wegvallen van de huidige aanhoudende ondersteuning.
4. De belasting op financiële transacties (zgn. Tobin taks).
5. Positieve economische ontwikkelingen.
6. Belasting op grote industriële bedrijven, ten bedrage van
het basisinkomen van hun werknemers, teneinde geen exportsubsidies te verlenen.
De afschaffing van de belasting op arbeid en
vermindering van de belasting op inkomen.
De sociale verzekeringen worden afgeschaft. Voordelen
hiervan:
- creëren van arbeidsplaatsen omdat de werknemer minder gaat
kosten (Een werknemer "kost" dan in kleine en middelgrote bedrijven
het huidig nettoloon verminderd met het basisinkomen, dat door de overheid
betaald wordt);
- succesvolle bestrijding van de verplaatsing van
productieprocessen omdat het voor ondernemingen niet meer aantrekkelijk is om
de productie naar lagelonenlanden te verplaatsen;
- algehele verdwijning van zwart werken omdat het
belonings-verschillen tussen wit en zwart werken wegvalt. Hierdoor wordt ook
illegale immigratie en mensenhandel minder winstgevend;
- verbetering van de leefomgeving en de arbeidsomgeving.
Model 1
Huidige
situatie Model Vivant
netto inkomen €
1250 € 1290
met werkgeverslasten:
bruto inkomen €
1750 € 750
aanvullende lasten €
750 € 0
basisinkomen €
0 € 540
werkgevers totaal €
2500 € 750
Aanpassing van de BTW/consumptiebelasting
De belasting op arbeid wordt afgeschaft waardoor producten
zonder BTW goedkoper worden. Een evenwicht wordt bereikt door de BTW te
verhogen (invoeren bijkomende Sociale BTW) waarbij eenvoudig en doorzichtig een
soepele aanpassing kan gebeuren voor basisproducten en luxe producten bv, van
6% naar 50% en van 21% naar 100%. De BTW op luxegoederen stijgt met 200%.
Veel producten stijgen sterk in prijs, maar over het
algemeen blijven de prijzen aan verbruiker echter gelijk omdat de arbeidskosten
verminderen, met uitzondering van ingevoerde producten. De ingevoerde producten
betalen nu wel mee aan onze sociale zekerheid, dit in tegenstelling tot het
huidige systeem waar gedelocaliseerde bedrijven op onze markt kunnen verkopen
ver onder de prijzen van de bedrijven die hier bleven. In die zin worden
momenteel bedrijven die uitwijken extra beloond door onze bewindslieden.
Model 2
Huidige situatie Broodprijs
(800 gram) Model Vivant
€ 0,42 grondstoffen € 0,42
€ 0,12 algemene
kosten € 0,12
€ 0,60 arbeidskosten € 0,20
€ 0,10 belasting € 0,05
€ 0,17 winst € 0,20
€ 1,41 totaal
zonder BTW € 0,99
€ 0,08 6%
BTW 50% € 0,50
€ 1,49 broodprijs
(800 gram) € 1,49
Voordeel van een hogere BTW (bijkomende sociale btw):
1. Afschaffing van parallelle arbeidsmarkten. Zo valt bv het
zwart werken in de bouw weg omdat de materiaalkosten hoger zijn dan de
arbeidskosten en legale werknemers evenveel kosten dan illegale.
2. Milieuvriendelijkheid. Verlaging van de arbeidskosten
maakt hergebruik, reparatie en behoud aantrekkelijker. Dit betekent minder
afval en minder verkwisting. Ook in de landbouw is een inkomen verschaffen aan
de landbouwer ecologisch interessanter dan de subsidiëring van (over)productie.
3. Hogere overheidsinkomsten. Deze worden kostendekkend
m.b.t. een basisinkomen en vermindering van de loonkosten. Nu zijn er 40
miljoen betalenden voor 10 miljoen gebruikers. Met het model van Vivant betalen
10 miljoen mensen voor 10 miljoen gebruikers.
Een verhoogde BTW (sociale gebruikers belasting of
consumptiebelasting) geeft een aanzienlijke vermindering van importartikelen
uit lagelonenlanden met weinig of geen sociale verzekeringskosten.
Model 3
Belgisch product Huidige
situatie Importproduct
€ 30 loonkosten € 2,5
€ 105 grondstoffen € 12,5
€ 7,5 exploitatiekosten € 15
€ 5 40
% belasting 5% € 0,75
€ 7,5 winst € 12,5
€ 62,45 totaal
zonder BTW € 43,25
€ 12,50 21%
BTW € 9
€ 75 Belgische
verkoopprijs € 52,25
Importproducten hebben ondanks een lagere marktprijs toch
een hogere winst waardoor verdringing van de nationale producten.
Model 4
Belgisch product Model
Vivant Importproduct
€ 10 loonkosten € 2,5
€ 12,5 grondstoffen € 12,5
€ 7,5 exploitatiekosten € 15
€ 1,37 15%
belasting 5% € 0,5
€ 7,5 winst € 10
€ 38,87 totaal
zonder BTW € 40,50
€ 38,87 100%
BTW € 40,50
Belgische producten worden concurrerend in verband met de
afname van het winstpercentage bij lage-lonenlanden productie in landen met
lage loonkosten. Ook vindt er een stimulering van de nationale productie en de
werkgelegenheid plaats.
Opmerking:
Aan het idee van deze belasting ligt een historische en
economische logica ten gronden. Omdat de machine in het industriële tijdperk de
mens meer en meer vervangen heeft, blijft er voor de laatstgenoemde
uiteindelijk weinig arbeid over. Onze overheden evenwel, heffen nog steeds
belasting op arbeid in plaats van zoals het zou moeten, op de machine of
technologie. Het zou raadzaam zijn om de menselijke belasting op arbeid
verricht door personen op te heffen en bij gelijkblijvende prijzen de arbeid
van machines hoger te belasten. Op die manier kan de machine de mens meer
vrijheid geven in plaats van dat zij haar van haar arbeid en inkomen berooft.
Individuele Inkomensbelasting voor natuurlijke personen
Ieder inkomen tot € 1350 is belastingvrij. Ieder inkomen
daarboven valt onder een belastingtarief van 50%. De dubbelverdienersregeling
vervalt en de belasting wordt per individu berekend en geheven.
Voordelen:
- eenvoudig en logisch;
- afschaffing van belastingaangifte;
- afschaffing van het huidige complexe en duur
belastingsysteem.
Model 5
Bijvoorbeeld 1. 2. 3.
basisinkomen €
500 € 500 € 500
loon €
750 € 1000 € 1500
bruto inkomen €
1250 € 1500 € 2000
overschrijding €
0 € 250 € 750
belasting €
0 € 125 € 375
netto inkomen €
1250 € 1375 € 1625
Met het huidige systeem moet een werkgever € 5000 opbrengen
voor een nettoloon van € 2500.
