NIEUWSBRIEF
VAN DE

Een basisinkomen
betekent Zekerheid
zonder Gezeur!
23 APRIL
2005
JAARVERGADERING
Middaggedeelte:
SOCIALE GEVOLGEN VAN DE
INVOERING
VAN EEN “VLAKTAX”
LEZING
DOOR STEF BLOK
Uitgave van
de Vereniging Basisinkomen.
Artikelen
mogen worden overgenomen met vermelding van de herkomst.
Redactie:
Saar Boerlage en Gosling Putto
Aan dit nummer werkten mee: Piet
Leenders, Ivo Kuijpers, Guido den Broeder en Gosling Putto
De
nieuwsbrief van de Vereniging Basisinkomen verschijnt driemaal per jaar.
Abonnementen minimaal 10 euro per jaar (liefst meer) storten op giro 1890919
o.v.v. naam en adres.
ISSN 09243038
Vereniging
Basisinkomen
Igor Stravinskisingel 50
3069 MA
Rotterdam
Telefoon:
010-4559538
Secretariaat: 070-3859268
E-mail:
info@basisinkomen.nl
Website:
www.basisinkomen.nl
Beste
leden,
Hiermee
nodigt het bestuur u uit om de eerstvolgende algemene ledenvergadering van onze
vereniging bij te wonen. Deze wordt gehouden op
ZATERDAG 23 APRIL 2005 om 11.00 UUR
in het
gebouw van het Landelijk steunpunt Vrouwen en de Bijstand aan de Nieuwegracht
27 A, 3512 LC Utrecht.
(De
Nieuwegracht is vanaf het Centraal Station Utrecht in tien minuten lopend te
bereiken, of per bus: lijn 2, uitstappen bij de halte Hamburgerstraat, dat is
de halte na die bij de Dom.)
Vóór de
vergadering kunnen personen worden voorgedragen voor benoeming in het bestuur.
De voordracht geschiedt schriftelijk en is mede voorzien van de handtekening van ten minste drie
stemgerechtigde leden. Aftredende bestuursleden zijn: Saar Boerlage, die zich
niet herkiesbaar stelt, en volgens het rooster Guido den Broeder en Gosling
Putto, die zich wel beschikbaar stellen voor herverkiezing.
De
vergaderstukken zijn, behoudens de financiën, in deze Nieuwsbrief afgedrukt,
maar kunnen ook bij aanvang van de vergadering in ontvangst worden genomen.
Voorlopige
agenda:
Ochtendgedeelte,
11.00 -12.30 uur
1. Opening
2. Mededelingen
3. Vaststelling agenda
4. Notulen algemene ledenvergadering van 3
april 2004
5. Jaarverslag 2004
6. Financieel verslag
a.
Verslag kascontrolecommissie
b.
Financieel jaarverslag 2004
c.
Benoeming kascontrolecommissie 2005
7. Werkplan
a.
Voortgang werkplan
b.
Vaststelling begroting 2005
8. Bestuurssamenstelling 2005
9. Rondvraag
10.
Sluiting
Middaggedeelte, 13.30 - 15.45 uur
Inleiding
over de invoering van een “vlaktaks” door Stef Blok, lid van de Tweede Kamer
voor de VVD, gevolgd door discussie.
Overwegingen
tijdens een Krokusborrel
Op vrijdag 18 februari jl. vond de
Krokusborrel van de Vereniging Basisinkomen plaats in de benedenzaal van het
gebouw van het LSVEB in het centum van Utrecht. Voorafgaand aan het gebruik van
al of niet alcoholhoudende drank en al of niet kaashoudende hapjes werd een
discusssie gehouden over de hervormingen van de sociale zekerheid in Nederland die
aan de orde kwamen in het zogeheten Baliemanifest. Dit manifest zal, voorzien
van commentaren, in boekvorm verschijnen rond april 2005. Wat er in zal staan
is omschreven in het artikel van de auteurs ervan, Piet Leenders en Ivo
Kuijpers, elders in deze Nieuwsbrief.
Ivo Kuijpers, daartoe uitgenodigd
door Michiel van Hasselt, voorzitter van de Werkgroep Onderzoek van de
Vereniging Basisinkomen, was op de borrel aanwezig om het manifest nog eens toe
te lichten en om op opmerkingen van de aanwezigen in te gaan. Dit alles vond
plaats onder leiding van, alweer, Michiel van Hasselt.
Na een korte uiteenzetting over het
manifest, dat zo’n beetje bekend werd verondersteld, kregen de aanwezigen
ruimte voor commentaar.
Om te beginnen bleek de rigoureuze
en consequente wijze, waarop de mogelijkheid van een basisinkomen in het
manifest werd doodgezwegen, voor velen een reden van verwondering te zijn.
Volgens Ivo Kuijpers koesterden hij
en Piet Leenders wel degelijk sympathie voor het basisinkomen, maar zij hadden
het niet verstandig gevonden om, door dit ook te behandelen, een overmatige
hervormingsgezindheid te demonstreren jegens het merendeel van de bij de
sociale zekerheid betrokkenen. Het manifest was ook niet bedoeld om kant en
klare oplossingen te bieden, maar meer om bezorgdheid over de sociale zekerheid
gestalte te geven en de discussie hieromtrent weer wat leven in te blazen. Een
aanleiding voor het schrijven van het manifest was bijvoorbeeld dat de WAO in
de loop van de tijd een andere functie is gaan vervullen dan in het begin.
Tegenwoordig zitten mensen in de WAO die psychisch ziek zijn als gevolg van
gewijzigde maatschappelijke omstandigheden, met name de hoge en specifieke werkdruk of de ontslagdreiging
die de moderne “dienstenindustrie” met zich mee kan brengen door steeds
veranderende eisen aan werknemers. Daar moet een ander systeem voor komen.
