OPINIE
OPINIE

17 maart 2008

Verbetering reïntegratie en verhoging arbeidsparticipatie: volksverlakkerij ?

Door: Michiel van Hasselt

Nederland besteedt jaarlijks 2 miljard € belastinggeld aan reïntegratietrajecten voor werkzoekenden. Die trajecten maken meestal niet het verschil. Ca 60% van de deelnemers heeft na afloop van het traject nog steeds geen baan.
Ca 40% vindt wel een baan, maar de overgrote meerderheid van hen zou ook zonder reïntegratietraject wel aan de slag gekomen zijn. Dit blijkt uit onderzoek naar de netto-effectiviteit van reïntegratie. Op dit onderzoek is wel kritiek mogelijk maar het lijdt geen twijfel dat het rendement van reïntegratie tot nu toe heel gering is. Van genoemde 40 % bruto effectiviteit blijft netto niet veel over – gemiddeld nog geen 5 %. De ‘beleidsdoorlichting reïntegratie’ die het bewindsliedenduo Donner en Aboutaleb op 29/1/08 de Tweede Kamer toezond spreekt van ‘een beperkt aantal procentpunten’.

De bewindslieden erkennen dus het probleem van de geringe netto effectiviteit en laten zich niet misleiden door het kosten-baten-onderzoek dat SEO in 2006 deed in opdracht van de reïntegratiebranche. (SEO = de stichting economisch onderzoek te Amsterdam)
De maatschappelijke baten van de reïntegratietrajecten zouden volgens dit onderzoek een miljard € hoger zou zijn dan de kosten. Dit klopt niet. Als sommige deelnemers dankzij de trajecten banen vinden kan SEO daaraan wel jarenlang productiebaten toeschrijven, maar dan zou SEO ook moeten verdisconteren dat deze banen aan de neus van andere werkzoekenden voorbijgaan. Deze anderen derven productiebaten. Met andere woorden: verdringing op de arbeidsmarkt is een negatief effect van succesvolle reïntegratie dat in mindering gebracht moet worden op het positieve resultaat.
Dit heeft SEO niet gedaan. Waarom niet?
Een voor de hand liggende reden is dat verdringing op de arbeidsmarkt erg moeilijk onderzoekbaar is. Daaronder ligt een diepere reden. Verdringing op de arbeidsmarkt wordt verdrongen in het heersende denken. In arbeidsmarktonderzoek, in adviezen van de RWI, in inspectierapporten van de IWI, in stukken van SZW en in voornemens van kabinet en sociale partners om de participatie te verhogen naar 80%, kortom in het hele beleidscircuit wordt het verschijnsel “verdringing op de arbeidsmarkt” genegeerd. Het past niet in het huidige beleidsparadigma. En het is deprimerend voor de reïntegratiepraktijk: stel je voor, het idee dat andere werkzoekenden minder kans zouden krijgen doordat jij iemand aan een baan helpt.
Woorden zoals ‘verdringen’, ‘dringen’ en ‘voordringen’ wijzen op onbeschaafd gedrag. Beschaafde mensen houden daar niet van.

In onze (vermeend) beschaafde samenleving heerst de ideologische opvatting: “wie je ook bent en wat je ook doet, werken is goed, betaald werken moet!”

Maar als we van iedereen eisen dat hij werkt of werk zoekt, moeten we wel zorgen dat er voor iedereen werk is. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Er zijn niet genoeg banen voor iedereen. Ruim éénderde van alle 16- tot 65-jarigen heeft geen betaalde baan van tenminste 12 uur per week (2000 t/m 2006). Het echte probleem is banentekort, maar in het bestaande paradigma wordt dit aan het oog onttrokken doordat de meeste baanloze 16- tot 65-jarigen buiten de nationale werkloosheidsstatistiek vallen. (Het CBS noemt hen ‘niet-beroepsbevolking’ en telt hen niet mee in de ‘werkzoekende beroepsbevolking’)
Laten wij de realiteit wel onder ogen zien. Volledige werkgelegenheid is er niet en komt er niet. De omvang van dit verschijnsel – banentekort – fluctueert conjunctureel, maar het verschijnsel zelf is structureel. Historisch gezien is banentekort in ontwikkelde landen vooral het gevolg van voortdurende ontwikkeling van arbeidsbesparende technologie en toenemende organisatorische efficiency.