Belasting m.b.t. ondernemingsinkomsten
Het belasting percentage op de inkomsten uit onderneming zal
15% bedragen. Voordelen:
- meer gerechtigheid;
- weinig belastingontduiking;
- minder verplaatsing van productie;
- vereenvoudiging.
Belasting op financiële transacties
Alle transacties m.b.t. beurzen en geld wisselkantoren (al
dan niet speculatief) met 0,1% belasten. Dit levert een totaal 2 miljard en 500
miljoen euro op. Voordelen:
-gaat de korte termijn speculatie tegen;
-draagt bij aan financiering van een basisinkomen.
Pensioenen
Universalisering van pensioenen, na een overgangsperiode.
Het minimumbedrag zal € 750 bedragen, en het maximumbedrag € 2500. Voordelen:
- een grotere rechtvaardigheid bij de verdeling van
pensioenen;
- individueel, onafhankelijk van partner en aanvulbaar met
arbeidsinkomen.
Opmerking: de verandering van het belastingsysteem is de enige
mogelijkheid om de betaling van pensioenen veilig te stellen omdat in de
toekomst de verhouding tussen degenen die betalen en degenen die niet betalen
verschuift door het vergrijzingsproces.
Welke verbeteringen kan Vivant concreet inbrengen?
Model 6
Huidige situatie Model
Vivant
een veelheid aan regelgeving, een algemeen model dat klaar versnippering, tijdelijk
karakter en duidelijk is
en stringente voorwaarden
partnertoets persoonsgebonden
en los van gezinssituatie
altijd gerelateerd aan een niet
arbeidsgerelateerd
arbeidsrelatie
streng verbod op zwart werken bijverdienen; zolang we of bijvoorbeeld burenhulp arbeiden is het een
deel van
het loon en als wij stoppen dan
behouden we het basisinkomen
registratieverplichting, in de rij enige voorwaarde:
staan, formulieren invullen en ingeschreven bij de
zich aan controles onderwerpen burgerlijke stand
als inwoner
een levenslang recht wat meer
evenwichtigheid verzekerd, minder levensangst, meer ondernemingszin, minder
armoede, minder strafbare feiten, meer menselijke waardigheid en meer vrijheid.
Het project is eenvoudig, logisch, makkelijk invoerbaar en
verzekert ons allen van een grotere rechtvaardigheid.
De financiële haalbaarheid van het Vivant programma wordt
o.a. bevestigd door een onafhankelijke universitaire studie (IRES).
Ierland en het basisinkomen
Op 5 oktober 2002 is het "bureau van de
Taoiseach", zoals de Ierse kranten schreven, bevallen van een
"government green paper" over het basisinkomen (bi).Taoiseach (spreek
uit: tie-sjoech) is "prime minister" in het Keltisch. Het onderhavige
"green paper" is een door de regering op grond van het regeerakkoord
uitgevaardigde discussienota. Nadat de discussies naar aanleiding van die nota
zijn afgerond, dient de Ierse regering in een "white paper" haar
standpunt over het bi bekend te maken. Een "white paper" kan het
parlement dienen als uitgangspunt voor een wetsontwerp.
Een en ander betekent, dat de politieke belangstelling voor
het bi in Ierland groter is dan in enig ander land. Dat het zo ver met het
basisinkomen kon komen in Ierland moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan
de CORI, de Conference of Religious of Ireland, die al in 1997 naar dit
"green paper" toewerkte en alle politieke partijen er toe overhaalde
om in hun partijprogramma een verklaring omtrent het bi op te nemen. De CORI
ziet in het bi het beste middel voor de bestrijding van armoede en acht het bi
bovendien een garantie voor een succesvol economisch beleid.
De discussienota heeft een omvang van tegen de 50 pagina's
en behandelt achtereenvolgens de ontstaansgeschiedenis van de nota zelf, het
wezen, de mogelijke vormen (o.a. het gedeeltelijk bi), het onderzoek aan en de
discussies rond het bi, de mogelijke gevolgen van de invoering van het CORI-model
van het bi en de uit de nota te trekken conclusies. Aan de nota ligt behalve
een flinke hoeveelheid literatuur ook een aantal speciaal ten behoeve van deze
nota zelf verrichte onderzoeken ten grondslag.
In het eerste hoofdstuk worden niet alleen alle verwachte
voordelen van het bi breed uitgemeten, maar natuurlijk ook de er tegenin
gebrachte nadelen. Als nadelige gevolgen of aspecten van het bi worden gezien:
- een vermindering van de stimulans om te werken of om meer
uren per dag te werken;
- de waarschijnlijkheid dat het aantal werkenden gelijk
blijft of terugloopt, onder vermindering van de gemiddelde productiviteit en
productie;
- de aanzienlijke extra druk op de loonhoogte en wellicht op
de inflatie en de concurrentiepositie van het land die het gevolg zou kunnen
zijn van de overgang naar het basisinkomen met zijn hoge niveau van marginale
inkomstenbelasting;
- de zeer hoge vlaktaks voor de financiering van het
basisinkomen, die ongunstig afsteekt bij het huidige progressieve
twee-tarievensysteem en kan leiden tot een vlucht naar de informele economie en
tot belastingontduiking en -ontwijking;
- het gebrek aan progressie in de belasting en de bijkomende
oneerlijkheid van een zelfde niveau van marginale belasting voor een
minimumloner en voor iemand die € 100.000 per jaar verdient. Anders dan beweerd
wordt zou het basisinkomen de belastingdruk juist minder eerlijk over de
bevolking verdelen;
- een tendens naar meer laaggeschoolde arbeid en minder
hoger geschoolde en beter betaalde arbeid;
- de verhoogde aantrekkelijkheid van Ierland voor
laaggeschoolde migranten, die afhankelijk kunnen worden van het bi en de
verminderde aantrekkelijkheid voor mensen aan de bovenkant van de
vaardigheden/inkomsten-verdeling;
- omdat het bi universeel is, is het een weinig gerichte
manier om armoede te bestrijden;
- het bi mist de flexibiliteit om aan verschillende
behoeften op verschillende manieren tegemoet te komen;
- de beweerde eenvoud van het bi wordt tenietgedaan door de
noodzaak om een "sociaal solidariteitsfonds" op te richten om
rekening te houden met de vele gevallen waarin het voorgestelde bi tot een
onacceptabele inkomensteruggang zou leiden. Hierdoor wordt een net zo
gecompliceerd systeem van sociale zekerheid gecreëerd als Ierland nu al heeft;
- de omvangrijke belastingverhoging voor de financiering van
het bi kan ten koste gaan van zaken die men eigenlijk niet wil terugdringen.