Een andere aanleiding voor het
manifest was, dat het idee, dat uitgaven voor sociale zekerheid alleen maar een
verliespost vormen voor de samenleving, bestreden behoorde te worden; die
uitgaven moeten meer als investering gezien worden en alle burgers in staat
stellen om in de samenleving te participeren. Niet alleen door te solliciteren,
maar ook door andere nuttige bezigheden, zoals vrijwilligerswerk, studeren of
zelfs een jaartje vakantie nemen. De onbetaalde nuttige activiteiten zouden
voortaan mede bekostigd moeten worden uit een spaarsysteem.
De vraag hoe bepaald moest worden
wie wanneer aanspraak kon maken op geld uit het spaarfonds en voor welke activiteiten
dat geld gebruikt mocht worden kon nog niet worden beantwoord. Wel moest de
bijdrage aan het spaarfonds verplicht zijn, zodat het gebruikt kon worden voor
goede initiatieven.
Opgemerkt werd dat het manifest op
geen enkel punt duidelijk afwijkt van het bestaande. Daar waar sprake is van
keuzevrijheid van mensen zonder voldoende inkomen wordt deze nog altijd in hoge
mate afhankelijk gesteld van de gebruikelijke voorwaarden en beperkingen. Het
vervangen van het woord ”uitkering” door het woord “investering” verandert
hieraan niets. De stigmatisering van niet-werkenden blijft gehandhaafd.
Volgens Ivo Kuijpers is het niet
mogelijk zijn om alle invloed op uitkeringsgerechtigden achterwege te laten.
Overheid, werkgevers en vakbonden willen nu eenmaal kunnen meesturen. De
koppeling tussen arbeid en inkomen kan nu eemaal niet helemaal losgelaten
worden.
Gevraagd, welk probleem nu door de
voorstellen in het manifest werd opgelost, zette de spreker uiteen dat
uitkeringstrekkers niet gezien mogen worden als “de vijand”, maar juist als
vrienden behandeld moeten worden. Daarom moet in hen geïnvesteerd worden.
Opgemerkt werd nog, dat het manifest
er kennenlijk niet van uitgaat dat mensen leven om te leven, maar alleen maar
dat zij leven om de rol van productiefactor te kunnen spelen. Zo biedt het
bijvoorbeeld geen enkel uitzicht op de
hier en daar hoognodige onthaasting van de samenleving.
Nadat het manifest aldus op minzame
wijze te licht was bevonden bedankte iedereen iedereen voor zijn of haar
bijdrage aan de discussie en werd deze gesloten verklaard. En op harmonieuze
wijze tijdens de borrel voortgezet.
Gosling Putto
Sociale
zekerheid als investering
Naar een hervormingsagenda voor de sociale zekerheid
‘Hoe stellen we mensen in staat
volwaardig te participeren en hoe helpen we ze als ze dat niet zelfstandig
kunnen? Tref je voor iedereen dezelfde voorzieningen onder dezelfde
omstandigheden? Of verleg je de optiek naar regelingen die het individu steunen
en in staat stellen zich te redden, ook als zich problemen voordoen?’
‘De hervormingsagenda op het terrein
van Sociale Zaken is compleet,’ liet minister van Sociale Zaken Aart-Jan De
Geus aan de vooravond van Prinsjesdag weten. ‘We staan pas aan het begin,’
antwoordde collega Laurens-Jan Brinkhorst van Economische Zaken daags na de
Derde Dinsdag. Het is het beeld dat we nu al een kleine twintig jaar kennen. Na
stevige ingrepen in de sociale zekerheid bezweren achtereenvolgende ministers
van Sociale Zaken dat er vanaf nu rust zal zijn aan het front van de sociale
zekerheid. Waarna deze of gene collega weer roet in het eten gooit. En net als
zijn voorgangers heeft de minister van Sociale Zaken te vroeg gejuicht. In de
bonte verzameling maatregelen die het kabinet heeft aangekondigd valt geen
consistente visie op een nieuw stelsel van sociale zekerheid te ontdekken. Het
enige gemeenschappelijke kenmerk van de verschillende ingrepen is, dat het
allemaal minder wordt. Maar vernieuwing is iets anders dan verschraling.
Daarmee is niet gezegd dat er in de
achterliggende jaren niets aan vernieuwing is gebeurd.
Begin jaren negentig ontstond het
inzicht dat sociale zekerheid niet alleen bescherming moet bieden, maar mensen
ook moet helpen de weg naar de arbeidsmarkt weer te vinden. De parlementaire
enquête van de commissie Buurmeijer maakte duidelijk dat een onheldere
verantwoordelijkheidsverdeling leidt tot het afwentelen van risico’s en daarmee
tot onbeheersbaarheid van het stelsel. Vernieuwende gedachten, maar ze leidden
niet tot een nieuw concept van sociale zekerheid. In plaats daarvan vond de
uitwerking plaats binnen de kaders van het bestaande stelsel. Met als gevolg
dat vernieuwing in de praktijk is uitgelopen op vermindering van sociale
bescherming en activering op betutteling. Een heldere verdeling van verantwoordelijkheden
tussen overheid en burgers is nog steeds ver te zoeken. De verantwoordelijkheid
voor mensen die ‘volledig en duurzaam’ arbeidsongeschikt zijn is een
overheidszaak, terwijl gedeeltelijk arbeidsongeschikten over worden gelaten aan
sociale partners en verzekeraars. Tegelijk ontzegt de overheid diezelfde
sociale partners de ruimte aanvullende voorzieningen te treffen in de WW. Ten
aanzien van de zogeheten ‘nieuwe risico’s’ staat de individuele
verantwoordelijkheid weer voorop en gaat de overheid alle verantwoordelijkheid
uit de weg.