Huidig beleidsparadigma

In het heersende denken is dit structurele banentekort onbestaanbaar. Banengroei, daar gaat het om. De notie ‘verdringing op de arbeidsmarkt’ - die impliceert dat er niet genoeg banen zijn - is compleet taboe. Als zich toch ergens een tekort aan banen manifesteert kan het heersende denken dit slechts zien als incidentele tijdelijke frictiewerkeloosheid. Werkgelegenheid is in principe toch niet schaars?
Ook de tram is soms erg vol, maar normaliter zijn er genoeg zitplaatsen voor iedereen, toch?

* * *

Vraagtekens verraden onzekerheid. Er klopt iets niet in het oude paradigma. Werkgelegenheid is wel schaars ; de netto arbeidsparticipatie in Nederland blijft in de regel beneden de 65%. (Ca 70% tijdens hoogconjunctuur 2007/2008 is de uitzondering die de regel bevestigt.) Voor ca 3 miljoen arbeidsgeschikte Nederlanders van 16 tot 65 jaar zijn er geen banen. Voor hen is ‘betaald werken moet’ een ongepast motto.
Het substantieel verhogen van de arbeidsparticipatie – zodanig dat 80% van alle 16- tot 65-jarigen een baan van minimaal 12 uur per week vervult - is grootspraak: gedoemd te mislukken. In Nederland is de arbeidsparticipatie nu al hoog (europees gezien). Dat de participatie van 70% (2007) nog eens 10% extra omhoog zou kunnen is gebaseerd op een eenzijdige zienswijze. Men kijkt goed naar de aanbodszijde van de arbeidsmarkt en ziet dan dat er arbeidsreserves zijn en dat de beroepsbevolking zal krimpen (meer uitstroom babyboomers dan instroom schoolverlaters). Men kijkt niet goed naar de vraagzijde en ziet niet dat ook de hoeveelheid banen zal krimpen - als gevolg van vier reële ontwikkelingen in de Nederlandse (en mondiale) economie:
1. Na de golf van fusies en bedrijfsovernames tijdens de hoogconjunctuur realiseren de nieuwe bedrijfseigenaren aanzienlijke personeelsreducties. (Ook de overheid als werkgever reduceert haar personeelsformatie fors.)
2. Bedrijfskosten stijgen omdat: a. geld lenen duurder is geworden (kredietcrisis),
b. grondstoffen – olie, metaal, hout, graan enz. - veel duurder (zijn ge)worden, en
c. arbeid duurder zal worden ( 3,5% looneis is matig ten opzichte van fors gestegen kosten van levensonderhoud en excessief gestegen topsalarissen);
3. Werkgelegenheid verschuift van westerse economieën zoals Nederland naar opkomende economieën zoals China en India. Westerse bedrijven kennen hoge loonkosten en regeldruk. Comparatief kostenvoordeel brengt banengroei in opkomende economieën. Door offshoring en/of outsourcing spelen multinationals hierop in.
4. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt de economische groei in de westerse wereld af. Nederland verwacht voor 2008 nog amper 2%. Als de groei verder afneemt - in 2009 en volgende jaren – verandert banengroei in banenkrimp.