Naar de te maken keuzen dient nader onderzoek te worden verricht, ook naar de
wenselijkheid van juist een belastingverlaging;
- een eventueel geringer arbeidsaanbod kan maken dat de
belasting voor de financiering van het bi tot ongewenste hoogte zou moeten
stijgen;
- het ESRI (een rijksinstelling, het Economic and Social
Research Institute) heeft vastgesteld dat de meest waarschijnlijke uitkomst een
daling of gelijkblijven van het aantal werkenden is en dat de productiviteit en
productie geringer zullen worden dan in het huidige systeem.
De opgesomde voor- en nadelen gelden voor de door de CORI
voorgestelde versie van het bi.
De hoogte van dat bi is (in 1999) € 95 per persoon per week
(gelijk aan € 118,80 in 2002), en minder voor kinderen. Mensen die vrijwillig
sociaal relevant werk verrichten krijgen € 32 per week extra.
Het bi moet gefinancierd worden uit een flat-tax van 48% op
alle inkomens, die in de plaats komt van het huidige twee-schijventarief van
20% en 40% en de PRSI-heffing (Pay Related Social Insurance) van 6% . Uit die
48% moet tevens een "Social Solidarity Fund" betaald worden dat dient
om mensen die ingevolge speciale omstandigheden niet van het bi rond kunnen
komen of er door de introductie van het bi op achteruitgaan, bij te staan dan
wel schadeloos te stellen.
Inmiddels is gebleken, dat door de economische groei in
Ierland voor dit bi een flat-tax van minder dan 48% nodig is.
De stuurgroep die verantwoordelijk is voor de tekst van de
nota maakte gebruik van verschillende onderzoeken. Zij vond de volgende
gevolgen van de invoering van het CORI-model van het bi.
1. Belastingdruk en inkomens.
Aan de hand van economische modellen werden door
verschillende onderzoekers de gevolgen van het bi berekend voor de hoogte van
de te betalen belasting door de verschillende soorten huishoudens bij
jaarinkomens van € 6.000 tot € 60.000. De resultaten, een vergelijking van het
huidige systeem en het bi, werden in een zestal tabellen gepresenteerd. Die
laten behoorlijke verschillen zien met de huidige situatie. De armsten gaan er
duidelijk op vooruit; de gevolgen voor mensen met gemiddelde en hogere inkomens
zijn soms positief en soms negatief en blijken zonder verder gaand onderzoek
niet precies aangegeven te kunnen worden.
2. Armoede en gelijke behandeling.
Het bleek niet mogelijk om er voor te zorgen dat niemand van
het bi nadeel ondervond; als nadeel werd tevens gezien de situatie dat men bij
een bi een bepaald inkomensvoordeel kan behalen, maar bij het huidige systeem
nog meer voordeel.
Het bi werd bekeken met en zonder het Social Solidarity
Fund. Met de uitkeringen van dit fonds erbij gerekend was de conclusie dat van
de 40% huishoudens met de laagste inkomens er 70% op vooruit zouden gaan en 16%
achteruit. En de helft van de mensen onder de armoedegrens zou daar dankzij het
bi bovenuit komen. Ook hier weer bij de midden- en hogere inkomens een
wisselend beeld, maar vastgesteld kon worden, dat een derde deel van de
inkomens er duidelijk minder op wordt en een derde deel er duidelijk op
vooruitgaat; de rijken gaan er meestal wat op achteruit. In vier tabellen wordt
dit verder gespecificeerd.
3. De stimulans om betaald werk te verrichten.
a. Economen hanteren een factor die bepaalt of mensen al of
niet betaalde arbeid gaan zoeken of blijven verrichten, of langer of korter
gaan werken, namelijk de ‘replacement rate’ (RR). Dat is het in geld
uitgedrukte gezinsinkomen dat genoten kan worden zonder dat er betaald voor
gewerkt wordt, gedeeld door het gezinsinkomen dat men kan krijgen als er wel
betaald voor gewerkt wordt. Even tussendoor: Iemands RR kan oneindig groot zijn,
nl dat van de mede-erfgenaam van een familiebedrijf die van de familie een
ruime maandelijkse toelage ontvangt op voorwaarde dat hij zich niet met het
bedrijf zal bemoeien en elders geen werk kan vinden. Immers, als hij gaat
werken waar hij dat mag wordt zijn inkomen nihil (historisch!). Ook kan de RR
iets groter zijn dan 100%: van uitkeringsgerechtigden die er door wit te gaan
werken per saldo op achteruitgaan. In de normale gevallen liggen de replacement
rates tussen 0% en 100%: A bijvoorbeeld, die als zij ophoudt met werken 1000
per maand ontvangt, en bij doorwerken 2500 per maand, heeft een RR van 1000 :
2500 = 40%. Hoe lager de RR, hoe groter de pressie tot betaald werken. Maar pas
op: B werkt voor 1000 per maand en als hij stopt krijgt hij 500, dus zijn RR is
hoger dan die van A, nl 50%. Kun je van minder dan 600 onmogelijk leven, dan
kan A wel en B, ondanks zijn hoge RR, niet stoppen met werken; de RR is
duidelijk niet het enige gedragsbepalende element.
Momenteel heeft 1% van de werkenden in Ierland een RR van
meer dan 100%. Door introductie van het bi verdwijnt deze categorie. Veel
werkloze uitkeringsgerechtigden, vooral die met een lage opleiding, hebben er
een RR van 70% of meer. Hun aantal wordt door het bi sterk gereduceerd en hun
RR daalt fors (anders gezegd: hun armoedeval verdwijnt). Hieruit zou een sterke
geneigdheid tot het verrichten van betaald werk resulteren. Huismannen en
huisvrouwen daarentegen zien door het bi hun RR van 36% naar 50% stijgen. Dus
willen die niet zo graag meer betaald werken. De RR van redelijk opgeleide
alleenstaanden zal door het bi stijgen, maar die hebben altijd wel zin om
betaald te werken.
b. Niet alleen een hoge RR is een factor die het
arbeidsaanbod vermindert, maar ook een hoog marginaal belastingtarief, het
belastingpercentage, geheven van iedere Euro die men extra kan verdienen. Veel
Ieren (57%) betalen nu minder dan 30% inkomstenbelasting. Door introductie van
het bi moeten zij voortaan bijna 50% van hun loonsverhogingen aan de fiscus
afdragen. Dit zal veel Ieren zo moedeloos stemmen, dat zij niet meer willen
overwerken, niet meer naar promotie streven, en alleen nog maar met pensioen
willen. Conclusie van het green paper: door de gecombineerde effecten van
veranderingen in de replacement rates en verhoging van het marginale
belastingtarief zal introductie van het bi het verlangen naar betaald werk
waarschijnlijk doen dalen.