Al met al heeft de mix van hogere
drempels, scherpere controles en lagere uitkeringen ondoorzichtigheid gebracht
in plaats van helderheid, nieuwe complicaties in plaats van eenvoud en
afhankelijkheid vergroot in plaats van het eigen initiatief versterkt. Van een
samenhangend toekomstbeeld is geen sprake. De vernieuwing is een verbale
gebleven. De schadelijke gevolgen zijn merkbaar in het ongekende cynisme
waarmee een van de kroonjuwelen van de traditionele verzorgingsstaat inmiddels
wordt beschouwd: het sociale-zekerheidsstelsel is zo langzamerhand van niemand
meer.
Toen vorig jaar duidelijk werd dat
het regeerakkoord van het tweede kabinet Balkenende wel een nieuwe reeks
ingrepen in de sociale zekerheid bevatte, maar geen agenda voor de toekomst,
was dat voor een aantal direct betrokkenen uit kringen van vakbeweging,
werkgevers, lokaal bestuur en verzekeraars* aanleiding om op uitnodiging van De
Balie een aantal keren met elkaar van gedachten te wisselen over een mogelijk
nieuw perspectief. Hoewel de accenten en invalshoeken verschilden, ontstond in
de loop van bijna een jaar gaandeweg een gemeenschappelijke visie op de aard
van de sociale risico’s van deze tijd en het karakter en de grondtrekken van
een vernieuwd stelsel van sociale zekerheid.
Van kostenpost naar
investeringsproject: een nieuwe optiek
‘Ik vraag me altijd af: in wat voor
wereld komt de kleine van pakweg Wouter Bos? Dan zeg ik: we stellen je alles
ter beschikking om je talenten tot ontwikkeling te brengen, ongeacht wat je
ouders verdienen. In de fase daarna verwachten we dat je je ontwikkelde
talenten omzet in werk, in een bijdrage aan de samenleving. Als dat niet lukt,
leggen we een basis waar je niet doorheen zakt en die je helpt opnieuw te
starten. Die basis mag best wat hoger zijn dan nu het geval is. Maar die
herstart is verplicht.’
De belangrijkste functie van het
traditionele socialezekerheidsstelsel is het bieden van bescherming tegen de
sociale risico’s van ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en ouderdom.
Omdat deze risico’s als onbeïnvloedbaar werden beschouwd, kreeg de bescherming
de vorm van landelijk georganiseerde en wettelijk vastgelegde regelingen.
Solidariteit betekent in die context
dat het stelsel iedereen dezelfde voorzieningen biedt. Keuzes en eigen
initiatief zijn niet relevant, omdat het stelsel pas in werking komt als het
risico is opgetreden: het is niet gemaakt om schade te voorkomen, maar slechts
om die te repareren.
In een samenleving waarin het leven
niet langer verloopt volgens standaardpatronen en waarin individuele burgers en
hun collectiviteiten meer invloed hebben op het al dan niet optreden van
schade, komt een dergelijk stelsel onvermijdelijk in de problemen: Centrale
regelgeving sluit steeds minder aan bij de toenemende variëteit van de
samenleving. Het gevolg is toenemende complexiteit en afnemende
uitvoerbaarheid. Verminderde ‘control’ leidt dan tot toenemende behoefte aan
controle. Dat leidt niet tot meer, maar tot minder ruimte voor eigen
verantwoordelijkheid en initiatief en niet tot meer, maar tot minder
doelmatigheid.
Kortom, het maakt de zaak er alleen
maar erger op. Dit is wat we de achterliggende jaren in toenemende mate hebben
zien gebeuren.
In plaats daarvan zijn we toe aan
een principiële verschuiving van optiek. Sociale zekerheid moet aansluiten bij
het risicoprofiel van de moderne samenleving. Kern daarvan is dat de levensloop
van mensen minder dan vroeger bepaald wordt door traditie en uniformiteit en
meer en meer door keuzes en diversiteit. Betaald werk heeft daarin een
centralere plaats gekregen, omdat het
onderdeel is geworden van ieders leven. Tegelijk wordt die centrale plaats
gerelativeerd doordat zorgen en leren daarin ook hun plaats opeisen. In de samenleving
van vandaag omvat volwaardige maatschappelijke participatie al deze aspecten
van het leven in onderlinge samenhang.
In deze context is sociale zekerheid
in onze visie niet een kostenpost, maar een investeringsproject. Kernfunctie
van het stelsel is het ondersteunen en bevorderen van duurzame
arbeidsparticipatie door mensen in staat stellen op beslissende momenten in hun
leven te schakelen tussen de ene baan en de andere, tussen werknemerschap en
zelfstandigheid en tussen werken en zorgen. Scholing vervult daarbij een
sleutelrol. Op die manier kunnen mensen werk, zorg en scholing naar eigen
inzicht combineren. Periodes van werkloosheid of tijdelijke
arbeidsongeschiktheid krijgen in deze visie het karakter van momenten van
heroriëntatie waarin men zich kwalificeert voor ander werk, terwijl er tegelijk
een voorziening is die voorkomt dat men tot armoede vervalt. Het begrip sociale
zekerheid krijgt daarmee een nieuwe betekenis: het gaat erom bescherming te
verbinden met investering.
Tweede element in deze verschuiving
van optiek is een verschuiving van verantwoordelijkheden. Ons inziens is de
overheid verantwoordelijk voor een publieke basisvoorziening. Die bestaat uit
een inkomenscomponent en een investeringscomponent. Voorzieningen boven het
basisniveau zijn een zaak van burgers zelf, individueel of georganiseerd in
collectiviteiten, en vinden hun neerslag in private arrangementen. De overheid
heeft hier slechts een faciliterende rol.