Naar aanleiding van de beleidsdoorlichting reïntegratie houdt de Tweede Kamer op 26 maart een hoorzitting. Het zou mooi zijn als er dan een paradigmawisseling in gang gezet wordt. Maar te verwachten is dit niet. De bewindslieden blijven binnen het oude paradigma. Ze zeggen dat “verdere verbetering van reïntegratie nodig” is. En ze krijgen meteen bijval van het beleidscircuit.
RWI en SCP geven de vraag “Wel of niet aan het werk” een bevestigend antwoord. Thyssen (Divosa) zegt dat de Kamer de uitvoerders meer tijd moet geven om reïntegratie tot een succes te maken. De NRC geeft opinies van Kervezee (IWI): “Kamer moet reïntegratie tijd gunnen” en Kok (SEO) “Veel viel zo niet veel van reïntegratie te verwachten”. Het UWV zou van fouten in het verleden geleerd hebben en nu al op een betere manier met reïntegratie bezig zijn. Het concept CWI businessplan belooft “steeds meer mensen aan het werk” .
Kortom, het beleidscircuit (dat één van zijn bestaansredenen aan reïntegratie ontleent) roept in koor dat reïntegratie anders moet en dat het dan wel goed komt. De boodschap is: laat de politiek vooral geduld oefenen en vertrouwen stellen in het zelfvernieuwend vermogen van het veld; met wat aanpassingen zal alles wel goed komen.

Deze boodschap is in het arbeidsmarktbeleid vaker verkondigd. Bij voorbeeld het antwoord op de oplopende werkloosheid in de jaren ’80 was dat de arbeidsvoorzieningsorganisatie aangepast moest worden: van publiek staatsbedrijf naar tripartiet zelfstandig bestuursorgaan. Alles zou beter gaan door de verantwoordelijkheid ook bij de sociale partners te leggen, zowel op nationaal als op regionaal niveau.
Vervolgens bleek eind jaren ’90 dat alles niet beter ging. De sluitende aanpak was niet sluitend. De instroom in Instroom-Doorstroombanen stroomde niet door. Vervulbare vacatures werden niet vervuld. Enz.
De parlementaire commissie Van Dijk gaf de tripartisering de schuld. Vermaledijde arbeidsbureau’s kregen vervolgens een face-lift: “centra voor werk en inkomen” (CWI). De sociale wetgeving werd aangepast: meer pressie op uitkeringsgerechtigden om werk te zoeken. Tripartiete arbeidsvoorziening maakte plaats voor een private reïntegratiemarkt.

Nu blijkt dus dat ook deze private reïntegratiemarkt niet aan de verwachtingen voldoet. En meteen worden weer allerlei aanpassingen bepleit en in gang gezet: workfirst, fusie UWV-CWI, minder reïntegratietrajecten uitbesteden en meer zelf doen via reïntegratiecoaches die met modules werken, meer maatwerk, enz.

Zouden deze aanpassingen dit keer wel doel treffen?
Of zijn we over een paar jaar (al weer of nog steeds) teleurgesteld in onze verwachtingen? Zijn deze verwachtingen zelf misschien het probleem?

Onderliggende verwachtingen ter discussie

Laten we nu eens niet jaren wachten totdat een parlementaire commissie (Dijsselbloem II ?) het reïntegratiebeleid gaat onderzoeken - niet weglopen voor de hamvraag: is het arbeidsmarktbeleid op reële verwachtingen gebaseerd? (Daarna zien we wel of de vraag welke aanpassingen er nu weer moeten komen nog interessant is.)

De politiek van werk en inkomen gaat uit van twee verwachtingen, twee hoofdbestanddelen van het beleidsparadigma:

De eerste verwachting is dat aanbodsversterking helpt. Met andere woorden: naarmate meer mensen meer toegerust en meer geprikkeld worden om hun arbeidskracht aan meer werkgevers aan te bieden zou de arbeidsmarkt beter gaan functioneren.
Deze verwachting komt soms uit, maar aanbodsversterking kan soms ook averechts werken, denk aan draaideurwerkloosheid of aan overkwalificering, overscholing en lock-in effecten bij reïntegratietrajecten – specifieke situaties waarop wij nu niet ingaan

De tweede verwachting is dat aanbodsversterking bijdraagt tot banengroei. Door meer mensen naar de arbeidsmarkt te leiden zou de werkgelegenheid op termijn toenemen.
Deze verwachting is niet reëel. Reïntegratie leidt op zich zelf niet tot banengroei (afgezien van de groeiende werklozenindustrie: reïntegratiebedrijven, -onderzoekers, -adviseurs, -inspecteurs, beleidsambtenaren, sociale partners, enz.) De reden dat de verhoopte banengroei uitblijft is het verdringingseffect – een punt dat hiervoor al werd aangegeven.