4. Migratie en informele economie.
Conclusie: in de migratie en de informele economie zullen
zich waarschijnlijk geen schokkende veranderingen voordoen. De controle op
zwart werken zal sterk worden opgevoerd.
5. Startende ondernemers.
Het bi werkt als stimulans, maar het hoge belastingtarief
kan moordend zijn voor startende ondernemers. Conclusie: 't kan vriezen, 't kan
dooien.
6. Arbeidsaanbod.
Introductie van het bi heeft meer invloed op het aanbod van
dan op de vraag naar arbeid. Huisvrouwen zullen zich sterker aan het aanrecht
hechten dan thans. Het algehele arbeidsaanbod zal dalen. Bi-fanaten zijn het
daar niet mee eens. Zij spreken over keuzevrijheid, flexibele arbeidstijden,
deeltijdarbeid, zorg voor het gezin, het de rug toekeren van vuil werk en het
volgen van opleidingen. Door de toegenomen keuzevrijheid en de meer dynamische
arbeidsmarkt zal het arbeidsaanbod volgens hen bij een bi stijgen, ook al
zullen zich minder mensen beschikbaar stellen voor conventionele full-time
arbeid.
7. Vraag naar arbeid.
De stuurgroep kwam tot de conclusie dat zowel het aanbod van
als de vraag naar laagbetaald werk door invoering van een bi zouden toenemen.
Doordat het minumumloon nu eenmaal bestaat kunnen er niet nog meer
laagbetaalden worden aangetrokken.
8. Opleidingsduur.
Van een bi kun je blijven studeren, maar nodig is dat niet,
want met een laagbetaald baantje kun je ook al een aardig inkomen krijgen. Wat
er zal gebeuren is onduidelijk, maar als meer mensen kiezen voor meer studie
kan dit resulteren in een hoger opgeleide beroepsbevolking en een verbeterde
nationale concurrentiepositie.
9. Gelijkheid van vrouwen en mannen.
In Ierland schijnt het te ontbreken aan financiële
onafhankelijkheid van vrouwen. Sociale uitkeringen kunnen in gelijke delen aan
beide huwelijkspartners worden uitbetaald, maar gebruikelijk is dat niet. Een
bi wordt aan het individu uitgekeerd, hetgeen meer vrouwelijke partners
zelfstandiger kan maken. Maar de eerdergenoemde stijging van de RR van vrouwen
vermindert hun belangstelling voor betaalde activiteiten, zodat het bi hun
eventuele onmondigheid in stand houdt.
10. Vrijwillige arbeid.
De Ierse regering heeft in 2000 een white paper doen
verschijnen over vrijwillige arbeid. Zij ziet vrijwilligerswerk als een
essentieel kenmerk van een zorgzame samenleving en van een volwassen
democratie. Dit vrijwilligerswerk moet de gevolgen van armoede voor de armen
verzachten en via allerlei activiteiten de gemeenschap en individuen
ondersteunen. De non-profitsector (waarvan ook de CORI deel uitmaakt) is een
belangrijke gesprekspartner van de regering. Bij de CORI-versie van het bi
hoort een verhoging van het bi met € 32 per week voor mensen die buiten de
betaalde sector "socially useful work" verrichten. De stuurgroep
denkt dat door dit bi het vrijwilligerswerk waarschijnlijk wel gestimuleerd zal
worden.
11. Nationale concurrentiepositie.
Over de vraag of door het bi het bruto nationaal product zal
stijgen of dalen lopen de meningen uiteen. Het ESRI denkt dat het erdoor zal
dalen (gevolg van de hoge marginale belastingdruk) en de CORI denkt dat het
erdoor zal stijgen (door de flexibiliteit van de arbeidsmarkt en toenemende
bedrijvigheid). Het ESRI denkt dat de lonen bij een bi zullen stijgen (kleiner
arbeidsaanbod) en de CORI dat ze zullen dalen (groter arbeidsaanbod). Beide
partijen geven toe dat ze hun standpunt niet echt kunnen bewijzen en de
stuurgroep weet het ook niet.
Na deze inschatting van de gevolgen van de invoering van de
CORI-versie van het bi volgt het laatste hoofdstuk van de nota, met daarin
enige samenvattingen en conclusies. De opstellers hopen dat bij de debatten
over de nota ook aandacht besteed zal worden aan de formulering van een
belasting- en sociale zekerheidsbeleid waardoor de goede kanten van het bi
worden versterkt en de nadelen worden tegengegaan.
De nota is duidelijk bedoeld voor binnenlands gebruik. Toch
zou het mooi zijn als er bij de stuurgroep ook van buiten Ierland op gereageerd
zou worden. Alle adressen en achtergrondstudies, evenals het Green Paper on
Basic Income zelf, zijn te vinden op het internet:
http://www.cori.ie/justice/index.htm.
Gosling Putto
SPECIAL: Levensloop en Basisinkomen
Het idee voor een special ontstond naar aanleiding van de
discussie op 21 november 2002 met het SISWO. Michiel van Hasselt introduceerde
op deze middag zijn cliëntperspectief m.b.t. de WAO en Kees Goudswaard
introduceerde hier een van de levensloopmodellen, namelijk het 3-pijlermodel.
Naar aanleiding van deze discussie wilde ik een overzicht maken van de diverse
ideeën m.b.t. levensloop: wat houden deze ideeën en discussies in, wat betekent
het voor een basisinkomen en ook m.b.t. de sociale zekerheid.
Het bestuur en ook de redactie stelde voor om te beginnen
met een discussiestuk dat we de leden op 5 april a.s. zouden kunnen voorleggen.
Naar aanleiding van deze discussie zouden wij een brochure of publicatie kunnen
ontwikkelen.
In overleg met Michiel van Hasselt besloten we om een eerste
stuk te produceren over de zekerheden (en ook de onzekerheden) als je het
huidige sociale-zekerheidsstelsel, het 3-pijlermodel en een basisinkomensmodel
met elkaar vergelijkt. Vanwege persoonlijke omstandigheden kon Michiel helaas
niet verder deelnemen aan dit discussiestuk.
Het voorliggende stuk is een eerste aanzet voor een
discussie over levensloop en basisinkomen. Gezien de ruimte en het tijdsbestek
heb ik mij hier beperkt tot het thema zekerheden en criteria die er aan een
basisinkomen gesteld kunnen worden. Er komt nog een volgend stuk over de
financiering en de haalbaarheid en m.b.t. de invoeringsmogelijkheden. Het een
en ander betekent niet dat de WAO discussie nu van de baan is. Integendeel.
De discussie over levensloop is al enige tijd aan de gang.