Dit levert een heldere verdeling van
verantwoordelijkheden op met vergaande consequenties. In de sfeer van de
traditionele risico’s doet de overheid een stap terug door haar centrale rol in
de werknemersverzekeringen op te geven. De statelijke werknemersverzekeringen
zoals we die kennen verdwijnen en maken plaats voor een basisverzekering
aangevuld met private regelingen op het niveau van bedrijven of bedrijfstakken,
die worden afgesloten en gedragen door traditionele en nieuwe collectiviteiten
van werknemers, werkgevers en zelfstandigen.
Tegelijk doet de overheid een stap
vooruit door de basisvoorziening uit te breiden naar de nieuwe risico’s van
zorg en scholing.
Contouren van een nieuw stelsel
‘Nu zitten we op een glijbaan met
een WAO en een WW die van niemand meer zijn. Dat verandert alleen als we de
verantwoordelijkheden weer helder maken. Als we erin slagen afspraken te maken
op het niveau van collectiviteiten die de mensen herkennen en erkennen, ben ik
ervan overtuigd dat die leiden tot betere sociale regelingen dan we op dit
moment hebben.’
Het concept van een nieuw stelsel
laat zich in grote lijnen schetsen aan de hand van een in drie fasen verdeelde
levensloop. De eerste is de vormingsfase, de tweede de productieve fase en de
derde de postactieve fase.
De eerste en derde fase garandeert
de overheid een basisvoorziening voor iedere inwoner. In de vormingsfase gaat
het om investeren in de toekomst. De basisvoorziening garandeert dat ieder kind
in een veilige omgeving kan opgroeien en zich ontwikkelen. Het eerste element
houdt in dat ouders de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen
kunnen waarmaken (zie de tweede fase), het tweede element omvat het recht op
vorming. Dat recht leidt minimaal tot een startkwalificatie voor de
arbeidsmarkt en maximaal tot een bachelorsgraad. Wie eerder gaat werken - en
dus niet volledig gebruik maakt van zijn vormingsrecht - krijgt de resterende
rechten bijgeschreven op zijn levenslooprekening en kan die later alsnog
benutten. Wie na het behalen van zijn bachelorsgraad verder studeert, gaat rood
staan op zijn levenslooprekening en vult dat tekort later aan. Op die manier
investeert de samenleving in iedere burger evenveel.
Aan het eind van het werkende leven,
in de postactieve fase, garandeert de samenleving een basispensioen in
de vorm van de AOW.
‘Uit een oogpunt van emancipatie is
het zaak dat je deelneemt aan het maatschappelijk proces in al z’n facetten.
Daarom, wie een beroep doet op de basisvoorziening moet ook investeren in
participatie. Daar draait het om. In eerste instantie is dan de burger zelf aan
zet met de middelen die hij daarvoor heeft. De groep die het uiteindelijk niet
redt, tekent verplicht in op een basisbaan.’
De basisvoorziening
De belangrijkste omslag moet worden
gemaakt in de tussenliggende periode, de productieve fase. Productief in
alle betekenissen van het woord: volwassenen werken en voorzien op die manier
in hun eigen onderhoud, waar nodig investeren zij in hun werkzekerheid door te
blijven leren, zij brengen hun kinderen groot en zorgen voor hun verwanten en
dierbaren. Op die manier verzorgen zij de generatie voor hen en die na hen. De
samenleving ondersteunt burgers daarbij door middel van een basisvoorziening
die bestaat uit een basisinkomensverzekering gekoppeld aan een basisinvesteringsrekening.
De basisinkomensverzekering is een
individuele inkomensverzekering op basisniveau tegen de gevolgen van
werkloosheid en arbeidsongeschiktheid. De hoogte van dat inkomen verschilt al
naar gelang de overgebleven investeringsmogelijkheden. Wie volledig en
onomkeerbaar (de term duurzaam dient in dit verband niet te worden gebruikt)
arbeidsongeschikt is, maakt aanspraak op een hogere uitkering dan wie wel kan
werken. Ook de duur van deze verzekering verschilt: voor arbeidsgehandicapten
duurt hij tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, voor werklozen heeft hij een
beperkte duur.
De basisinvesteringsrekening heeft
de vorm van een levenslooprekening. Daarop worden in de vorm van taxcredits niet
gebruikte vormingsrechten en verlofrechten in verband met zorg voor kinderen
gestort. Door deze rechten te waarderen op geld krijgen ook mensen met lagere
inkomens een spaarpot.
Essentieel voor het
investeringskarakter van de basisvoorziening is dat de inkomenscomponent
gekoppeld is aan de investeringscomponent. Met andere woorden, bij een beroep
op de basisinkomensverzekering wordt ook gekeken naar eventueel niet
aangesproken vormingsrechten.
Een dergelijke basisverzekering
verschilt van de bijstand doordat het gaat om een individueel recht op inkomen,
dus zonder vermogenstoets en partnertoets. Door de koppeling tussen de
inkomens- en de investeringscomponent is de inkomensvoorziening geconditioneerd
op investering in menselijk kapitaal en zorg. Dat is een essentieel verschil
met het basisinkomen dat deze condities niet kent.