Beide verwachtingen zijn dus problematisch, zij het in verschillende mate. Beide kijken naar de verkeerde kant. Ze richten zich op de aanbodszijde en niet op de vraagzijde van de arbeidsmarkt. Dit is vreemd want het is vooral de vraagzijde, de werkgever, die de match op de arbeidsmarkt bepaalt. Hij creëert, continueert of vernietigt banen. Hij kan kiezen uit diverse sollicitanten of besluiten een vacature niet in te vullen.
De sollicitant heeft meestal weinig keus. Werkaanvaarding kan krachtens sociale wetgeving zelfs verplicht zijn. De vraagzijde is de machtigste partij. Het zou logisch zijn als het beleidparadigma hierop focust. Niet ‘aanbodsversterking helpt’, maar ‘vraagversterking helpt’ zou het eerste gebod moeten zijn.
Mooi niet dus. Ja, er wordt ook aan de vraagzijde wel eens wat geprobeerd – bij voorbeeld loonkostensubsidies – maar erg succesvol zijn die niet. De netto-effectiviteit komt ook hier niet boven een paar procentpunten uit. Het is voor het regionale / nationale arbeidsmarktbeleid heel moeilijk om greep te krijgen op de banen die werkgevers (kunnen) bieden, zeker nu de bedrijven in toenemende mate internationaal (moeten) opereren.

Dit wetend wordt de eenzijdigheid van het bestaande arbeidsmarktbeleid alsnog begrijpelijk.
In arren moede, uit onmacht om de vraagzijde te beïnvloeden, is het beleid zich eenzijdig gaan richten op de aanbodszijde. En ook hier heeft het arbeidsmarktbeleid dus maar heel weinig succes. De bewindslieden hebben dit nu nog eens pregnant naar voren gebracht, maar eigenlijk was de geringe effectiviteit binnen het beleidscircuit wel min of meer bekend. Men weet het, maar men wil het niet weten. En om het niet te hoeven weten vlucht men in de illusie dat met wat aanpassingen alles wel goed komt.
Wishful thinking?
Volksverlakkerij?

Het volk wil werk en wil dus dat volksvertegenwoordigers werken aan werk. De volksvertegenwoordigers en het beleidscircuit weten eigenlijk wel dat in onze economie er nooit genoeg banen zijn voor alle burgers (= het volk). Maar het volk krijgt dit niet te horen. De oude politiek creëert met reïntegratiemiljarden de indruk dat zij werkt aan werk. Ze belooft twee honderd duizend banen extra - op weg naar 80% arbeidsparticipatie en volledige werkgelegenheid.

Schone schijn volstaat in de oude politiek.
Maar schijn bedriegt. Banengroei komt zo niet tot stand.
Wat nieuwe politiek moet doen is: terugkoppelen naar het volk dat het streven naar volledige werkgelegenheid onhaalbaar is en vervangen moet worden door een realistische doelstelling. Dit vereist politieke moed en een nieuw beleidsparadigma.