Levensloop staat voor de periode van geboorte tot de dood; het leven; het
bestaan.
Er zijn in de levensloopdiscussie twee hoofdlijnen te
onderscheiden die min of meer in elkaar overlopen. Bij de eerste staan de
risico's centraal. Bij de tweede de opvatting dat mensen steeds meer zelf hun
tijd en leven willen bepalen. Het levensloopbeleid van de overheid hanteert
deze laatste visie: "Het kabinet wil mannen en vrouwen meer keuzevrijheid
bieden in de loop van hun leven", aldus minister de Geus in het voorwoord
van Leijnse e.a. (Leijnse, Prof. Dr. Frans, Prof. Dr. Kees Goudswaard, Prof.
Dr. Janneke Plantenga en Prof. Dr. Jan Peter van den Toren: “Anders denken over
zekerheid. Levenslopen, risico en verantwoordelijkheid”, 2002,
http://docs.szw.nl/pdf/35/2002/35_2002_3_2868.pdf).
Risico's
Ulrich Beck is een van de eersten die voornamelijk de
risico's van het leven analyseerde (Beck,Ulrich: “Risk society. Towards a new modernity”, London: Sage, 2000). Het leven
is niet altijd rozengeur en maneschijn. Er kunnen ons allerlei (external)
risico's overkomen zoals b.v. werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, etc. Anthony
Giddens gaat verder en schijnt ook het krijgen van kinderen te zien als een
risico (manufactured risk). Verschillen van mening doen zich voor tussen
wetenschappers die net als Beck vinden dat we i.v.m. o.a. globalisering nu te
maken hebben met nieuwe risico's. Anderen stellen dat werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
geen nieuwe risico's zijn. (zie ook het verslag van 22-01-2003).
De risico discussie is aan de ene kant gerelateerd aan de
discussies m.b.t. sociale zekerheid. Hier gaat het dus om de externe risico's
die mensen overkomen. Aan de andere kant wordt zij beïnvloed door wat men het
spitsuur van het leven noemt. In een vrij korte periode van ca. 10 jaar moeten
jonge mensen relaties aangaan, kinderen verzorgen, carrière maken, een huis
kopen. Hier is de kern veeleer de opeenhoping van activiteiten die gecombineerd
moeten worden op grond van veelal 'manufactured risk', eigen keuzes. Duidelijk
is in ieder geval dat er perioden kunnen zijn van b.v. zorg (kinderen, ouders,
partners, etc.), van ziekte, van werkloosheid en wegvallen partnerinkomen. Kortom
dat er perioden zijn in een mensenleven waarin het onmogelijk is om d.m.v.
betaalde arbeid in het eigen inkomen te voorzien. De hele campagne 'werk, werk,
en nog eens werk' is te weinig doordacht als oplossing voor de sociale
verzekeringsproblematiek, en blijkt uiteindelijk gebaseerd op weinig
realiteitsgevoel. De levensloopdiscussie zou je dan ook als een reactie hierop
kunnen beschouwen.
Keuzevrijheid
Inmiddels worden er ook diverse voorstellen geformuleerd die
voornamelijk uitgaan van keuzes. Mensen zouden, volgens deze ideeën, steeds
meer zelf willen bepalen hoe zij in de verschillende perioden van het leven hun
bestaan invullen. Zoals een periode van studie (vaak vanwege gemiste kansen
maar ook om bij te blijven, een levenlang leren), voor zorg, of om 'even bij te
komen' (sabbatical year). Kortom mensen zouden in toenemende mate het recht
willen hebben om te kunnen kiezen voor een periode van onbetaalde activiteiten.
Activiteiten
Ik zeg activiteiten omdat het hier duidelijk niet gaat om
een jaar lang op bed te gaan liggen, bij wijze van spreken. Arbeid omvat nu
eenmaal betaalde en onbetaalde activiteiten. Iets wat heel lang genegeerd is in
de economie en waardoor de zorgtaken van vrouwen niet als arbeid werden gezien.
Huisvrouwen werkten niet! Zij wisten zelf echter wel beter. Vooral in de tijd
toen er nog geen wasmachines en stofzuigers bestonden.
Ook vrijwilligerswerk werd op die manier genegeerd. We
beginnen er nu achter te komen dat er heel veel 'instort' als er geen
vrijwilligers meer zijn. Leesouders, warme maaltijden voor mensen die niet zelf
kunnen koken, sport en culturele activiteiten, etc. En niet te vergeten
politieke activiteiten. In kleine gemeenten is de wethouder en zijn de
raadsleden vrijwilligers.
Driepijlermodel
Een heleboel van de voorstellen om tegemoet te komen aan de
'keuzes en/of risico's van het leven' bleken uiteindelijk, althans tot nog toe
weinig realistisch te zijn. Ik ga in deze discussie-bijlage dan ook niet in op
al de ideeën rond vouchers, rugzakjes en dergelijke. (Vouchers zijn een soort
strippenkaarten die je kan opsparen. Met name m.b.t. het onderwijs werden deze
ideeën ontwikkeld. Voor meer informatie zie b.v. D.F. Bradford: “The economics
of vouchers”, 1999, http://papers.nber.org/papers/W7092.pdf.)
Veel interessanter is op dit moment het voorstel van Leijnse
e.a. m.b.t. het driepijlermodel. Een model waarin de levensloopdiscussie haar
beslag lijkt te krijgen. Het driepijlermodel is eigenlijk een herstructurering
van de sociale zekerheid.
De eerste pijler betreft dan een stelsel van generieke en
verplichte regelingen voor alle burgers. Een soort basisdekking m.b.t. bepaalde
situaties c.q. risico's zowel op minimumniveau als inkomens gerelateerd en al
dan niet van beperkte duur. De tweede pijler is gericht op de sectorale
verplichte verzekeringen, die een mengvorm van sparen en verzekeren zouden
bevatten. Hiermee kan ruimte komen voor "verantwoordelijkheid voor het
eigen menselijk kapitaal" (Leijnse e.a. 2002. p.7. Deze zin is kenmerkend
volgens mij voor het gehele stuk: mooie ideeën maar een volkomen gebrek aan
empirische, argumentatieve en praktische onderbouwing. Iets wat we continu in
het debat over levensloop, sociale zekerheid, arbeid en ook basisinkomen
terugvinden. Veel beweringen over wat mensen willen of denken of zullen gaan
doen maar niet of amper gefundeerd a.d.h.v. gedegen wetenschappelijk
onderzoek).
De derde pijler wordt dan bestemd voor de aanvullende
individuele spaarvormen en verzekeringen.