Hoewel velen met behulp van deze
voorzieningen erin zullen slagen om hun economische zelfstandigheid te behouden
of te herwinnen zal er ook een groep mensen zijn die daar uiteindelijk niet in
slaagt. In laatste instantie biedt de samenleving deze groep mensen een
voorziening in de vorm van een individueel minimuminkomen (zonder partnertoets,
maar met vermogenstoets) in combinatie met een participatie-aanbod in de vorm
van maatschappelijke dienstverlening. Omdat ook op dit punt recht gedaan moet
worden aan de investeringsgedachte in het stelsel, moeten deze banen een
scholingscomponent bevatten. Op die manier blijft de balans tussen bescherming
en investering in tact.
‘De overheid moet faciliteren dat
mensen voor zichzelf voorzieningen treffen, zodat ze wisselende omstandigheden
in het werkende leven tegemoet kunnen treden. Het risico van de huidige
levensloopdiscussie is dat we een heel enge regeling krijgen, waarin je een
beetje mag sparen dat je onder heel strenge voorwaarden mag opnemen: nieuwe
sociale zekerheid in een oud jasje.’
Om zich te beschermen tegen al te
sterke inkomensachteruitgang en om meer speelruimte te hebben in de inrichting
van het eigen leven, zullen velen boven de basisvoorziening aanvullende
regelingen moeten en willen treffen. Parallel aan de basisvoorziening is ook op
dit niveau sprake van een beschermings- en een investeringscomponent. In het
eerste geval gaat het om aanvullende verzekeringen tegen de traditionele
sociale risico’s van werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, in het
tweede geval om sparen ter aanvulling van de investeringscomponent in de
basisvoorziening. De enige rol van de overheid is hier het opleggen van een
verzekeringsplicht om risicoselectie te voorkomen.
De traditionele risico’s van
werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid vereisen naar hun aard collectieve verzekeringen. Maar omdat de
landelijke werknemersverzekeringen niet meer bestaan, zullen die verzekeringen
afgesloten worden op het niveau van sectoren met een herkenbaar risicoprofiel.
De regeling in de bankensector zal dan ook een andere zijn dan die in de bouw
en die van de agrarische sector zal verschillen van die van de kunstenaars.
Maar dat geldt ook voor de
bijbehorende premie die door de sector zelf wordt opgebracht. Op deze manier
wordt de balans van risico en bescherming zichtbaar en herkenbaar voor de
deelnemers aan de verzekering: de sociale zekerheid wordt als het ware
teruggegeven aan de eigenaars. Het ontbreken van afwentelingsmogelijkheden
levert bovendien voor alle partijen een sterke prikkel op om te investeren in
voorzorgmaatregelen die het risico beperken.
De investeringscomponent die de
aanvulling is op de basisinvesteringsrekening, krijgt de vorm van een
persoonlijke levenslooprekening. Die laat zich vergelijken met een rugzak
waarin iedere werknemer individuele rechten opbouwt. Het saldo kan gebruikt
worden om het inkomen aan te vullen als men verlof neemt voor studie of zorg.
Maar het kan ook een tijdelijke aanvulling zijn op een uitkering wegens
arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, zodat men deze periode kan benutten voor
heroriëntatie. Een andere mogelijkheid is het saldo te gebruiken voor een
sabbatical tijdens of aan het eind van de loopbaan in de vorm van
deeltijdpensioen, een inkomensaanvulling bij demotie of prepensioen.
Op het eerste gezicht vereist deze
regeling geen collectief element. Sparen is immers een individuele
aangelegenheid: iedere werkende burger bepaalt zelf hoeveel premie hij opzij
legt en dus hoeveel saldo hij opbouwt. Het probleem is dan dat mensen met lage
inkomens geen ruimte hebben om te sparen. Toch is het belangrijk dat ook zij
een spaarpot opbouwen waarmee zij kunnen investeren. Hier komt opnieuw het
collectieve arbeidsvoorwaardenoverleg in beeld. In dat overleg kunnen afspraken
worden gemaakt over een bijdrage van de werkgever aan de individuele rugzak van
zijn werknemers. Zo kan de solidariteit vorm krijgen op het niveau van de
werkgeversbijdrage. De overheid kan deze vorm van investeren stimuleren door
een fiscaal vriendelijke behandeling van de premies en de spaartegoeden.
Individuele rechten en collectieve financiering staan naast elkaar, waardoor de
mobiliteit op de arbeidsmarkt niet wordt verstoord: de boekhouder die het
bouwbedrijf verwisselt voor een verzekeringskantoor, neemt daar deel aan de
collectieve regelingen voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid en neemt zijn
levenslooprugzak mee naar zijn nieuwe werkgever die daarin de bijdrage stort
die in die sector is afgesproken.
Daarbij rijst uiteraard onmiddellijk
het beeld op van de organisaties van werkgevers en werknemers zoals we die
sinds jaar en dag kennen. Dat beeld zal veranderen. Als verzekeringen voor
arbeidsongeschiktheid en werkloosheid niet meer vanuit de overheid worden
geregeld, zullen ze alleen tot stand kunnen komen op het niveau van collectiviteiten
die door de deelnemers eraan – werkgevers, werknemers, zelfstandigen – herkend
en erkend worden. Dat betekent dat zij zich niet langer in de eerste plaats
oriënteren op het overheidsbeleid ten aan zien van sociale zekerheid, maar op
de vraag van werknemers en werkgevers. Langs deze lijn zal op termijn een
heroriëntatie en een zekere herorganisatie van het middenveld plaatsvinden.