Arbeidsfundamentalisme

Alvorens het nieuwe paradigma te schetsten gaan we eerst nog in op de ideologische grondslag van het oude paradigma:
WIE JE OOK BENT, WAT JE OOK DOET,
WERKEN IS GOED, BETAALD WERKEN MOET !
Deze opvatting doordrenkt ons leven met inbegrip van onze taal. Wie `werk` zegt bedoelt: betaald werk. De `zorg` is betaalde zorg. Onbetaalde zorg moet dan maar een andere naam krijgen: `mantelzorg`. Tijd zonder bijvoeglijk naamwoord dient om betaald werk te doen. Als het niet om betaald werk gaat is een bijvoeglijk naamwoord vereist: vrije tijd.
Werknemers die op leeftijd komen lijden aan voortschrijdende arbeidsongeschiktheid. De vraag `wat doe je?` wordt gesteld om te achterhalen wat je betaalde baan is. Het antwoord `ik ben een vrije jongen` wordt niet op prijs gesteld. Wie geen baan heeft staat `aan de kant`, is `inactief`. De officiële taal kent geen positieve term voor mensen zonder betaald werk. Wie zijn baan verliest is beklagenswaardig en krijgt `tijd voor rouwverwerking` (van een reïntegratieconsulent die begripvol denkt te zijn). Wie geen baan heeft en van een uitkering leeft moet streven naar reïntegratie - alsof arbeidsparticipatie onontbeerlijk zou zijn voor maatschappelijke integratie. Wie wel een baan heeft is vanzelfsprekend geïntegreerd (ook als hij rotzooi produceert, onzin verkoopt of in zijn vrije tijd als hooligan tekeer gaat).
Volgens het arbeidsfundamentalisme zijn 9 miljoen Nederlanders niet goed geïntegreerd. Dit wordt nog geaccepteerd van gehandicapten die niet kunnen werken, van kinderen en studenten die later zullen werken en van 65-plussers die eerder gewerkt hebben en nu `achter de geraniums` mogen zitten. Maar van de overige 3 miljoen baanlozen wordt dit niet gepruimd. Voor zulke mensen `moet het makkelijker zijn om aan het werk te komen en moeilijker om afhankelijk van een uitkering je dagen te slijten`(Wouter Bos: `Nederland kan zoveel beter` blz. 104).
Het arbeidsfundamentalisme ziet niet in dat arbeidsongeschikten, kinderen, bejaarden en andere baanloze mensen maatschappelijke waarde hebben: los van welke (toekomstige of vroegere) arbeidsprestatie dan ook. Het ziet ook niet in dat Nederland een blijvend tekort van ca 3 miljoen banen heeft als je alle 16 tot 65 jarigen die kunnen werken zou willen inzetten in betaalde arbeid.

Fundamentalisme verwijst naar een fundamenteel tekort aan tolerantie ten opzichte van ongelovigen.
Fundamentalisme wordt sinds `nine eleven` geassocieerd met moslimfundamentalisme.
Dit is geen fijne associatie.
(Publieke aandacht voor dit fundamentalisme is fijn voor Mohammed B. en Geert W. Maar voor gewone burgers, moslims inbegrepen, is het fijn als de terroristen zonder veel ophef hard aangepakt worden.)
Arbeidsfundamentalisme kan beter met iets anders vergeleken worden: met het voortplantingsfundamentalisme dat hoogtij vierde in de katholieke wereld rond 1950. Toen was kinderloosheid onder gehuwden net zo taboe als nu werkloosheid onder de beroepsbevolking. Kinderloze echtelieden werden door de kerk neergezet als zielenpieten of zondige egoïsten - en daardoor ongelukkig gemaakt.
Deze situatie is nu, dankzij de opmars van progressieve opvattingen, voltooid verleden tijd. De pastoor vraagt niet meer of mevrouw nog steeds niet zwanger is.
Nu vraagt de uitkeringsinstantie of de uitkeringsontvanger nog steeds geen werk heeft. Nu zijn er sollicitatie- en reïntegratierituelen. Met hel en verdoemenis wordt niet meer gedreigd. Wel met korten of stopzetten van de uitkering.

Wie niet door het arbeidsfundamentalisme beneveld is weet natuurlijk dat betaald werk niet per definitie goed is. Het hangt ervan af of het meer maatschappelijke waarde oplevert dan het onttrekt aan mens en milieu. Weliswaar is zonder betaald werk (cq zonder voortplanting) een nationale samenleving onbestaanbaar, maar dit betekent niet dat iedereen betaald moet werken (cq dat iedereen zich moet voortplanten). Voor arbeidsparticipatie en voortplantingsparticipatie geldt dat het optimum lager dan het maximum ligt. Non-participatie is tot op zekere hoogte positief.