En nu begrijpt u natuurlijk ook gelijk waarom het driepijlermodel
zo interessant is voor ons. De eerste pijler kan namelijk ingevuld worden door
een basisinkomen. Vandaar de titel van deze bijlage. Op die manier kan er een
basiszekerheid gegarandeerd worden: zekerheid zonder gezeur. En eigenlijk is
dat toch de kern van art. 25.1. van de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens:
"Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die
hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin,
waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en
de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval
van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom
of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van
omstandigheden onafhankelijk van zijn wil."
Uiteraard gaat het hier om een sociaal recht waar i.t.t. de
klassieke grondrechten geen aanspraak op gemaakt kan worden, en de toevoeging
ónafhankelijk van zijn wil' is ook discutabel. Vanwege het 'zijn' en vanwege
'wil'.
In deze discussie-bijlage wil ik het voorstel voor een
basisinkomen als eerste pijler in grote lijnen uitwerken rond het thema
'zekerheden'. Hoe financieel haalbaar voorstellen ook mogen zijn, je hebt er
weinig aan als zij mensen geen bestaanszekerheden kunnen bieden. Bovendien
heeft voor mij als politicoloog financiele haalbaarheid eerder te maken met
politieke keuzes, met machtsprocessen, waarbij we bestaanszekerheden opofferen
voor andere mogelijkheden. Het is misschien een rare uitspraak in dit tijdperk
van economisering maar misschien moeten we ons niet teveel laten domineren door
de tijdsgeest'. De discussie over financiering, belastingstelsels, fasering
e.d. komt trouwens in de volgende nieuwsbrief aan de orde.
Hier wil ik mij beperken tot de discussie over de zekerheden
(of onzekerheden) die een basisinkomen, tijdens de levensloop, kan garanderen
als zij eerste pijler is. Dit in vergelijking met het huidige stelsel en het
voorstel van Leijnse e.a.. En, welke eisen dit eveneens aan een basisinkomensmodel
stelt!
1. Een basisinkomen geldt ook voor kinderen.
Nu kennen we een tegemoetkoming in de kosten van kinderen
d.m.v. de kinderbijslag en de diverse fiscale kortingen. Dit is echter een woud
aan regelgeving geworden, die ik u hier zal besparen.
In het driepijlermodel kan de eerste pijler benut worden
voor maatschappelijk nuttige investeringen zoals de opvoeding en verzorging van
kinderen. Onduidelijk blijft hoe dit ingevuld wordt. Blijft de kinderbijslag
bestaan? De fiscale kortingen?
Het basisinkomensmodel van Vivant in België is hier veel
duidelijker. Kinderen krijgen een basisinkomen en alle overige regelingen
vervallen. Zij hanteert een leeftijdscategorie van 0-17 jaar. Op dit model heb
ik echter drie kritiekpunten:
A. Kinderen vanaf 12 jaar kosten meer dan
basisschoolkinderen, iets wat in het huidige systeem wel ondervangen wordt en
wat volgens mij ook in een basisinkomenssysteem opgenomen zou moeten worden.
B. Tienerhuishoudens. (Het begrip huishouden wordt in deze
tekst gebruikt voor zowel een individu die alleen woont, als meerdere
individuen die samen wonen. Het is niet gebruikelijk om huishouden zo te
definiëren. Een huishouden kan dus uit 1 of meerdere personen bestaan.)
Jongeren kunnen te maken krijgen met huiselijk geweld,
zwangerschap, of moeten om een opleiding te volgen 'op kamers'.Het betreft hier
een groep jongeren onder de 18 die een zelfstandig huishouden voeren. Deze
groep valt nu veelal, vanwege hun leeftijd en vaak ook in combinatie met een
opleiding, buiten de bijstand en ook buiten het studiefinancieringssysteem
(veelal omdat sommige gemeenten wel een maatregel treffen).
Het driepijlermodel zegt niets over leeftijd, noch over
dergelijke specifieke groepen. Daarvoor is het nog te onuitgewerkt. Maar ook
omdat zij voornamelijk gericht is op de combinatie arbeid en zorg en het
spitsuur. Het voordeel van een basisinkomen is, zoals Vivant het zo treffend
kan formuleren, dat het een inkomen is op grond van het bestaan en niet
arbeids- of vermogensgerelateerd. Alleen... deze groep kan niet bestaan van een
kinderbasisinkomen! Dit betekent dus dat een basisinkomensmodel rekening zal
moeten houden met deze groep jonge mensen. Maar ook dat er een controle moet
zijn of jongeren werkelijk een zelfstandig huishouden vormen!
C. Eenoudergezinnen komen met de Vivant berekening onder de
bijstandsnorm. Dit terwijl het bedrag zelf al ter discussie staat. In de jaren
'80 werden de lonen en uitkeringen ontkoppeld waardoor de minimale uitkeringen
achterbleven bij de loonontwikkelingen. Later werd deze koppeling weer hersteld
maar de achterstand werd niet ongedaan gemaakt. Weliswaar zijn er veelal op
lokaal niveau allerlei minimaregelingen ontstaan maar deze dekken toch niet
volledig de opgelopen achterstand af. Ook omdat niet iedereen gebruik maakt van
de regelingen. Volgens Sjakuus zou het om zo'n 20% achterstand gaan (zie
verslag 4 februari 2003 op onze website).
Met een basisinkomensmodel mag de armoede volgens mij niet
toenemen. Noch mogen we er bij voorbaat van uit gaan dat dit wel op te lossen
is met een aanvullend inkomen uit arbeid. Niet iedereen is hier toe in staat.
We zouden dan in dezelfde valkuil vallen als die van de campagne 'werk, werk,
en nog eens werk'. Met name vrouwen zouden dan het slachtoffer worden. Veel
oudere vrouwen hebben geen aanvullend pensioen en het zijn nog steeds vrouwen
die als eenoudergezin in de bijstand komen en de alleenzorg voor kinderen
hebben. De bijdrage van mannen is de laatste jaren wel iets verbeterd maar niet
zodanig dat het de taak van vrouwen wezenlijk verlicht. Bovendien heeft een
gedeelte van deze groep te maken gehad met geweld waardoor verdere contacten
vaak onveilig zijn. Het proces wat wel 'feminisation of poverty' wordt genoemd
zou dan toenemen. Iets wat haaks staat op het streven naar economische
zelfstandigheid van vrouwen.
2. Een basisinkomen maakt in principe keuzes mogelijk.
Scholing
Wie nu studeren wil moet dat doen als hij/zij jong is en
krijgt maar een beperkt aantal jaren studiefinanciering. De laatste houdt geen
rekening met zorgtaken, ziekte en/of handicap.