Naar een hervormingsagenda
Deze gedachten zijn niet helemaal
nieuw. Al halverwege de jaren negentig circuleerde in de vakbeweging het
zogeheten cappucinomodel. Diverse denktanks deden later vergelijkbare
voorstellen (zie bijvoorbeeld ‘Anders denken over zekerheid’ Leijnse et
al.). Tot nu toe bleef een politieke reactie op deze voorstellen uit. Wij
beogen niet een afgerond model te leveren voor een compleet nieuw stelsel van
sociale zekerheid. Wat we schetsen is een verschuiving van optiek. Wij willen
geen rust aan het front van de sociale zekerheid. Maar we nemen ook afstand van een beleid dat slechts
leidt tot modulaire afbouw van het oude stelsel zonder onderliggende visie op
de toekomst. Wat nodig is, is een echte hervormingsagenda.
Piet Leenders, Ivo Kuijpers
*Aan deze gesprekken, die in het
najaar van 2003 zijn begonnen, namen naast de ondertekenaars deel: Flip Buurmeijer
(oud-voorzitter Lisv), Eric Fischer (directeur Verbond van Verzekeraars), Ton
Heerts (lid dagelijks bestuur vakcentrale FNV), Henk van der Kolk (voorzitter
FNV Bondgenoten), Martin van der Krogt (directeur sociale zekerheid en zorg
Ewyckgroep), Ronald de Leij (AWVN), Kick van der Pol (lid directie Interpolis),
Hans Spigt (wethouder Dordrecht en voorzitter commissie sociale zaken VNG), Tof
Thissen (directeur
Divosa) en Herman Wijffels
(voorzitter SER) en Felix Rottenberg.
Deze tekst is een verkorte versie
van een uitgave later verschijnt bij uitgeverij DeBalie.
Notulen
Algemene Ledenvergadering 3 april 2004 te Utrecht
Aanwezig:
Saar Boerlage, Maria Dijkstra, Guido den Broeder, Michiel van Hasselt, Philippe
Blankert, Gosling Putto, Judith Israels, Yvonne del Valle, Wim Sweers, Johannes
van der Harst, Wim Wolbrink sr., Floris
Methorst.
Afwezig
met bericht: Jan Boerlage, Rob Steinbuch, Paul Metz, Loek Groot.
1.
Opening.
- Saar Boerlage opent de vergadering.
2.
Mededelingen.
- Grietje Lof is nog niet hersteld. Zij heeft
voor de VBi goed werk verricht, maar zoekt inmiddels een andere werkkring.
3.
Vaststelling agenda.
- De
agenda wordt conform het voorstel vastgesteld.
4.
Notulen 5 april 2003
- De notulen worden goedgekeurd.
5.
Jaarverslag 2003.
- Paul Metz heeft schriftelijk bericht dat
hij in het jaarverslag een woord van lof voor Grietje heeft gemist.
- Het jaarverslag wordt goedgekeurd.
6.
Financieel verslag 2003.
a.
Verslag kascontrolecommissie.
- De
kascontrolecommissie (Floris Methorst en Johannes van der Harst) heeft geen
verslag kunnen uitbrengen, omdat zij nog niet over alle stukken kon beschikken.
Zij blijft nog even aan.
b.
Financieel jaarverslag 2003.
- Het verslag kon niet worden voltooid
vanwege het ontbreken van een aantal stukken. Op 9 oktober 2004 zal een extra
ledenvergadering worden gehouden om een en ander af te ronden en waarnemend
penningmeester Saar Boerlage décharge te verlenen.
c.
Benoeming nieuwe kascontrolecommissie.
- Deze zal plaatsvinden op de
ledenvergadering op 9 oktober 2004.
7.
Werkplan 2004.
a.
Voortgang werkplan.
- Over de
voortgang worden geen opmerkingen gemaakt. Wel wordt gesteld dat de website
zoveel mogelijk aandacht dient te krijgen en dat de fondsenwerving mede zal
moeten steunen op het bewijs van een goede financiële administratie. Ook zou
het werkplan wat bondiger moeten worden geformuleerd.
b.
Begroting 2004.
- De nieuwe penningmeester, Guido den
Broeder, licht zijn begroting toe. Hij verwacht dat de kosten in 2004 zullen
dalen omdat het kantoor zal worden opgeheven. Daardoor is ook een
internetprovider niet langer nodig, maar kan worden volstaan met het huren van
webruimte.
- Opgemerkt wordt dat de Stichting Grondvest
in de positie verkeert om de Vereniging Basisinkomen financieel te steunen bij
gebleken noodzaak en dat het een goed idee zou zijn om voor de VBi een
donateursfonds op te richten.
8.
Bestuurssamenstelling.
- Philippe Blankert wordt tot voorzitter van
de Vereniging benoemd. De aftredende leden, Saar Boerlage en Maria Dijkstra,
worden herbenoemd. Zittend bestuurslid Guido den Broeder wordt benoemd tot
penningmeester.
- Judith Israels wordt uitgenodigd om enkele
bestuursvergaderingen bij te wonen.
9.
Rondvraag.
- Opgemerkt wordt dat Flip Buurmeijer dingen
heeft gezegd die kunnen wijzen op zijn belangstelling voor een basisinkomen.
- De aandacht wordt gevestigd op een aantal
komende conferenties over sociale ontwikkelingen.
10.
Sluiting.
Saar
Boerlage sluit de vergadering.
Tijdens het
middaggedeelte van de vergadering
tussen 13.30 u. en 15.45 u. vond onder leiding van Saar Boerlage een dicussie
plaats over de inhoud van een mogelijke voorlichtingsbrochure van de VBi.
Gosling
Putto, maart 2005
Notulen Algemene Ledenvergadering 9 oktober 2004 te Utrecht
Aanwezig:
Saar Boerlage, Jan Boerlage, Maria
Dijkstra, Guido den Broeder, Tony Greenwood, Michiel van Hasselt, Philippe
Blankert, Gosling Putto, Willem de Jonge, Bram Snoek, Rob Steinbuch, Wim
Sweers, Johannes van der Harst, Floris
Methorst.