Maar in het arbeidsfundamentalisme kan non-participatie niet positief zijn. In dit wereldbeeld is betaalde arbeid altijd heilzaam en zijn dokters die rust voorschrijven hopeloos ouderwets.
Geregistreerde werkloosheid in de beroepsbevolking krijgt in het arbeidsfundamentalistische geloof automatisch een negatief stempel (onderbenutting van de 20 tot 100% resterende verdiencapaciteit die officieel is vastgesteld door bevoegde waarzeggers). De `niet-beroepsbevolking` blijft stelselmatig buiten beeld.
Het arbeidsfundamentalisme meent dat sociale zekerheid de uitkeringsgerechtigden passief maakt als ze niet geprest worden om werk te zoeken cq werk te aanvaarden.

Arbeidsfundamentalisme klinkt ook door in pleidooien voor meer “voorzorg”: bevordering van employability ter voorkoming van werkloosheidsuitkeringen (“nazorg”). ‘Preventie beperkt de schadelast’ zegt de verzekeraar. Zulke voorzorgpleidooien appelleren aan iets dat zeer waar is als het om een individu gaat: wie zijn employability vergroot, verkleint zijn kans op werkloosheid.
De suggestie dat deze waarheid ook zou gelden voor de samenleving als geheel gaat echter voorbij aan de verdringing op de arbeidsmarkt en is zeer misleidend. Als alle Nederlanders hun employability vergroten, neemt de Nederlandse werkloosheid per saldo niet af. De werkloosheid zou in bijna alle sectoren zelfs kunnen toenemen: vergroting van employability leidt meestal immers tot hogere arbeidsproductiviteit, dwz de mogelijkheid om met minder mensen hetzelfde te produceren.

Nieuw beleidsparadigma: arbeidsrelativisme

Arbeidsrelativisme is het uitgangspunt voor een nieuw en beter paradigma. Nuchtere Nederlanders geloven niet blind dat Betaalde Arbeid per se beter is dan andere tijdsbesteding. Nogmaals: werk is niet per definitie goed of slecht. De waarde hangt af van de arbeidsinhoud, de arbeidsvoorwaarden, de arbeidsomstandigheden en vooral de arbeidsbetekenis: de waarde van de producten of de diensten die de arbeid voortbrengt. Om de waarde van arbeid vast te stellen moet de betreffende arbeid dus eerst gerelateerd worden aan inhoud, voorwaarden, omstandigheden en betekenis, kortom: aan kwaliteit.
Deze waarde valt niet zonder meer samen met de geldwaarde: er kunnen ook maatschappelijke waarden (zoals duurzaamheid) in het geding zijn.

Minder arbeidsparticipatie is in het nieuwe paradigma niet per se een probleem. Het past in de eeuwenlange trend van arbeidstijdverkorting waarbij zowel de welvaart (economisch gemeten: het BBP) alsook de hoeveelheid vrije tijd toenemen.
Minder arbeidsparticipatie leidt niet één op één tot minder BBP. Minder arbeidsparticipatie leidt in ontwikkelde economieën meestal tot méér arbeidsproductiviteit. Voor zover het BBP minder stijgt door vermindering van arbeidsparticipatie kan dit dus deels gecompenseerd worden door vermeerdering van arbeidsproductiviteit. Niet de arbeidsparticipatie maar het BBP is maatgevend voor de betaalbaarheid van de AOW nu en in de toekomst. Als de gemiddelde levensduur toeneemt, terwijl de hoeveelheid arbeidstijd niet toeneemt of zelfs afneemt, moet er meer arbeidsinkomen overgeheveld worden naar de AOW. Het Nederlandse BBP is hoog genoeg voor de toekomstige bekostiging van de AOW op het huidige niveau. Sterker nog: de AOW-leeftijd kan best omlaag naar bijvoorbeeld 64. (Arbeidsparticipatie 64-jarigen is toch al bijna nihil).