Het driepijlermodel heeft als kern: keuzevrijheid plus eigen
verantwoordelijkheid waarbij ook 'zorgverantwoordelijkheid voor anderen'. Het
gaat hier niet alleen om zekerheid bij risico's maar ook om "tijdelijke
inkomensderving in verband met nuttige zaken te overbruggen" (Leijnse
e.a., 2002 p.10). Nuttige zaken zijn dan bijvoorbeeld zorg, opleiding, etc. en
worden beschouwd als sociaal-economische investeringen in de levensloop. Het
gaat hier om 'persoonlijke keuzes die het algemeen belang dienen'. Het zijn
allemaal nogal 'wollige' uitspraken die rieken naar het afdekken van
ideologische verschillen. Toch is het een stap vooruit als zorg en opleiding
niet langer genegeerd worden als economische waarde. Ook al is deze niet in
kwantiteit uit te drukken; het geeft wel kwaliteit.
De eerste pijler kan "een basisdekking geven voor
zelfgekozen risico's voorzover deze een duidelijk maatschappelijk nut
hebben" (Leijnse e.a., 2002 p.21). Scholing is een maatschappelijk nut en
het ziet er naar uit dat het met het driepijlermodel mogelijk is om, ook op
oudere leeftijd, zonder volledig inkomensverlies een studie of opleiding te
volgen. Op dit punt verschillen een basisinkomensmodel en deze
levensloopbenadering niet van elkaar. Beiden hebben echter geen invloed op de
acceptatie van werkgevers (b.v.) m.b.t. studieverlof, noch op de door mensen
aangegane financiële verplichtingen. In principe hebben mensen zowel met het
driepijler- als het basisinkomensmodel keuzemogelijkheden voor o.a. scholing.
Onbetaalde activiteiten
Het huidige stelsel is volledig gebaseerd op betaalde
arbeid. WW en WAO krijg je alleen als je betaalde arbeid hebt gehad, soms is er
een referte-eis, en die is gebaseerd op het laatstverdiende inkomen. Wie vanuit
een bijstandspositie een ongeluk krijgt en arbeidsongeschikt raakt, blijft in
de bijstand. Wie onderweg naar de eerste werkdag hetzelfde ongeluk krijgt,
heeft recht op WAO. En de vrijwilliger krijgt weer helemaal niets al doet deze
al jaren dergelijke activiteiten. Onbetaalde activiteiten kunnen alleen
particulier verzekerd worden.
Het driepijlermodel beschouwt onbetaalde activiteiten, net
als scholing, als maatschappelijk nuttige investeringen en de basisdekking van
de eerste pijler geldt, zoals ik hierboven al aangaf, ook voor zorg en deels
andere onbetaalde activiteiten. Ook hier weinig verschil met een
basisinkomensmodel.
Het verschil is echter de benadering. Bij een
basisinkomensmodel gaat men uit van het feit dat het bestaan op zich recht
geeft op een bestaansinkomen en de keuzemogelijkheden zijn dan een effect van
dit recht. Het driepijlermodel hanteert als basisgedachte dat mensen in hun
bestaan dienen te voorzien d.m.v. betaalde arbeid en dat keuzes een toevoeging,
een sociaal-economische investering hierop zijn. Aan beide modellen kleeft een
bezwaar. In het eerste geval kan men in de verleiding komen om de effecten te
negeren, omdat zij buiten de grondprincipes vallen. In het tweede geval hebben
we te maken met een economisering van het mens- en maatschappijbeeld. Mensen
zijn echter meer als economische goederen en de maatschappij is meer als
economie. Keuze kan bij beide modellen op een verschillende manier
ondergewaardeerd raken.
3. Relaties en (betaalde) arbeid houden risico's in. Een
basisinkomen garandeert basiszekerheid.
Wegvallen partnerinkomen
Relaties houden het risico in dat deze verbroken kunnen
worden. Of door overlijden, of door scheiding. In veel huishoudens is de vrouw,
vaak indien er kinderen zijn, nog steeds economisch afhankelijk van het inkomen
van haar partner. Met als gevolg dat bij diens overlijden zij een ANW kan
aanvragen en bij scheiding aangewezen is op de bijstand. Deze regelingen zijn
echter maar tijdelijk en gerelateerd aan de leeftijd van de kinderen. Bovendien
kent de bijstand een arbeidsplicht als het jongste kind ouder dan 5 jaar is
waarbij geen rekening wordt gehouden met de zorg- en huishoudelijke taken. Noch
met het feit dat een eenouderhuishouden een zwaardere belasting vormt.
Ook in het driepijlermodel wordt gesproken over wegvallen
van partnerinkomen maar de discussie spitst zich toe op zorgarbeid en de
tijdelijkheid hiervan. Er is geen sprake van verschil in huishoudensvorm en de
zwaarte hiervan. Ook een basisinkomen maakt hier geen onderscheid omdat het om
een individuele uitkering gaat. Ongeacht wegvallen partnerinkomen, de
overblijvende partner houdt haar/zijn eigen basisinkomen, en eventueel het
kinderbasisinkomen. Het voordeel is echter dat er geen druk is naar de betaalde
arbeidsmarkt toe en dat eenouderhuishoudens hierdoor meer ruimte krijgen.
Wegvallen inkomen uit betaalde arbeid, vermogen en/of bedrijf
- Werkloosheid
Een van de risico's is werkloosheid: betaalde arbeid
verliezen en/of geen betaalde arbeidsplaats kunnen verkrijgen. Op dit moment
kennen we een voor vrouwen, nieuwkomers en reïntegranten discriminerend systeem
waarbij deze groep of bijstand, of een kortdurende (6 maanden) WW uitkering
krijgt (in het geval van bijstand geldt een partner- en vermogenstoets). Dit
heeft te maken met het feit dat zij geen continu (betaald) arbeidsverleden
hebben over een langere periode. De referte-eis is op dit moment dacht ik 5
jaar. De groep die hieraan wel voldoet krijgt over een beduidend langere
periode een WW uitkering voordat zij uiteindelijk ook in de bijstand terecht
komen. Dit zou allemaal geen probleem zijn als er voor iedereen een plekje op
de arbeidsmarkt was. Iets wat helaas niet het geval is. Het aantal
werkzoekenden is nog steeds het x-voudige van het aantal vacatures, afhankelijk
van de verschillen in meetmethoden m.b.t. werkloosheid. Werkloosheid kan,
helaas, maar al te vaak ook uitzichtloosheid betekenen.
Uiteraard, werkloosheid betekent altijd
inkomensvermindering. Dit hangt ook af van hoe men (particulier) verzekerd is.
Een apart probleem zijn de deeltijders. De WW bedraagt 70% van het laatst
verdiende loon en veel deeltijders kunnen hierdoor onder de bijstandsnorm
raken. Dat betekent dat ze twee uitkeringen moeten aanvragen en met twee
verschillende toetsings- en regelsystemen te maken krijgen.