Philippe
Blankert opent de vergadering en bespreekt de beslommeringen rond het
personeelslid van de VBi, en stelt ook de kansen en mogelijke acties van de
vereniging aan de orde. Het doel van deze ingelaste ledenvergadering is het
afronden van het financieel verslag over 2003. Inmiddels heeft de nieuwe
penningmeester, Guido den Broeder, alle gegevens over dit jaar boven tafel
gekregen en heeft de kascontrolecommissie het financieel verslag goedgekeurd.
Onder applaus wordt de waarnemend penningmeester voor het jaar 2003, Saar
Boerlage, gedechargeerd. Er wordt een nieuwe kascontrolecommissie benoemd; de
leden zijn Rob Steinbuch en Floris Methorst. Terzake van de begroting over 2005
wordt opgemerkt dat er uiterste zuinigheid betracht moet worden, maar dat toch
veel aandacht geschonken moet worden aan de pr en aan de Werkgroep Onderzoek.
Tijdens de rondvraag zegt Bram Snoek dat hij wil meehelpen met onderzoek naar
de ongerijmdheden van het huidige stelsel van sociale zekerheid en de weg naar
het basisinkomen. Hij heeft een voorzet gemaakt en zal die aan de VBi mailen om
desgewenst op de website te zetten. Wim Sweers heeft ideeen over het
basisinkomen opgenomen in het blad van de Stichting Grondvest.
Tijdens het
middaggedeelte van de vergadering houdt Loek Groot een lezing over “Ontspannen
arbeidsmarkt en levensloopbeleid”. Hierin wordt de huidige trend in de ontwikkeling van de sociale zekerheid
besproken. Die gaat richting “driepijlermodel” met minimale uitkeringen, deels
vrijwillige verzekering en sparen, en
mogelijkheden voor het individu om zelf voor zijn zekerheid te zorgen.
Het basisinkomen past eigenlijk uitstekend bij die trend. Op de lezing volgt
een algemene discussie.
Gosling Putto, maart 2005
I. ORGANISATIE
1.
Bestuur van de Vereniging Basisinkomen
In 2004
bestond het bestuur uit zes personen: Philippe Blankert (voorzitter), Saar
Boerlage (plv. voorzitter), Guido den Broeder (penningmeester), Maria Dijkstra,
Michiel van Hasselt en Gosling Putto (secretaris). Het bestuur is in 2004
twaalf maal bijeengekomen.
2. Verenigingskantoor
Het kantoor
van de vereniging aan de Wagenaarstraat 184, 1093 EB Amsterdam is in 2004
opgeheven. Aanleiding hiertoe waren de financiële positie van de VBi en de
afwezigheid wegens ziekte sinds september 2003 van de enige bureaumedewerkster,
Grietje Lof. Laatstgenoemde gaf te kennen dat de oorzaak van haar ziekte bij de
Vereniging Basisinkomen was gelegen en dat zij daarom na genezen te zijn daar
niet wilde terugkeren. Zij is inmiddels ontslagen. Ook al omdat de
subsidiegever NV Werk het einde van de loonkostensubsidie had aangekondigd,
werd besloten om geen te salariëren medewerker voor de VBi meer aan te trekken.
Het adres van de Vereniging Basisinkomen is nu: Igor Stravinskisingel 50, 3069
MA Rotterdam, tel. 010-4559538, het woonadres van de penningmeester. Daar is
ook het archief van de vereniging ondergebracht. Het secretariaat is gevestigd
aan de Stieltjesstraat 392, 2521 TS Den Haag, tel. 070-3859268.
3. Leden
Eind 2004
bedroeg het aantal betalende leden van de Vereniging Basisinkomen 121,
tegenover 134 in 2003. De Nieuwsbrief wordt overigens ook toegezonden aan
enkele tientallen relaties.
4. Werkgroep
Onderzoek
De
Werkgroep Onderzoek kent een wisselend aantal leden. Voorzitter is Michiel van
Hasselt. In overleg met het bestuur van de VBi worden de activiteiten van deze
werkgroep vastgesteld. In 2004 is de werkgroep enkele malen bijeen geweest.
Onderwerpen: de nieuwe brochure van de VBi en het Baliemanifest over hervorming
van de sociale zekerheid in Nederland.
5.
Financiën
De
financiële positie van de VBi is in 2004 gestabiliseerd. Voor het eerst sinds
jaren is er evenwicht tussen inkomsten en uitgaven.
II.
ACTIVITEITEN
1.
Lezingen, nieuwjaarsborrel en discussies
Op vrijdag
16 januari 2004 hield Philippe Blankert bij het LSVEB te Utrecht
een lezing over de praktijk van de integratiebureaus en de daarmee
samenhangende behoefte aan een basisinkomen.
Vervolgens werd daar de traditionele Vbi-nieuwjaarsborrel gehouden.
Op zaterdag
3 april 2004 leidde Saar Boelage in de vergaderruimte aan de Brigittenstraat 15
te Utrecht een discussie over te door de VBi te volgen koers en de inhoud van
een nieuwe brochure.
Op zaterdag
9 oktober hield Loek Groot bij het LSVEB te Utrecht een lezing over het
onderwerp “Ontspannen arbeidsmarkt en levensloopbeleid”.
2. Debat
over het Baliemaniefest inzake sociale zekerheid
In de Vier
Seizoenen Zaal in het Centraal Station in Amsterdam vond op 22 november 2004
een door de Werkgroep Onderzoek georganiseerd debat plaats over het
Baliemanifest, mede naar aanleiding van het commentaar, dat in het Financieele
Dagblad over dit manifest verschenen was. Aanwezig waren leden van de WgO, de
auteurs van het manifest en enkele publicisten die zich in de landelijke pers
over het manifest hadden uitgesproken.