Het nieuwe paradigma relativeert het verschil tussen betaalde arbeid en onbetaalde bezigheid. Baanloze burgers liggen niet in hangmatten, zitten niet achter geraniums, staan niet langs de kant. Ze zijn actief bezig met overleven en maatschappelijke participatie. Soms noemt men hen ’anders actief’, maar zo heel anders zijn hun activiteiten nu ook weer niet. De dingen die ze doen zijn meest dingen die mensen met een baan ook doen (in werktijd). Baanloze mensen doen misschien meer diverse dingen en nemen misschien meer de tijd. Zeker is dat baanloze mensen geen loon ontvangen en baasloze mensen zijn.

Betaalde arbeid en onbetaalde bezigheid krijgen in het nieuwe paradigma geen waardeoordeel alvorens inhoud, voorwaarden , omstandigheden en betekenis concreet zijn vastgesteld. Op voorhand is er alleen met betrekking tot de voorwaarden een verschil: onbetaalde bezigheid is niet onderworpen aan controle (afgezien van eventuele sociale controle) en levert geen geld op (afgezien van eventuele onkostenvergoeding). Er is geen reden om op voorhand te denken dat baanloze burgers minder zijn dan hun werkende medeburgers.

Wie stopt met werken verdient respect, ongeveer zoals de trampassagier die gehoor geeft aan de oproep “opstaan voor iemand misstaat niemand”. Zo’n oproep kan het alternatief bieden voor het onbeschaafde verdringen – een arbeidsmarktrealiteit die onbeschaafde beleidsmakers nu verdringen. Hoe hoffelijk zou het zijn als insiders hun arbeidsplaats ter beschikking stellen van outsiders en zichzelf terugtrekken van de arbeidsmarkt! Er zijn genoeg werkwilligen. Van genoemde 3 miljoen baanloze mensen wil 90% een baan.
(Werkgevers die bij hoogconjunctuur klagen over gebrek aan personeel, deden eerder weinig aan opleiding/ beloning/ werksfeer/ flexibele werktijden van werknemers.)
Personeelstekort is het probleem niet, althans niet voor de Nederlandse economie in zijn geheel.

Bovengeschetste ondogmatische benadering bevordert wederzijds respect en echt samen leven van mensen met en mensen zonder baan: prettig en productief met elkaar omgaan op voet van gelijkheid, ongeveer zoals nu mensen met kinderen en mensen zonder kinderen in de huidige samenleving met elkaar omgaan.
Reïntegratietrajecten zijn dan niet langer belijdenisrituelen van een arbeidsfundamentalistisch geloof. Arbeidsplicht en sollicitatieplicht zijn dan ongepast.
Een passend idee om mensen actief te laten zijn is een onvoorwaardelijk basisinkomen op bijstandsniveau. Dit kost Nederland jaarlijks 9 miljard € (4% van het staatsbudget) en levert veel maatschappelijke winst op: minder armoede, minder bureaucratie, minder ontslagkosten voor werkgevers, beter burgerschap, realisatie van een vrijheidsideaal. Mogelijk neemt de arbeidsparticipatie iets af en de arbeidskwaliteit iets toe.
Hoe dan ook, veel mensen zullen een arbeidsinkomen nastreven bovenop hun basisinkomen. Daarbij kunnen zij reïntegratietrajecten inschakelen als ze dat zinvol vinden.
Dit laatste is essentieel in het nieuwe paradigma: uiteindelijk bepaalt de baanloze persoon zelf, op basis van zijn eigen oordeel en intrinsieke motivatie, of hij arbeidsmarktkansen heeft en grijpt. Dit bevordert op termijn de kwaliteit - van de arbeidsparticipatie èn van allerlei maatschappelijke participatie.

Michiel van Hasselt
cives@orange.nl

17 maart 2008
voorzitter Vereniging Basisinkomen