- Vermogensverlies
Mensen kunnen om allerlei redenen hun vermogen en dus ook
het inkomen hieruit verliezen. Aandelen kunnen waardeloos worden; oplichters
willen ook graag mensen van hun geld afhelpen. Als dit nu gebeurt is men voor
een inkomen aangewezen op de bijstand en wordt er getoetst of het verlies
verwijtbaar is.
- Wegvallen inkomen uit onderneming of freelance
activiteiten
Voor slechte perioden hoort men gereserveerd te hebben. Of
verzekerd te zijn. Slechte perioden kunnen echter wel degelijk een 'external
risk' zijn. Oorlogsdreiging is geen activiteit van de kleine ondernemer maar
deze heeft er wel schade van. Mensen gaan minder consumeren, etc.. Normaal
reserveert een onderneming tegen de gebruikelijke 'dips' en levert dit geen
probleem op. Juist die onge-bruikelijke perioden zijn problematisch.
Freelancers kunnen soms terugvallen op de bijstand maar ondernemers niet i.v.m.
de vermogenstoets.
Ziekte en arbeidsongeschiktheid
Ziek worden, arbeidsongeschikt, een handicap, een ongeluk.
Het kan ons allemaal overkomen. Of zoals de fietsendief zei: zo heb je niets en
zo een leuke fiets! We kennen nu de ziektewet waarbij alleen deeltijders in de
problemen kunnen raken als hun werkgever zich niet tot 100% bij verzekerd
heeft. Daarna komt de WAO en in veel gevallen de bijstand.
Nu is het probleem met de WAO dat deze vastgesteld wordt,
niet in de eerste plaats op grond van de mate van arbeidsongeschiktheid, of het
werkelijke arbeidsmarktperspectief, maar op grond van de theoretische
verdiencapaciteit. Dit levert een voedingsbron van ongelijkheid en gemor op:
kijk die werkt met een uitkering! Wie een hoog loon heeft en arbeidsongeschikt
raakt voor de eigen functie maar nog wel in aanmerking komt voor functies met
een lagere beloning, krijgt vrij snel een hoog percentage WAO. Iemand kan dus
werken met een WAO uitkering. De ongelijkheid zit natuurlijk bij de groep die
een lage beloning ontving en eigenlijk alleen WAO krijgt als zij volledig
afgekeurd word. D.w.z. wel volledig arbeidsongeschikt. De WAO bedraagt 70% van
het laatst verdiende loon, en na enige jaren 50%. Mits de werkgever niet
verzekerd is voor het WAO-gat. En de polisvoorwaarden niet zodanig zijn dat
mensen bij voorbaat hier niet voor in aanmerking komen! De bijstand is voor
veel mensen op een minimumniveau dan ook heel dichtbij.
Ouderen
Op dit moment wordt er weer gediscussieerd over
flexibilisering van de pensioengerechtigde leeftijd, over verplicht doorwerken,
etc.. Veel mensen van boven de veertig ervaren dat de arbeidsmarkt niet op hen
zit te wachten. Sommigen hebben moeite met de werkdruk. De een haalt de 65 niet
en de ander zou nog wel een paar jaartjes willen. Helaas kennen we nu een vrij
star systeem waarbij de AOW pas vanaf 65 jaar en ouder in gaat.
Driepijlermodel
Wat zegt nu het driepijlermodel over deze 'external risks'?
"De eerste pijler wordt gevormd door een publieke verzekering op nationale
schaal: volksverzekeringen en werknemersverzekering-en" (Leijnse e.a.,
2002 p.21). Dit betekent dat in ieder geval de basisuitkeringen onder de eerste
pijler vallen en de bovenwettelijke gedeelten in de tweede pijler zitten. Hier
gaat het dan om een mengvorm van sparen en verzekeren. Probleem is ook hier
weer de vaagheid waardoor er geen zicht op is hoe het een en ander nu precies
ingevuld wordt en om welke bedragen het gaat.
Basisinkomensmodel
Een basisinkomensmodel is veel duidelijker. Juist vanwege
haar eenvoud. Ongeacht wat er gebeurt ieder individu heeft haar/zijn
basisinkomen. Dit betekent dat deeltijders niet langer afhankelijk hoeven te
zijn van een aanvullende bijstand waardoor deeltijdwerk op zich aantrekkelijker
wordt. De risico-gevolgen worden immers verminderd. Dit geldt ook voor mensen
met een lage beloning, vrouwen, nieuwkomers op de arbeidsmarkt en
reïntegranten. Hun situatie verbetert in kwalitatief opzicht omdat zij niet
langer een arbeidsplicht, vermogens- en/of partnertoets hoeven te vrezen. De
druk om te reïntegreren valt weg bij mensen bij wie helemaal niets meer te
reïntegreren valt.
Een basisinkomensmodel betekent ook flexibilisering van het
moment waarop mensen al dan niet gedwongen stoppen met werken. Wie door kan
gaan na het 65ste jaar, kan dat, en wie bij 50 al merkt dat het niet meer gaat
kan stoppen.
Conclusie
De huidige regelgeving is complex en verwarrend. Mede door
de bezuinigingen is het eigenlijk een onwerkbaar monstrum geworden. Desondanks
zitten er goede elementen in, ontstaan op basis van ervaringen. Deze moeten we
niet weggooien maar meenemen in een gemoderniseerd systeem.
Het driepijlermodel is moderner en speelt in op de behoeften
van vrouwen (en ook mannen) om zorg te waarderen. Zij mist echter duidelijkheid
en de ervaringen uit het sociaal zekerheidsstelsel m.b.t. De specifieke
gevallen. Dit houdt het risico in dat er weer allerlei noodgrepen ontwikkeld
moeten worden en de bureaucratie toeneemt.
Desondanks is het principe op zich interessant, omdat de eerste pijler en een basisinkomensmodel vrij gemakkelijk gecombineerd kunnen worden. Een basisinkomensmodel garandeert niet de bovenwettelijke uitkeringen omdat deze buiten haar bestek vallen. Een combinatie van de twee lost dit probleem op. Daarbij moeten we echter niet de
ervaringen uit het huidige stelsel overboord gooien, zoals
zo vaak gebeurt bij vernieuwingen.
Uiteraard hangt het ook allemaal af van hoe we beide
modellen gaan invullen en uitwerken. Maar daarom is dit ook een discussiestuk,
een aanzet voor een discussie.
Grietje Lof
TPG Post
Port Betaald

Uitgave van: Vereniging
Basisinkomen
Igor Stravinskisingel 50
3069 MA Rotterdam
Telefoon: 010-4559538
Secretariaat: 070-3859268
E-mail: info@basisinkomen.nl
Website: www.basisinkomen.nl