Op
uitnodiging van de auteurs heeft Michiel van Hasselt vervolgens een reactie op
de voorstellen geschreven.
3.
Nieuwsbrief
De
Nieuwsbrief Basisinkomen verscheen in 2004 twee maal. De redactie bestond
uit Saar Boerlage en Gosling Putto. Er
waren bijdragen van Philippe Blankert, Saar Boerlage, Guido den Broeder,
Michiel van Hasselt, Gosling Putto en Astrid van Triet.
4.
Website Vereniging Basisinkomen
Guido den
Broeder beheerde de website van de Vereniging Basisinkomen. Hij heeft de site, waarop de nieuwsbrief te
lezen is en die vele artikelen en links bevat, aangevuld met een discussieforum
en de algehele vernieuwing ervan ter hand genomen. Het adres is:
“www.basisinkomen.nl”.
In mei werd
de tekst van een nieuwe introductiebrochure van de vereniging op de website
geplaatst. Inmiddels is deze ook in druk verschenen.
Gosling Putto,
maart 2005
1.
Doelstelling van de Vereniging Basisinkomen.
Het doel
van de Vereniging Basisinkomen is het doen invoeren van een basisinkomen in
Nederland. De vereniging is zich ervan bewust dat dit doel naderbij komt indien
ook in andere landen een basisinkomen wordt ingevoerd. Onder
basisinkomen wordt een vast (maand-)inkomen verstaan, dat de overheid aan
iedere burger verstrekt of garandeert zonder daar voorwaarden bij te stellen.
Het heet basisinkomen omdat het net genoeg is om van rond te komen.
2. Verwezenlijking van de doelstelling.
De
invoering van een basisinkomen in Nederland op verschillende manieren gestalte
kunnen krijgen: door het uitbreiden van de heffingskorting, per
(leeftijds-)categorie, via het afschaffen van voorwaarden in het
huidige stelsel van sociale zekerheid, of via het verdelen van de opbrengsten
uit natuurlijke rijkdommen.
Het uitbetalen van het basisinkomen kan het eenvoudigst door de belastingdienst worden uitgevoerd, onder verrekening met de belastingverplichtingen.
Of er naast een basisinkomen nog verdere regelingen nodig blijven, zoals een verzekering tegen inkomensderving, is een vraag waar verschillend over kan worden gedacht.
De Vereniging Basisinkomen richt zich op diverse doelgroepen in de samenleving om steun te verwerven voor de invoering van een basisinkomen:
- publiek: door acties, demonstraties, direct mail, via internet en andere media, nieuwsbrief, advertenties, artikelen, lezingen, discussies, interviews en ingezonden stukken;
- politiek: via informatieverstrekking, uitnodigingen voor discussies en deelname aan werkgroepen die zich met het basisinkomen bezig houden;
- overheid: deelname aan openbare discussies en voorstellen voor experimenten;
- levensbeschouwelijke en ideologische organisaties en koepels: informeren, medestanders verwerven en bewegen tot actie voor het basisinkomen;
- wetenschappelijke instellingen en adviesorganen: benaderen voor onderzoek naar haalbaarheid en gevolgen, deelname aan symposia en discussies;
- zusterverenigingen in het buitenland en BIEN: uitwisseling van informatie en ideeën.
3. Activiteiten van de Vereniging Basisinkomen in 2005.
De middelen
van de Vereniging Basisinkomen zijn beperkt, waardoor deze slechts aan enkele
activiteiten prioriteit kan verlenen. Voor de fondsenwerving en de public
relations zijn vooralsnog geen vrijwilligers gevonden. De redactie van de
Nieuwsbrief en de Werkgroep Onderzoek zijn op zoek naar versterking.
De volgende activiteiten krijgen in 2005 voorrang:
-
continuering van de Nieuwsbrief;
- communicatie rond het basisinkomen via het Internet met zoveel mogelijk mensen;
- een aanvang met het formuleren van een concreet plan tot invoering van een basisinkomen in Nederland;
- het
verstrekken van informatie aan degenen die geinteresseerd zijn in het
basisinkomen.
Guido den Broeder
en Gosling Putto, maart 2005
Bestuursleden
Als
vereniging willen wij graag veel meer contacten met de politiek en allerlei
andere relevante organen. Om bij de tijd te blijven, onszelf te vernieuwen en
het draagvlak voor de invoering van basisinkomen te vergroten. Wij zijn daarom
op zoek naar een of meer bestuursleden die zich graag met externe contacten en
lobbyen bezighouden.
Redacteuren
Voor het
schrijven van stukken, redigeren van andermans stukken, verzamelen van externe
stukken ten behoeve van de Nieuwsbrief, en voor de lay-out. Geen WP-ers, maar
goede Word-kenners, met internetverbinding!
Website
De website,
nu met de bijbehorende forums, wordt steeds belangrijker voor de uitwisseling
van informatie, zowel intern als met de buitenwereld. Wij zijn daarom op zoek
naar vrijwilligers die:
- willen
helpen met het verder aankleden van de website;
- willen
helpen met het toevoegen van inhoud aan de website, om te beginnen door oude
publicaties van de vereniging te scannen en op de site te plaatsen.
Heeft u
belangstelling voor een van deze functies, neem dan contact op met het
secretariaat.
TPG Post
Port Betaald

Uitgave van: Vereniging
Basisinkomen
Igor Stravinskisingel 50
3069 MA Rotterdam
Telefoon: 010-4559538
Secretariaat: 070-3859268
E-mail: info@basisinkomen.nl
Website: www.basisinkomen.nl